Marchal


2008 Advent 2

Tot spreken geroepen

Soms komen zinvolle dingen ter sprake. Te vaak gebeurt het dat de geachte spreker niet meer in de aanbieding heeft dan een praatje voor de vaak. De situatie kan er ook naar zijn, dat je met stomheid geslagen bent. Hoe dan verder? Gert Marchal leest Jesaja 40:1-11.
Roept u maar! Het hoort bij een gespreksleider die een geanimeerde discussie wil aanzwengelen. Zo’n onvoorwaardelijke uitnodiging is niet zonder risico’s. Je mag tenminste enige zelfkennis en kennis van zaken veronderstellen. Discussiëren komt van een werkwoord in het Latijn, met de letterlijke betekenis: uiteen splijten. Willem Barnard vertaalt het dan ook met ‘splijtzwammen’. Deze negatieve duiding is niet zonder reden. Een regel, die meer is dan spelen met woorden: inspraak zonder inzicht leidt tot uitspraak zonder uitzicht. 
Mond van God
Een oude profeet, op naam van Jesaja, wordt tot spreken geroepen. In een ellendige, dat is: uitlandige situatie. Het volk Israël is in ballingschap, ontredderd en ontheemd. Wie kan dan zinnige dingen zeggen, laat staan mond van God zijn? Toch weet de profeet zich van Hogerhand geroepen. Blijkbaar is de Here, door middel van zijn Woord en Geest, hem te machtig geworden. De profeet weet vooralsnog niet meer uit te brengen dan een besef van machteloosheid: ‘Wat zal ik roepen?’ (6). ‘Roepen’ heeft de klank, de kracht van een nieuw begin, zelfs van leven uit de dood. Zoals de Here ooit deed bij de schepping: ‘En God riep het licht: dag! en de duisternis riep Hij: nacht!’ (Gen. 1:5). Dat roepen, dat spreken met gezag, die bevrijdende taal, waartoe wij zelf niet bij machte zijn, is verankerd in het Woord van onze God, dat eeuwig stand houdt (8). 
Dat Woord hebben wij niet in, bij of achter de hand. Onze woorden kunnen alleen maar tot Woord worden, waar en wanneer het God behaagt, als zijn Adem, zijn Geest de woorden vult. Zo is de Bijbel ontstaan en overgeleverd. Woorden van mensen, waarin en waardoor God zichzelf ter spraken wil brengen. Daarom wordt bij de opening van dit Boek altijd gebeden om de verlichting van en door de Heilige Geest. ‘Want ieder blijft Gods Woorden vreemd, behalve wie ze van Hem zelf verneemt’ (M. Nijhoff). 
Advent
Eeuwen later heeft Johannes de Doper deze profetische woorden opnieuw in de mond genomen met het oog op Jezus Christus (Joh. 1:23). Even tevoren, in de proloog van het evangelie naar Johannes, is deze Ene bezongen als degene, in wie de Here God zichzelf geheel en al heeft uitgesproken. Hij wordt dan ook WOORD genoemd, sprekend God. Alle voorgaande Woorden van God vinden in Hem hun diepste bestemming. Alle volgende Woorden hebben hun bestand in Hem. 
Karl Barth (1886-1968) sprak in dit verband over de drie gestalten van het woord: WOORD, Woorden, woord. Onze woorden staan in dit bezielde verband. Daarbuiten is er niets te zeggen dat echt beklijft. Advent kan nooit zonder Pinksteren. Met de woorden van een gebedslied (Gezang 250), uitziende naar de Heilige Geest:
Waar Gij niet zijt, is het bestaan,
is alle denken, alle doen
zo leeg en woest, zo dood als toen
Gij, Geest, nog niet waart uitgegaan.
Er is geen licht dan waar Gij zijt,
uw vleugels breidt, uw vleugels strekt,
geen leven, dan waar Gij het wekt
in een gemis dat tot U schreit
Confessioneel, Advent 2008

6.401 Responses to 2008 Advent 2