Marchal


1. Genesis

Genesis 32: 22-32
Gehouden op
*Zondag 26 augustus 2012, 19.00 uur in de Grote Kerk te Apeldoorn
Bijbellezing: O.T. Genesis 32: 22-32; N.T. 2 Corinthiërs 12: 6: 9
*Zondag 14 oktober 2012, 10.00 uur te Zwolle-Berkum
Bijbellezing: O.T. Genesis 32: 22-32; N.T. 2 Corinthiërs 12: 6: 9

God ontmoeten… Onze eerste, misschien ook wel enige, gedachte is: dat is mooi. Beter nog: het mooiste dat er is! Als we ons er verder in verdiepen, dan stellen we ons een soort videoclip voor met wonderbaarlijk, bovenaards licht en daarbij passende hemelse muziek. We zijn van die religieuze dromers, terwijl het leven, ook het geloofsleven, zo ruig, rauw, weerbarstig is. Ook hier geldt: te waar om mooi te zijn.

Ad den Besten, dichter van veel kerkliederen, ontmoette ooit iemand uit de Pinksterkringen, van wie je weleens de indruk krijgt dat ze bij de Here God op schoot zitten. Die Pinksterbroeder vroeg als een soort lakmoesproef, een geloofstest, aan Den Besten: ‘Heeft u ooit een Godservaring gehad?’ Het weerwoord van Den Besten: ‘Ja, mijnheer, ik schrok me rot!’

Jakob is zich ook rot geschrokken. Hij ontmoet God – dat dringt pas later tot hem door, na een gevecht op leven en dood – op een plaats die veel weg heeft van een griezelfilm, op een manier die je niet zo gauw of helemaal niet van God verwacht. Hij presenteert zich als een Nachtfiguur, een Tegenstander, terwijl wij doorgaans graag een liever, aardiger beeld van God hebben: God als Vriend, als Helper in nood, met een arm om je heen, niet met een vuist die je slaat.

Wat voor mens is Jakob? Ik probeer hem scherp in beeld te krijgen en dat beeld een tikkeltje uit te vergroten. Al doende wordt het verschil in afstand – Apeldoorn op de Veluwe en een riviertje in Israël, de Jabbok – en het verschil in tijd – ruwweg 3500 jaar – steeds kleiner.
Het beeld, het portret, van Jakob lijkt verdacht veel op dat van onszelf. Hij heeft succes gehad in zaken en daarom heeft hij ook een groep mensen om zich heen, die hoe dan ook van hem afhankelijk zijn. Maar succes is iets anders dan zegen. Jakob wist van huis uit wat zegen betekent. Die heeft hij niet gratis, uit genade, ontvangen, maar listig gestolen. Hij is als iemand die een medaille gewonnen heeft op de Olympische Spelen, maar wel met doping. Een gestolen zegen – en daarmee is hij met de noorderzon vertrokken.
Maar het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Hij is op weg naar huis en nu komt hij zichzelf tegen. Niet in een spiegel, maar in de ontmoeting met een vreemde, angstaanjagende macht, in het holst van de nacht.

Jakob moet een grens over. Tussen de ene dag en de andere, tussen het verleden en de toekomst, tussen zijn vlucht en zijn thuiskomst, oog in oog met zijn broer die de zegen toekwam, ligt een kloof.
En dan: ‘Zo bleef Jakob alleen achter. En een man worstelde met hem, totdat de dag aanbrak’. Huiveringwekkende woorden, meer herkenbaar dan ons lief is. Met je schuld, met je angst, met je onzalige, onverwerkte verleden moet je alleen verder.

Je kunt natuurlijk meer doping tot je nemen, op de wijze van: al te goed is gek; niemand is volmaakt; geen softe praatjes, want de wereld is hard. Maar je wordt steeds meer een vreemdeling, een verknipt en verkreukeld mens, met al je bezit, al je succes.

Zo al ergens, dan geldt hier: mensenhulp is ijdel. Tevergeefs. Mensenwoorden helpen niet echt verder. God moet er aan te pas komen. Niet ‘het Opperwezen’, niet ‘de lieve Heer’, of welke hotemetoot dan ook, maar de God van het verbond, de God van Abraham, Isaak, die – wonder boven wonder – ook de God van Jakob wil zijn.

Waarom doet Hij zich voor als een Tegenstander en gaat Hij op de vuist? Ik tob ermee om dit te verstaan, maar allengs gaat mij een beetje meer licht op. Dat de Here God zich zo bekend maakt – Luther noemt dat: ‘sub contrario’, onder de schijn van het tegendeel – is geen uitzondering, maar komt meer voor in de Bijbel. Bij Job bijvoorbeeld, die de Here God tart met zijn woorden: ‘Mijn Tegenstander scherpt zijn ogen tegen mij; (…) Ik leefde in vrede, maar Hij schrikte mij op; Hij greep mij bij de nek en wierp mij ter aarde, stelde Zich mij ten doelwit’ (16: 9, 12). En Jeremia, die zegt: ‘Gij zijt mij waarlijk als een uitdrogende beek, water waarop geen staat valt te maken’ (15: 18).
Er is nog een voorbeeld waarbij je denkt: ‘Dit kun je toch niet maken? Dit gaat over de grens en wordt Godslastering.’ Ik bedoel een regel uit de Klaagliederen: ‘Hij heeft mijn weg versperd met steenblokken, mijn paden onbegaanbaar gemaakt; Hij is mij een loerende beer, een leeuw in verborgen schuilhoeken’ (3: 9-10).

Dat is in geen orthodox, ook in geen vrijzinnig boekje te vinden, maar de Bijbel trekt zich niets aan van onze aanduidingen links, rechts; zwaar, licht; orthodox, vrijzinnig.

Waarom komt de Here God ons zo tegemoet? Ik denk dat we vaak zo ingewikkeld en verfomfaaid in elkaar zitten dat ook de Here God zich anders – sub contrario! – wil voordoen om ons werkelijk te bereiken, om ons op de knieën te krijgen. Het is zoeken en tasten, maar dichterbij kan ik niet komen.

Terug naar dit Bijbelverhaal. Ik zie dat voor me en ik hoor de geluiden. De stilte van de nacht onderbroken door rauwe, onderdrukte kreten, door gesteun en gekreun. En dan die wonderlijke regel, die ook zo moeilijk past in ons gangbare beeld van God: ‘… een man worstelde met hem (…). Toen deze zag dat hij Jakob niet overmocht…’ Met andere woorden: God als Verliezer.
Hij is toch altijd en overal Overwinnaar? Ja, wat heet overwinnen? Een vraag, die ons voorzichtig maakt, ontleend aan het hart van het Evangelie: is het kruis verlies of winst? Daar is God, die in de gestalte van Christus onder ons is, schijnbaar de verliezer. Daar is Paulus, ook zo’n man die door een donkere tunnel heen ging, God ontmoette op de weg naar Damascus en met blindheid werd geslagen – maar Paulus noemt dat kruis de kracht van God en de wijsheid van God.

God laat zich verslaan om Jakob te laten opstaan, Jakob wordt geslagen op zijn heupgewricht. Hij is lijfelijk getekend door deze ontmoeting, deze worsteling. Hij wordt er een ander mens van. Vandaar die naamsverandering. Hem wordt gevraagd: ‘Hoe is je naam?’ Het antwoord: ‘Jakob.’ Dat is: hielenlichter, mannetje met doping. En dan dat wonderlijke vervolg: ‘Uw naam zal niet meer Jakob luiden, maar Israël, want ge hebt gestreden met God en mensen, en ge hebt overmocht!’

Ik kan het niet beter zeggen dan met de woorden uit het Evangelie: ‘Wie zijn leven zal willen behouden, die zal het verliezen, maar wie zijn leven verloren heeft aan Mij en aan het Evangelie, die zal het opnieuw, voor altijd, ontvangen’.

Jakob krijgt alsnog de zegen. Dan breekt gaandeweg de zon door. De nacht wordt verdreven door de dag: ‘de zon ging over hem op, toen hij door Pniël getrokken was’.
Ik vind dat zo indrukwekkend. Wat er precies gebeurt, gaat mijn macht, mijn besef te boven, maar ik ga, dank zij Hem, de dag tegemoet. Jakob is getekend, gelittekend door Gods genade. Hij hinkt, maar zo heeft hij de moed om zijn broer te ontmoeten. Zo komt hij klaar met zijn verleden en kan hij verder, de toekomst tegemoet.
Willem Maarten Dekker, een collega uit Mastenbroek, aan wie ik een en ander heb ontleend in deze overdenking, schrijft in dit verband: ‘Jakob voelt zich ondanks zijn manke been sterker dan ooit. Jakob loopt voortaan mank, maar toch is zijn tred trefzekerder dan ooit.’

Ten slotte, lieve lezer: ging het alleen over Jakob, zo ver weg, zo lang geleden? Of gaat het ook over onszelf? God komt ons tegemoet op allerlei wijzen. Een stem, die ons aanspreekt. Een storm, die door ons leven raast en alles op z’n kop zet. Een vriend die ons de hand reikt. Een Vijand, een Tegenstander die een gevecht met ons aangaat. Een spoor van licht. Een nacht vol duisternis. God is zo groot dat Hij niet te vangen is in het luciferdoosje van onze ideeën. En een mens is zo geheimzinnig en uniek, dat je er nooit een mal, een vast patroon van kunt maken. Geef elkaar, geef God de ruimte. Hij komt je tegemoet, in welke gestalte dan ook. Misschien wel ‘sub contrario’, onder de schijn van het tegendeel. Maar Zijn laatste bedoeling is steeds, wat de apostel Paulus op een kruispunt van zijn leven hoorde: Mijn genade is u genoeg! Amen