Marchal


1. Genesis

Genesis 1:26
Gehouden op:
*Woensdag 13 maart 1974, bidstond te Oosthem
Bijbellezing: Genesis 1: 24 – 2: 4a.

In het merkwaardige boek Prediker staat het merkwaardige regeltje: wie kennis, wetenschap, vermeerdert, vermeerdert smart. Dit is geen uitspraak van iemand die liever lui dan moe is, maar van iemand die al zijn krachten en vermogens heeft ingezet en zo, aan den lijve, ondervonden heeft wat het betekent om mens te zijn.
Wie kennis vermeerdert, vermeerdert smart. Ik vermoed dan de waarheid van deze woorden vooral in onze dagen door steeds meer mensen erkend wordt. Er is nooit een tijd geweest, waarin de mens zoveel dingen wist als de onze, op zoveel vragen een antwoord kon geven. Maar tegelijkertijd ontstaan er steeds meer dingen, die de mens niet weet, steeds meer vragen, waarop hij het antwoord schuldig blijft.
De techniek, de wetenschap van alles wat wij kunnen, maakt ons duizelig van bewondering en verrukking, maar tegelijkertijd duizelig van ontzetting en angst. Hoe zullen we ons technisch kunnen gebruiken? Het dreigt ons boven onze macht te gaan, uit de hand te lopen. Daarom is er in de wetenschap een merkwaardige ontwikkeling gaande. Behalve aandacht voor de vraag: ‘Wat kunnen wij?’ groeit de belangstelling voor de vraag: ‘Wie zijn wij?’
De zogenaamde mens-wetenschappen raken steeds meer ín. Psycholgie, sociologie, anthropologie, andragogie enz. Moeilijke namen van studierichtingen die zich met het geheim van de mens bezighouden.
Wie zijn wij? Elk mogelijk antwoord roept een veelheid van nieuwe vragen op. Het verschijnsel mens is moeilijk te vatten, laat staan te doorgronden. Hij is op drift geraakt, op hol geslagen. Hij lijkt op een autobestuurder, die de macht over het stuur is kwijtgeraakt en in panische angst alle knoppen uittrekt, alle pedalen indrukt.
Wat kunnen wij? Duizelingwekkend veel, maar in wezen o zo weinig. Wie zal wij? Wie zal de mens in deze hachelijke, verbijsterende situatie helpen? De mens-wetenschappen met hun keur van geleerden – geen kwaad woord over hen! – kunnen wel enige verlichting van de pijn en angst teweeg brengen, maar geen genezing. Het begin, het beginsel van alle wijsheid is de vreze des Heren. Alleen op deze weg is genezing mogelijk.
Zolang de mens zichzelf niet of niet meer verstaat als schepsel, verantwoordelijk voor, gekend en bemind door God, zal hij steeds meer op drift raken en zich ten slotte zelf vernietigen.
Daarom is het geen kleinigheid, maar een levensgevaarlijke ontwikkeling dat de kennis van de levende God steeds meer vervaagt, steeds meer verdwijnt. Een samenleving, een cultuur, waaruit dit hart verdrongen en zelfs weggesneden wordt, verwildert en bloedt dood. Daarom vervult de toekomst van ons volk en van onze wereld mij met een beklemmende zorg.
Bij het licht van de Schrift valt er ook licht op onze tijd. Allerlei ontwikkelingen komen ons duidelijker voor ogen te staan is geen wonder dat de mens op hol is en wanhopig naar zichzelf zoekt naarmate hij zich van God verwijdert. Het is de wet van oorzaak en gevolg. God en mens staan in een bepaalde betrekking tot elkaar. Wanneer deze relatie verbroken wordt, raakt alles in de war en op drift. Dat wordt op aangrijpende wijze duidelijk uit de eerste bladzijden van de Bijbel. Daar wordt het verhaal van de schepping verteld, liever gezegd: het lied van de schepping gezongen.
Met behulp van woorden, uitdrukkingen voorstellingen uit die tijd wordt een poging gedaan om het geheim van de schepping, dat tegelijk het geheim van de Schepper is, uit te zingen. Dit oude lied raakt nooit verouderd; ook niet door de opkomst en de hoge vlucht van de natuurwetenschap. De Schrift nodigt uit om mee te denken, mee te zingen. Wie het geheim beter onder woorden kan brengen, ga zijn gang. Het is de vraag of iemand ooit iets kan bedenken dat dieper graaft, dat meer hout snijdt.
Aan de schepping van de mens gaat iets vooraf. Hij is eigenlijk een na-komer; pas op de zesde dag komt hij kijken. Voordien is alles in gereedheid gebracht om hem te ontvangen. Het huis van de wereld is keurig ingericht om de bewoner van dienst te zijn: licht en lucht, grond en begroeiing,  vogels, vissen en vee. Telkens lezen we het scheppingswoord van God: ‘Er zij…’, ‘Er zij…’ Gevolgd door: ‘En het was alzo’.
Op de zesde dag worden eerst de landdieren geschapen, naar hun aard. Maar dan gebeurt er iets bijzonders; er klinken andere woorden die het unieke van de mens typeren: ‘Laat ons mensen maken, naar ons beeld, als onze gelijkenis’. We gaan deze regel eens even spellen.
Waarom wordt hier een meervoud – het woordje: ‘ons’ – gebruikt? Er zijn tastende pogingen gedaan om deze spreekwijze enigszins te duiden. De mogelijkheid van meerdere goden wordt door het geheel van de Schrift uitgesloten. Gaat God dan misschien te rade bij de hofstoet, die Zijn troon omringt: de hemelingen, de dienende geesten, de engelen? Volgens anderen moeten we dit meervoud vergelijken met ons spraakgebruik: ‘Wij, Juliana, Koningin der Nederlanden…!’ Tastende pogingen om het spoor te vinden. Ik vermoed dat de bedoeling deze is: God heeft aan Zichzelf genoeg; Hij is niet eenzaam. Hij heeft niets of niemand werkelijk nodig buiten Zichzelf. Hij is in Zichzelf gemeenschap. Wij,  mensen, hebben een aanspraak, een tegenover, een naaste nodig. In ons eentje verpieteren, verwelken wij. God is God. Hij heeft aan Zichzelf genoeg. De schepping is niet noodzakelijk, maar gegrond in het welbehagen van God. Daarom spreekt niets vanzelf. Het spreekt alles van Hem, die eens zei: ‘Laat ons mensen maken!’
Daar klinkt ook een stuk vreugde in door: wat een idee; dat doen we! We gaan een stap verder: ‘mensen maken’. Letterlijk staat er: een mensheid. Het Hebreeuwse woordje voor mensheid is haast hetzelfde als dat voor aarde. Dat wil zeggen: wat nu komt, een mensheid, is verworteld met de aarde. En toch is het een unieke, onvergelijkelijke verschijning op de aarde. Er volgt immers niet, zoals bij de land-dieren: naar hun aard, maar: ‘naar ons beeld, als onze gelijkenis’. De mens is uit de aarde, aards, maar toch: veel meer! Wat betekenen deze woorden: beeld en gelijkenis?
Weer zeggen we: We komen niet verder dan aarzelende pogingen. Dat hoeft ons niet te verbazen. Wij hebben niet de wijsheid van de Schepper, Die alles overziet en doorgrondt. Het geheim van de mens is het geheim van God. Toch heeft men pogingen gewaagd. De woorden: beeld en gelijkenis zouden betrekking hebben op iets, een hoger deel, het betere ik, van de mens: zijn ziel, zijn geest, zijn denkkracht, zijn spaakvermogen en nog veel meer.
Het verhaal, het lied van de schepping leert ons echter niet naar een onderdeel te kijken, maar naar de totale mens; met alles wat hij heeft en is, is hij geschapen naar ons beeld, als onze gelijkenis. Wanneer we aandachtig luisteren, wijst de Schrift ons ook hier de weg. Er wordt duidelijk gesproken over de gevolgen, de kenmerken die uit dit diepste geheim van de mens voortvloeien. Eerst het woordje: beeld. Dat wordt in het volgende vers opgenomen: ‘En God schiep de mens naar Zijn beeld; naar Gods beeld schiep Hij hem.’ En dan komt het: ‘Man en vrouw schiep Hij hen’. Letterlijk staat er: manlijk en vrouwlijk. Dat wil zeggen: de mens is van meet af aan gericht op gemeenschap; hij is in liefde geschapen en op liefde aangelegd. Dat is geen bijkomstigheid, maar wezenlijk voor zijn bestaan als mens; hij heeft de ander broodnodig. Daarom lezen we in het vervolg: het is niet goed dat de mens alleen zij; hij heeft een tegenover nodig, een hulp die bij hem past. Als hij de ander aanspreekt en door de ander aangesproken wordt, is hij pas waarlijk mens. In deze samenspraak, in dit samen-zijn, in deze gemeenschap met elkaar weerspiegelt zich het geheim van de mens, geschapen naar het beeld van God. Het huwekijk is de meest zichtbare, meest geconcentreerde vorm van dit-op-eklaar-aangewezen-zijn, maar het huwelijk is geen verplichtende wet voor ieder mens. Waar het om gaat is dit: in de ontmoeting, in het verbond met de ander, wordt de mens pas waarlijk mens: beelddrager van God. Tegen deze achtergrond wordt het duidelijker waarom de mens in onze tijd zo op drift is geraakt en verbijsterd naar zichzelf op zoek is. Als de ander niet meer als bondgenoot maar als concurrent wordt gezien, dan mist de mens zijn besremming. Als de samenleving steeds killer, onpersoonlijker wordt, dan verliest de mens het geheim van zijn bestaan en doolt stuurloos rond.
Er valt nog meer te zeggen over het geheim van de mens. Hij is geschapen naar ons beeld, als onze gelijkenis. De betekenis van dit laatste woord: gelijkenis wordt aangeduid in het vervolg: ‘Opdat zij heersen over de vissen der zee, over het gevogelte des hemels, over het vee, over de gehele aarde en over al het kruipend gedierte dat op de aarde kruipt’. Dat wil zeggen: de mens mag in zijn heerschappij gelijkenis vertonen met God.
Als de rentmeester mag hij de bedoeling van de Eigenaar uitbeelden en uitspelen. Deze heerschappij is aan de mens toevertrouwd; hij is een heer-tje, dat de trekken van de Here mag dragen. Zo is hij geschapen, daartoe is hij geroepen: als onze gelijkenis. Wel te verstaan: pas op de zesde dag. Alles ligt al klaar; zijn bedje is gespreid; zo mag hij aan de slag gaan; niets is van hemzelf, zelfs zijn eigen lichaam niet; alles is hem geschonken, gratis, uit genade. Hij heeft een stem gekregen om de ander aan te spreken en om de Ander – met een hoofdletter, God – aan te spreken en te bezingen. Hij brengt als een priester de dank van de sprakeloze schepping onder woorden in een lofprijzing. De zorg voor alles is hem immers toevertrouwd; hij is verantwoordelijk tegenover de Eigenaar; hij is aanspreekbaar omdat hij als enige naar ons beeld, als onze gelijkenis geschapen is. Daarom spreekt het volmaakt vanzelf dat hij zijn mond opent en zijn handen vouwt. Hij bidt dat God Zijn heerschappij, Zijn zorg, zal voortzetten, want anders is het met de schepping gedaan. Alles en allen bestaan immers bij de gratie Gods. Niets spreekt vanzelf, alles spreekt van de Schepper en is bestemd tot meerdere glorie van Zijn heerlijkheid. Dat weet de mens, die naar ons beeld, als onze gelijkenis is geschapen. Daarom betuigt hij zijn afhankelijkheid van, zijn aanhankelijkheid aan de Schepper.
‘Laat ons mensen maken, naar ons beeld, als onze gelijkenis’. Zo is het, zo zijn wij bedoeld. Hier ligt ons geheim. En weer zeggen we: Is het een wonder dat de mens op drift is geraakt, op hol geslagen en de ganse schepping met zich meesleurt? Hij misdraagt zich als een bezitter, een eigenaar, een dictator, die met niets of niemand iets te maken heeft. Hij vervreemdt van God en van de ander en daardoor ook van zichzelf. Zo wordt hij zelf een vreemdeling en de schepping een wildernis, een chaos. Geen wonder! Als we ons mateloos verwonderen willen, dan hierover: God laat het werk van Zijn handen niet in de steek.
Aan het begin zei Hij vol vreugde: Laat ons mensen maken, geweldig idee! Deze oorspronkelijke vreugde, die tegelijkertijd liefde is, is niet verdwenen, ondanks de pijn, het verdriet, de teleurstelling  die Hij ondervonden heeft en dagelijks ervaart. Ook als de mens ontrouw is, Hij is getrouw, want Zichzelf verloochenen kan Hij niet. Hij is opnieuw op weg gegaan met Abraham, met Zich volk Israël om Zijn bedoelingen uit te zeggen.
Ten slotte heeft Hij alles samengevat in Zijn Zoon Jezus, de Christus. Zo roept Hij mensen terug tot hun wezenlijke bestemming, om hen te herscheppen naar Zijn Beeld, als Zijn gelijkenis. Daarom zijn we vanavond in de kerk gekomen, in deze bidstond voor gewas en arbeid. We zijn koningen en priesters bij de gratie Gods. In onze tijd vooral priesterlijk, denk ik. We brengen de dankbaarheid van de sprakeloze schepping onder woorden, maar ook van steeds meer mensen die het geheim zijn kwijtgeraakt en daardoor sprakeloos, biddeloos zijn geworden. Het gebed, de dankbaarheid, de lofprijzing is de hartslag van ons leven, de hartslag van de schepping. Amen.

===   ===   ===

Genesis 2: 19
Gehouden op:
*Zondag 6 oktober 1974, 13.30 uur Oosthem.
Bijbellezing: Genesis 2: 18 – 25.

Deze dienst staat in het teken van de dankbaarheid. Als ik dat zo zeg, denk ik bij mezelf: is deze toevoeging, van de dankbaarheid, niet overbodig? Is dat niet dubbelop? Spreekt dat dan niet vanzelf?
We vinden het toch ook niet nodig om te zeggen dat de zon warmte verspreidt, dat een schimmel wit is, dat een cirkel rond is? Hoe kun je ooit een dienst vieren, anders dan in dankbaarheid?
In de ontmoeting met de God van de Bijbel, gehoord Zijn Evangelie, gezien Zijn trouw, kan het niet uitblijven: mensen worden vervuld met dankbaarheid, ondanks alles en door alles heen.
Toch komt deze dankbaarheid, die eigenlijk vanzelf spreekt, vanmiddag uitdrukkelijk ter sprake. Dat heeft een reden. Vanmorgen stond hier, voor in de kerk, een tafel. Mensen schaarden zich eromheen. Ze aten een stukje brood, ze dronken een slokje wijn. Met deze tekenen vierden mensen het geheim van de verzoening; het goddelijke geschenk dat de mensen en de wereld draagt en omvat. Rondom deze tafel leerden mensen om de dienst der verzoening aan elkaar te verrichten. Deze dienst loopt niet af, maar gaat door, vandaag en morgen, ja alle dagen van ons leven. Als begenadigde mensen mogen we leven en ons werk doen, in dankbaarheid. Dat zal ergens moeten blijken, op velerlei gebied.
Vanmiddag noem ik een gebied dat niet zo vaak ter sprake komt: de omgang met de dieren. Ik zal u eerlijk bekennen: ik heb hierover zelden gepreekt, maar dat is in het licht van de Bijbel onjuist, een groot tekort. Als ik lees en hoor wat de Bijbel over de dieren te zeggen heeft, dan doe ik ontdekkingen die mij verrassen, maar – eerlijk is eerlijk – ook beschaamd maken.
Ik houd van dieren; ik ben – zonder mijzelf te willen prijzen – een dierenvriend. Maar in het concert van de schepping spelen zij een veel grotere en voornamer rol, dan ik ooit gedacht heb. De dieren vormen geen aanhangsel, maar hebben een eigen waarde, een volwaardige plaats.
De menselijkheid of de onmenselijkheid van de mens blijkt niet alleen uit de wijze waarop hij met zijn medemensen omgaat, maar ook uit zijn omgang met de andere wonderen van de schepping, in het bijzonder de dieren. Als hij hier, in de omgang met de dieren, uit zijn rol valt, buiten zijn boekje gaat, dan is het geen wonder dat hij een onmens wordt tegenover zijn medemensen.
Dit wordt op indrukwekkende wijze duidelijk uit de eerste hoofdstukken van de Bijbel. Hier wordt God, de Schepper, bezongen, die Zijn schepping in het aanzijn roept. Het gebeurt niet op de wijze van een zakelijk verslag, dat voor kennisgeving aangenomen wordt, maar op de wijze van een lied, een liefdeslied, dat aanstekelijk wil werken.
De Here God heeft eindeloze ideeën, een onuitputtelijke fantasie. Wat bij Hem opkomt en Hem voor ogen staat, wordt werkelijkheid. Onvermoeibaar is Hij bezig met scheppen: uit niets roept Hij iets tot aanzien. Hij heeft er plezier in. Hij fluit en zingt onder Zijn werk. Daarom horen we in het lied van de schepping telkens weer dat vrolijke refrein: ‘En God zag dat het goed was!’
En kijk, op de zesde dag, komt de mens op het toneel, een figuurtje uit het stof verrezen door het creatieve, scheppende spreken van God. Hij is een na-komertje, maar de laatsten zullen de eersten zijn: aan hem vertrouwt God Zijn schepping toe: kom maar in Mijn tuin, en speel met alles wat Ik geschapen heb. Achteraf kun je je er niet genoeg over verbazen, dat God dit risico genomen heeft, dit avontuur met de mens begonnen is. Hij heeft er dan ook meermalen spijt van gehad. Het vrolijke refrein aan het begin: ‘Zie, alles is zeer goed’, ging spoedig over in een klaaglied, zoals bij monde van de profeet Jesaja: ‘Hij, God, verwachtte goed bestuur, maar zie het werd bloedbestuur, rechtsbetrachting, maar zie: rechtsverkrachting’.
Maar ondanks alles is Hij trouw gebleven aan Zijn oorspronkelijke opzet: de mens, schepsel naar Zijn beeld, als Zijn gelijkenis, geroepen om schatbewaarder, rentmeester te zijn.
‘En de Here God zeide: het is niet goed dat de mens alleen zij; Ik zal hem een hulp maken die bij hem past’, een tegenover met wie hij samen mens kan zijn. Alleen is maar alleen. De mens is in liefde geschapen en op liefde aangelegd: woord en wederwoord, stem en tegenstem, liefde en wederliefde, spel en samenspel. Zo wordt de mens pas waarlijk mens. Een hulp, die bij hem past. Nu denken wij direct aan de vrouw, als tegenpool van de man. In de ontmoeting met deze ander komt de mens op pas tot zichzelf. Op deze tweezaamheid loopt dit verhaal ook uit. Maar er gaat iets aan vooraf, wat we alleen maar tot onze schade en schande kunnen overslaan. Als eerste tegenover, hulp die bij de mens past, worden de dieren genoemd. ‘En de Here God formeerde uit de aardbodem al het gedierte des velds, en al het gevogelte des hemels’. Dan volgt er weer een van die verrassende, speelse regels waar het boek Genesis vol van is: ‘God bracht het gedierte, de dieren en de vogels, tot de mens om te zien hij het noemen zou’. Met een binnenpretje en een kloppend hart wacht God af wat Adam, de mens gaat doen. Dit is de eerste proef van zijn menselijkheid. Hoe zal hij deze proef doorstaan? Zal hij tonen dat hij daadwerkelijk beelddrager van God is en dus verantwoordelijkheid en zorg aanvaarden voor de dieren? Zal hij zich ontpoppen als Zijn gelijkenis door de dienst van een goede herder op zich te nemen? Het avontuur van en met de mens is begonnen. God houdt Zijn adem in. En zowaar, het gaat goed. God kan een zucht van verlichting niet onderdrukken. Dat Hij er plezier in heeft wanneer de mens aan Zijn verwachting beantwoordt, blijkt uit het zinnetje: ‘En zoals de mens elk levend wezen noemen zou, zo zou het heten’. God stemt dankbaar in met de namen die de mens geeft. ‘En de mens gaf namen aan al het vee, aan het gevogelte des hemels en aan al het gedierte des velds’. In dit samenzijn met de dieren wordt zijn eenzaamheid voor een deel opgeheven.
De mens geeft namen aan de dieren. Dat is typerend voor de mens en typerend voor de dieren.
Om met de eerste, de mens, te beginnen: hij aanvaardt zijn verantwoordelijk en zorg voor de dieren. Hij neemt hen onder zijn hoede. Dat is geen aardige bijkomstigheid, want zo vervult hij zijn roeping: geschapen naar Gods beeld, als Zijn gelijkenis. Als hij hier, in de omgang met de dieren, vals spel speelt, dan mag hij geen mens meer heten. Dan wordt hij een onmens, het tegenovergestelde van wat God bedoeld heeft. Dit valse spel werkt door in zijn omgang met de medemens. Een ongeluk komt zelden alleen. Dat is de huiveringwekkende mogelijkheid, waartoe de mens kan komen en – om zo te zien – ook gekomen is: de schepping in de war sturen en zo de dieren, de ander en zichzelf meeslepen naar de ondergang. Maar als hij zich laat gezeggen door Zijn Schepper, dan komt er levensruimte voor de dieren, de ander en hemzelf.
De mens geeft namen aan de dieren. Dat is niet alleen typerend voor de mens, maar ook voor de dieren. De dieren zijn kennelijk noemenswaard. Ze zijn geen onpersoonlijke dingen, geen nummers, geen gebruiksvoorwerpen, waar de mens mee doet wat hij wil, maar ze zijn dragers van een eigen geheim. Ze ontvangen namen van de mens, waar God Zelf achter staat. Hij is ook de God van de dieren. Als we nu verder bladeren in de Bijbel vinden we deze waarheid telkens weer bevestigd. Ik noem enkele plaatsen: God sluit een verbond met Noach, maar in dit verbond horen ook de dieren thuis: ‘Zie, Ik richt mijn verbond op met u en met uw nageslacht en met alle levende wezens die bij u zijn: het gevogelte, het vee en het wild gedierte der aarde bij u…!’
Is het toevallig dat de zegen van de sabbat ook voor de dieren geldt? ‘De zevende dag is de sabbat van de Here uw God; dan zult gij geen werk doen, gij, noch uw zoon, noch uw dochter, noch uw dienstknecht…, noch uw vee…’.
Is het toevallig dat, volgens de traditie, ook een ezel getuige was van de geboorte van de Messias?
Is het toevallig dat we in het laatste Bijbelboek lezen over de vier dieren die de troon van God omringen? Dit alles geeft te denken!
De mens, die aan de dieren namen geeft, waar is hij vandaag? Nog steeds brengt God de dieren bij ons. Hoewel – het zijn er telkens minder, want steeds meer soorten sterven uit, geofferd op het altaar van de welvaart. Nog steeds wacht God in spanning, met ingehouden adem, wat we doen. Aanvaarden we onze roeping om mens te zijn, geschapen naar het beeld van de Schepper, als Zijn gelijkenis. Of worden we onmensen, door de dieren te verwaarlozen, beledigen, kleineren, misbruiken, terroriseren? Als we op de weg van de dankbaarheid gaan, dan worden de mensen en de dieren, zoals ze door God bedoeld zijn. Dan kan Hij, God, Zich weer verheugen over het werk van Zijn handen en de hele schepping verheugt Zich met Hem mee. Denkt u door eens aan als u onder de koeien zit, de vogels hoort fluiten of met uw hond speelt. Amen.

===   ===   ===

Genesis 4: 8-13
Gehouden op:
*Zondag 31 januari 1988, 19.00 uur, zangdienst te Hellendoorn.
Bijbellezing: Genesis 4: 8 – 13; Hebreeën 12: 18 – 24; Mattheüs 5: 43 – 48;

De eerste hoofdstukken van de Bijbel gaan over de oergeschiedenis. Dat wil zeggen: hier worden de oerlijnen geschetst die wezenlijk zijn voor ons, mensen, voor u en voor mij en voor de wereld, waarin wij samen wonen. Het wordt allemaal beschreven in bloemrijke, beeldende taal.
In deze hoofdstukken worden ook de oerlijnen, de diepste trekken, van Gods gelaat getekend. Het is ons allemaal overgeleverd om te leren leven. Over deze hoofdstukken is helaas heel wat strijd geleverd. Heeft die slang nou echt gesproken? Waar haalde Kaïn zijn vrouw vandaan? Het is gepraat en geruzie van mensen die een gedicht te lijf gaan zoals ze een rekensom aanpakken, die – anders gezegd – de taal van het hart aan mootjes hakken op de tafel van het nuchtere verstand.
Maar als het nu eens gaat, in dat verhaal van Kaïn en Abel bijvoorbeeld, om uw en mijn leven, om onze manier van doen, dan gaat zo’n verhaal spreken, dan gaat het je bestoken met vragen als: Gaat het ook niet over jouw leven? Ben jij dit niet? Zie je dan niet dat het nog steeds gebeurt? Oergeschiedenis, die geen verleden tijd is, maar hedendaagse werkelijkheid, omdat er oerlijnen getekend worden die niet uit te poetsen zijn.
Een mens slaat z’n medemens, z’n allernaaste, z’n broer dood. Dat gebeurt nog steeds. Dichtbij en ver weg. Als het dichtbij gebeurt, schrikken we, maar verder weg vinden we het min of meer gewoon.
Joden en Palestijnen, Iraniërs en Irakezen, blanken en zwarten in Zuid-Afrika, kolonisten, nieuwkomers en oorspronkelijke bewoners in Australië, contra’s en sandinisten in Midden-Amerika. Wie is Kaïn in dit alles en wie Abel?
Het wordt allemaal ook redelijk aannemelijk gemaakt. De theorie van de rechtvaardige oorlog stamt ook uit de oertijd en en leeft nog steeds.
Het zal allemaal wel een beetje waar zijn, wat er zoal wordt gezegd, maar in wezen verandert er niets. We zeggen, met of zonder woorden, wat Kaïn in de oertijd, die nog steeds telt, antwoordde op de vraag van God: ‘Waar is je broer?’: ‘Ben ik mijns broeders hoeder?’ En hij wilde gewoon weggaan, doorlopen alsof er niets gebeurd was. Zand erover. Geen moeilijke vragen!
Ja, over God gesproken… In deze oergeschiedenis gaat het niet alleen over de mens, dat is: over is en mij, maar ook en vooral over God. Hij, God, roept de mens ter verantwoording: ‘Wat hebt gij gedaan? Hoor, het bloed van uw broeder roept tot Mij van de aardbodem’.
Is dat geen ontroerende regel? Het is beeldspraak, dichterlijke taal, maar daarom heeft het des te meer zeggingskracht. De diepste geheimen van God, mens en wereld kun je niet vatten in het taaltje van ons redenerend verstand. ‘Hoor, het bloed van uw broer roept tot Mij…’. Onzin, natuurlijk. Bloed is een vloeistof, bestaande uit zoveel procent dit en zoveel dat. Hoe kan dat nou roepen? Wie zo redeneert, is een ademend verlengstuk van een computer geworden, maar is geen mens meer.
Er is een taal, een sprake zonder woorden, maar met een zeggingskracht…! De Vlaamse dichter Guido Gezelle heeft dat verstaan en daarom schreef hij: ‘Mij spreekt de blomme een tale, mij is het al beleefd, mij spreekt het altemale, wat God geschapen heeft’.
Het bloed, het vergoten leven roept en God hoort het…!
Is dat niet een oerlijn van Gods gelaat? Hij is de Schepper, die het werk van Zijn handen niet loslaat. Ook in de dood is er nog een band, een verband met Hem. Als de mens verstek laat gaan als hoeder van zijn broeder, van zijn zuster, dan blijft Hij, die de Hoeder, de Herder van mensen is, die Zich bij voorkeur ontfermt over de zwakste, de kleinste, de meest kwetsbare.
Wat heeft Hij, God, met deze roep van het bloed, opklinkend van de aardbodem gedaan? Heeft Hij wraak genomen, zoals wij gewend zijn? Op de wijze van: lik op stuk, leer om leer, oog om oog, tand om tand?
Weer wordt een oerlijn zichtbaar. Even verder, in dit verhaal, en later wordt deze lijn og veel sterker. Als Kaïn zegt: mijn misdaad is te groot om de straf te dragen, voortaan ben ik vogelvrij, wie mij ziet zal mij doden, dan antwoordt de Here God: ‘geenszins!’ Hij neemt Kaïn in bescherming. Ja, maar dat bloed, dat vergoten leven van Abel dan? Wordt dat vergeten? Is God daar doof voor?
Er tekent zich een lijn in de Schrift af, die steeds sterker wordt. De Rechter wordt de Redder. De Meester wordt de minste. Hij gaat op dat roepen van het bloed in door Zijn eigen bloed te vergieten. Zo betoont Hij Zich de Hoeder van mensen.
Kaïn vroeg: ‘Ben ik mijns broeders hoeder?’ Later zei Iemand: ‘Ik ben de Goede Herder, de Goede Herder zet zijn leven in voor de schapen’. Hij geeft Zichzelf ten offer. Dat is Zijn manier van reageren op de vijandschap, de liefdeloosheid van mensen.
Heeft het wat geholpen? Ik weet het niet. Als ik naar de geschiedenis kijk, wat er sindsdien gebeurd is, dan word ik wel wat somber. Wie het zo goed konden weten, de mensen naar Christus genoemd, vormen helaas geen uitzondering. In Naam van Christus, de Goede Herder, hebben mensen hun broeders en zusters aan de kant geschoven, onderdrukt, om zeep geholpen – heel letterlijk, lijfelijk met de Joden, van wier lichamen zeep gemaakt is in het christelijke West-Europa.
Maar de stem van Christus is niet tot zwijgen te brengen, wat mensen ook bedenken en doen. In de Hebreeënbrief wordt die regel uit de oergeschienis opgenomen en vertaald naar Hem toe, die Zijn bloed, Zijn leven gaf: Jezus, de Middelaar van een nieuw verbond, Zijn bloed der bespenging, dat krachtiger spreekt dan Abel. En in onze tijd heeft de dichter Inge Lievaart deze Bijbelwoorden uitgeschreven in een gedicht, dat opgenomen is in deze liturgie. Ik heb het eerder genoemd, maar het is taal naar mijn hart en, wat veel belangrijker is, taal naar het hart van de Schrift. Zullen we het samen nog eens lezen? Met het oog op dat oude, maar nooit voorbije verhaal van Kain en Abel schrijft ze:

‘Bloed, bloed roept van de aarde, een klacht die aanklacht is – wie is geen aangeklaagde?’

We zijn allemaal medeschuldig. We doen er allemaal bewust of onbewust aan mee. Niemand heeft schone handen. Daarom lezen we verder:

‘De verte – wereld-wijd – kan niet zwijgen / en ook het binnenst hart is niet meer stil te krijgen’.

Maar….een ander bloed roept van de aarde en deze stem is veel sterker, het bloed van Christus, dat de waarde heeft van een offer. Het doet de aanklacht zwijgen, alles wordt wit – in plaats van roodgekleurd door bloed – alles wordt wit en stil: door niets meer stuk te krijgen, vrede om Christus’ wil.
Zo, op de wijze van de verzoening, in het spoor van de Goede Herder, mogen we leven in onze eigen kring, als hoeders van elkaar, en zo mogen samen leven als gemeente van Christus.
Als we ons daarin oefenen, met vallen en opstaan, als we ons in deze kring van de verzoening laten betrekken, dan zullen er overal scheurtjes en barstjes komen in de muren van haat en vijandschap en wraak en geweld. En ook als het niet zichtbaar wordt, dan nog zullen we ons niet uit dit lood laten slaan, want alleen Christus is het licht der wereld, de Hoeder van mensen, de Heiland van het heelal.

VERZOENING

Bloed, bloed roept van de aarde,
een klacht die aanklacht is –
wie is geen aangeklaagde?
De verte kan niet zwijgen
en ook het binnenst hart
is niet meer stil te krijgen.
Maar bloed roept van de aarde
dat sterker spreekt dan dat:
uit kracht van offerwaarde.
Het doet de aanklacht zwijgen,
alles wordt wit en stil:
door niets meer stuk te krijgen
vrede om Christus wil.

Inge Lievaart.

Amen.

===   ===   ===

Genesis 7: 1-16
Gehouden op:
*Zondag 23 september 2007. Kinderdienst over het thema  ‘Bij wie ben je veilig?’ 10.00 uur te Beekbergen
Bijbellezing uit Genesis 7: 1 – 16

Dat was een mooi lied! Alle liederen die we zongen waren mooi, maar ik bedoel dat lied over zo stil als een muis, zo bang als een wezel, zo slim als een vos. Je kunt zo glad zijn als een aal, zingen als een nachtegaal, want iets van alle dieren vind je in ons allemaal. Tussen mens en dier een hele nauwe band, omdat ze zijn geschapen, geschapen door Zijn hand.
Ik ga iets vertellen over dieren en dat is dan ook een verhaal over jou en mij, over ons allemaal.
Onze hond heet Holly. Ze lijkt heel flink. Ze denkt dat ze ons huis en onze tuin en die grote tuin om de kerk moet bewaken. Daarom blaft ze hard als ze iets of iemand hoort. Het lijkt alsof ze voor niks en niemand bang is, maar dat is niet waar. Als het onweert in de nacht, als er lawaai is op straat, vooral als er vuurwerk wordt afgeschoten, is ze doodsbang. Ze slaapt ’s nachts in de keuken, maar dan slaat ze met haar poten tegen de deur, net zo lang totdat ik naar beneden kom. Dan gaat ze als een speer naar boven en komt ze bij ons op bed, liever nog in bed, tegen ons aan liggen. Dan voelt ze zich veilig en wordt ze rustig.
Iets van alle dieren vind je ons allemaal….
Ik kreeg deze brief van Jolanda en Herman. Daarin schrijft ze over een gesprek met jullie in de kindernevendienst. Het was in Beekbergen, maar in Lieren zal het wel net zo zijn. De vraag was: ‘Ben je weleens bang?’ Alle kinderen zeiden of knikten van ‘ja’. ’s Nachts in bed. Buiten in het donker. Bang door enge verhalen die verteld worden.
Wat doe je dan, om je veilig te voelen? Ik lees wat jullie gezegd hebben: Aan iets leuks denken, bidden, onder het bed kijken, het licht aan doen, naar papa of mama gaan, liedjes neuriën.
Jullie vertelden ook over dieren die bang zijn en wat ze dan gaan doen: een egel kruipt weg of rolt zich op; een bang babyaapje kruipt tegen z’n moeder aan; een hond doet z’n staart tussen z’n poten; het konijn of de cavia kruipt weg, gaat misschien wel bijten.
Bang zijn!
Bij wie ben je veilig?
Daarover gaat ook het Bijbelverhaal, over de zondvloed, over Noach en de ark. Gaat het daar echt over? Niet bang zijn, je veilig voelen? Ik kan me best voorstellen dat iemand denkt, misschien wel hardop zegt: ‘Ik vind dat een vreselijk verhaal, om bang van te worden.’
Iemand, hij heette Anton Koolhaas, een bekende schrijver in ons land, schreef een verhaal, een toneelstuk, over dit Bijbelverhaal. Hij vertelt daarin over Noach en zijn vrouw, over hun drie zonen Sem, Cham en Jafet en hun vrouwen. Als Noach de hele kring roept om in de ark te gaan, dan wil er een niet mee. Jiska, de vrouw van Cham. Ze zegt – en ik geef door wat Anton Koolhaas schrijft – ‘Ik ga niet met jullie mee; ik ga niet als jarig Jetje op die schuit met Gods elite – Zijn kleine kringetje – zitten, terwijl alles en iedereen van wie ik houd verzuipt’. Even later zegt ze tegen Cham, haar man: ‘Jouw God wil blijkbaar tranen, goed, daar mogen jouw vader Noach en de zijnen dan op drijven. Mij niet gezien’.
Bang zijn…
Bij wie ben je veilig?
Helpt dit Bijbelverhaal je echt verder?
Weet je, er zijn meer zondvloedverhalen bekend, die lijken op het Bijbelverhaal. Je vindt ze bij de Eskimo’s, in Afrika, in Australie, en ook – dichter bij Israël – in Babel, de streek waar nu Irak ligt. In die verhalen gaat het over goden die zomaar de mensen weg willen hebben. Of over goden die een spelletje spelen, net zoals sommige gekke mensen het fijn vinden om dieren te pesten.
In het zondvloedverhaal van Babel wordt verteld dat de goden zo’n grote watervloed maakten dat ze er zelf bang van werden. Dat een familie toch overleefde, was te danken aan de god Ea, een bedrieger, die nu eens de mensen, dan weer de goden een poets bakte.
Maar de levende God doet geen gekke dingen. Hij speelt niet een spelletje met de mensen op de manier van kat en muis. Hij wil een aarde waarop je veilig kunt wonen. Hij wil mensen die elkaar niet bang maken, die zelf ook niet bang hoeven te zijn. Het Bijbelverhaal, een stukje eerder dan wat Sanne las, begint dan ook zo: ‘De Here zag dat alle mensen op aarde slecht waren.’ Alles wat ze uitdachten, was steeds even bar en boos. De Here kreeg er spijt van dat Hij de mensen had gemaakt en voelde zich diep gekwetst….
Daarom maakt God een nieuw begin. Het kan niet anders. Niet even wat plakken en oplappen. Het gaat door de diepte van de dood heen.
Moeilijk? Ik denk het wel. Bang zijn is ook moeilijk. Iemand bij wie je echt veilig bent, dat gaat ook niet een-een-drie. Ik kan van het Bijbelverhaal geen verhaaltje maken. Dan zouden de mensen, de groten en de kleinen, dan zou ook de Here God aan mij kunnen zeggen: ‘Dominee Marchal, wat heb je staan te kletsen.‘
Ik kijk nog eens naar brief van Jolanda en Herman en naar wat jullie gezegd hebben. Bang zijn. Wanneer en waarvoor? Bij wie voel je je veilig? Hoe zit dat met de dieren? Helpt dit Bijbelverhaal je verder?
Ik weet van mensen die dit verhaal gelezen en gehoord hebben en daardoor moed, rust, vrede ontvingen. De oudste christenen in Rome kwamen samen, niet in een kerk zoals deze, maar in onderaardse grotten. In het geheim, want dat mocht eigenlijk niet. Als ontdekt werd dat je in deze God geloofde, kon je voor de leeuwen worden gegooid. Die mensen hadden alle reden om bang te zijn. Dit verhaal van Noach lazen ze keer op keer. Het gaf hen eindeloos veel troost en kracht.
Hoe weet ik dat? Nou, die onderaardse grotten kun je nu nog bezoeken, catacomben heten ze. Daar zie je overal in de muren tekeningen, soms alleen maar krassen. Waar slaan die tekeningen op? Heel vaak zie je een soort kist, de ark van Noach, met iemand die op Noach lijkt, en ook een duif. Die eerste christenen zagen en lazen dit verhaal als een Paasverhaal. Door de dood heen naar het leven.
Noach lijkt op de Here Jezus Christus. De ark lijkt op de kerk. De duif heeft te maken met de Heilige Geest. Het water lijkt op het water van de doop. Wie gedoopt is, gaat kopje onder, gaat door het water van de doop, van de dood heen, en mag met Christus opstaan in een nieuw leven. Zo hebben de eeuwen geleden, dit Bijbelverhaal gelezen.
Wij leven bijna 2000 jaar later. Er is heel veel veranderd. Maar mensen zijn mensen gebleven. Of je nu oud of jong, arm of rijk, zwart of blank bent. En dieren zijn dieren gebleven. Wij lijken op elkaar. Holly is bang in de nacht, bij onweer en bij vuurwerk. Ik ben ook heel voor bang als ik dingen hoor, zie en lees. Bij wie ben ik veilig? Alleen bij de Here God. Hij wil niet dat Zijn aarde een slagveld wordt, ook niet dat Zijn mensen elkaar bang maken. Hij heeft een regenboog gegeven, teken in de wolken, teken van Zijn verbond. Hij zal ervoor zorgen dat er een nieuwe hemel, een nieuwe aarde komt. Dat zal een wonder zijn. Nooit meer angst, nooit meer verdriet. Alleen bij Hem, God, ben je veilig! Amen.

===   ===   ===

Genesis 12: 10 – 20
Gehouden op:
*Zondag 5 september 2010, 10.00 uur te Welsum.
Bijbellezing: Genesis 12: 10 – 20; Hebreeën 12: 1 – 2

Ik noem een woord, dat een uitstraling heeft. Het heeft te maken met alle verhoudingen waarin wij mensen staan en gaan. De verhouding tot elkaar. Ook de verhouding tot God. Ik bedoel het woord: roeping. Wat betekent dat? Wat gebeurt er dan in en met je leven? Ik begin heel dicht bij huis.
Roeping betekent dat iemand mij roept, een appel op mij doet. Van mij wordt een reactie, een antwoord verwacht. Als de ander mij niet meer roept, aanspreekt, wie, waar, wat ben ik dan? Ik ben eigenlijk niemand, nergens, niets meer. Ik ben een ding geworden, een soort spijker in een grote spijkerkist.
Roeping heeft ook alles te maken met de verhouding tot God. De God, van wie de Bijbel – van Genesis 1 tot Openbaring 22 – getuigt, de Enige die de Levende is – is de Roepende. Hij laat, hoe en waar dan ook, van Zich horen, doet een appel op mensen. Professor Gijs Dingemans, jarenlang hoogleraar in Groningen, schreef indertijd een dik boek: ‘De Stem van de Roepende’.
Zo is Hij begonnen met die eerste mens, Adam, die voor ons in nevelen is gehuld. Hij riep hem uit zijn schuilplaats: Adam – dat is: mens -, waar ben je? Zo heeft Hij eeuwen later – we weten niet hoe lang het tijdpad is tussen Genesis 1 en Genesis 12 – Abraham geroepen: ‘Ga uit uw land, uit de streek van uw vooroudees, naar het land dat Ik u wijzen zal’. Zo roept Hij mensen nog steeds. Met de woorden van een lied van Willem Barnard, Gezang 3: ‘En allen die geloven / zijn Abrahams geslacht, / geboren uit den hoge (van Godswege dus), / getogen uit de nacht’.
Om elkaar op te scherpen, om samen te oefenen, te trainen op die weg van het geloof, lezen we het slot van Genesis 12: Abraham geroepen, op weg gegaan, maar hoe ging dat verder, onderweg?
Ik noem nog een voorganger: professor Evert Smelik, overleden in 1987. Een regel, die de weg wijst: ‘Soms is niet het begin van de roeping het moeilijkste, maar de voortzetting ervan in de gehoorzaamheid’. Een gouden regel: Niet het begin, maar het vervolg is het moeilijkste! Dat blijkt ook uit dit Bijbelverhaal. Abraham komt, gehoorzaam aan de Stem van de Roepende, in het land waar God hem hebben wil.
Dan lezen we: ‘Toen er hongersnood uitbrak in het land, trok Abraham naar Egypte, als vreemdeling’. Een asielzoeker dus, door de nood gedreven. Zijn geloof komt onder druk te staan, in een diepe crisis. Herkenbaar voor u en voor mij. Daarover straks meer. ‘Het land dat Ik u wijzen zal…’. ‘Een groot volk…’. ‘Zegen ontvangen…’. Hongersnood. Uitwijken naar Egypte, het land van de zonnegod met de farao als zonnekind, asiel zoeken…
Wat gebeurt er dan met je geloofsvertrouwen, met je overtuiging geroepen te zijn?
In Beekbergen hoorde ik zo vaak de verzuchting van ouderlingen: ‘Ik probeer een afspraak te maken met iemand uit mijn wijk; ik zit eindeloos aan de telefoon, maar blijkbaar zit vrijwel niemand op mij te wachten.’
Ander voorbeeld: Je weet je geroepen voor je gezin te zorgen, een stuk werk te doen in de kerk, maar dan slaat een ziekte toe, als een bom in je bestaan.
Nog een voorbeeld, met het oog op de spanningen in de afgelopen week. Mensen die zich van Godswege geroepen weten om dienstbaar te zijn op het veld van de politiek. Werk verrichten vanuit een christelijke levensovertuiging. Crisisberaad vanwege hooglopende meningsverschillen: wel of niet in zee gaan met de kring rondom Geert Wilders.
Wat gebeurt er dan met jezelf, met je roepingsbesef? Grote druk, diepe crisis, lange tunnels. Herkenbaar, meer dan ons lief is.
Wat doet Abraham? Hij ziet de bui al hangen, met het oog op zijn vrouw Sara, die ‘schoon van uiterlijk’ is. De farao heeft een uitgebreide harem en zal ongetwijfeld ‘zo’n mooi stuk’- op die manier werd en wordt over vrouwen beschikt! – in zijn verzameling willen opnemen. Als asielzoeker, zonder enige rechten, misschien alleen met een verblijfsvergunning, word je dan zomaar een kopje kleiner gemaakt door de geheime dienst, en klaar is Kees, in dit geval: de farao.
Abraham bedenkt een plan. ‘Sara, luister eens. Zeg toch dat je mijn zuster bent, opdat het mij dankzij jou welga en ik dankzij jou in leven mag blijven’. Of Sara enige vorm van inspraak heeft gehad, wordt niet verteld. Ik vrees van niet. Toentertijd maakten de mannen de dienst uit. Het enige recht van de vrouw was het aanrecht, en zelfs dat had je niet in een tent.
Het verloopt allemaal volgens plan. Totdat…. Totdat de Stem van de Roepende naar de farao uitgaat. Daarom lezen we: ‘De Here sloeg farao met zware plagen, evenals zijn naaste omgeving, vanwege Sara, de vrouw van Abraham’.
Het wonderlijke is dat de farao in en door al deze ellende de hand, de Stem van de Levende, de Roepende heeft herkend. Vraag mij niet hoe dat kan; een buitenstaander, een mens met een goddelijke glans, zoon van de zonnegod, die zich laat gezeggen. De naam van de zonnegod was – zoals de puzzelaars vaak moeten invullen – Ra of Re. Ik kan alleen maar zeggen op de vraag: Hoe kan dit? Ra, ra…’.
Ik laat dit schokkende, o zo herkenbare Bijbelverhaal op mij inwerken. Er komen ten minste drie vragen in mij op. Huiswerk voor ons, met vallen en opstaan onderweg op de geloofsweg. Wat gebeurt er met Abraham in zijn verhouding tot God? In zijn verhouding tot Sara? In verhouding tot zichzelf? Daar gaan we dan.
Wat gebeurt er met Abraham in zijn verhouding tot God? Is hij ook in deze geschiedenis de vader van de gelovigen? Hongersnood, asielzoeker, levensgevaar. Ook dan blijft de roeping van kracht. Je kunt toch niet zeggen dat die alleen geldt als het jou uitkomt, als alles min of meer voor de wind gaat? Wat had Abraham moeten doen? Ik houd niet van dat woordje ‘moeten’. Het klinkt zo betweterig, op de wijze van stuurlui aan de wal. Ik weet niet of ik die gehoorzaamheid, die trouw aan de roeping, aan de Stem van de Roepende, had kunnen opbrengen. Eigenlijk, mijzelf kennende, weet ik het wel: niet dus, want ik ben niet zo’n held. Maar het was niet goed wat Abraham deed. Alleen de waarheid zal je vrij maken. Met de woorden van de apostel Paulus, in zijn eerste brief aan de Thessalonicenzen: ‘Die u roept is getrouw; Hij zal het – het waarmaken van Zijn beloften – ook doen’ (5: 24).
Jacqueline van der Waals schreef ooit:

‘Wie een roeping heeft in ’t leven / hij moet onrecht kunnen dragen. / Want dit is de toets des Heren / of ge Hem zoekt of uzelve’.

Als je gaat scharrelen en schipperen met de waarheid, met de werkelijkheid van de roepende God, raak je steeds verder van huis, van het Vaderhuis.
Wat gebeurt er met Abraham in zijn verhouding tot Sara? Het wordt niet verteld, maar er is niet zoveel verbeeldingskracht voor nodig om een aantal vermoedens uit te spreken. Om het heel dunnetje te zeggen: hun relatie zal er niet beter op geworden zijn. Sara brengt het offer van haar lichaam – en dat is zijzelf; een mens heeft niet alleen een lichaam, maar ‘is’ ook zijn lichaam – Sara brengt het offer van haar lichaam, om Abraham in leven te laten.
Misschien is iemand in het uiterste geval tot zo’n offer bereid wille van de liefde die niet stuk kan gaan, maar ik veronderstel dat er tussen die beiden een stuk verwijdering, vervreemding is ontstaan. Mijn gedachten, gebonden aan, geboeid door deze heilige tekst, staan niet stil. Wie weet, misschien heeft Sara gezegd: Abraham, we hebben toch iets met God? We hebben toch niet zomaar ons oude vader- en moederland verlaten? Is het gek om ook de gedachte toe te laten dat Abraham gezegd heeft: Mens, zeur niet! Laat mij de zaak maar regelen! Misschien heeft-ie wel gezegd: vrouwtje – verkleinwoorden zijn vaak zo kleinerend! – vrouwtje, wie is de baas!
Wat gebeurt er met Abrham in de verhouding tot zichzelf? Dat is toch het bijzondere van ons mens-zijn, dat je ook naar jezelf kunt kijken, dat je zelfbewustzijn hebt? Van de dieren weten we dat niet, maar van onszelf wel. We lezen dat de farao hem wel deed, omwille van Sara, zodat hij schapen, runderen, ezels, slaven, slavinnen, ezelinnen en kamelen ontving.
Het kan je materieel goed gaan, terwijl je mens-zijn, met een deftig woord: je integritiet, je identiteit, schade lijdt. Die kans is zelfs buitengewoon groot, gehoord het heilig Evangelie: ‘Het is gemakkelijker dat een kameel gaat door het oog van een naald dan een rijke het Koninkrijk Gods binnengaat’ (Mattheüs 19: 24).
Ten slotte wordt Abraham uitgeleide gedaan. Het klinkt heel plechtig, als was het een staatsbezoek, maar in feite is het een afgang. Abraham gaat als een geslagene, een verslagene. Hij is, om het modieus te zeggen, zichzelf tegengekomen. Straks neemt hij de draad weer op en maakt hij een goede keus, ook al lijkt die slecht: zijn neefje Lot het vruchtbare land en Abraham de dorre streken.
Ondanks alles is het slot, de afloop van deze geschiedenis ook vol goddelijke humor. De zoon van de zonnegod, die de aangeslagen Abraham weer op het goede been zet naar het land, waar hij krachtens de roeping van God thuishoort. Soms wordt een kromme stok gehanteerd om een rechte slag te maken. Ook dat is iets om voor jezelf te overwegen: een buitenstaander die je weer binnen brengt, op de plaats van je bestemming.
Ten slotte, lieve gemeente: Abraham staat in Hebreeën 11 in de rij van geloofsgetuigen. Met al zijn fouten en gebreken. In die rij worden ook vreemde kostgangers genoemd. Daarom passen ook wij daarin. In alles zijn en blijven we aangewezen op de genade van God, die wel gratis, maar nooit goedkoop is. Wij zijn gekocht en betaald door het offer van Christus. Al die mensen, die ons voorgingen, nodigen, dagen ons uit om de weg van het geloof te gaan, de Stem van de Roepende te volgen, ziende op Jezus, de Leidsman en Voleinder van het geloof. Hem zij de glorie, en wij leven in Zijn glorie, een leven en een dood lang, en zelfs nog verder. Amen.

===   ===   ===

Genesis 28: 10 – 19
Gehouden op:
*Zondag 13 september 1998, 10.00 te Beekbergen.
Bijbellezing: Genesis 28: 10 – 19; Lucas 15: 1 – 7

Ik teken een huis. Niet zo moeilijk: muren, ramen, deur, dak… Dat kan iedereen. Ook zonder cursus bij Elly Bos. Er zijn allerlei soorten huizen: grote en kleine, mooie en niet zulke mooie, netjes onderhouden en rommelig, met een tuin of zonder tuin, heel luxe en deftig en heel gewoon.
Ik doe m’n ogen dicht om goed na te denken over huizen. Ik begin dicht bij huis en ik zie de huizen van de slager, van de ABN-AMRO-bank, van De Damper, van ’t Keteltje, van Trompie, van Vita Nova, van de Heksenketel. Allemaal verschillende huizen.
In wat voor huis zou, zul jij later wonen? In een flat? Een huis met een tuin? Met heel veel glas of juist een beetje donker en gesloten? Niemand weet het. Toen ik in Apeldoorn woonde, wist ik ook niet dat ik later naar Beekbergen zou gaan en in zo’n mooi, groot huis zou wonen.
Nou ja, een huis is ook niet het belangrijkste. Je zult allemaal wel een plekje vinden. Veel belangrijker dan een huis hebben is ergens ‘thuis’ zijn.
Huis en thuis. Maar een lettertje verschil, maar zo anders. Als iemand mij zou vragen: ‘Teken eens een thuis’, dan zou ik nadenken, achter m’n oor krabben, er nog eens een nachtje over slapen, maar ik zou niet weten hoe dat moet: een thuis tekenen.
Wat is nou het verschil tussen een huis hebben en ergens thuis zijn? Heeft dat met de meubels te maken? Misschien wel een beetje, want je bent gehecht aan je eigen spulletjes. Heeft het met allerlei nieuwe snufjes en foetjes te maken, zoals een afwasmachine, een magnetron, een draagbare telefoon, de allernieuwste televisie? Ik denk het niet. Ik ken mensen die alles hebben wat hun hart begeert, die alles kunnen kopen, maar ze voelen zich nergens thuis.
Een thuis is een huis met toch wat dingen meer die je eigenlijk nergens kopen kunt. Een thuis is een huis waar je je goed voelt, waar je niet bang hoeft te zijn, waar iemand op je wacht die je niet gek vindt, die je nooit laat vallen.
Heeft thuis ook met God te maken? Ik denk het wel. Dat zuig ik niet uit m’n duim, ik grijp het ook niet uit de lucht, maar ik lees het in de Bijbel, vooral in die twee verhalen die je zopas gehoord hebt.
Dat verhaal van Jakob. Heel lang geleden, maar als je goed leest, komt het steeds dichterbij. Jakob heeft eigenlijk geen thuis meer. Zielig? Nou ja, ’t is wel een beetje ‘eigen-schuld-dikke bult’. Hij heeft Ezau, z’n broer, en z’n oude, blinde vader, Isaäk, toch wel heel gemeen behandeld. Hij is op reis, van Berseba – dat ligt in het Zuiden van Israël – naar Haran – dat ligt een heel eind ten Noorden van Israël, waar nu Irak ligt.
Jakob zoekt onderdak, werk, te eten, bescherming bij de familie van zijn moeder. Hij is eigenlijk een asielzoeker. Ellendig als je zo moet leven. Stel je eens voor. Als je een huis hebt, en ergens thuis bent, lijkt zo’n verhaal heel ver weg. Er zijn miljoenen mensen op deze aarde ook asielzoeker. Zij weten van heel dichtbij wat het betekent, hoe dat voelt, om en zwerver te zijn; achter je een wereld waar je niet meer kunt zijn en voor je een wereld waar je weinig van weet, waarbij het de vraag is of je daar wel kunt zijn.
Maar … ook als je geen asielzoeker bent uit Angola of Congo of uit Roemenië, heb je dat gevoel van Jakob misschien wel eens, misschien wel heel vaak.
Je bent op zoek naar werk, maar het lukt eigenlijk nergens. Deze week zei iemand tegen me: ik heb het gevoel dat ik een bordje op m’n hoofd heb, waarop staat: ‘afgeschreven’, of ‘gedumpt’.
Of je hebt iemand verloren die nooit meer terug komt en die je eigenlijk niet missen kunt.
Of je voelt je in de steek gelaten; je denkt: er is niemand die echt om me geeft, die echt naar me omziet.
Of je bent oud of ziek of allebei, en je moet naar een verpleeghuis.
Of je bent niet zo knap en niet zo vlot als de anderen en je weet niet waar je het zoeken moet. Dat verhaal is dichterbij dan je denkt.
Er gebeurt onderweg iets met Jakob. Iets heel wonderlijks. Het kan met jou en met mij ook gebeuren. Daarom lezen we dit verhaal op deze zondag, 13 september 1998, bij de opening van het winterwerk.
Jakob gaat slapen. Ik weet niet of hij iets gebeden heeft, zo van: ‘Here, houd ook deze nacht, over mij getrouw de wacht’. Misschien is-t-ie het wel vergeten. Misschien dacht-ie: Nou ja, God, Die is heel ver weg.
Maar God laat zien dat Hij Jakob niet vergeet. Hij laat Jakob iets zien, in een droom. Hij laat een laddertje zakken. Uit de hemel, naar dit ene plekje, waar Jakob is. Engelen gaan omhoog en naar beneden. Wat betekent dat? Jakob, Ik zie jou je en Ik ga met je mee!
Als Jakob wakker wordt, voelt hij zich een ander mens. Hij is nog steeds een zwerver. De reis is nog lang en gevaarlijk. Onderweg kan nog zoveel gebeuren, maar toch…. Ineens heeft hij – en misschien was-t-ie wel midden in de woestijn – ineens heeft hij een thuisgevoel. Hier is Iemand die op me wacht, die me niet afschrijft, die me niet dumpt als afval, Iemand die met me meegaat. En Jakob zegt dan ook: ‘Dit is niet anders dan een huis van God, dit iks de poort van de hemel’.
Ik heb net een huis getekend. Dat was niet moeilijk. Muren, ramen, deur, dak…. Maar, weet je nog, een thuis tekenen, dat lukte me niet. Nu ik dat verhaal gelezen heb, nou heb ik een idee. Elly Bos heeft het voor mij, voor jou, voor ons allemaal getekend. Thuis ben je, als God een laddertje uit de hemel laat zakken, zodat je ontdekt – en dat is een wonder – ik ben niet alleen! God is hier! Hij gaat met me mee!
Een laddertje uit de hemel. Ik klim niet omhoog, maar Hij komt naar beneden, naar mij toe. Dat laddertje uit de hemel heeft een Naam. Die Naam lees je in het verloren schaap, dat ben jij en dat ben ik, zoekt. Zo is God! Wij hoeven niet omhoog te klimmen, maar Hij daalt neer. Een laddertje uit de hemel. Dan ben je thuis…
Ik zei zopas: dat wonder gebeurt nog steeds. Waar en hoe kun je dat beleven, dat laddertje vinden? Ik kan natuurlijk niet zeggen: nou, daar en daar, zus en zo, en dan is het klaar. Dat laddertje is van God. Wij hebben het niet in de hand op of de rug.
Er zijn trouwens wel plaatsen waar je een mooie kans hebt om dat laddertje te zien en ineens te ontdekken: thuis! De plaatsen waar de verhalen van God eerbiedig worden gelezen en waar je elkaar helpt, op allerlei manieren, om die verhalen te horen als je eigen verhaal. De kerk, zoals hier. De zondagsschool, de kindernevendienst, de catechisatie, de jeugdclubs, het kringwerk en zoveel meer. Niemand heeft dat laddertje, maar mensen kunnen je onderweg helpen om de weg te vinden, om te gaan zien: God is hier! Hij zoekt contact met ons! Een laddertje uit de hemel naar mij, naar jou toe. Thuis! Dat kan nooit meer stuk, wat er ook gebeurt. Amen.

===   ===   ===

Genesis 29:35
Gehouden op:
*
Zondag 12 november 2007, 10.00 uur, Beekbergen.
Bijbellezing: Genesis 29: 1 – 12, 31 – 35; Openbaring 5: 1 – 5;

Het burlen of beurelen van de herten. In het bos, vooral hier op de Veluwe, klinkt in de herfsttijd het bronstig loeien van deze edele dieren. Het trekt zoveel bekijks, beter nog: zoveel gehoors, dat mensen massaal deze gebieden bezoeken. Onze broeder Jan Willem Bergman fungeert vaak als gids om met kleine groepjes geïnteresseerden het bos in te gaan.
Wat doet een mannetjes-dier om indruk te maken op een vrouwelijke soortgenote? Wie zich in deze dierenwereld verdiept, valt van de ene verbazing in de andere. Trouwens, onder mensen gaat het op vergelijkbare wijze. Zet eens een groepje jongens, ook mannen bij elkaar met meisjes, en kijk, luister eens wat er gebeurt. Noem het maar machogedrag, in allerlei variaties, van heel stilletjes en subtiel tot lawaaierig en overduidelijk.
De Bijbel vertelt in geuren en kleuren over Jakob, de bedrieger die op zijn beurt weer bedrogen wordt. Hij is van huis gevlucht, heeft God ontmoet, taal en teken van Hem ontvangen in Bethel, met die ladder tussen hemel en aarde, en komt dan in het geboorteland van zijn moeder, maar hij weet het niet. Rondom een put ontspint zich een gesprek met drie herders, in afwachting van maatjes, medeherders om een loodzware steen af te wentelen van de mond, de opening van de put. Jakob staat erbij en kijkt ernaar.
Daar verschijnt Rachel op het toneel, een herderin met kleinvee. Er staat niets over haar schoonheid, zoals wel gebeurde in het verhaal van de knecht, die een vrouw voor zijn meester Isaäk zocht en vond, Rebekka, moeder van Jakob, zuster van Laban. Voor Jakob was deze vrouw, Rachel, nichtje van zijn moeder, een onbekende. Er wordt niet over liefde op het eerste gezicht gesproken, maar er gebeurt iets met Jakob. Hij wordt als het ware boven zichzelf uitgetild, ontvangt de kracht als van Simson, en wentelt de steen van de bron, een krachttoer waartoe alleen een club van herders in staat was.
Wat er dan verder gebeurt, is heel merkwaardig, maar liefde is ook niet vooraf, evenmin nadien, te berekenen. Hij laat het vee van Laban, Rachels vader, drinken, hij kust Rachel in het openbaar, ‘verheft zijn stem’ en barst in huilen uit. Te gek voor woorden. Wij zijn een kusserig volkje geworden, een, twee, drie. Het was daar en toen strijdig met alle regels van het fatsoen. Als hij zich nu vooraf bekend had gemaakt, maar dat doet hij pas het allerlaatste: de steen afwentelen, bet vee te drinken geven, een omhelzing van jewelste, tranen met tuiten en pas dan vertelt hij wie bij is: ‘Daarop vertelde Jakob Rachel, dat hij een bloedverwant was van haar vader, en de zoon van Rebekka’ (vers 12).
Vanwaar die tranen? Ik geef door wat rabbijnen vertellen:
Sommigen zoeken de reden in het feit dat Jakob huilde omdat hij geen cadeautjes had meegebracht, zoals de knecht had gedaan toen hij op zoek was, op vrijersvoeten voor zijn baas. Ik denk: Jakob had wel andere dingen aan zijn hoofd dan een liefdesgeschiedenis toen hij hals over kop het huis uit vluchtte.
Anderen zeggen dat Jakob al in de toekomst zag dat Rachel niet naast hem begraven zou worden. Het zou kunnen, maar het loopt al ver op de feiten vooruit. Weer anderen beweren dat de herders woedend waren omdat hij het had gewaagd Rachel zomaar te kussen en dat Jakob, op zijn beurt, ook huilde van woede.
Voor elke verklaring valt iets te zeggen, maar – zo lees ik in een commentaar, ook van Joodse zijde – ‘Jakobs huilbui ging in ieder geval gepaard met een gevoel van opluchting. Na zijn vlucht en zijn gevaarlijke, eenzame zwerftocht was hij eindelijk aangekomen bij zijn familie. Ontsnapt aan de wraak van Ezau waande hij zich nu veilig en geborgen in de schoot van de familie. Hij voorvoelde nog niet wat een streek (een geniepig gedoe) zijn oom Laban hem zou leveren’.
Met de woorden van zopas: de bedrieger wordt bedrogen!
Over Laban gesproken! Hij komt in beeld als zijn dochter Rachel naar huis snelt en alles vertelt wat haar is overkomen. Laban betekent ‘wit’, maar hij is van binnen meer zwart dan wit. Hij is slim en sluw, uitgekookt tot en met. Hij weet dat een man, tot over zijn oren verliefd, vrijwel alles goed vindt, een blanco cheque tekent, om zijn geliefde vast te houden. Jakob is een goedkope arbeidskracht, die hem geen windeieren zal leggen. Zeven jaar werken, gratis, voor niks, om Rachel als vrouw te krijgen. En dan lezen we die ontroerende woorden: ‘Derhalve diende Jakob zeven jaren om Rachel, en die waren in zijn ogen als enkele dagen, omdat hij haar liefhad’ (vers 20). Eeuwen later schrijft de apostel Paulus, in het hooglied van de liefde, 1 Korinte 13: ‘Alles bedekt zij, alles gelooft zij, alles hoopt zij, alles verdraagt zij’ (vers 7).
Waar is de Here God in dit alles? Het is een verhaal met veel gekonkel, met allerlei gedoe waar je niet vrolijk en vooral niet vroom van wordt. Het zou zomaar in Privé of in Story kunnen verschijnen. Of…. misschien toch niet?
Het verhaal krijgt de trekken van een drama. Na zeven jaar krijgt Jakob Lea in plaats van Rachel. Nog eens zeven jaar werken. Hoe heeft Lea zich in die tijd gevoeld? Bij gebrek aan beter was zij de vrouw van Jakob, die haar niet echt beminde. En dan, na nog eens zeven jaar: die beide zusters, Lea en Rachel, in hetzelfde huis, met die ene man, Jakob. Werkelijk een drama! Nog eens die vraag: waar is de Here God in dit alles? Gaat Hij zo te werk?
Ooit zeiden voorgangers, ingeleid in de geheimen van God en in Zijn omgang met mensen: ‘Sub confusione hominum et providentie Dei’. Latijn, de internationale taal van die dagen: ‘In de verwarring der mensen, maar toch onder de voorzienige leiding van God.’ Ik denk, ik weet wel zeker, dat het waar is. Een wirwar, een ratjetoe van gebeurtenissen, maar in deze heksenketel van geluiden klinkt, ondanks alles, het liefdeslied van de Here op. Ik veronderstel dat Hij vandaag de dag nog steeds zo werkt. Geen rechte, flitsende, lichtgevende lijnen, maar in de modder, de misère, de miezerigheid van ons bestaan laat Hij Zijn voetsporen achter.
Ik zie die twee vrouwen, zusters, rivalen op leven en dood voor mij: Lea en Rachel. Vooral Lea heeft mijn sympathie. Lees maar wat er staat. Het is een verhaal van paren en baren, van vallen en bevallen, maar het is, ondanks alles, verweven met het Verhaal van de Levende.
Van Lea wordt telkens weer gezegd dat zij niet bemind werd. Wat betekent dat voor een vrouw, die met een man getrouwd is? Ik hoor de verhalen van vrouwen, die alles geven, ook zichzelf, en ontdekken dat ze in de ogen van hun man niet meer waard zijn dan een vaatdoek, een dweil, een gebruiksvoorwerp, een lustobject. ‘Toen de Here zag, dat Lea niet bemind was, opende Hij haar schoot, maar Rachel bleef onvruchtbaar’ (vers 31). De Here zag haar, deze onbeminde. Tot vier maal toe wordt zij zwanger en baart zij een zoon. De namen zijn een hunkering om eindelijk bemind te worden: Ruben, de Here heeft mijn ellende gezien, nu zal mijn man mij liefhebben. Niet dus. Nog een zoon: Simeon, want de Here heeft gehoord, dat ik niet bemind ben, en heeft een zoon geschonken. Niet dus. Een derde zoon, Levi: nu zal mijn man zich aan mij hechten, omdat ik hem drie zonen gebaard heb. Niet dus. Een vierde zoon, Juda: nu zal ik de Here loven. Er is geen sprake meer van liefde, van bemind worden. Alleen van: nu zal ik de Here loven! Arme Lea! Naast haar Rachel, dodelijk jaloers op haar zuster. Zij zegt tot Jakob, furieus van woede, van verdriet – die twee liggen heel dicht bij elkaar – : ‘Geef mij kinderen, zo niet, dan sterf ik!’
Jakob is in alle staten, de wanhoop nabij, wellicht al over die grens heen, en antwoordt: ‘Neem ik de plaats van God in die u de vrucht van de schoot ontzegd heeft?’ Uiteindelijk gedenkt de Here ook Rachel, en Hij verhoorde haar. Hij opende haar schoot, zij werd zwanger en ‘baarde een zoon, Jozef, dat wil zeggen: moge de Here mij er nog een andere zoon bevoegen’ (30: 24).
Dat gebed wordt verhoord. Benjamin wordt geboren, als ze op weg zijn, ver van Laban vandaan. Die geboorte betekent de dood van Rachel. Zij wordt begraven in de omgeving van Bethlehem. Later wordt Rachel opnieuw genoemd. In tijden van radeloosheid en duisternis. In Jeremia 31: ‘Rachel weent om haar kinderen, zij weigert zich te laten troosten over haar kinderen, omdat er geen meer is’ (vs 15). Die woorden klinken opnieuw met het oog op de gruwelijke kindermoord in Bethlehem (Matheüs 2: 18).
Zijn we nu alleen maar bezig met verhalen uit de oude doos? Het heeft er de schijn van. We proberen in de wirwar van de wegen het spoor, het levensspoor van de Here God te vinden, Vandaag de dag doen we niet anders, als we met vallen en opstaan de geloofsweg gaan. Die vraag blijft onverminderd actueel: waar is de Here? Hij is op plaatsen, Hij gaat langs wegen, waar je Hem niet of nauwelijks verwacht. ‘Sub contrario’, schreef Luther keer op keer: onder de schijn van het tegendeel.
In deze wonderlijke geschiedenis van – zoals ik al zei – paren en baren, van gekonkel en bedrog, van vrouwenhandel met alle pijn van dien, loopt het spoor, de weg van de Here via Lea, die niet bemind werd, die zich telkens weer gaf, in de hoop dat bij Jakob ook een vonkje oversloeg. Ik probeer me dat voor te stellen, maar ik kan dat niet omdat ik een man ben en ook niet omdat deze radeloze, zo u wilt: redeloze liefde mij duizelig maakt.
Dan gaat het, Hij, verder via die vierde zoon, Juda. Waarom zo? Ik weet het niet. Juda krijgt late een heel bijzondere zegen van Jakob. Het heeft te maken met loven, God loven; met vijanden die afdruipen; met een leeuw; met een scepter, een heersersstaf, die niet zal wijken; met ene Silo, wiens naam zoveel betekent als: Hij, aan wie het toekomt. Wat komt hem toe? Wat komt hem toe? Wat de Here God in petto heeft en dus in praktijk brengt. Uiteindelijk, maar wat een lange, ondoorgrondelijke weg, uiteindelijk de Leeuw uit Juda’s stam, die bij machte is de verzegelde boekrol, het diepste geheim tussen God en de mensen, te openen (Openbaring 5: 5 – 6).
Johannes heeft het gezien, in een visioen. Hij huilde omdat de razernij van de geschiedenis hem stapelgek en wanhopig maakte. Waar is het allemaal goed voor? Waar is de Here in dit ratjetoe, in deze heksenketel? Vertaal het maar naar je eigen levensgeschiedenis, naar alles wat er gaande is, speelt en spookt op het toneel van de wereldgeschiedenis. ‘En ik zag in het midden van de troon’ – in het centrum van waaruit geregeerd wordt – ‘en van de vier dieren en te midden van de oudsten, een lam staan, als geslacht’ (Openbaring 5: 6).
Er is reden om te huilen, maar nog meer reden om te zingen. Er wordt geregeerd! Niet met harde hand, maar met een doorboorde hand. Niet met stalen vuist, maar met een liefde, die tot het einde gaat en allen omvat die niet bemind werden. Het einde, ook van het drama van de geschiedenis, zal een loflied zijn: ‘Hem Lam, dat geslacht is, is waardig te ontvangen de macht en de rijkdom, de wijsheid en de sterkte, de eer, de heerlijkheid en de lof’. Uiteindelijk zal ieder, wereldwijd, hemelhoog en aardediep, dat be – Amen.

===   ===   ===

Genesis 31: 2
Gehouden op:
*Zondag 19 november 2006, 10.00 uur te Beekbergen.
Bijbellezing: Genesis 31: 1 – 3, 22 – 29; Mattheüs 6: 19 – 21.

Ze heet Catherine Hamlin en is inmiddels 82 jaar oud. In Australië geboren, later naar Engeland verhuisd, waar ze ook haar man ontmoette. Ze studeerden beiden geneeskunde en specialiseerden zich tot gynaecoloog, vrouwenarts. Een halve eeuw geleden vertrokken ze naar Ethiopië, om daar te gaan werken in een ziekenhuis. Gaandeweg ontwaarden zij een schokkend en schrijnend probleem onder jonge vrouwen, meisjes eigenlijk nog, die een eerste kind kregen. Jarenlang zware arbeid, vooral zware lasten op de rug, blijven niet zonder gevolgen. Als het zover is, blijft het kind steken, zonder dat er hulp voorhanden is. Na dagen van pijn en marteling wordt het dood geboren. De inwendige organen zijn beschadigd, vooral de blaas, waar door zo’n jonge vrouw incontinent wordt, de urine niet kan ophouden. Ze raakt in een isolement, wordt vaak verstoten door haar man en de dorpsgemeenschap. Een betrekkelijk kleine operatie kan genezing geven. Die kwaal, dat kwaad heet met een medische term fistula.
Catherine Hamlin stichtte samen met haar man Reginald, die tien jaar geleden overleed, het Fistula Hospital in Addis Abeba. Een staf van doktoren en andere deskundigen, gerecruteerd uit het land zelf. Verpleegkundigen, die ooit dezelfde kwaal hadden. Catherine Hamlin is dagelijks op haar post en opereert ten minste een dag in de week. Michel van der Plas, dichter en schrijver van Rooms-katholieke huize bezocht dat ziekenhuis, zoals wij ook deden, en schreef onder meer: dokter Catherine Hamlin heeft Jezus in haar ogen.
Wie, wat hebben wij in onze ogen? De blik, het gezicht, de oogopslag is zo wezenlijk dat het boekdelen spreekt. Laban had dollartekens in zijn ogen. Hij was en is de enige niet. En Jakob dan, zijn tegenspeler, zijn rivaal? Had hij Jezus in zijn ogen? Was hij doorzichtig naar de Here God toe?
Daarmee zitten we midden in dit verhaal, beschreven in Genesis 31. Het zou gemakkelijk zijn als we mensen konden verdelen in enerzijds blanke duiven, anderzijds in zwarte kraaien. Die vlieger gaat niet op en als het toch even gebeurt, dan duikelt-ie na korte of iets langere tijd naar de grond.
We gaan al lezend en luisterend op weg, in de hoop, met de belofte, dat het aangezicht van de Here God oplicht in deze geschiedenis, waarin ook niets menselijks, tot in het miezerige toe, vreemd is. Met de woorden van een oude Psalm, 97: ‘Gods vriendelijk aangezicht / heeft vrolijkheid en licht / voor alle oprechte harten / ten troost verspreid in smarten’.
Jakob hoort en ziet dat hij een bedreiging is voor Laban en zijn naaste kring. Hij hoort de zonen van Laban zeggen: ‘Jakob heeft zich alles toegeëigend wat van onze vader was en wat dus onze erfenis is’. Die man van buiten gaat er niet alleen met onze zusters Lea en Rachel vandoor, maar ook met ons kapitaal.
Jakob ziet het ook aan het gezicht van Laban: ‘Ook lette Jakob op het gezicht van Laban, en zie, het was jegens hem niet als gisteren en eergisteren’, niet als voorheen.
De ogen zijn de spiegels van het hart. Ieder van ons kent de ervaring van huis uit, dat je iets in je schild voert, en dat vader, moeder je op het matje roept en zegt: ‘Kijk me aan!’
Het gezicht van Laban – zijn naam betekent ‘wit’ – is donker, dreigend geworden. Hij heeft afspraken gemaakt met Jakob, die nu al twintig jaar bij hem in dienst is, op de loonlijst staat, maar de afspraken, de CAO zogezegd, worden telkens weer aangepast ten voordele van Laban. Die man heeft – ik zei het al – dollartekens in zijn ogen.
Is Jakob dan de blanke onschuld? Dat vee, hem toebedeeld, wordt een grote kudde, maar Jakob past technieken toe, fokt de dieren op, zodat je ten minste kunt vragen: ‘Is dat wel zuiver?’ Nog afgezien van de vraag: ‘Is het ook diervriendelijk?’
Lees het slot van hoofdstuk 30 erop na. Waar loopt de grens tussen bona fide en mala fide praktijken, tussen slim en sluw, tussen uitgekookt en over de termijn van houdbaarheid heen? Waarom gaat hij met Rachel en Lea – in deze volgorde worden zij genoemd – in conclaaf, in het veld, een plaats van geheim overleg? Die beide vrouwen zijn door broer Laban benadeeld, vooral omdat zij geen enkel deel van de bruidsschat krijgen en dat was een stuk fatsoen dat je toentertijd moest doen. Bovendien steelt Rachel – dat werkwoord klinkt telkens op – de terafim van Laban. We weten niet precies wat dat waren. Kleine beeldjes? Maskers, amuletten om het boze te ontlopen?
Toen Laban de tenten doorzocht en ten slotte in die van Rachel kwam, verzon zij een list: ‘Broer, ik ben ongesteld, laat mij hier rustig blijven zitten op dit zadel.’  Wat zit daarachter, daaronder? Een vrouw, in die situatie, gold als onrein (Leviticus 15 : 19) en dan zit je bovenop die terafim! Je zou haast denken, met excuus voor deze platte taal: ‘Ik heb er schijt aan’, maar even verder, in hoofdstuk 35, lezen we dat er zoveel waarde aan gehecht wordt, dat die hele bedenkelijke handel moet worden opgeruimd: ‘Toen zei Jakob tot zijn huis en tot allen die bij hem waren: Doet weg de vreemde goden die in uw midden zijn, reinigt u en verwisselt uw klederen’ (35: 2).
Laban en consorten, Jakob met zijn beide vrouwen, touwtrekkerij om bezit, allerlei gehannes met mensen en dieren, afgoden die een spelen…. Waar is de Here God in dit alles? Dat is de hamvraag! Hij trekt Zich niet terug, Hij laat Zich niet onbetuigd. Hij verschijnt, zowel aan Jakob als aan Laban.
Eerst aan Jakob: ‘Toen zei de Here tot Jakob: keer terug naar het land van uw vaderen – naar je familie – en Ik zal met u zijn’ (vs 3). Even later, in het gesprek met Rachel en Lea, in het veld, vertelt Jakob: ‘De engel van God zei tot mij in een droom: Jakob! En ik zei: hier ben ik’ (vs 11).
Waarom daar de engel, de bode van God? Het gaat over dat vee, dat Jakob verworven heeft. Neemt de Here God dan toch enige afstand en verschijnt Hij daarom door bemiddeling van een engel? De opdracht is dezelfde: ‘Maak u reisvaardig, ga uit dit land weg en keer naar het land van uw bloedverwanten terug’ (vs 13).
Ook Laban heeft een Gods-ervaring: ‘En God kwam in een droom des nachts tot de Arameeër Laban en zei tot hem: ‘Neem u wel in acht, dat gij met Jakob niet ten goede of ten kwade spreekt’ (vs 24), dat je – met de Nieuwe Vertaling – Jakob geen strobreed in de weg legt.
Waarom wordt Laban de Arameeër genoemd? De Arameeërs, de Syriërs hebben later veel strijd met Israël gevoerd. Dat gaat door tot op de huidige dag. Wordt hier al duidelijk dat en hoe de Here God verkiezend te werk gaat? Tot Jakob wordt gezegd: ‘Ik zal met u zijn!’ Betekent dat: met u, dus tegen alle anderen? Dat kan niet waar zijn, want elders, in Deuteronomium 26, lezen we: ‘Gij zult voor het aangezicht van de Here, uw God, betuigen: een zwervende Arameeër was mijn vader’ (vs 5). Verkiezing is nooit ten koste van anderen, althans niet definitief, maar ten gunste van allen. Wie zich iets gaat verbeelden, als zou jij beter zijn dan iemand anders, wordt eraan herinnerd dat we van hetzelfde laken een pak zijn: een zwervende Arameeër was mijn vader. Met andere woorden: door genade bent en wordt u behouden.
‘Ik zal met u zijn!’, mag Jakob horen. In deze woorden, in deze belofte, licht het aangezicht van de Here God op. Jakob hoorde die belofte eerder, toen hij als vluchteling, als asielzoeker die droom bij Bethel had. De Here God verscheen hem en zei: ‘Zie, Ik ben met u en Ik zal u behoeden overal waar u gaat, en Ik zal u terugbrengen naar dit land, want Ik zal u niet verlaten, totdat Ik gedaan heb wat Ik u heb toegezegd’ (Gen. 28: 15).
‘Ik zal met u zijn!’. De vraag blijft opspelen: waarom met Jakob? Je komt een klein stukje dichterbij als je zegt: Jakob was de meest kwetsbare. De Here God is doorgaans eerder in het gezelschap van de uitvallers, de mensen aan de marge, in de modder van het leven, dan in dat van de blitse binken en allen die ‘het’ – wat dat dan ook moge zijn – gemaakt hebben.
Het heeft, hoe je het wendt of keert, meestal met dollars te maken. Laban neemt z’n hele familie mee om Jakob te achtervolgen. Tegen deze overmacht kan Jakob niet op, maar de Here is met hem. Nog eens: waarom met hem? Wie nog dichterbij wil komen, moet het diepste antwoord schuldig blijven. Je kunt er beter van zingen, zoals Psalm 146 doet: ‘Welzalig de mens die de God van Jakob tot zijn hulpe heeft, wiens verwachting is van de Here, zijn God, die de verdrukten recht verschaft, die de hongerigen brood geeft’.
‘Ik zal met u zijn!’ Die belofte klinkt de hele Bijbel door en gaat verder, de eeuwen en de landen door, tot op de dag van vandaag. De wegen van Jakob zijn door diepe dalen, door veel pijn en moeite heen gegaan, maar in alles, ondanks alles geldt de belofte. Wie dit spoor volgt in de Bijbel komt ten slotte uit bij Hem, die Immanuël – met ons is God – heet. Van Hem wordt ook gezegd, gezongen, als Zijn komst in deze wereld wordt aangekondigd: ‘Hij zal als Koning over het huis van Jakob heersen, en Zijn Koningschap zal geen einde nemen’ (Lucas 1: 33).
Wij moeten het met een belofte doen. We zien deze Jezus, de Christus, niet van gezicht tot gezicht. Dat directe spreken van de Here, zo’n ontmoeting in een droom, zoals Jakob en ook Laban hebben ervaren, komt misschien wel voor, maar ik heb het nog nooit meegemaakt. De grote kerkhervormer Johannes Calvijn schreef ooit: ‘Christus komt ons tegemoet, verschijnt ons in het gewaad van Zijn Evangelie’. Dan is de Heilige Geest onvermoeibaar bezig om de beloften van God waar te maken, tot een levende, geleefde werkelijkheid te laten worden in ons krakkemikkige bestaan. Als Hij met ons is, dan hebben we genoeg, zelfs meer dan dat. Het is genoeg, een leven en een dood lang, en nog verder. Het wachtwoord is en blijft: genade! Er zit niets van onszelf bij. Dat schept ruimte voor dankbaarheid. Ook voor solidariteit. We zien onszelf en elkaar in het licht van Gods trouw.
We bidden met en voor elkaar dat Hij Zijn aangezicht laat oplichten in de wirwar van ons leven, dat Hij ons Zijn vrede geeft. Dat is een rijkdom, die met niets anders te vergelijken is. Jezus zegt: ‘Verzamelt u geen schatten op aarde, waar mot en roest ze ontoonbaar maakt en waar dieven inbreken en stelen; maar verzamelt u schatten in de hemel; waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn’ (Mattheüs 6: 19 – 21).
Dit wonder, deze geborgenheid in God, zal een uitstraling krijgen, ook in en door ogen. Zoals die dokter in Ethiopie, Catherine Hamlin, van wie Michel van der Plas schreef: ze heeft Jezus in haar ogen. Amen.

===   ===   ===

Genesis 32: 22-32
Gehouden op
*Zondag 26 augustus 2012, 19.00 uur in de Grote Kerk te Apeldoorn
Bijbellezing: O.T. Genesis 32: 22-32; N.T. 2 Corinthiërs 12: 6: 9
*Zondag 14 oktober 2012, 10.00 uur te Zwolle-Berkum
Bijbellezing: O.T. Genesis 32: 22-32; N.T. 2 Corinthiërs 12: 6: 9

God ontmoeten… Onze eerste, misschien ook wel enige, gedachte is: dat is mooi. Beter nog: het mooiste dat er is! Als we ons er verder in verdiepen, dan stellen we ons een soort videoclip voor met wonderbaarlijk, bovenaards licht en daarbij passende hemelse muziek. We zijn van die religieuze dromers, terwijl het leven, ook het geloofsleven, zo ruig, rauw, weerbarstig is. Ook hier geldt: te waar om mooi te zijn.

Ad den Besten, dichter van veel kerkliederen, ontmoette ooit iemand uit de Pinksterkringen, van wie je weleens de indruk krijgt dat ze bij de Here God op schoot zitten. Die Pinksterbroeder vroeg als een soort lakmoesproef, een geloofstest, aan Den Besten: ‘Heeft u ooit een Godservaring gehad?’ Het weerwoord van Den Besten: ‘Ja, mijnheer, ik schrok me rot!’

Jakob is zich ook rot geschrokken. Hij ontmoet God – dat dringt pas later tot hem door, na een gevecht op leven en dood – op een plaats die veel weg heeft van een griezelfilm, op een manier die je niet zo gauw of helemaal niet van God verwacht. Hij presenteert zich als een Nachtfiguur, een Tegenstander, terwijl wij doorgaans graag een liever, aardiger beeld van God hebben: God als Vriend, als Helper in nood, met een arm om je heen, niet met een vuist die je slaat.

Wat voor mens is Jakob? Ik probeer hem scherp in beeld te krijgen en dat beeld een tikkeltje uit te vergroten. Al doende wordt het verschil in afstand – Apeldoorn op de Veluwe en een riviertje in Israël, de Jabbok – en het verschil in tijd – ruwweg 3500 jaar – steeds kleiner.
Het beeld, het portret, van Jakob lijkt verdacht veel op dat van onszelf. Hij heeft succes gehad in zaken en daarom heeft hij ook een groep mensen om zich heen, die hoe dan ook van hem afhankelijk zijn. Maar succes is iets anders dan zegen. Jakob wist van huis uit wat zegen betekent. Die heeft hij niet gratis, uit genade, ontvangen, maar listig gestolen. Hij is als iemand die een medaille gewonnen heeft op de Olympische Spelen, maar wel met doping. Een gestolen zegen – en daarmee is hij met de noorderzon vertrokken.
Maar het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Hij is op weg naar huis en nu komt hij zichzelf tegen. Niet in een spiegel, maar in de ontmoeting met een vreemde, angstaanjagende macht, in het holst van de nacht.

Jakob moet een grens over. Tussen de ene dag en de andere, tussen het verleden en de toekomst, tussen zijn vlucht en zijn thuiskomst, oog in oog met zijn broer die de zegen toekwam, ligt een kloof.
En dan: ‘Zo bleef Jakob alleen achter. En een man worstelde met hem, totdat de dag aanbrak’. Huiveringwekkende woorden, meer herkenbaar dan ons lief is. Met je schuld, met je angst, met je onzalige, onverwerkte verleden moet je alleen verder.

Je kunt natuurlijk meer doping tot je nemen, op de wijze van: al te goed is gek; niemand is volmaakt; geen softe praatjes, want de wereld is hard. Maar je wordt steeds meer een vreemdeling, een verknipt en verkreukeld mens, met al je bezit, al je succes.

Zo al ergens, dan geldt hier: mensenhulp is ijdel. Tevergeefs. Mensenwoorden helpen niet echt verder. God moet er aan te pas komen. Niet ‘het Opperwezen’, niet ‘de lieve Heer’, of welke hotemetoot dan ook, maar de God van het verbond, de God van Abraham, Isaak, die – wonder boven wonder – ook de God van Jakob wil zijn.

Waarom doet Hij zich voor als een Tegenstander en gaat Hij op de vuist? Ik tob ermee om dit te verstaan, maar allengs gaat mij een beetje meer licht op. Dat de Here God zich zo bekend maakt – Luther noemt dat: ‘sub contrario’, onder de schijn van het tegendeel – is geen uitzondering, maar komt meer voor in de Bijbel. Bij Job bijvoorbeeld, die de Here God tart met zijn woorden: ‘Mijn Tegenstander scherpt zijn ogen tegen mij; (…) Ik leefde in vrede, maar Hij schrikte mij op; Hij greep mij bij de nek en wierp mij ter aarde, stelde Zich mij ten doelwit’ (16: 9, 12). En Jeremia, die zegt: ‘Gij zijt mij waarlijk als een uitdrogende beek, water waarop geen staat valt te maken’ (15: 18).
Er is nog een voorbeeld waarbij je denkt: ‘Dit kun je toch niet maken? Dit gaat over de grens en wordt Godslastering.’ Ik bedoel een regel uit de Klaagliederen: ‘Hij heeft mijn weg versperd met steenblokken, mijn paden onbegaanbaar gemaakt; Hij is mij een loerende beer, een leeuw in verborgen schuilhoeken’ (3: 9-10).

Dat is in geen orthodox, ook in geen vrijzinnig boekje te vinden, maar de Bijbel trekt zich niets aan van onze aanduidingen links, rechts; zwaar, licht; orthodox, vrijzinnig.

Waarom komt de Here God ons zo tegemoet? Ik denk dat we vaak zo ingewikkeld en verfomfaaid in elkaar zitten dat ook de Here God zich anders – sub contrario! – wil voordoen om ons werkelijk te bereiken, om ons op de knieën te krijgen. Het is zoeken en tasten, maar dichterbij kan ik niet komen.

Terug naar dit Bijbelverhaal. Ik zie dat voor me en ik hoor de geluiden. De stilte van de nacht onderbroken door rauwe, onderdrukte kreten, door gesteun en gekreun. En dan die wonderlijke regel, die ook zo moeilijk past in ons gangbare beeld van God: ‘… een man worstelde met hem (…). Toen deze zag dat hij Jakob niet overmocht…’ Met andere woorden: God als Verliezer.
Hij is toch altijd en overal Overwinnaar? Ja, wat heet overwinnen? Een vraag, die ons voorzichtig maakt, ontleend aan het hart van het Evangelie: is het kruis verlies of winst? Daar is God, die in de gestalte van Christus onder ons is, schijnbaar de verliezer. Daar is Paulus, ook zo’n man die door een donkere tunnel heen ging, God ontmoette op de weg naar Damascus en met blindheid werd geslagen – maar Paulus noemt dat kruis de kracht van God en de wijsheid van God.

God laat zich verslaan om Jakob te laten opstaan, Jakob wordt geslagen op zijn heupgewricht. Hij is lijfelijk getekend door deze ontmoeting, deze worsteling. Hij wordt er een ander mens van. Vandaar die naamsverandering. Hem wordt gevraagd: ‘Hoe is je naam?’ Het antwoord: ‘Jakob.’ Dat is: hielenlichter, mannetje met doping. En dan dat wonderlijke vervolg: ‘Uw naam zal niet meer Jakob luiden, maar Israël, want ge hebt gestreden met God en mensen, en ge hebt overmocht!’

Ik kan het niet beter zeggen dan met de woorden uit het Evangelie: ‘Wie zijn leven zal willen behouden, die zal het verliezen, maar wie zijn leven verloren heeft aan Mij en aan het Evangelie, die zal het opnieuw, voor altijd, ontvangen’.

Jakob krijgt alsnog de zegen. Dan breekt gaandeweg de zon door. De nacht wordt verdreven door de dag: ‘de zon ging over hem op, toen hij door Pniël getrokken was’.
Ik vind dat zo indrukwekkend. Wat er precies gebeurt, gaat mijn macht, mijn besef te boven, maar ik ga, dank zij Hem, de dag tegemoet. Jakob is getekend, gelittekend door Gods genade. Hij hinkt, maar zo heeft hij de moed om zijn broer te ontmoeten. Zo komt hij klaar met zijn verleden en kan hij verder, de toekomst tegemoet.
Willem Maarten Dekker, een collega uit Mastenbroek, aan wie ik een en ander heb ontleend in deze overdenking, schrijft in dit verband: ‘Jakob voelt zich ondanks zijn manke been sterker dan ooit. Jakob loopt voortaan mank, maar toch is zijn tred trefzekerder dan ooit.’

Ten slotte, lieve lezer: ging het alleen over Jakob, zo ver weg, zo lang geleden? Of gaat het ook over onszelf? God komt ons tegemoet op allerlei wijzen. Een stem, die ons aanspreekt. Een storm, die door ons leven raast en alles op z’n kop zet. Een vriend die ons de hand reikt. Een Vijand, een Tegenstander die een gevecht met ons aangaat. Een spoor van licht. Een nacht vol duisternis. God is zo groot dat Hij niet te vangen is in het luciferdoosje van onze ideeën. En een mens is zo geheimzinnig en uniek, dat je er nooit een mal, een vast patroon van kunt maken. Geef elkaar, geef God de ruimte. Hij komt je tegemoet, in welke gestalte dan ook. Misschien wel ‘sub contrario’, onder de schijn van het tegendeel. Maar Zijn laatste bedoeling is steeds, wat de apostel Paulus op een kruispunt van zijn leven hoorde: Mijn genade is u genoeg! Amen

===   ===   ===

Genesis 32: 22 – 32
Gehouden op:
*Zondag 20 september 1998, 10.00 uur te Beekbergen. Woorden der inzetting; nodiging en viering.
Bijbellezing: Genesis 32: 22 – 32.

Als God Zich openbaart, als Hij ons – hoe dan ook – tegemoet komt, waar en hoe gebeurt dan? Onze eerste gedachte is: een soort Prinsjesdag-in-het-kwadraat, met als hoogtepunt de koningin in en vooral uit de gouden koets, schrijdend tussen al die mensen in gala, met sterren en sjerpen, om dan eindelijk de troonrede voor te lezen. Het is allemaal zo verheven dat een hele gewone opmerking als: ‘Haal je hand eens even door je haar’ eigenlijk uit de toon valt.
Als God Zich openbaart, moet je dan aan zoiets denken als Prinsjesdag? De Bijbel zet ons op een ander been, geeft ons een andere blikrichting. Luther heeft dat aangegeven in kernachtig Latijn, de kerktaal en de taal van de geleerden in die dagen. God openbaart Zich veelal ‘sub contrario’, onder de schijn van tegendeel. Ook deze opmerking van Luther is goud waard omdat ze ons brengt en houdt bij het hart van de zaak.
‘Sub contrario’, onder de schijn van het tegendeel. Het is een sleutel om deze bijzondere geschiedenis van Jakob bij Pniël binnen te gaan en beter te verstaan. Een geheimzinnig verhaal. Jakob alleen, aan deze zijde van het riviertje de Jabbok. Aan gene zijde zijn z’n vrouwen en kinderen, al die anderen die bij hem horen, daar is ook al z’n vee en alles wat hij verder bezit. Moederziel alleen, terwijl de nacht is gevallen.
Ik zie dan voor mij: een kwetsbaar mens, losgemaakt van alles wat hem houvast, geborgenheid kan geven. Dat beeld van een mensenkind herken ik, om mij heen en in mijzelf.
Maar dan verschijnt er iemand, een ander die de ANDER blijkt te zijn. ‘Sub contrario’, onder de schijn van het tegendeel. Misschien heeft dit verhaal ook een aantal wortels in een oud volksgeloof, dat er op die plaats weleens wonderlijke gestalten, riviergeesten verschenen. De Eeuwig-Trouwe schaamt Zich niet om daarbij aan te knopen, daarop in te spelen.
Iemand worstelde met hem, met Jakob, totdat de dag aanbrak. Ik zie dat weer voor me en ik hoor de geluiden. De stilte van de nacht, onderbroken door rauwe, onderdrukte kreten, steunen en kreunen.
En dan die wonderlijke regel, die ik helemaal niet plaatsen kan in mijn beeld van God: toen die iemand, die ANDER zag dat Hij Jakob niet overmocht… Met andere woorden: God als verliezer… Hij is toch altijd en overal overwinnaar? Luther zou dan zeggen, met het oor op de hele, de ene Schrift: ‘En het kruis van Christus dan?’ Moet jij je beeld van God niet nodig bijstellen?
Jakob wordt geslagen op z’n heupgewricht. Hij is lijfelijk getekend door deze ontmoeting, deze worsteling. Hij wordt er een ander mens van. Vandaar die naamsverandering. In arren moede vraagt hij op zijn beurt: ‘Hoe is uw naam?’ Als je iemand kunt benoemen, heb je vat op die ander. ‘Waarom vraagt ge toch naar Mijn naam?’
En dan dat wonderlijke vervolg: ‘Hij zegende hem daar’. Geen vat op Hem, maar wel door Hem omvat. Dan breekt gaandeweg de zon door. De nacht wordt verdreven door de dag: ‘De zon ging over hem op, toen hij door Pniël getrokken was’.
Ik vind dat zo indrukwekkend: wat er precies gebeurt, gaat mijn macht, mijn besef te boven, maar ik ga dank zij Hem, de dag tegemoet.
‘Sub contrario’, onder de schijn van het tegendeel. Ik ontvang vandaag een stukje brood, duidelijk gebroken, een brokje dus, en een slokje wijn, duidelijk uitgegoten. Heenwijzend naar het verbroken lichaam en het vergoten bloed van Jezus, de Christus, sprekend God.
Wat er precies gebeurd is in dit offer, in deze zelfovergave van die Ene, gaat mijn macht, mijn besef te boven. De Schrift gebruikt allerlei woorden en beelden om dit geheimenis te verwoorden: verzoening, losprijs, offer, bevrijding….
In de geschiedenis van de kerk is er eindeloos over gedebatteerd, tot op de huidige dag, om – als ik dat zo zeggen mag – het naadje van de kous bloot te leggen. We zullen er nooit uitkomen. Dat ontslaat ons niet van de plicht om erover te blijven denken. Ter wille van de verstaanbaarheid, de overdracht van het heilig Evangelie.
We zullen er nooit uitkomen. Wel worden we genodigd om erin te komen en erin te blijven. Als een kaal, kwetsbaar mensenkind, net als Jakob, losgemaakt van alles wat ons bindt en schijnbaar staande houdt. We worden gezegend door Hem die wij niet bevatten, maar die ons genadig omvat. Hij kruist onze weg. ‘Sub contrario’, onder de schijn van het tegendeel. Dankzij Hem ligt de nacht achter ons en is de dag voor ons. Amen.

===   ===   ===

Genesis 32: 22-32-II
Gehouden op:
*Zondag 3 april 2005, 19.00 uur te Beekbergen.
Bijbellezing: Genesis 32: 22 – 32; 1 Corinthe 15: 25 – 28;

Een paar dagen geleden, op donderdag 31 maart, was ik in Amsterdam. Collega Philip Krijger promoveerde aan de Vrije Universiteit op een studie die als titel draagt: ‘De tragiek van de schepping’.
Tragiek, wat is dat? Het woord komt als zodanig niet in Bijbel voor. Het hoort er ook niet in thuis, zeggen velen. Je moet het laten waar het vandaan komt: de godenwereld, de geloofsovertuiging van de oude Grieken en de Romeinen. Daar speelt het woordje ‘lot’ een voorname rol. Bepaalde dingen vallen over jou heen, vellen je ook, doen je struikelen, zonder dat je er, hoe dan ook, aansprakelijk voor bent.
Een hoofdwoord in de Bijbel is: schuld. Als mens ben je aansprakelijk, verantwoordelijk, dus ook schuldig voor alles wat er mis gaat en mis is in de schepping. Krijger ontkent de schuld niet, maar wil toch een goed woord doen voor de tragiek, vooral als gaat om het kwade in Gods goede schepping, de pijn, het verdriet, het leed. Hij weet waarover hij schrijft omdat hij het onderwerp van zijn studie aan den lijve ervaart. Je kunt nooit ver weg lopen, ook niet ver weg denken van jezelf.
Krijger haast zich om te zeggen dat deze zoektocht geen solotoer is. Hij heeft ook en vooral mensen op het oog, wier leven onder druk, op de tocht staat, in de knel komt. Daarom is deze ambachtelijke studie ook voluit een vorm van pastoraat, van omzien naar elkaar, om Christus’ wil. Krijger moest dit werk dat hem zo lief was, predikant in een gemeente, voortijdig en noodgedwongen, om gezondheidsredenen neerleggen. Hij zet het op deze wijze, studerend en schrijvend, voort.
Een vraag die nimmer tot rust wil komen, is deze: Vanwaar het kwade in de schepping van God, een schepping die Hij goed noemt? Eeuwenlang hebben mensen daarmee geworsteld en dat gevecht gaat nog steeds door.
Om de veelheid van antwoorden op die oermenselijke vraag enigszins in kaart te brengen, onderscheidt Krijger drie modellen. Een model is een denkpatroon, een theorie om enigszins de weg te vinden en zo mogelijk verder te komen met alles wat op je af en in op komt.
Het harmoniemodel strijkt alle hobbels, alle hindernissen min of meer glad. Het kwade, in welke vorm dan ook, is te wijten aan onze schuld. Door de zondeval is alles in wanorde geraakt. De Here God heeft de hele schepping, alles wat er is, goed gemaakt, maar de mens roept, bewust of onbewust, het kwade over zich heen. Soms is het duidelijk waarom het kwade z’n slag kan slaan. Wie steelt en gepakt wordt, moet boeten. Soms is het verband tussen oorzaak en gevolg niet zo of helemaal niet duidelijk, maar ook dan wordt alles teruggevoerd op de zonde als schuld, die zich voortplant als een repeterende breuk. Daarom werd en wordt gezegd, volgens dit model: waren er geen zonden, dan waren er geen wonden! Heel veel mensen die op de weg van het geloof willen staan en gaan, hebben daar vrede mee. Anderen blijven doorvragen omdat zij zich niet kunnen vonden in dit model, in deze manier van denken. Lezend in en luisterend naar de Bijbel ontmoeten ze bondgenoten. Job bijvoorbeeld die zijn vrienden op de huid blijft zitten. Prediker, die deze rust de rust van het kerkhof vindt. Zoveel woorden uit de Psalmen, die stem geven aan de vraag naar het waarom en niet tevreden zijn met de geijkte antwoorden in de trant van: nou daarom! Het is allemaal o zo herkenbaar omdat het door en door levensecht is.
Krijger noemt een ander model, nog een denkpatroon om meer zicht te krijgen op de weerbarstige werkelijkheid waarin wij leven. Hij noemt dat het tragische model. Tragiek is meer een lot dat ons overvalt dan een daad waarvoor wij verantwoordelijk zijn. Voorbeeld: als we moedwillig en welbewust het licht uitdoen, is het geen wonder dat we in het donker struikelen. Maar als het licht uitvalt, zonder dat we er iets aan kunnen doen, dan wordt de zaak wel even anders. Stel je voor dat er in de wereld van God, lang voordat deze wereld ontstond, al allerlei dingen mis zijn gegaan…. En stel je voor dat onze wereld en ons leven daarmee te maken hebben… Dan zijn heel veel dingen meer lot dan schuld. Het lijkt een vorm van bellen blazen, maar in werkelijkheid zijn het hartstochtelijke pogingen om tot meer klaarheid te komen, vooral als het gaat over de schaduwzijden, de duisternis van ons bestaan. In de tweede eeuw van onze jaartelling was er een man, hij heette Marcion, die deze gedachten verbond met wat hij in de Bijbel las. Hij ging zelfs zover dat hij zei: deze wereld is het werk van een lagere god, die ook verantwoordelijk is voor het Oude Testament. De echte, ware, hoogste God is pas verschenen en bekend geworden sinds de komst van Jezus Christus. Marcion kreeg duizenden aanhangers en stichtte een alternatieve kerk. Hij werd als ketter veroordeeld. De kerk bleef vasthouden aan de belijdenis: de God die ons geschapen heeft is dezelfde die onze Verlosser wil zijn. Die belijdenis klinkt ook duidelijk door in de aloude woorden die wij zondag aan zondag zeggen of zingen: ik geloof in God, de Vader, de Almachtige, Schepper van hemel en aarde, en in Jezus Christus, Zijn eniggeboren Zoon…
Krijger zal de laatste zijn om met Marcion en de zijnen in zee te gaan. Het belijden van de kerk is voor hem onopgeefbaar. En toch is hij van mening dat het geloofsleven en ook de theologische doordenking levensechter zullen worden als we oog en hart hebben voor die wondere wereld van de tragiek. Niet alleen levensechter, maar ook dichter bij de Bijbel, het Woord van God. Daarom pleit hij voor een derde model, dat hij het strijdmodel noemt. Als we alleen blijven bij de harmonie, dan worden heel veel schrijnende vragen niet of niet voldoende ernstig genomen. Als we de weg van tragiek op gaan, komen we terecht in de sfeer van een ongekend en ook onbegrensd pessimisme. De strijd, ook de strijd met God opent een nieuw vergezicht.
Op de wijze van Jakob bijvoorbeeld die in de nacht van zijn bestaan worstelt met Iemand die hij voorals nog niet herkent. Toch zegt hij: ‘Ik laat U niet gaan, tenzij Gij mij zegent’. Voortaan liep hij weliswaar mank, maar toch lezen we: ‘de zon ging over hem op, toch hij door Pniel getrokken was’.
Het scheppingswerk van God is niet zonder strijd. Dat klinkt al door in eerste woorden van de Bijbel: ‘De aarde nu was woest en ledig’. ‘Tohu wa bohu’ in het Hebreeuws. (Je hoort het dreigende!)  ‘En duisternis lag op de vloed’. In de Psalmen bijvoorbeeld: ‘Gij zijt het die de zee hebt gekliefd door uw kracht, de koppen der draken in het water verbrijzeld; Gij zijt het die de koppen van de Leviathan hebt vermorzeld….’ (Ps. 74: 13 – 14). De profeet Jesaja: ‘Waak op, waak op, bekleed u met sterkte, gij arm des Heren! Waak op als in de dagen van oude, van de geslachten uit de voortijd. Zijt gij het niet, die (…) de zeedraak doorboord hebt’ (Jes. 51: 9).
Ook het werk van de verlossing is boordevol strijd. Jezus Christus is, blijkens de evangelien, telkens opnieuw in gevecht, ook met de demonische machten van de duisternis. Zij moeten het onderspit delven. Deze machten die mensen bestoken en de schepping weer woest en ledig willen maken, hebben geen toekomst. Velen voelen zich wat verlegen met deze verhalen. Demonen en aanverwanten behoren, naar hun besef, bij een wereldbeeld dat voorbij is. Dat zou weleens een kapitale vergissing kunnen zijn. Misschien moeten we ons ook hierin opnieuw verdiepen om op de geloofsweg levensecht en Bijbelgetrouw te kunnen zijn. Tragiek en demonie hebben wellicht meer met elkaar te maken dan ons lief is. Ze verstoren onze rust, maar die storing is vast en zeker heilzaam en hoort ook bij het wonder van Pasen: opstaan uit de dood, uit het doodstrijd tot aan het einde der wereld; gedurende die tijd moeten wij niet slapen, maar wakker zijn. Ook de apostel Paulus schrijft over deze kosmische strijd, bijvoorbeeld in het hooglied van de opstanding, 1 Corinthe 15: ‘Hij moet als Koning heersen, totdat Hij al zijn vijanden onder zijn voeten gelegd heeft; de laatste vijand die onttroond wordt, is de dood…’ (verzen 25 – 27).
Wakker, waakzaam zijn… Hoe dan? Krijger haalt en Bijbels element heel sterk naar voren: de klacht, het klagen. Ook hier moeten we onze woorden afstemmen op de Bijbel, om niet uit de toon te vallen. Klagen heeft bij ons veelal de klank van zeuren, chronisch ontevreden zijn, je altijd tekortgedaan voelen. Ook daar zit meestal iets achter: een roep om aandacht. Het is lang niet altijd en diepe lading. Mensen roepen hartstochtelijk tot God, omdat ze weten dat Hij door en door betrouwbaar is. Wat er in hun leven speelt en spookt, kunnen ze niet rijmen met Zijn heilzame bedoelingen. De last van het leed, de angst, het verdriet wordt hun te zwaar. Ze dreigen kopje onder te gaan in de maalstroom van het leven. Als er een is die luisteren kan en wil, als er een is die een licht kan ontsteken in de duisternis, dan Hij, de Drieënige God. Ik denk aan de Psalmen, aan Job, aan zoveel stemmen meer in de Bijbel.
Krijgt de klacht, hoe dan ook een antwoord? Als je te vlot ‘ja’ zegt, ben je terug in het harmoniemodel, waar alles klopt of ook kloppend wordt gemaakt. Als je ‘nee’ zegt en dus afhaakt, beland je in het tragische model. De strijd gaat verder, met vallen en opstaan. God geve ons de kracht om op onze post te blijven. Op de wijze van de apostel Paulus: in dit alles, te midden van de verdrukking en benauwdheid, zijn wij meer dan overwinnaars door Hem die ons heeft liefgehad (Romeinen 8). Op de wijze van Inge Lievaart die ooit ook dit gedicht schreef:

Er is een klagen diep in alle dingen, / maar in mijn hart begon een helder zingen. / Daar rechtuit tegenin, want Jezus leeft. / Er is een wachten diep in alle dingen’.

Op de wijze van Isaac da Costa die ons dit lied aanreikte, waarin de duisternis ernstig wordt genomen, maar het mondt uit in:

‘Als de Here God in allen / en in allen alles is, / zal het licht zijn, eeuwig licht zijn, / licht uit licht en duisternis’.

Amen.

===   ===   ===

Genesis 33:10
Gehouden op:
*Zondag 19 september 2010, 19.00 uur te Lunteren
Bijbellezing: Genesis 33: 1 – 12; Lucas 15: 20 – 24.

Het gaat over twee mensen. Ze hebben iets met elkaar gehad. Niet zo weinig. Als ik hier stop, dan zou je het verhaal kunnen invullen met het oog op dat boek, met daarin de namen van de gestorvenen uit onze kring, sinds Advent. Ik, die er nog ben, en die ander, heengegaan. We hebben zoveel met elkaar gehad. Je zou het, dus ook: hem of haar, terug willen roepen. Ik denk aan een gedicht van Ida Gerhardt, overleden in 1999, over ‘De gestorvene’. Zij schrijft:

‘Zeven maal om die te gaan / als het zou moeten op handen en voeten / zeven maal, om die ene te groeten / die daar lachend te wachten zou staan. / Zeven maal om de aarde te gaan. / Zeven maal over de zee-en te gaan, / schraal in de kleren, wat zou het mij deren, / kon ik uit de dood die ene doen keren (…)’.

Ik kom daar straks op terug. Eerst gaat het over twee mensen, bij hun leven. Tussen hen in staat de Levende, en daarom kan zelfs de dood geen definitieve scheiding maken.
Jakob en Ezau. Ze hebben iets met elkaar gehad, ook niet zo weinig. Geen liefdesverhaal, maar een verhaal van bedrog en bitterheid. Uiteindelijk komen ze elkaar onder ogen. Het verhaal is typisch oosters, met al die omslachtigheid, uitvoerige beleefdheid en onderdanigheid, maar het is onsterfelijk, omdat de Here God present is en dat nog steeds wil zijn, ook hier en nu, in Beekbergen, meer dan 3000 jaar later.
Twee woorden klinken telkens op: aangezicht, gelaat – in het Hebreeuws: ‘panim’, waar ons woordje ‘ponom’ vandaan komt – en genade, genegenheid – in het Hebreeuws: ‘chen’, waar ook ons woordje ‘gein’ vandaan komt. Je gelaat, je ‘ponum’, en de genade, die vrolijk maakt, ondanks alles, dank zij God.

Jakob is op weg naar huis, na al die jaren in den vreemde te zijn geweest. Met een grote schare, mensen en dieren, have en goed. Hij bereidt zich voor op de ontmoeting met Esau. Een uitgekookte strategie, een beleidsplan dat effect kan hebben. Halverwege het vorige hoofdstuk, Genesis 32, de verzen 20 en 21, lezen we wat hij heeft uitgebroed: ‘Laat ik hem verzoenen met het geschenk dat voor mij uitgaat’. Letterlijk staat er: Laat ik zijn aangezicht (!) bedekken met een geschenk…; daarna zal ik zijn aangezicht zien en misschien zal hij dan mijn aangezicht opheffen, dat is: mij welgezing zijn.
Wat is dat voor een verzoening? Het is liefde op afbetaling. Investeren om te profiteren. Het heeft weinig of niets met de Here God te maken. Hij, de Levende, doorkruist zijn plannen. In die wonderlijke nacht bij de Jabbok worstelt Jakob met iemand. Na die worsteling, een gevecht met de Levende, blijkt gaandeweg, moet Jakob bekennen: ‘Ik heb God gezien van aangezicht tot aangezicht en mijn leven is behouden gebleven’.
Zo gaat hij Ezau tegemoet. Hij gaat nu ‘voorop’, met z’n hele volkje en al z’n bezit ‘achter’ hem. Het is geen tactiek meer. Wat het wel is, lezen we in die wonderlijke woorden van vers 10: ‘Ik heb uw aangezicht gezien, zoals men het aangezicht van God ziet’ en daarom, als toegift, als extraatje achteraf, die geschenken. In vers 11 lezen we: ‘Neem toch mijn geschenk…’. Letterlijk staat er: ‘Neem toch mijn zegen!’ Jakob geeft de gestolen zegen terug. Alles is anders geworden, omdat het aangezicht, de genade van de Here God tussen beiden is getreden.
Wist Ezau daarvan, beter nog: van Hem? Het wordt niet met zoveel woorden verteld, maar ook Ezau straalt iets van God uit. Hoe weet ik dat? Lees maar wat er staat: Jakob buigt en buigt – zeven keer – en komt zo, schoorvoetend naar Ezau toe. ‘Maar Ezau snelde hem tegemoet, omarmde hem, viel hem om de hals en kuste hem, en zij huilden’.
Waar lijkt dit op? Esau lijkt op de Vader uit de gelijkenis van de verloren zoon. Vrijwel dezelfde woorden: ‘En toen hij nog veraf was, zag zijn vader hem en werd met ontferming bewogen; en hij liep hem tegemoet, viel hem om de hals en kuste hem’ (Lucas 15: 20).
Ezau is ook de eerste die het woordje ‘broeder’ in de mond neemt: ‘Ik heb al veel, mijn broeder; wat gij hebt, blijft het uwe’ (vers 9). Wat is er met Ezau gebeurd? Hij heeft de gelaatstrekken van de Here, van de Vader, gekregen. Hoe, waar, waarom dat gebeurde? Ik weet het niet. Wij kunnen de Here God niet opsluiten in onze kring, in onze kerk, in ons systeem. Later zal Jezus zeggen tot Nicodemus: ‘Hoor je de wind in de bomen? Zo is ieder die uit de Geest geboren is’. De Geest waait waarheen Hij wil, zonder eerst ruggenspraak met jou te houden. Ik denk ook aan een uitspraak van Thomas van Aquino, kerkvader van Rooms-katholieke huize: ‘Denk toch altijd over God, dat Hij groter, royaler is dan je nu van Hem denkt!’
Terug naar Jakob. ‘De zon ging over hem op, toen hij door Pniël getrokken was en hij ging mank aan zijn heup’. Desondanks loopt hij recht, zelfs rechtop, als nooit tevoren. In dat licht ontmoet hij Ezau: ‘Ik heb uw aangezicht gezien zoals men het aangezicht van God ziet en u hebt welgevallen aan mij gehad, mij genade betoond’.
Ik wil niet eigenwijs zijn, maar die vertaling ‘zoals’ kan beter. De woorden van Jakob tot Ezau vloeien voort uit die andere woorden, even tevoren bij de Jabbok, bij Pniël: ‘Ik heb God gezien van aangezicht tot aangezicht en mijn leven is behouden gebleven’.
Dat werkt door in deze ontmoeting met Ezau: ik heb uw aangezicht gezien ‘omdat’ ik het aangezicht van God gezien heb. Hij heeft zich over mij ontfermd en die ontferming omvat ook jou, ons samen dus. Nu zie ik in uw gelaat, broeder, de weerglans, de weerspiegeling van Gods gelaat. Nu zie ik wie u ten diepste bent, omdat ik ook mijzelf heb leren zien. Uw gezicht, uw gelaat en het mijne, de weerglans van Gods gelaat. Daarom hebt u in mij een welgevallen, zoals ik in u heb.
Niet om het een of ander. Niet om te profiteren, na eerst te investeren, maar omdat de Here Zijn aanschijn, Zijn gelaat over ons heeft doen lichten en ons genadig is. Nu is een geschenk een zegen. Gratis gegeven, want: gratis ontvangen. Met de woorden van vers 11: ‘Neem toch mijn geschenk, mijn zegen (!) dat u gebracht werd, want God is mij genadig geweest en ik heb alles’.
En Ezau zegt: ‘Laat ons toch opbreken en verder reizen; ik wil u begeleiden’ (vers 12). Dat hoeft niet. Ze gaan gescheiden wegen, maar toch zijn ze altijd en overal samen, omdat de Here God hen beiden omvat met Zijn genadige ontferming.
Aangezicht en genade. Die woorden hebben alles te maken met het Verhaal van de Levende en met ons levensverhaal. Aan het eind van de dienst wordt de zegen uitgesproken. Een geschenk als zegen: ‘De Here zegene u en Hij behoede u; de Here doe Zijn aangezicht over u lichten en zij u genadig; de Here verheffe Zijn aangezicht over u en geve u vrede’.
Jakob heeft dat gelaat gezien, als de opgaande zon. Meer dan 3000 jaar geleden. Waar en hoe vinden wij Hem?
‘Wie Mij heeft gezien, heeft de Vader gezien’, horen we in het Evangelie. En ook: ‘Niemand heeft ooit God gezien’, althans niet in deze volheid, ‘de eniggeboren Zoon, die aan de boezem, aan het hart van de Vader is, die heeft Hem doen kennen’ (Johannes 1: 18). En in de Hebreeënbrief wordt deze Ene, de Zoon, sprekend God, aangeduid met: ‘de afstraling van Zijn heerlijkheid, de afdruk van Zijn wezen’.
Het diepste woord dat Hij gesproken heeft, is het Woord, het geheimenis van de verzoening. Rondom het kruis worden de diepste gelaatstrekken van God zichtbaar. En voor altijd geldt, wat een oude Psalm, 146, zingt: ‘Welzalig de mens, die de God van Jakob tot zijn hulpe heeft, wiens verwachting is op de Here zijn God’.
Dit Evangelie, dit Verhaal van de Levende, wordt gelezen en verkondigd. Daarin komt de Here God ons tegemoet. Niet met veel tamtam, niet met glitter en glans omgeven. De Here God heeft een eigen geheim, Hij is altijd groter en heiliger dan wij nu van Hem denken. Maar zoveel heeft Hij ons wel toevertrouwd dat we Zijn aangezicht, Zijn gelaat ontwaren en zo Zijn genade ervaren. Om met Calvijn te spreken: ‘Hij komt ons tegemoet in het gewaad van Zijn Evangelie’. Zijn gelaat, in dit gewaad. Dichterbij kunnen we niet komen. Moeten we ook niet willen. In de weerglans van dat gelaat zien we ook de broeder en de zuster, geborgen in Zijn genadige licht. Er is geen plaats waar met zoveel eerbied, ook met zoveel hoop en toekomst, over een mens gesproken wordt als in de lichtkring van het heilig Evangelie.
Het geldt ook voor allen, met wie wij zo verbonden waren, en die zijn heengegaan. Ida Gerhardt schrijft over die zoektocht van verlangen: ‘zeven maal om de aarde te gaan, desnoods op handen en voeten, schraal in de kleren, wat zou het mij deren….’.
Dat we mensen missen, met pijn en hartzeer, is een blijk dat er een band van liefde was. Wie niet bemind werd, wordt ook niet gemist. Het laatste woord is aan de Here God, wiens licht sterker is dan alle duisternis. Vroeger werden mensen rondom de kerk begraven. Over de stenen van de wanhoop klonk telkens het lied van de hoop. Uit de mond van mensen, die weet hebben van het aangezicht, de genade van God. Ons levensverhaal is verweven met het Verhaal van de Levende. Dat kan zelfs de dood niet ongedaan maken.
Daarom zijn de namen van de gestorvenen geschreven in een boek, dat hier ligt. De kleur is wit, vanwege het boek van het leven. Ons bestaan is geborgen in God, een leven en een dood lang en nog verder…. Amen.

===   ===   ===

Genesis 37: 23 – 30; 41: 45 – 49
Gehouden op:
*Zondag 3 oktober 2010, 10.00 uur te Welsum.
Bijbellezing: Genesis 37: 23 – 30; 41: 45 – 49;

Ik zou zo graag iets willen zien van het werk dat God in deze wereld doet. Met ‘iets’ bedoel ik dat je zou kunnen zeggen: ‘Zie je nou wel? Geen twijfel mogelijk! Dit is onmiskenbaar God!’
Het zou me helpen in het gesprek met randbewoners en buitenstaanders, in het werk van zending en evangelisatie. Je zou anderen eerder en beter kunnen overtuigen dat we niet met dingen bezig zijn die altijd blijven zweven, die nergens een landingsplekje hebben in ons bestaan. Het zou me ook helpen om mijn eigen onrustige, heen en weer geslingerde hart, meer rust en houvast te geven.
Ik sta hier hardop te peinzen, maar ik weet wel zeker dat deze ontboezemingen, deze overwegingen, voor u herkenbaar zijn.
Ik leg er paar gedachten naast, van mensen die ik hoogacht. Van Luther, die levenslang wist van aanvechtingen, van worstelen met God, met de mensen en – niet in de laatste plaats – met zichzelf. Hij schreef in het Duits, zijn moedertaal, en in het Latijn, de internationale vaktaal en voertaal voor wetenschappers in die dagen. God doet Zijn werk vaak ‘gegen den Augenschein’, tegen de schijn van het tegendeel. Je ogen schieten tekort, zetten je op het verkeerde been. Er is meer aan de hand dan wat jij op het eerste gezicht ziet. In het Latijn: ‘sub contrario’, onder de schijn van het tegendeel. Het lijkt zo weinig, misschien wel niks, maar het is eindeloos veel. Bid om ogen en oren die werkelijk opengaan.
Ik zou zo graag iets willen zien van het werk dat God in deze wereld doet. Staar je niet blind op wat jij ziet en dus ook niet op de conclusies die jij daaraan verbindt. Schort je oordeel op. Misschien is God veel dichterbij dan jij denkt en doet Hij dingen die jou ontgaan.
Ik leg er dit Bijbelverhaal naast, Genesis 41. Het gaat over een broodhuis en over een broodheer. ‘Gegen den Augenschein, sub contrario’, onder de schijn van het tegendeel. Brood, als eerste levensbehoefte, oeroud beproefd middel om te overleven. Op de wijze van de eerste bede in het Onze Vader: Geef ons heden ons dagelijks brood. Genoeg om vandaag te leven, met vertrouwen dat het er morgen opnieuw is.
Een broodhuis, genaamd Egypte. Ja, Egypte was in de oudheid de graanschuur voor het gebied rondom de Middellandse Zee. Maar nu lees je dit verhaal met de ogen, de oren van de oorspronkelijke hoorders: mensen in Israël, van Joodse huize. Het is in eerste plaats hun verhaal, hun levensgeschiedenis en daarna, via de Messias van Israël, die de Heiland der wereld is, ook ons verhaal, onze levensgeschiedenis. Ook hier geldt de regel: wie het eerst komt, die het eerst maalt.
Broodhuis Egypte. Die combinatie doet denken aan: zonnige nacht, of: vriendelijke vijand, of gezond vergif. Het is zo ongerijmd. Het heeft zo de schijn van het tegendeel. Egypte heeft in de wereld van de Bijbel de klank van: angstland, doodsgebied, oord van slavernij. De Tien Woorden, de Tien Geboden beginnen dan ook met: ‘Ik ben de Here, uw God, die u uit het land Egypte, uit het diens thuis geleid heb.’ En toch geldt van Godswege: die plek, die je – plat gezegd – mijdt als de pest, die nachtmerries oproept, die plek kan een broodhuis zijn. Niet voor een paar mensen, die – zoals dat heet – stom geluk hebben, maar voor – bij wijze van spreken – Jan en Alleman, Griet en Allevrouw. Daarom lezen we aan het slot van Genesis 41: ‘En de gehele wereld kwam naar Egypte om bij Jozef brood te kopen, want de honger was sterk op de gehele aarde’.
Ik zou zo graag iets willen zien van het werk dat God in deze wereld doet! Kom dan mee naar… Wij hebben de neiging (en meer dan dat, we maken ons reisvaardig om) naar plaatsen te gaan waar – naar ons besef – echt iets te beleven is. Waar schokkende, verrassende dingen gebeuren, die de mensen aanspreken. Misschien wel met veel effect van licht en muziek, van uitgekiende technieken en tactreken, die grote indruk maken, van charismatische leidersfiguren, van genezingen die mensen versteld doen staan.
Is God daar en zo aan het werk? Mij komt het oordeel niet toe, maar ik ben allergisch voor het bespelen van sentimenten. Al zoveel mensen zijn van een koude kermis thuisgekomen en zitten met de scherven van vermeend geluk, de blokstukken van wat als heil, heel making, werd aangeprezen.
Egypte als broodhuis, met een voorraad voor de hele wereld. Hoe is het mogelijk? Vanwege die broodheer. Een wat houterige term, maar ik weet geen betere. Wij hebben ook weet van – met een veel ongelukkiger woord – krijgsheren. Het tegendeel van broodheren. Krijgsheren in overvloed: in Afrika, in Afghanisten, in Indonesië. Zij opereren ten koste van miljoenen mensen die hongersnood lijden.
Dit verhaal kan een spoor van licht trekken, een baken van hoop zijn, ook in onze wereld, anno Domini 2010. Daarom komen we hier zondag aan zondag samen. Niet om ons terug te trekken in een museum van godsdienstige oudheden, maar om teerlost te krijgen voor onderweg, brood dat heenwijst naar Hem, die het Brood des Levens is. Al doende zullen we – ‘gegen den Augenschein, sub contrario’ – iets van het werk van God op het spoor komen.
Jozef, een broodheer. Wonderlijke man, met een wonderlijk levensverhaal. Voor een appel en een ei verkocht door zijn broers. Na veel duisternis, door donkere tunnels heen, klimt zijn ster hemelhoog. Zo doet God Zijn werk. Het lijkt allemaal een dubbeltje op z’n kant. Deze Jozef, de man uit Israël, wordt uitgehuwelijkt aan de dochter van een priester, in dienst van de zonnegod Re, ook wel Ra genoemd. Gaat God zo te werk?
De Farao gold als zoon van die zonnegod. Als teken daarvan doorkruiste hij pontificaal, met pracht en praal, het land Egypte van Noord naar Zuid. De zon, uitstraling van de zonnegod, ging dagelijks van Oost naar West. Die tocht van de farao symboliseerde dat alle macht aan de zonnegod was en aan zijn vertegenwoordiger op de aarde, de farao. Alle windstreken onder dit ene gezag. En Farao, zo lezen we in vers 45 van dit hoofdstuk, noemde Jozef Zalnath Paaneach, en hij gaf hem Asnath, de dichter van Potifera, de priester van On, tot vrouw. Dit kan nooit goed gaan. Zafnath Paaneach, dat betekent zoiets als – want het is en blijft een duistere naam voor ons – God spreekt en geeft leven. En de plaats On heet ook wel Heliopolis, dat is: zonnestad, waar een ontzagwekkende tempel van de zonnegod stond.
Kom mee naar Egypte, het broodhuis! En kom mee, naar Jozef, de broodheer. Lijkt Jozef op de Farao, zoon van de zonnegod, bekleed met absolute macht, of lijkt-ie op de Zoon van God, de Messias van Israël, de Heiland der wereld, die Zichzelf vernederde, Zichzelf liet breken als de wereld?
Uit dat huwelijk van Jozef met Asnath worden twee zonen geboren. Ze krijgen Hebreeuwse namen:
Manassa, want – zei hij – : God heeft mij al mijn moeite doen vergeten, en ook het gehele huis van mijn vader. Daarmee overspeelt Jozef zijn hand. De emoties zitten, zo blijkt uit het mijn vervolg, veel dieper dan hij veronderstelde.
De tweede zoon heet Efraim, want – zei hij – : God heeft mij vruchtbaar gemaakt in het land van mijn ellende.
Hoezo vruchtbaar? Misschien was het wel anders, meer waar dan Jozef kon vermoeden. Om dat te verstaan, om te zien dat God aan het werk was, moet je het vervolg lezen. Van het boek Genesis en verder nog, van de hele Bijbel, en later nog, van de gang van God, de Drieënige, de eeuwen en de landen door.
Als Jozef, na allerlei omwegen, zijn broers life ontmoet, komt hij tot een belijdenis: ‘Wat jullie ten kwade hebben gedacht, heeft God ten goede gedacht.’ In leven, op de been gehouden door dit broodhuis en door mij, broodheer bij de gratie Gods. Het volk Israël noodgedwongen in Egypte. Later uitgeleid door de sterke hand van God. Farao moet zich gewonnen geven. Onderweg in de woestijn. Brood uit de hemel, manna, genoeg voor elke dag. De mens zal immers niet alleen bij brood leven, dat het werk van eigen handen is, maar bij het Woord dat van de Here uitgaat. Dat is Brood des Levens.
Eeuwen later is er weer een plaats, die broodhuis wordt genoemd. Heel letterlijk Bethlehem, dat is Beth (Huis) van Lechem (Brood). In dat huis wordt een Broodheer geboren: Jezus, de Christus. ‘Gegen den Augenschein! Sub contrario!’ Onder de schijn van het tegendeel. Hij deelde Zichzelf uit als brood. Hij is ‘de Zonne der gerechtigheid, wiens licht allen beschijnt die gezeten zijn in duisternis en schaduw van de dood’.
Dit Evangelie is de eeuwen en de landen doorgegaan. Het gebeurt op de adem van de Geest, die de ogen, de oren van mensen opent om het werk van God te herkennen en te erkennen. Om dichter bij dit geheim te komen en te blijven, ga ik nog eens in de leer bij Luther en ten slotte bij onze kleinzoon David.
Luther schrijft keer op keer: ‘Stecke die Augen in die Ohre’, steek je ogen in je oren. Staar je niet blind op het spectaculaire, maar hoor wat de Geest tot de gemeente zegt. Er is niet zoveel te zien. Als er al iets te zien is, dan kun je het nog op verschillende wijzen duiden. De Here God laat zich vooralsnog niet in de kaart kijken. Dat doet Hij niet om ons te plagen, maar om te voorkomen dat we met de schijn aan de haal gaan. Steek je ogen in de oren. Laat het Woord, dat ons is toevertrouwd, de voorrang hebben. Geloof God op Zijn Woord. Je bent een zondaar, maar begenadigd om Christus’ wil. Verloren wat jezelf betreft, maar behouden vanwege Hem. Je bent en blijft een mens op brekebenen, maar je wordt van Hogerhand vastgehouden. Het zien komt later wel, wanneer het hele werk van God voltooid, voleindigd is.
Staar je niet blind op het spectaculaire. Kleine David heeft mij dat ook geleerd. We gingen een paar keer naar het pretpark van de Julianatoren. Op een dag voor opa’s en oma’s. Later nog eens omdat onze Heidi vrijkaartjes had gekregen. Het was echt de moeite waard. Maar wat David het allermooiste vindt, is dollen. Ik op de grond. David gaat op m’n handen staan. Ik breng m’n benen naar hem toe, til hem op de handen omhoog en zo vliegt hij door de lucht (en ik zorg er wel voor dat hij een zachte landing maakt).
Als ik hem aan de telefoon heb of als hij bij ons uit de auto stapt, is de eerste vraag niet: ‘Opa, gaan we weer naar de Julianatoren’, maar: ‘Opa, zullen we gaan dollen?’ Dat schijnbaar gewone is voor hem het einde. Ook wat dit betreft, lijkt dit kind, David, op de Zoon van David. Ooit zei Hij: ‘Wie het Koninkrijk niet ontvangt als een kind, zal het voorzeker niet binnengaan!’ Amen.

===   ===   ===

Genesis 39: 1-6
Gehouden op:
*Zondag 19 oktober 2008; 10.00 uur te Beekbergen. Woorden van de inzetting; nodiging en viering.
Bijbellezing: Genesis 39: 1 – 6;

De ware Jozef? Dat is de mens, voor wie iemand de bruid wil zijn om haar leven met hem te delen. Zolang die klik er niet is, die vonk niet overspringt, kun je zeggen: ‘Ik heb de ware Jozef nog niet gevonden’.
In de Bijbel komt tenminste twee keer een Jozef voor met wie God Zijn leven wil delen. Terugbladerend in de Bijbel: Jozef aan het begin van het Evangelie en Jozef aan het eind van het eerste Bijbelboek, Genesis. Beiden de de ware Jozef. We zoeken die ene Jozef op in het huis van zijn meester, Potifar. Opgeklommen van jongste bediende tot naaste medewerker, rechterhand van Potifar. We lezen in vers 6: Potifar ‘liet al het zijne aan Jozef over, en met hem naast zich, bemoeide hij zich enkel met het brood dat hij at’.
Die promotie, die ereplaats, is er dankzij allerlei redenen, maar de diepste reden wordt nadrukkelijk, bij herhaling vermeld: de Here was met hem, de Here zegende hem.
Je zou dit Bijbelverhaal zomaar kunnen bewerken tot een spannende roman of een toneelstuk, met pikante passages. Zo men wil: tot een schilderij, een stuk muziek waarin vooral de karakters van Jozef en van de vrouw des huizes worden aangezet. Het gaat niet om de kuisheid, zo u wilt: de preutsheid van Jozef en de vreemde fratsen van die vrouw, op een avontuurtje belust. Het gaat om de ware Jozef, om de mens die zich laat zegenen door de Here, die laat gelden dat de Here met hem is en zo zijn bestemming vindt. Met de woorden van een onvergetelijk lied, geschreven door professor Evert Louis Smelik, met het oog op de beide brieven aan Timotheüs: ‘Er heeft een stem gesproken, / de Heer was daar! / Antwoordt Hem vastbesloten, / staat voor Hem klaar’. En even verder: ‘Leer ons eenvoudig leven / niet afgeleid. / Wie zich aan Hem wil geven / sta steeds bereid’.
Jozef laat zich niet afleiden, niet inpakken, niet vastpakken… Niet omdat hij – om zo te zeggen – een Jantje Beton zou zijn, maar omdat hij de weg wil volgen die de Here met hem gaat, waarop de Here Zelf vooraan gaat. Jozef kon daar en toen, in het huis van Potifar, niet voorzien waarop die weg zou uitlopen. Dat wordt later onthuld, in Genesis 50, wanneer Jozef aan zijn broers zegt: ‘Gij hebt wel kwaad tegen mij gedacht, maar God heeft dat ten goede gedacht, om te doen zoals heden het geval is: een groot volk in het leven te behouden. Vreest dus niet, ik zal u onderhouden en ook uw kinderen’ (vss 20 – 21).
De ware Jozef heeft iets van de Messias, van Christus. Hij geeft tenminste een doorkijkje naar Hem toe. Om dat duidelijk te maken, lees ik nog eens die regel: ‘met Jozef naast zich bemoeide Potifar zich enkel met het brood dat hij at’. Ik lees dat met glimlach, met een knipoog van herkenning. Met zo’n ware Jozef om ons heen hoeven wij ons niet meer echt zorgen te maken. Hij doet het eigenlijke werk. Wij zullen niet gaan luieren, maar als de zaak op scherp komt te staan, hoeven wij alleen brood te eten, dat ons wordt voorgezet.
Vandaag vieren we het heilig Avondmaal. Ik weet wel dat we heel veel mogen, moeten doen. Ik werk zelf ook zolang het dag is. Omdat ik er vreugde in heb, omdat mij de gezondheid vergund is. Maar als het gaat om de dingen die wezenlijk tellen, die eeuwigheidswaarde hebben, dan hoef ik alleen te komen, gehoor gevend aan de Stem die ons roept, om het brood te eten en de wijn te drinken. Samen met al die anderen, die mij zo lief zijn. De diepste gemeenschap die mensen aan elkaar bindt, is de band waarmee de Here God zich aan ons bindt. Het is een brood, dat wij eten. Zo zijn wij, velen, een lichaam. Het is een wijn, die wij drinken. Zo zijn wij een bloedsomloop, die gaat van hart tot hart. Geen spannender, geen schoner plekje op deze aarde dan deze plaats, waar Christus met zondaren wil samen komen en samen wonen. Amen.

===   ===   ===

Genesis 41:16
Gehouden op:
*Zondag 30 november 1986; 8.45 en 10.30 uur te Hellendoorn.
Bijbellezing: OT Genesis 41: 1 – 16, 25 – 32; NT Mattheüs 24: 42 – 51

De Koning komt! Dit ene thema komt, telkens op verschillende wijzen, aan de orde in deze vier weken van de Advent, die vandaag zijn ingegaan. De kinderen op de scholen en wij in de eredienst zijn hiermee bezig. Collega Vonhof, meester van de Schuur van de Es-school en nog enkele anderen hebben een handreiking geschreven en gegeven om zo het kerstfeest tegemoet te gaan.
De Koning komt! Wie is Hij, de Koning? Zullen we Hem, bij Zijn komst, herkennen? Hebben we de moed van het geloof om Hem in deze tijd, tot aan Zijn komst in heerlijkheid, te erkennen als Koning?
Niet te gauw zeggen, broeders en zusters: ‘Jezus is Koning! Natuurlijk geloven we in Hem, natuurlijk verwachten we Zijn komst.’ Het is heel goed mogelijk dat we Hem, ondanks al onze goede woorden en goede bedoelingen, vergeten zijn. Net als die mensen van wie Jezus vertelt in Mattheüs 24. Zij leven niet meer in de verwachting en daarom doen zij wat hun het beste lijkt, het meeste schikt en het gevolg is een chaos.
Vergeten! Net als die schenker aan het hof van de Farao die zijn weldoener vergat en als bevrijd mens overging tot de orde van de dag, alsof er niets gebeurd was.
Om waakzaam te zijn, om de vergetelheid te verdrijven, luisteren we eerst naar dat oude verhaal uit Genesis 41.
Het voorgaande hoofdstuk eindigt met de woorden: ‘Doch de overste der schenkers dacht niet Jozef, zuchtend in de gevangenis, maar vergat hem.’ En dan, na twee volle jaren gebeurt er iets nieuws. De Farao droomt.
Nou ja, dromen zijn bedrog. Zijn we daarom naar de kerk gekomen om de dromen te horen van een onbekende man uit een grijs verleden, uit een ver land? Kun je niet wat actueels bedenken, prediker? De zwarte weduwe, of het ruimteschild, of de vervuiling van de Rijn?
Schort uw oordeel even op. Egypte is misschien dichterbij dan u denkt. De God van Israël, de Vader van Jezus de Christus, gebruikt die droom om Zijn heil, Zijn vrede te laten verkondigen, ook hier en nu, anno 1986.
Om de kracht, de klem, de kleur van deze oude woorden te verstaan, moet u een paar dingen weten. De farao gold als zoon van de goden, vooral van de zonnegod, genaamd Re. Van het Oosten naar het Westen, van waar de zon opgaat tot waar zij nederdaalt strekte de heerschappij van Re, de zonnegod, zich uit. En ook het Noorden tot het Zuiden stond onder zijn gezag. Daarom voer de farao, zoon van de zonnegod, eenmaal per jaar met een boot op de Nijl, vanaf het Noorden naar het Zuiden.
Met andere woorden: het hele firmament, de ganse kosmos lag in de handen van de zonnegod en dus ook in de hand van zijn vertegenwoordiger op aarde, de farao.
En nu die droom, waardoor deze vaste, zekere wereld scheuren vertoont, ondergraven wordt. Eerst die zeven koeien, dan die zeven korenaren. Daarom lezen we: ‘De volgende morgen was zijn geest onrustig en hij ontbood al de geleerden en al de wijzen van Egypte en Farao vertelde hun zijn dromen, maar er was niemand die ze Farao kon uitleggen’.
Mij dunkt: dit leger van geleerden en wijzen had deksels goed in de gaten wat er in deze dromen aan de hand was, maar niemand had het hart om iets te zeggen. Egypte, met een godenzoon op de troon, een man met onbeperkt gezag, aan de rand van de afgrond. Dit is te erg om te denken, laat staan om te zeggen. De hele wereld, die men als heilig, onaantastbaar beschouwde, kraakt in haar voegen, gaat – plat gezegd – naar de kelder.
En nu die opmerking van zo-pas: is Egypte niet dichterbij dan we denken? We hebben in West-Europa gedroomd van de welvaart (meer, meer, meer!) en op dit altaar alles geofferd. Het geloof in de God van Israël, de Vader van Jezus de Christus, hebben we ingeruild voor een vooruitgangsgeloof, een onbegrensd verstand, volgens welke het leven, de samenleving niet meer stuk kan gaan. Als ik hoor van dat ruimteschild van president Reagan en als ik hier lees van de zonnegod Re, dan denk ik: Is de overeenkomst, ondanks alles, niet frappant. Door wie, door wat wordt onze kosmos bewaard?
Ook nu zijn er mensen die dromen, dromen die het karakter van nachtmerries hebben. Onze leefwereld kraakt in al haar voegen. Het klinkt wat kreterig, maar is het bezijden de waarheid? Het leger van geleerden en wijzen weigert de tekenen te verstaan. Wie het wel doet, is als een roepende in de woestijn.
In deze consternatie komt de opperschenker tot inkeer: ‘Heden moet ik mijn zonden in herinnering brengen’. Hij is Jozef, een kaarsje in de nacht van zijn leven, een mens die hem op het spoor van de vrijheid terugbracht, vergeten.
‘Bij ons in de kerker, Farao, was een Hebreeuwse jonge man, een slaaf van Potifar, de overste van de lijfwacht. Hij legde de dromen uit, en zoals hij ons uitgelegd had, zo is het gebeurd’.
In allerijl wordt hij gehaald. Naar de mode van Egypte wordt hij glad geschoren en groots gekleed. Voor de troon van de Farao wijst hij van zichzelf weg naar God: ‘God zal Farao’s welzijn’ – letterlijk staat er het kernwoord ‘sjalom’, dat wil zeggen: heelheid, heil – ‘God zal Farao’s welzijn verkondigen’.
Door bemiddeling van Jozef komt iets van Gods heil, van Gods sjalom aan het licht in Egypte. Een Hebreeuwse jonge man, want: het heil is uit de Joden. Het moet ons van buitenaf verteld worden, want het heil komt niet op uit ons bloed, groeit niet op onze bodem. Wie het daar zoekt, hier meent te vinden, komt in het gezelschap van de zwarte weduwe en van allen die de stem van Israël willen smoren.
Jozef wordt verhoogd tot onderkoning. In deze hoedanigheid mag hij een weerglans zijn van Hem die de ware Koning is. Hebben de Egyptenaren in deze Hebreeuwse jonge man iets van Israëls God gezien? Is Jozef zelf doorzichtig geweest tot op Hem?
Ik weet het niet precies, maar het slot van het verhaal maakt mij wel somber. De naam Jozef wordt veranderd in Zafnath Paaneach, dat wil zeggen: de god heeft gezegd: hij zal leven. De god, daar zal de farao wel mee bedoeld zijn of zijn zonnebaas. Verder wordt hem, een priesterdochter tot vrouw gegeven. Dat kan natuurlijk goed gaan, maar je krijgt wel een vreemde wereld in huis. Wie is bestand tegen de zuigkracht van de goden, die precies zijn afgestemd op de hartslag van je bloed en de gesteldheid van de bodem, van je land?
En toch eindigt de geschiedenis van Jozef opnieuw met een verwijzing naar Hem, die de ware Koning is. In de ontmoeting met zijn broers, bang voor wraak nu de rollen zijn omgekeerd, zegt Jozef: ‘Vreest niet, want ben ik in Gods plaats? Gij hebt wel kwaad tegen mij gedacht, maar God heeft dat ten goede gedacht ten einde een groot volk in het leven te behouden.”
Deze laatste woorden van Jozef, lieve gemeente, scherpen onze oren om het vervolg van de Schrift, het heilig Evangelie te verstaan. Dit is de hoge roeping van een Koning bij de gratie Gods: ‘om een groot volk in het leven te behouden’. Nu wordt de Schrift doorzichtig tot op de komst van de Koning bij uitstek. Nu wordt ook duidelijk waarom we Advent vieren!
Jozef is gestorven. Zijn koningschap was tijdelijk. Het boek Exodus beschrijft de ellende van het volk Israël in Egypte. Er kwam een nieuwe koning over Egypte die Jozef niet gekend had en het volk Israël neerdrukte in slavernij. Toen deed God, die niet laat varen de werken van Zijn handen, mensen opstaan om het volk in het leven te behouden: Mozes, Jozua en later, met grote stappen door de geschiedenis heen, de Richteren, Saul, David – de man naar Gods hart – en nadien zoveel andere koningen van wie meestal dit ene, droevige refrein, bewaard is: ‘Zij deden wat kwaad is in de ogen des Heren’. Het recht werd verbogen, de sterkste bleef over, het lijden van de mensen werd overstemd.
In de volheid van de tijd, toen de tijd vervuld was, heeft de God van Israël het Koningschap opnieuw, zelf ter hand genomen. Een vreemde Koning, die de weg van het kruis is gegaan. Een Koning die Zijn volk in het leven behoudt door zelf Zijn leven te geven als losprijs voor velen.
Zijn eerste komst, Zijn eerste Advent gedenken wij. In alle eerbied en ootmoed. Zijn laatste komst, in heerlijkheid, Zijn laatste Advent verwachten wij. Tussen deze eerste en laatste Advent beweegt zich de geschiedenis van de wereld, speelt zich ons eigen leven af. Hebben we weet van deze Koning, die gekomen en komende is? Wordt ons leven, wordt de samenleving op Zijn heerschappij gericht? Of lijken we op de schenker, wiens leven even geraakt was door een Hebreeuwse man, bode van de God van Israël, maar hij vergat hem, nam de oude draad van zijn leven weer op?
Wie niet meer gedenkt en verwacht, maakt van z’n levenshuis een jan-boel. Daar zijn we hard mee bezig. Als de gemeente van Christus het heil, het Koningschap van God vergeet, dan gaan alle lichten uit. Maar we weten toch van de grootse dingen die geschied zijn en die nog staan te gebeuren? God wil een volk, de ganse wereld, in het leven behouden, zelfs door de tunnel van de dood heen. Dat mogen we zeggen en zingen, doorgeven en voorleven, anno 1986. Want dit Evangelie is een licht in de nacht. Amen.

===   ===   ===

Genesis 40: 9 – 23
Gehouden op:
*Zondag 10 deceber 1989; 8. 45 en 10.30 uur te Hellendoorn
Bijbellezing: Genesis 40: 9 – 23; Lucas 1: 68 – 79.

Ik noem twee woorden. Ze worden nogal eens door elkaar gehaspeld. Daar wordt de zaak, ook en vooral de zaak van het geloof, niet beter van. Alles wordt wazig, warrig, mistig. Ik bedoel de woorden succes en zegen.
Succes, wat is dat? Als ik een poging mag wagen: het is je aan te zien dat het goed met je gaat, dat bijna alles dus gesmeerd loopt. Is dat verkeerd? Is succes slecht? Ik denk het niet. Als de drang, het verlangen om te slagen, om succes te hebben uit je leven weggesneden werd, dan zou het allemaal ongelooflijk saai en suffig worden. De pit, de schwung, de muziek zou verdwijnen en de verveling, voorbode van de dood, zou toeslaan.
Maar succes is natuurlijk wel riskant. Het brengt je zomaar uit je baan, weg van de bestemming die God aan jouw leven geeft. Dan dwaal en dwarrel je maar voort in de ruimte, totdat je in het niet, het niets oplost. Zo gaat het toch met een uit-z’n-baan-geraakte satelliet.
Beantwoorden aan de bestemming die God met je leven heeft. Dan kom je in de omgeving van het woordje zegen. Dan gebeurt er iets met jezelf en iets met anderen-om-je-heen. Ligt dat er duimendik bovenop? Kun je dat duidelijk zien en elkaar overtuigen op de manier van: zie je nou wel?! Het verhaal van Jozef brengt een en ander een heel stuk dichterbij.
Wij lezen meestal brokstukken, hier wat en daar wat. Dan ben je het verband zomaar kwijt en wordt het alleen maar een spannend of een saai of een sterk verhaal. Aan het slot van hoofdstuk 39 staat twee keer, vlak na elkaar: ‘De Here was met Jozef’. Je mag dus wel zeggen dat Jozef een gezegend mens was. Had-ie ook succes? De Here was met hem – dubbelop – en er staat zelfs: Wat hij ook verrichtte, deed de Here gelukken. Gelukken, slagen, dat lijkt op succes. Hoe gaat dat verder?
Jozef zit, zucht in de gevangenis. Hij krijgt wel wat meer bewegingsvrijheid, een bijzonder baantje: de opper-schenker en de meester-bakker, mensen met hoge baantjes aan het hof, zitten in voorarrest, kennelijk op beschuldiging van gifmengerij. Een koud kunstje als je zo’n vertrouwens-positie had. Het gebeurde dan ook meermalen dat in die naaste, hoogste kringen rondom de farao, koppen vielen.
Jozef wordt ingeschakeld om deze deftige gevangenen van dienst te zijn. Best aardig, maar daardoor wordt een gevangenis is nog geen vakantieverblijf, laat staan een paradijs. Vandaar dat Jozef in het vervolg het woordje kerkerhol gebruikt.
De Here was met hem – bis!, twee keer! -, maar toch: in een huis van bewaring, grauw, goor en gruwelijk. Wij brengen dan al gauw allerlei theologisch geschut in het veld: Als God nou – en daar komen de zevenklappers – liefde, almachtig, barmhartig enzovoort is, waarom dan…?
Is zulk gepraat altijd verkeerd? Nou, je moet van je hart geen moordkuil maken, maar het zou best kunnen zijn dat je succes en zegen door elkaar haspelt en dat wordt dan een repeterende breuk. Er staan nog een paar woorden in dit verhaal, die toch wel triest zijn. Jozef vraagt aan de superschenker die een goeie tijd tegemoet zal gaan: ‘Blijf aan mij denken.’ Dat wil zeggen: ‘Doe een goed woord voor mij; want ik ben gestolen uit een ander land, onschuldig in deze bajes.’ Maar het eind van het verhaal is: de overste der schenkers dacht niet aan Jozef, maar vergat hem.
Een gezegend mens. Voor een buitenstaander is het hem niet of nauwelijks aan te zien. Heeft Jozef het zelf wel zo ervaren? En hoe ervaar je dat zelf? Ons wordt toegezegd – zo begint toch elke dienst – dat de Here met ons is. En aan het eind wordt, namens Hem, de zegen op ons gelegd. Geen wazige wens, maar een wonderbaarlijke werkelijkheid. Ervaar je dat ook zo?
In de Bijbel gaat het over anderen, maar daarin toch ook steeds over jezelf. Het is echt een allemans-, een allevrouwsboek. Ik weet niet zo goed wat Jozef wel of niet ervaren heeft. Wat ik wel weet is dit: God komt nauwelijks ter sprake in dit verhaal. Hij speelt een erg ondergeschikte rol. Of is dat schijn? Hoe dan ook: Jozef verwijst naar Hem in verband met de uitleg van de dromen: zijn de uitleggingen niet Gods zaak? Als ik sommige mensen hoor of lees, dan is God veel dichter, veel duidelijker en nadrukkelijker aanwezig. Maar hier: eventjes, bij die dromen.
Ja, die dromen spelen in de geschiedenis van en om Jozef een belangrijke rol. Eerst thuis: met die schoven, die zich voor hem neerbuigen; en later: met die zon, maan en sterren rondom hem als middelpunt. Als ik dat zo lees, dan denk ik bij mezelf: wat een stinkend eigenwijs kereltje, niet gehinderd door enige vorm van bescheidenheid.
En nu hier: de schenker die zich het leven, de vrijheid in-droomt. Maar die bakker droomt zijn dood tegemoet. Heeft-ie dan toch rattenkruid of ander spul in het brood van farao gedaan? En nog later de dromen van farao: zeven vette en vervolgens zeven magere jaren. Wat wil dit verhaal toch met ons? Waarom is het de eeuwen door bewaard en overgeleverd, zo dat het vandaag, de tweede zondag in de Advent, op het rooster staat?
Ik noem nog eens de kernwoorden uit dit verhaal: een mens zonder succes, maar toch: gezegend. Niemand dacht aan hem, hij werd vergeten, maar toch: de Here was met hem, Hij dacht aan hem, vergat hem niet.
Als je dit hele leven ziet en overweegt, dan mag moet je wel zeggen: Jozef trekt een spoor van zegen, zelfs door de gevangenis heen; die zegen komt niet alleen z’n eigen kring, familie, z’n eigen volkje ten goede, maar ook die vreemde Egyptenaren. Door de dienst van Jozef is er toekomst, brood om te overleven. Israël heeft het verhaal van Jozef bewaard en doorverteld, omdat het precies aangaf hoe het zelf, als volk, te midden van de volkeren verkeerde en nog steeds verkeert. Gezegend, maar zonder veel succes. Veelal op duistere plaatsen, gekneveld en geknecht, net als Jozef. Door Jan en alleman, door de volkeren van deze wereld vergeten.
En toch is over dit volk sinds Abraham, de belofte uitgeroepen, uitgeschreven: ‘de Here is met u!’ Nee, nee, niet vanwege ’t een of ander in jezelf, als zou je beter zijn dan andere volkeren. Jozef was toch ook niet beter dan zijn broers en hij geeft toch zelf aanleiding om te denken: wat een onuitstaanbaar mannetje! Zo ook Israël, als volk: niet beter dan de andere, maar wel geroepen om een spoor van zegen te trekken, om deuren naar de toekomst te openen, om dankzij God, te zorgen voor brood om te kunnen overleven in een uitgemergelde, stervende wereld. En nog een stap verder: het verhaal van Jozef doet denken aan het verhaal van Jezus, die ene uit Israël, in wie al Gods beloften en bedoelingen zijn samengevat. ‘De Here was met Hem’.
Als dat van iemand gezegd mag worden, dan wel van Hem. Had Hij succes? Nee toch, dat kun je niet zeggen. Geen lauwerkrans, geen eredoctoraat, geen Nobel-prijs, geen leven vol glitter en glans. Integendeel. Zijn levensgang heeft meer weg van een uitvergrote gevangenis, waarin Jozef eeuwen tevoren zat en zuchtte.
Hij bewees, net als Jozef, veel mensen een weldaad, Hij heelde verfomfaaide levens, maar wie dacht uiteindelijk nog aan Hem? Een paar vrouwen, op weg naar het graf, om de laatste eer te bewijzen, maar voor de rest: vergeten.
Maar….. deze schijn bedriegt. Door deze Ene, door Zijn leven, Zijn lijden, Zijn opstanding is een spoor van zegen, van licht getrokken. Door deze Ene is de toekomst opengebroken voor allen die leven in de slagschaduw van de dood. Door deze Ene is er brood om te overleven, omdat Hij zelf het brood des levens is.
Jozef, Israël, Jezus. Woorden, gebeurtenissen die naar je toekomen als Evangelie, Goede Tijding. Waar dit Evangelie ter harte wordt genomen, daar gebeurt iets. Een lofzang, klinkt, kruipt omhoog, ondanks alles en door alles heen. We herkennen en beamen de woorden van een oude man, Zacharias: ‘Geloofd zij de Here, de God van Israël’, omdat Hij omziet naar Zijn volk en naar de volkeren, omdat Hij denkt aan Zijn verbond met mensen.
Die ene, Jezus de Christus, is het eeuwig bewijs voor allen. Een lied dus. Dat kan niet uitblijven. En ook een droom. Er is meer dan ons donker en ons licht, meer dan onze vreugde en ons verdriet, meer dan onze meevallers en teleurstellingen. We dromen van een nieuw paradijs, een leven ongestoord en ongebroken, een schepping, zonder smet of rimpel. Dromen bij de gratie Gods. Geen bedrog, maar werkelijkheid. Misschien mag je weg zeggen dat alleen dromers realisten zijn. Het licht, de eerste morgenster, straalt al, voorbode van het licht waarin eens de hele kosmos zich zal mogen koesteren en warmen, zo zeker als de God van Israël, de Vader van Jezus de Christus God is. Amen.

===   ===   ===

Genesis: 42: 36
Gehouden op:
*Zondag 9 november 2008; 10.00 uur te Beekbergen.
Bijbellezing: Genesis 42: 18 – 24; 35 – 38; Romeinen 8: 28 – 34;

Ik hang twee portretten naast elkaar. Dat van Jakob en dat van Paulus. Ik heb een tekstboek bij me om die portretten, die gestalten, zorgvuldig te bestuderen. Onder het portret van Jakob staat één tekst uit het boek, samenvatting van het verhaal dat we lazen: ‘Alle dingen zijn tegen mij!’
Onder dat van Paulus staat een andere kerntekst, ook in verband met voor – en tegenspoed: ‘Als God voor ons is, wie zal tegen ons zijn?’

Een paar opmerkingen vooraf, om misverstand te voorkomen. Is het wel eerlijk om deze twee mensen, op dit moment van hun leven, met elkaar te vergelijken? Valt het portret van Jakob misschien in het niet, vergeleken met dat van Paulus? Ze staan onder een bepaalde belichting. Jakob in het licht van Gods verbond met Abraham, dat door de generaties heen van kracht blijft. Paulus in het licht van de verschijning van Christus, het nieuwe verbond. En toch is dat nieuwe verbond wel anders, maar niet een ander verbond dan het oude. Je kunt dat portret van Jakob dus nooit afvoeren, opbergen als iets overbodigs.
In een van de Psalmen, 146, staat: ‘Welzalig de mens, die de God van Jakob tot zijn hulpe heeft’.
Je hebt het nodig om het portret van Paulus zo te zien, dat ook je eigen portret in beeld komt.
De Here God vertelt aan de hand van beide Zijn Verhaal, dat aanstekelijk wil werken. Daar gaan we dan, met het tekstboek in de hand.

Eerst dat portret van Jakob. Ik noem een aantal aandachtspunten. Ik kom tot tenminste vier, die ik vergelijk met dat portret van Paulus.
‘Alle dingen’. In het tekstboek van Paulus lees ik dat ook. Even voor die kerntekst uit Romeinen 8 vers 31. In vers 28 lees ik: ‘Wij weten nu, dat God alle dingen doet medewerken ten goede voor hen, die God liefhebben…’.
Verder valt mij op dat Jakob het over zichzelf heeft. Met een ietwat houterige term: ik-middelpuntig. Er staat immers: alle dingen zijn tegen mij! Paulus spreekt echter in het meervoud: als God voor ons is, wie zal tegen ons zijn?
Verder vraag ik: Hoe gaat het verder, aangenomen dat er een ‘verder’ is. Die instelling, die opstelling van Jakob, opent die toekomt? Diezelfde vraag geldt ook Paulus. Daarmee verbonden een vierde punt. Paulus spreekt nadrukkelijk over God: ‘als God voor ons is…’. Waar en hoe speelt God een rol in dit verhaal van Jakob?

Terug naar dat eerste aandachtspunt: ‘Alle dingen’. Jakob noemt een en ander. Bepaald geen wissewasjes, geen kleine dingen. De jongens komen terug, na die ontmoeting met die vreemde, machtige man in Egypte. Hij is een brok wantrouwen. Hij verdenkt hen ervan verspieders, spionnen te zijn, agenten van de geheime dienst in Israël. Hun ontkenningen leggen geen enkel gewicht in de schaal. Die man in Egypte heeft een vooroordeel. Wat de broers ook zeggen, met de hand op hun hart, hij is er niet van af te brengen. Zo werkt een vooroordeel, vrijwel altijd en overal.
Simeon gevangen gezet, als levend onderpand. Benjamin oogappel van Jakob moet mee om de waarheid van hun verhaal te testen. Tot overmaat van ramp: het koren niet betaald, want hun eigen volle portefeuille ligt boven in de zakken. Een sprekend bewijs dat ze bedriegers zijn. Daarom zegt Jakob, ten einde raad: ‘Jullie beroven mij van kinderen; Jozef is niet meer, en Simeon is er niet meer, en Benjamin willen jullie ook nog meenemen; alle dingen zijn tegen mij’.
Alle dingen. Is er dan niets anders noemen? Telt Ruben dan niet mee, die zichzelf en zijn beide zonen garant stelt? Hij biedt zich aan als middelaar, die zijn eigen leven en dat van zijn allernaaste kring in de waagschaal stelt, op de weegschaal legt. Is dat dan niks? En Simeon, die plaatsvervangend lijdt in de gevangenis? Telt dat niet mee? En dat koren, zonder geld, gratis. Zou dat niet een signaaltje kunnen zijn van Hogerhand, dat de Here God zich niet onbetuigd laat in deze tegenspoed?
Daarmee raken we ook dat vierde aandachtspunt: speelt God misschien een rol in dit vreselijke verhaal? Stel je voor dat Hij regie heeft! Merkwaardigerwijs komt de Here God ter sprake bij die vreemde man in Egypte. In vers 18 lezen we: ‘Op de derde dag nu zei Jozef tot hen: ‘Doet dit, opdat gij gij in leven blijft; ik vrees God’.
Op de derde dag! Dat kan niet toevallig zijn. De derde dag geldt als de dag van de kentering ten goede, de dag van het licht in de nacht, het openbreken van de toekomst. Allerlei Bijbelse voorbeelden, maar het hart van alles klopt in het Paasevangelie: ‘Op de derde dag opgestaan uit de doden!’
Alle dingen tegen mij. Alle aandachtspunten zijn met elkaar verweven, maar voor een goed verstaan concentreren we ons op dat tweede punt: ik-middelpuntig. Alle dingen tegen mij. Die broers gaan zeker niet vrijuit. Het komt ook duidelijk naar voren tijdens die ontmoeting in Egypte. Ze zeggen tegen elkaar, in de veronderstelling dat Jozef hen niet verstaat: ‘Voorwaar, nu boeten wij voor wat wij onze broer aangedaan hebben; wij zagen zijn zielsbenauwdheid, toen hij ons om erbarming smeekte, maar wij hoorden niet’ (21). En Ruben: ‘Heb ik u niet gezegd: bezondigt u niet aan de jongen! Maar jullie hebben niet geluisterd! Nu wordt zijn bloed van ons geëist’ (22).
Toch blijft de vraag: is het terecht dat Jakob alle pijn naar zichzelf toe trekt? Doet hij daarmee de inzet van die jongens niet te kort? Ze willen alles doen, alles geven, zelfs hun eigen leven -, maar de vader, Jakob, ziet alleen zichzelf als slachtoffer.
Ik vrees dat ook dit herkenbaar is. De kinderen zetten alles, desnoods hun eigengezin, aan de kant om vader, moeder voorrang te geven. Geen moeite te veel, terwijl ze ook hun eigen zorgen, hun eigen dagtaak hebben. Maar telkens moeten ze een klaaglied horen: Ik ben alleen, niemand die naar me omziet.
Jakob is de gevangene van zijn eigen ellende. Hij vindt alleen zichzelf zielig. Dat mag best een keertje, want zijn leven gaat niet over rozen, maar als het chronisch wordt, dan ben je een probleem voor jezelf en voor je naaste kring. Het is een zegen om in dit verband naar het portret van Paulus te kijken. Hij heeft het over ons. Dat heeft ongetwijfeld te maken – ik zei al: alles hangt met elkaar samen – met zijn geloof in God. ‘Als God voor ons is, wie zal tegen ons zijn?’ Alle dingen staan dan niet meer los van Hem. Ze zijn opgenomen in een groter verband, in het verbond van God met ons.
Ook Paulus had reden te over om ik-middelpunten te praten. Hij doet het een enkele keer, als het te pas komt. Lees zijn relaas eens in 2 Corinthe 11: ‘In moeite, in gevangenschap, geslagen, schipbreuk geleden, in gevaar door rovers, volksgenoten, heidenen, in tal van nachten zonder slaap, in honger en dorst’. Het mondt uit is: ‘Indien iemand zwak is, zou ik het dan niet zijn? Indien iemand aanstoot neemt, zou ik dan niet in brand staan?’ (29).
Paulus heeft zijn ik-middelpuntigheid verloren aan Christus, die voortaan het middelpunt van zijn leven is. Dat is niet een privé-bedoeling, niet een particulier lijntje. Dat deelt hij met anderen. Daarom heeft hij het, ook en vooral in tegenspoed, telkens over ons-samen.
Alle dingen zijn tegen mij. Wij weten dat God alle dingen doet medewerken ten goede voor hen, die God liefhebben. Dat is iets anders dan van de nood een deugd maken of alle pijn, alle hartzeer wegmasseren. Het blijft schrijnen, maar het is opgenomen in een groter geheel, in een verband dat uitzicht, doorzicht geeft.
Daarmee komen we bij het derde aandachtspunt. Hoe gaat het verder, aangenomen dat er een ‘verder’ is? Jakob is vastbesloten. Hij houdt voet bij stuk.
Het slot van Geesis 42 is: ‘Mijn zoon gaat niet met u mee, want zijn broer is dood en hij is alleen overgebleven; overkomt hem een ongeluk op de weg die u gaan zult, dan zult u mijn grijze haar met verdriet in het dodenrijk doen neerdalen’. Het is eigenlijk een vorm van chantage: dit wordt mijn dood en dat is jullie schuld. Ik stel mij voor dat ik een van de broers zou zijn. Hoe voelt zo’n ik-middelpuntige klacht van een vader? Uw broer is alleen overgebleven! Zijn wij dan passanten, vreemdelingen in uw gezin? Ziet u ons sowieso wel staan? U heeft, had blijkbaar twee kinderen. De rest is bijzaak, een wormvormig aanhangsel dat je desnoods ook kunt missen.
Hoe dit ook zij, de honger achterhaalt de woorden van Jakob. Juda stelt zich borg voor zijn broertje Benjamin. Dan gaat Jakob noodgedwongen overstag. Alleen zo is er toekomst, door jezelf, inclusief je zelfverzekerdheid, op te geven. Toekomst is er alleen maar samen.
Ik kijk naar het portret van Paulus. Dat indrukwekkende stuk uit Romeinen 8 zet in met deze woorden: ‘Want ik ben er zeker van, dat het lijden van de tegenwoordige tijd niet opweegt tegen de heerlijkheid, die over ons geopenbaard zal worden’ (18). En na die kerntekst: ‘Als God voor ons is, wie zal tegen ons zijn?’ lezen we: ‘Hoe zal Hij, die zelfs zijn eigen Zoon niet gespaard, maar voor ons allen overgegeven heeft, ons met Hem ook niet alle dingen schenken?’
Dat hoofdstuk mondt uit in de belijdenis, die altijd het karakter heeft van een liefdeslied: ‘Niets, wie of wat dan ook, zal ons kunnen scheiden van de liefde van God, verankerd in Jezus Christus’ (39).
Het laatste aandachtspunt, dat al door alles heen speelde: Waar en hoe speelt God een rol in dit verhaal van Jakob? Het lijkt erop dat Hij lange tijd schuil gaat. Pas in hoofdstuk 46 is Jakob zich opnieuw bewust dat de Here God, ondanks alles, de regie heeft. Dit lezen we: ‘En God sprak tot Israël in nachtgezichten, en Hij zei: Jakob, Jakob. En hij zei: Hier ben ik. Toen zei Hij: Ik ben God, de God van uw vader, vrees niet naar Egypte te trekken, want Ik zal u daar tot een groot volk maken’ (46: 3).
Dan is er al heel veel gebeurd: de tweede reis, met Benjamin erbij; terug naar huis, maar halverwege opgebracht naar Egypte, op verdenking van diefstal van veel zilverwerk; herkenning over en weer; verzoening.
In alles, door alles heen geldt wat Jesaja, de profeet, zegt: ‘Voorwaar, Gij zijt een God, die Zich verborgen houdt, de God van Israël, een Verlosser’ (45: 15).
Zo heeft ook de apostel Paulus hem leren kennen. Zijn leven ging door diepe dalen, langs zoveel – naar ons besef – omwegen. Onderweg liepen zoveel dingen anders, ook faliekant tegen. Paulus pantserde zich niet in zelfbeklag. Hij wist zich opgenomen in een groter geheel. Samen met al die heiligen, dat zijn: gestoorde zondaars, heeft hij met vallen en opstaan ervaren de liefde van Christus, die de kennis te boven gaat.
Het portret van Jakob en het portret van Paulus. Laat ze allebei maar hangen. De Here God vertelt door beide Zijn verhaal. Wie goed kijkt, met het tekstboek erbij, leert ook zichzelf beter kennen.  Een mens, onder de belichting van Gods verbond.

’t Verbond met Abraham, zijn vrind,
bevestigt Hij van kind tot kind.

Amen

===   ===   ===

Genesis 45: 5 en 7
Gehouden op:
*Zondag 15 december 2002 om 10.00 uur te Beekbergen.
Bijbellezing: Genesis 45: 1 – 9, 15; Johannes 35 – 40;

Ergens in de wereld is een broodhuis en een broodheer. Het zijn wat houterige woorden, maar ik weet geen betere: broodhuis, broodheer, ergens in de wereld te vinden.
Is dat zo belangrijk? Het hangt er maar van af hoe je dat woordje brood opvat en invult. In onze snack–en smak–en-smikkelmaatschappij is brood bijzaak geworden. De gevolgen blijven dan ook niet uit. Je lichaam, je ziel heeft geen liflafjes nodig, geen superspijs – hoe lekker ook voor een keertje – maar gewoon, eerlijk, sober brood. Vandaar ook de bede in het Onze Vader: ‘Geef ons heden ons dagelijks brood!’
Brood staat voor de eerste levensbehoeften, oeroud, beproefd middel om te overleven. Wij weten nauwelijks wat honger is. Misschien een enkeling die tijdens de oorlog in de randstad woonde. Mensen deden, riskeerden alles om een brood te bemachtigen.
Misschien komt die regel nu toch wat dichterbij: ergens in de wereld is een broodhuis en een broodheer. Het leven kan verdergaan omdat er ergens iemand, iets is. We luisteren naar oude verhalen, die zich lang geleden afspeelden, maar al luisterend zullen we ontdekken dat dit verleden ons heden en onze toekomst raakt. Dat is ook het wonder van dit oude boek: het is geschiedenis, maar het geschiedt nog steeds. Deze woorden van mensen zijn dan ook tegelijk Woord van God.
Broodhuis Egypte! Ja, Egypte was in de oudheid de graanschuur voor het hele Middellandse Zeegebied. Maar wat riep dit duo – Egypte, broodhuis! – op voor mensen in Israël, voor Joodse oren die deze verhalen als hun eigen voorgeschiedenis hoorden?
Wat denkt u als u de combinatie hoort ‘zonnige nacht’ of ‘vriendelijke vijand’ of ‘gezond vergif’. Egypte heeft in de wereld van de Bijbel de klank van: doodsgebied, oord van slavernij. Je moest er zo ver mogelijk vandaan blijven. Ik moet denken aan een verhaal uit de krant van deze week: de lijdensweg van Harm de Jonge, jarenlang machinist bij de Nederlandse Spoorwegen. Hij maakte negen keer mee dat mensen zich voor zijn trein lieten vallen. De Jonge heeft geen rust meer: zelfs in zijn slaap ziet hij de slachtoffers op de rails staan. Hij zit in de WAO en is van Hengelo in Twente verhuisd naar Ternaard, tegen de Waddenzee, waar in de verste omtrek geen trein te bekennen is. Harm de Jonge zo ver mogelijk van de treinen – nachtmerries! – en Israël zo ver mogelijk van Egypte! Egypte: daar moet je niet zijn, dat is geen leven!
De Tien Woorden, de Tien Geboden beginnen dan ook met: ‘Ik ben de Here, uw God, die u uit het lang Egypte, uit het diensthuis geleid heb’. En toch: zo’n plek, die je – plat gezegd – mijdt als de pest, die nachtmerries oproept, zo’n plek kan een broodhuis zijn. Niet voor een paar mensen, die – zoals dat heet – stom geluk hebben, maar voor – bij wijze van spreken – de hele wereld. Zo eindigt hoofdstuk 41: ‘En de gehele wereld kwam naar Egypte om bij Jozef brood te kopen, want de honger was sterk op de gehele aarde’.
Egypte als broodhuis, met een voorraad voor de hele wereld… Hoe is het mogelijk? Vanwege die broodheer. Dat is het tegendeel van een krijgsheer, zoals er steeds meer komen op deze wereld. Het gaat, in Afrika, in Afghanisten, in Indonesië, ten koste van miljoenen mensen die hongersnood lijden. Dit verhaal kan een spoor van licht, een baken van hoop zijn, ook in onze wereld, anno Domini 2002. Daarom komen we hier zondag aan zondag samen. Niet om ons terug te trekken in een museum van godsdienstige oudheden, maar om teerkost te krijgen voor onderweg, brood dat heenwijst naar Hem die het Brood des Levens is en om vanwege Hem het Brood, ook het gewone brood – wat heet gewoon? – met elkaar te delen.
Jozef, niet een krijgsheer, maar een broodheer. Wonderlijke man, met een wonderlijk levensverhaal. Een voormalige slaaf, voor een appel en een ei verkocht door zijn broers. Na veel duisternis, door donkere tunnels heen, klimt zijn ster hemelhoog. Hij krijgt de zegelring van Farao, een koninklijk gewaad en een gouden keten om z’n hals. Deze Jozef, de man uit Israël, wordt uitgehuwelijkt aan de dochter van een priester, in dienst van de zonnegod Re, ook wel Ra genoemd. In die wereld is hij ingetrouwd. Hoe zal dat verlopen? Wordt de God van Abraham, Isaäc en Jacob nu ingeruild voor de zonnegod?
Jozef als broodheer. Lijkt hij op de Farao, zoon van de zonnegod, bekleed met absolute macht, of lijkt hij op de Zoon van God, de Messias, Jezus de Christus, die zich vernederde, zich ontledigde, die Zichzelf liet breken als brood voor de wereld? Na heel veel wederwaardigheden maakt hij zich aan zijn broers broers bekend. Dat verhaal hebben we voor een deel op deze derde zondag in de Advent gelezen. Het is een verhaal waarin het verdriet, de tranen van blijdschap de overhand hebben. Eerst bij Jozef en dan, langzaam maar zeker, door heel veel schrik, schuldbesef en angst heen, ook bij de broers. Daarom lezen we in vers 15: ‘En Jozef kuste al zijn broeders hartelijk en huilde, hen omhelzende. Daarna pas spraken zijn broeders met hem’.
Jozef zegt een en andermaal: ‘Om u in het leven te behouden heeft God mij voor u uitgezonden; God heeft mij voor u uitgezonden om u een voortbestaan te verzekeren op aarde, en om voor u een groot aantal geredden in het leven te behouden’. Met andere woorden, zoals we lezen in het laatste hoofdstuk van dit eerste Bijbelboek, Genesis 50: ‘Gij hebt wel kwaad tegen mij gedacht, maar God heeft dat ten goede gedacht, ten einde te doen, zoals heden het geval is: een groot volk in het leven te behouden’ (vers 20).
Die woorden wegend en overwegend, gaan onze gedachten zich vermenigvuldigen en komen we bij Hem die brood vermenigvuldigde, het brood dat Hij Zelf was en is voor de hele wereld. Het werd vermenigvuldigd door het te delen. Hij deelde Zichzelf. Is dat niet een te grote sprong? En is de sprong ook niet te groot als we midden in de broodvraag komen, hier en nu in deze wereld, met zoveel krijgsheren die het brood verkwanselen tot wapentuig? We gaan schatgraven, om brood, levensbrood bedelen, in de wereld van de Heilige Schrift.
Ten kwade gedaan door ons, mensen, ten goede gewend door God. Hoe zit dat met de menselijke verantwoordelijkheid en het bestuur, de leiding van God? Niemand kan dat haarfijn uitleggen. Daarvoor zullen we ons niet schamen.
Laten we het geloof in God eens even tussen haakjes zetten, gesteld dat dit mogelijk is. Je zou kunnen denken dat het geloof in God alles nodeloos en hopeloos ingewikkeld maakt, zodat je je daar vrij van maakt. Bij nader inzien is ook dat een fabeltje. Niemand kan haarfijn uitleggen wat vrijheid is. De psychologen en de psychiaters hebben er handen, wachtkamers vol werk aan. Niemand is echt vrij, een onbeschreven blad dat hij zelf, zonder invloeden van buitenaf, invult.
We zijn op allerlei wijzen gebonden. Het zit in onze genen en ook daarna, als we geboren zijn, worden we op allerlei wijzen, bewust en veel vaker onbewust, gestuurd, beïnvloed door een netwerk van factoren. De eeuwen door hebben de filosofen geworsteld met die kwestie van vrijheid en verantwoordelijkheid, van schuld en lot. Wie een oplossing weet die werkelijk hout snijdt, krijgt terstond alle Nobelprijzen die nog te vergeven zijn.
Menselijke verantwoordelijkheid en bestuur, leiding van God. Misschien kun je alleen maar door veel tranen heen ontdekken, als een genade ontvangen, dat je door een broodheer die zich bekend maakt, in het leven wordt gehouden en behouden wordt.
Ergens in de wereld is een broodhuis en een broodheer. Het verhaal van Jozef – God was met hem ter wille van zoveel anderen, wereldwijd! – heeft een vervolg gekregen en dat verhaal gaat nog steeds als Evangelie de wereld door. Er was en is een plaats in Israël, die heel letterlijk broodhuis heet: Beth-Lechem, Bethlehem. Een plaats waar de grond doorweekt is van tranen. Rachel, de moeder van Jozef, is er begraven; Naomi kwam er vandaan en kwam er terug, samen met Ruth die stammoeder van David en dus van de Zoon van David, Jezus, werd. Er werden kinderen vermoord door toedoen van de krijgsheer Herodes. Eén ontkwam er door met zijn ouders, wéér een Jozef, en Maria, uit te wijken naar Egypte. Zoveel dingen ten kwade gedacht. Door toedoen van mensen, onmiskenbaar schuldig geworden bij alles wat ze al aan schuld hadden, is deze Jezus gekruisigd. Maar God heeft dit alles, dit hele ratjetoe, deze zee van duisternis en demonie, ten goede gedacht. Met de woorden van Petrus op de Pinksterdag in Jeruzalem: ‘Deze Jezus, naar de bepaalde raad en voorkennis van God uitgeleverd, hebt gij door de handen van wetteloze mensen aan het kruis genageld en gedood; God evenwel heeft Hem opgewekt, want Hij verbrak de weeën van de dood…’ (Handelingen 2: 23). Deze dood is, hoe dan ook, niemand zal het ooit haarfijn kunnen uitleggen, deze dood is ons leven geworden.
Ergens in de wereld was, mag je misschien ook zeggen: ‘is’ een broodhuis en een broodheer. Waar lijkt ons land, onze wereld het meeste op? Op Egypte in de dagen van Jozef? Op Israël in de dagen van Jezus? Ik weet het niet zo goed. Maar overal waren en zijn mensen, met – hoe diep dan ook weggestopt, hoe ingemetseld misschien dan ook – met een hart dat in het reine wil komen met het verleden en open wil zijn, hoopvol naar de toekomst. ’t Is eerder een gekkenhuis dan een broodhuis, er zijn meer krijgsheren dan broodheren. De kerk heeft niets te bieden, althans niets dat haar bezit zou zijn. De kostbaarste schat, haar toevertrouwd, is het hoog-heilig Evangelie van Gods genade. Daarheen verwijzen we als gelovigen bij de gratie Gods, op de wijze van bedelaars die hun makkers onderweg vertellen waar het brood te vinden is. Bij die Ene, die gekomen is om Zichzelf te delen en wiens gaven van vergeving, verzoening, overwinning op de dood, zo vermenigvuldigd worden.
Gevoed door Hem die het Brood der wereld is, gaan we aan de slag om ook het andere brood, heel concreet en tastbaar, met elkaar te delen. Zo wordt met vallen en opstaan, bij flitsen en vlagen, iets zichtbaar van het Koninkrijk van God dat staat te komen.
Het is een lange weg, met veel dieptepunten en donkere tunnels. Het gaat door het offer van de Messias, de Here Jezus Christus. Het heil van God is niet vastgemaakt aan de oppervlakte, met een zuignapje, maar ligt verankerd in de diepte van menselijke schuld en goddelijk bestuur. Wij mogen ons nooit excuseren voor het kwade dat wij doen, maar God kan ook dat invoegen in Zijn heilzame plannen. Wij wachten op Zijn laatste komst als Hij Zich niet alleen in de kleine kring, maar aan allen bekend zal maken. Dan zal Hij zijn alles in allen. Amen.

===   ===   ===

Genesis 45: 1 – 15
Gehouden op:
* Zondag 16 november 2008; 10.00 uur te Beekbergen.
Bijbellezing: Genesis 45: 1 – 15; 1 Timotheus 2: 1 – 7;

Een eeuwenoud probleem, dat telkens weer opspeelt. Je komt er niet van los, want het is onoplosbaar. Menselijke verantwoordelijkheid enerzijds, goddelijke leiding anderzijds.
Vanuit de beroepingscommissie werd deze kwestie ook aangereikt als punt van bezinning in de kerkenraad. Die commissie deed en doet haar werk heel zorgvuldig. Alles tot in de puntjes voorbereid. Voor dat werk wordt gebeden om wijsheid en zegen. Door de leden van de commissie zelf, door de kring van de veertien dagen samenkomt in Het Hoogepad.
Er waren contacten met een predikant, die – zo was de commissie eenstemmig van mening – uitstekend zou passen in inze gemeente. Er liep in de laatste fase van de gesprekken nog een beroep uit een andere gemeente. Die trekkracht leek niet zo sterk te zijn, maar hij nam dat beroep toch aan. Hoe zit dat nou: menselijke verantwoordelijkheid en goddelijke leiding?
De zaak wordt nog spannender als er aan die menselijke kant duidelijk sprake is van verkeerde daden, van schuld. Achteraf blijkt de Here God ook die tekortkomingen, die schuld van onze kant te gebruiken om Zijn plannen uit te voeren. Ben je dan als mens geëxcuseerd?
Nu zitten we midden in het verhaal van Jozef en zijn broers. Trouwens ook midden in het verhaal van Jezus en Zijn discipelen. Eerst maar over dat verhaal in Genesis.
Als Jozef zich aan zijn broers bekendmaakt, komt het hoge woord er drie keer uit: ‘God heeft mij voor u uitgezonden’. Eerst in vers 5: ‘Om u in het leven te behouden heeft God mij voor u uitgezonden’. Dan in vers 7: ‘God heeft mij voor u uit gezonden om u een voortbestaan de verzekeren op aarde’. Dan in vers 8: ‘Dus u bent het niet, die mij hierheen gezonden hebt, maar God’.
Nou, dat komt dan mooi uit. De broers gaan dus vrolijk vrijuit. Het was natuurlijk niet helemaal in de haak was ze deden, maar het diende een hoog, heilig doel. Zo kun je recht praten wat krom is, goed wat kwaad is. Je kunt zelfs dat kromme, dat kwade nog verheerlijken ook. Dan staat alles op z’n kop.
Voorbeeld: het Evangelie van Judas. Kort geleden was het een hype. Nu is het vrijwel weer vergeten. Zo gaat dat met modieuze trends. ‘Wie met de tijdgeest trouwt, is spoedig weduwe’. In dat apokriefe, door de kerk met recht en reden terzijde gestelde Evangelie, wordt Judas bijna hemelhoog geprezen, omdat hij er toch maar gezorgd heeft dat het heilsplan van God doorging.
Het Bijbelse Evangelie laat die twee – menselijke verantwoordelijkheid en goddelijke leiding – naast elkaar staan. Wij kunnen die beide schakels, zo u wilt: touwtjes, niet met elkaar verbinden. Daarom lezen we: ‘De Zoon des mensen gaat wel heen gelijk van Hem geschreven staat, maar wee die mens, door wie de Zoon des mensen verraden wordt. Het ware voor die mens goed geweest, als hij niet geboren was’ (Mat. 26: 24). Op een andere plaats: ‘Het was voor hem beter geweest als hij met een molensteen om z’n hals in het diepst van de zee verzwolgen was’.
Iets dergelijks lezen we hier, in Genesis. Schuld blijft schuld. Wat kwaad is, kan nooit goed heten. Gaandeweg beseffen, belijden Jozefs broers dat zij boeten voor wat zij die ene hebben aangedaan. Aan het slot, in Genesis 50, lezen we met zoveel woorden: ‘Gij hebt wel kwaad tegen mij gedacht, maar God heeft dat ten goede gedacht, ten einde te doen, zoals heden het geval is: een groot volk in het leven te behouden’ (50: 20).
Laat het zo maar, de dingen die je niet met elkaar kunt verbinden. Als je dat toch wilt en doet, verval je tot ketterij. Het eigene, ook het verleidelijke, van ketterij is: de dingen glad strijken, keurig in een patroon, in een systeem zetten. Ook hier geldt de voorname regel: je kunt beter met goede vragen leven dan met slechte antwoorden.
Ook langs een andere weg komen we dichter bij dit geheim – menselijke verantwoordelijkheid, zelfs menselijke schuld en goddelijke leiding. Ik noem met opzet het woord ‘geheim’, niet ‘raadsel’. Een raadsel kun je oplossen. Dan is de lol eraf, de muziek verdwenen. Een geheim wordt je toevertrouwd. Dat deel je voortaan met elkaar. Daar leef je samen in en mee. Je komt ook dichter bij het geheim langs de weg van de middelaar. Hij slaat een brug. Hij verbindt wat menselijkerwijs niet te verbinden is. Een middelaar vertegenwoordigt mensen bij God en hij vertegenwoordigt God bij de mensen.
Een middelaar speelt in deze geschiedenis een voorname rol. Eerst komt Ruben in beeld. En dan, in het voorgaande hoofdstuk, 44, Juda. Een lang, indrukwekkend pleidooi. De zilveren beker van Jozef is verdwenen. De broers gaan opgetogen, na een groot feest met die vreemde man, de onderkoning in Egypte, huiswaarts. Ze worden achtervolgd en ingehaald door soldaten van de paleiswacht. Aanklacht: misbruik van vertrouwen; goed met kwaad vergolden; de zilveren beker van onze grote meester gestolen. Verdediging van de broers: onmogelijk; wie dat gedaan heeft, zal zeker sterven en wij zullen voor altijd slaaf zijn!
De hofmaarschalk, met sterren en strepen, stelt een onderzoek in. Hij begint bij de oudste en eindigt bij de jongste; de beker wordt gevonden in zak van Benjamin. Wat een drama! Wat een tragedie.
Daar komt Juda naar voren: ik ben borg voor mijn kleine broer!; neem mij, doe met mij wat u wilt, maar laat hem in vrede gaan; anders is de ramp niet te overzien: een repeterende breuk.
U moet dat stuk nog eens doorlezen. Onvergetelijk! Ik denk aan de woorden van dr Oepke Noordmans, met het oog op Mozes, na die geschiedenis met het gouden kalf: ‘Vergeef toch hun zonde – en zo niet, delg mij dan uit het boek dat Gij geschreven hebt’ (Ex. 32: 32). Noordmans schrijft dan: ‘De woorden van een middelaar, een plaatsbekleder, zijn de meest aangrijpende, die wij kennen. Zij zijn ook God te sterk en brengen bij Hem die heilige verlegenheid teweeg, waardoor de zaak van de wereld en van Zijn volk wordt beslist!’ (Gestalte en Geest, 26).
Een middelaar. Tussen menselijke verantwoordelijkheid, menselijke schuld en goddelijke leiding. Wie denkt niet aan Jezus Christus, Zoon van God en Zoon des mensen, Middelaar van het vernieuwde verbond? ‘De Zoon des mensen is niet gekomen om Zich te laten dienen, maar om te dienen en zijn leven te geven als losprijs voor velen’ (Marcus 10: 45).
En Paulus schrijft in de eerste brief aan Timotheus: ‘Er is een God en ook een middelaar tussen God en mensen, de mens Christus Jezus, die Zich gegeven heeft tot een losprijs voor allen’ (2: 3 – 6).
Inge Lievaart, mijn oude vriendin uit Scheveningen, schreef een onvergetelijk gedicht: ‘De brug’. Het eindigt met deze woorden:

‘over de kloof / tussen de Heilige / en onze verkeerdheid / spant Hij de brug van zijn gebed / legt Hij Zichzelf / pad van verzoening – / Hij roept om voeten: Ik ben de weg’. Het woord verzoening valt. Ook dat speelt een voorname rol in deze geschiedenis en brengt dichter bij het geheim.

Verzoening! Heilige verlegenheid, waardoor de zaak van de wereld, van Gods volk, ten goede wordt beslist. Dat komt hier, in Genesis 45, indrukwekkend en ontroerend ter sprake. Na dat pleidooi van Juda, de middelaar, lezen we: ‘Toen kon Jozef zich niet langer bedwingen voor allen die bij hem stonden, en bij riep: Laat allen van mij weggaan. En daar stond niemand bij hem, toen Jozef zich aan zijn broeders bekend maakte’ (45: 1). En Jozef zei: ‘Ik ben Jozef! Ik ben!’
Het doet denken aan de onthulling van Gods diepste wezen, als Hij Zijn Naam zegt: ‘Ik ben, die Ik ben’. Dat betekent zoveel als: Ik ben bij u, Ik ben met u! Geloof Mij op Mijn Woord! Laat u gezeggen! Vreest niet!
Het doet ook denken aan de woorden van de Middelaar, Jezus Christus, die zich bekend maakt met woorden, die telkens beginnen met: ‘Ik ben! Ik ben het brood des levens! Ik ben het licht der wereld! Ik ben de opstanding en het leven! Ik ben de Goede Herder, die Zijn leven inzet voor de schapen! Ik ben de weg, de waarheid en het leven! Ik ben het, weest niet bevreesd!
Er is ongetwijfeld reden om bang te zijn als onze menselijke schuld zo aan het licht komt. Ook dat lezen we in dit hoofdstuk. ‘Weest nu niet verdrietig en ziet er niet zo ontsteld uit, want’ – en dan klinken de woorden, die we al eerder noemden – ‘om u in het leven te behouden heeft God mij voor u uitgezonden’ (5).
Veelzeggend is ook dat de broers lange tijd met stomheid geslagen zijn. De woorden besterven hun op de lippen. Ze kunnen niets uitbrengen. Ik lees nog eens wat hier staat, halverwege dit hoofdstuk, in vers 15: ‘En hij kuste al zijn broers hartelijk en huilde, hen omhelzende. Daarna eerst spraken zijn broers met hem’.
Verzoening gaat, graaft o zo diep. Je bent vooralsnog sprakeloos. Dat is wel iets anders dan: ‘Sorry!’, of: ‘Foutje!’ Zulke praatjes gaan niet verder dan je velletje. Ze veranderen je leven niet. Maar verzoening zet je leven op een heel ander, nieuw spoor. Het is emotioneel geladen! De diepste roerselen van je hart komen naar boven, naar buiten. Ik was verloren, maar ik ben gevonden. Ik was dood in mijn grootspraak, in het toneel dat ik speelde, met het masker dat ik voor had, maar nu mag ik leven.
Ik maak de balans op van deze onsterfelijke geschiedenis, die in en door de hele Bijbel weerkaatst. Menselijke verantwoordelijkheid, menselijke schuld en goddelijke leiding. De woorden van een middelaar. Het wonder van de verzoening. Ik noem nog een element, een onderdeel, dat samenhangt met het geheel. De broers krijgen op weg naar huis koren, brood, voedsel mee. Meer dan het gewone. Wie het breed heeft, zoals Jozef, laat het breed hangen. Het dagelijks brood is genadebrood.
Ik noem ten slotte een gedicht van Willem de Mèrode, een verscheurd mens, die een liefdevol thuis vond bij de schrijfster Wilma en haar beide zusters in Oosterhuizen. Willem de Merode ligt begraven in Eerbeek. Hij stierf op 22 mei 1939. Zijn gewone naam was Willem Keuning. Hij schreef ooit dit gedicht: ‘Voorbereiding’. Daarin komen al die kernwoorden samen: menselijke schuld, goddelijke leiding, middelaar, verzoening, genadebrood.

‘Hun harten voelden zij als boeken
In Gods geduchte hand gelegd
en wisten dat Hij al hun slecht
gedrag gerecht zou onderzoeken.

Zij lazen bang en hunkrend mee,
en zagen wat zijn vingers wezen.
Wat er niets goeds? hun schaamte en vrezen
groeiden tot een verschroeiend wee.

God had de boeken dicht gedaan
en zou het grote vonnis spreken.
Toen dorst hun stem de stilte breken
O Here Jezus, neem ons aan!

En ’t bonzend hart, dat ze in zich vonden
was vlekkeloos en zonder zonden’.

Amen.

===   ===   ===

Genesis 46: 1 – 4; 47: 7 – 12
Gehouden op:
*Zondag 23 november, 2008; 10.00 uur te Beekbergen.
Bijbellezing: Genesis 46: 1 – 4; 47: 7 – 12; Hebreeën 11: 8 – 10.

Zondag 23 november 2008. Iedere zondag is bijzonder: de dag van de opstanding. Opstaan als een voorproef, een oefening met het oog op de opstanding op de grote dag van Christus’ komst in heerlijkheid, die de jongste dag wordt genoemd. Een dag, waarop geen nacht zal volgen.
Deze zondag is bijzonder in het kwadraat: de laatste zondag van het kerkelijk jaar. Straks krijg ik uit de handen van de ouderling van dienst een boek, dat hier in het koor ligt. Daarin zijn de namen geschreven van gemeenteleden die sinds Advent 2007 zijn heengegaan. Zorgvuldig, met kennis van zaken en liefde voor de Zaak van God, bijgehouden door onze broeder Henk van Gils.
Als ik die namen lees, dan zien we gezichten, gestalten voor ons. Mensen die ons lief, vertrouwd waren. Hun levensweg komt in beeld. Heel duidelijk bij hen, die hun allernaasten waren. Hoogtepunten, dieptepunten. Tijden van vreugde, tijden van zorgen en verdriet. Met de woorden van een dichter, Ida Gerhardt, overleden in 1999:

‘Langzaam zie ik hen gaan / die ik nog bij mij had, / de bocht om van het pad. / Wat goud doorschenen stof / dan wordt het in de hof / nog stiller dan voorheen. / De liefsten. Een voor een’.

Boek. Namen. Levensweg. Wat zullen we – wat zal ik – daarbij, daarvan zeggen? Woorden die hout snijden, die licht ontsteken in het donker. Wie kan zulke woorden bedenken? Ik heb ze niet in voorraad. Ik ben slechts dienaar van het Woord. Naar het woord van de grote Calvijn, wiens 500-ste geboortedag we in 2009 heel nadrukkelijk gedenken: een mensje uit het stof verrezen, maar van Hogerhand geroepen om met horten en stoten mond van God te zijn.
Daarom neem ik eerst een ander boek ter hand, de Bijbel, Woord van God. Ik noem de naam van Jakob en ik volg hem op zijn levensweg. Al doende valt er licht, licht van Godswege, op dat andere boek, met namen van mensen wier levensweg is afgebroken, ten einde liep in de dood. Wij worden geroepen om op te staan. Wat wij het einde noemen, is het einde niet.
De levensweg van Jakob. We hebben die al een aantal weken, zondag aan zondag, gevolgd. Vandaag het laatste stuk. Op weg naar Egypte. Een land ver en vreemd. Voor oren van mensen die met dit Boek vertrouwd zijn niet alleen ver en vreemd, maar ook vijandig. Egypte geldt als Angstland, oord van hartzeer, van heimwee, van duisternis. Daar kun je alleen maar noodgedrongen zijn.
Die laatste levensweg van Jakob wordt getypeerd door tenminste drie dingen: offer, zegen, vreemdelingschaap. Bij die drieslag gaan we in de leer. Leren om te leven. Daarom komen we hier, in dit huis van God, zoals mensen hier al eeuw en lang kwamen. Eredienst! Op audiëntie bij de Drieënige God, de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.
Op weg naar Egypte doet Jakob eerst Berseba aan. Een gedenkwaardige plaats. Zijn voorouders, Abraham en Isaäk, kwamen daar op een kruispunt van hun leven. Zij riepen daar, zo lezen we in Genesis 21 en in Genesis 26, de Naam des Heren aan. Ook op audiëntie bij de Koning, de Hoog-Heilige, de Eeuwig-Trouwe, die Zijn Naam heeft bekend gemaakt: Ik ben bij u. Ik ben met u! Zoals Mijn Naam luidt, zo ben Ik.
De God van wie de Bijbel getuigt, is niet een Naamloze Vennoot, maar heeft een Naam, een Gezicht, een geheim waarin Hij ons, mensen, doet delen. Op audiëntie! Je loopt niet zomaar even binnen. Dat doe je toch ook niet bij de koningin? Soms hoor ik mensen praten, lees ik woorden in de trant van: ‘Even een bakje doen bij Trix.’
Hoe dan ten aanzien van de Here God? Jakob brengt offers, slachtoffers, zo lezen we in Genesis 46: 1. Dat doen wij niet meer op deze wijze. Het offer dat alle voorgaande offers vervult en voortaan voor altijd van kracht is, is gebracht: ‘Zie, het Lam van God, dat de zonde der wereld wegdraagt!’
Onze levensweg is door dit offer getekend, wij worden door dit offer gedragen. Wij geven onszelf uit handen. Wij belijden dat we onszelf niet in het leven kunnen houden. Met de woorden van een dichter, die dichter bij het geheim brengt, Inge Lievaart:

‘Hier zwijgt het hoge denken: / God trad in ons gemis / om volheid ons te schenken, / zijn dorst bracht lafenis’.

Het mondt uit in:

‘Die vol was van genade / is onze weg gegaan, / het spoor van onze daden / klaagt ons niet langer aan’.

Jakob op weg naar Egypte. Hij heeft allerlei dingen gehoord, zelfs uit de eerste hand, van zijn eigen kinderen. Maar Hij gaat te rade bij de God van zijn vader, Isaäk, de God van zijn grootvader, Abraham. Die God laat zich niet onbetuigd. Een woord uit de Psalmen, Psalm 51, komt tot leven: ‘Een verbroken en verbrijzeld hart veracht Gij niet, o God’.
Jakob wordt bij name geroepen: ‘Jakob, Jakob’. Twee maal, zoals vaker gebeurt als de zaak zo op scherp staat: ‘Abraham, Abraham!’ (Genesis 22, op de berg Moria, met Isaäk, die uit handen wordt gegeven); ‘Mozes, Mozes!’ (Exodus 3, bij de brandende braambos); ‘Samuel, Samuel!’ (geroepen in de nacht, 1 Samuel 3); ‘Martha, Martha’ (Lucas 10); ‘Simon, Simon’ (bijna gezift door de satan (Lucas); ‘Saul, Saul’ (wat vervolgt u Mij? Handelingen 9). Zo ook hier: ‘Jakob, Jakob, (…) vrees niet naar Egypte te gaan’.
In dit vertrouwen lezen we straks de namen uit het boek. We mogen weten dat de Here God hen bij herhaling noemt, totdat Hij het ten slotte zal doen op het allerlaatste appel. Weer met een Psalmwoord, Psalm 146: ‘Welzalig de mens die de God van Jakob tot zijn hulpe heeft, wiens verwachting is op de Here zijn God’. Levensweg. Offer. Een tweede woord dat de levensweg typeert: zegen! Jozef, de zoon, stelt zijn oude vader aan Farao voor: ‘En Jakob zegende Farao’. Wonderlijk gebeuren! Is het niet strijdig met de etiquette aan het hof? Wie de zegen ontvangt, is de mindere van hem die de zegen geeft. Hoe heeft de grote Farao, die geldt als de zoon van de zonnegod, dat ervaren? Het wordt niet verteld. De ontmoeting is maar heel kort. Het einde is opnieuw: ‘Toen zegende Jakob Farao en ging van Farao heen’ (47: 10).
Zegenen, wat is dat? Je brengt de ander in de lichtkring van Gods beloften. Zelf heb je niets in de aanbieding. Je bent als een bedelaar die de andere bedelaar wijst waar het Brood, Levensbrood, te vinden, te ontvangen is: ‘De Here zegene u en Hij behoede u; de Here doe zijn aangezicht over u lichten en zij u genadig; de Here verheffe zijn aangezicht over u en geve u vrede’. Dat is de beste, de hoogste dienst ie je elkaar kunt bewijzen.
De Farao had ogenschijnlijk alles: brood in overvloed, pracht en praal in zijn paleizen. Hij was een absolute heerser, die aan niemand om hem heen verantwoording schuldig was. Na zijn dood werd hij ‘vereeuwigd’ in een praalgraf, een pyramide, waarvan de spits symbolisch de hemel raakte.
Maar wat heb je, per saldo? Wie ben je, op de keper beschouwd? Je hoeft maar een stevige kiespijn te hebben en je hele leven staat op z’n kop. Laat staan dat je iets ergers overkomt. Zonder de zegen van God ben je niemand, nergens meer. Op de wijze van deze bloemenkaart: een klein, kwetsbaar kuikentje in een grote, beschermende hand. Daaronder een tekst uit Johannes 10, over Jezus de Goede Herder: ‘Niemand zal ze uit Mijn hand rukken’.
Levensweg. Zegen. Ik verbind een en ander weer met het boek dat we straks ter hand nemen. Wat telt nu werkelijk, wezenlijk? Succes is iets anders dan zegen. Ik gun ieder mens van harte succes. In de studie. In zaken. In bezit, zij het ook in bescheiden mate. Wie bezit heeft, raakt doorgaans niet verzadigd, maar is zomaar bezeten. Dan gaan er machten in je leven spelen, die je zelf niet meer in de hand hebt.
Je kunt niets meenemen. Dat is een waarheid die alom wordt beaamd, maar die zelden wordt gepraktiseerd. Wat werkelijk telt, wat zelfs van eeuwig gewicht is, is de vraag: staat en gaat, valt jouw leven in de lichtkring van Gods beloften, die ook jou gelden? Dan ben je een gezegend mens. Niets, niemand kan je scheiden van de liefde van God, verankerd in Jezus Christus, de Heiland der wereld, de Heer van het heelal.
Staan en gaan, zelfs vallen onder Zijn beloften. Dan wordt dood gaan: ontslapen in de Heer. Weer met de woorden van een dichter, Geert Boogaard, overleden in 1990:

‘Wanneer ik straks lig uitgeteld, / tel ik bij God nog volop mee. / Ik blijf geborgen in Zijn vree, / ook als de dood mij heeft geveld. // Kreeg doodgaan niet een nieuwe naam? / Het werd: ontslapen in de Heer. / Dat lees en spel ik telkens weer. / Het wil niet meer bij mij vandaan’.

Levensweg. Offer. Zegen. Een derde en laatste woord: vreemdelingschap. Tijdens die korte audiëntie, ingekaderd door de zegen, vraagt de Farao aan Jakob: ‘Hoe oud bent u eigenlijk?’ Een fatsoenlijke vraag? De Farao mag alles vragen. Niemand, die hem ooit corrigeert. Jakob antwoordt dat hij 130 jaar rondgezworven heeft op deze aarde. Relatief kort: Abraham werd 175 jaar, Isaak zelfs 180.
‘Mijn leven is ellendig geweest.’ Was Jakob depressief op zijn oude dag? Ellendig betekent letterlijk: uit-land-ig. In de vertaling van 1951: ‘Het getal van de jaren van mijn vreemdelingschap is 130’. Vreemdelingschap! Verlangde Jakob naar de hemel ten koste van de aarde? Hemel is een bijwoord bij het hoofdwoord God. Hij belooft een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Zijn voornemen is nog niet voleindigd. Tot dan zijn allen die Hem op Zijn Woord geloven vreemdelingen en bijwoners op deze aarde. Niet omdat we de aarde afschrijven, maar omdat we weten van Gods beloften. Hier en zo kunnen we ons niet echt thuis voelen. Geweld is niet gewoon. Onrecht kan, mag niet duren. Bitterheid en haat kunnen niet het laatste woord hebben. Tranen kunnen niet zomaar wegvloeien zonder dat iemand er werkelijk iets mee doet. Wie kan er aarden hier beneden als er geen open hemel is? Dat zou echt capituleren zijn voor de dood.
Met de woorden uit de Hebreeënbrief: ‘Door het geloof heeft Abraham vertoefd in het land der belofte, als in een vreemd land, waar hij in tenten woonde met Izaäk en Jakob, die medeërfgenamen waren van dezelfde belofte; want hij verwachtte de stad met fundamenten, waarvan God de ontwerper en bouwmeester is’ (11: 9 – 10).
Levensweg. Offer. Zegen. Vreemdelingschap. Aan de hand van dit Boek, Woord van God, nemen wij straks dat boek ter hand. Ons einde is het einde niet. Wij vertrouwen God op Zijn Woord. Levenslang, en …nog verder! Amen.

===   ===   ===

Genesis 48: 14
Gehouden op:
*Oudejaarsavond, 31 december 2002; 19.30 uur te Beekbergen.
Bijbellezing: Genesis 48: 1 – 14.
|
Twee kernwoorden om dichter bij dit oude, indrukwekkende, ontroerende verhaal te komen. Ook om dichter bij deze bijzondere dag, deze aparte avond te komen.
Het eerste is grens, het tweede is zegen.
In de Bijbel wordt een zegen – daarover straks meer – altijd uitgesproken op een grens: tussen oud en nieuw, tussen verleden en toekomst. Zegen is dus een wachtwoord. Als je weet wat het betekent, kun je verder.
Nog een taalkundige opmerking die ik ergens vond en die voor mij een verrassing, een eye-opener, is. Ons woord zegenen is afgeleid van het Latijnse ‘signare’, dat is: een kruis tekenen, op de wijze van een priester met het oog op de gelovigen, op de wijze van mensen die elkaar, vooral hun kinderen, en zichzelf tekenen met het kruis, in de Naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Wat een verrassingen: grens, zegen, wachtwoord, tekenen met het kruis.
Nu eerst naar het verhaal van Jakob. Al luisterend krijgt alles een plekje, in de hoop dat het zich nestelt in ons leven en vrucht draagt.
Ik zie dat voor mij: Jakob, hoogbejaard, vrijwel blind. Hij is aan de grens van zijn leven. Hij roept zijn zonen, inclusief de kleinzonen Manasse en Efraïm, rondom zijn sterfbed. Hij heeft een en ander te zeggen en ook te geven.
Het verhaal is ook een spiegel, waarin we onszelf zien. De vraag dringt zich op: wat zouden wij op zo’n grens zeggen? Wat zouden wij aan de naaste kring, aan de komende generatie meegeven?
Ik ben er niet gerust op. Ik ben – eerlijk is eerlijk – uitermate somber gestemd. Deze dagen las ik een stukje van Jacob Noordmans – een familielid van dr. Oepke Noordmans, die ik vaker noem – in de Leeuwarder Courant. Indertijd was Jacob hoofdredacteur van die krant. Toen ik in Friesland kwam, in 1970, sloeg de vonk van zijn commentaar, van zijn hoofdartikelen, direct over. Sindsdien heb ik al zijn pennenvruchten bewaard en verzameld, zelfs uitgewerkt voor een mogelijk boek als eerbetoon.
Sinds zijn terugtreden in 1989 schrijft Jakob Noordmans wekelijks in de zaterdagbijlage van ‘zijn’ oude krant, de bijdrage ‘Gast op Zondag’. Onlangs schreef hij over wat wij onze kinderen meegeven. Een citaat:

‘Ze raken overvoerd en overvoed, krijgen het te druk met alles, of worden zelf te druk, zodat ze met pillen moeten worden getemd. Ze eten en drinken te veel, bewegen te weinig en worden zo te dik. Tegelijkertijd worden ze maar al te vaak geestelijk en moreel ondervoed de wereld in gestuurd: te veel zakgeld, te weinig bagage’. Noordmans vervolgt dan: ‘De huidige, opgroeiende jeugd wordt wel de ‘achterbankgeneratie’ genoemd. Ze wordt op de achterbank van de auto meegevoerd of ontvoerd naar de vakantie – en recreatiebestemmingen van hun vaak afgebrande, dubbelop verdienende ouders. Veel kinderen verspelen hun jeugd zonder ooit aan echt spelen te zijn toegekomen. Kinderen worden bovendien dikwijls het kind van de rekening bij echtscheidingen’.

Tot zover deze Jacob Noordmans.
Wat zegt die andere Jacob en wat geeft hij? Hij laat zijn leven de revue passeren. Een mijlpaal voor hem, doorwerkend naar de volgende generatie, was voor hem Bethel voorheen Luz genoemd. De ladder, teken van het contact, het verbond tussen God en hem, zwerver, asylzoeker. Dat vertelt Jakob. Hij moet al zijn krachten verzamelen, maar wat waar is, wat waarde heeft moet worden gezegd: ‘God, de Almachtige, is mij verschenen te in het land Kanaän en heeft mij gezegend…’.
Wat zouden wij zeggen als we op deze grens, niet van het leven, maar van de jaren, de balans opmaken? Is God ook ons verschenen, op een wijze, vergelijkbaar met de Godservaring van Jakob, die daar en toen – lees maar na in Genesis 28! – zei: ‘Waarlijk, de Here is aan deze plaats en ik heb het niet geweten. En hij vreesde en zei: Hoe ontzagwekkend is deze plaats. Dit is niet anders dan een huis Gods, dit is de poort des hemels?’
Ik vraag maar verder: Als dat niet zo is, zo’n ontmoeting met, ervaring van God, mag je dan veronderstellen dat zoiets niet meer voorkomt? Of gebeurt het wel, maar hebben wij er geen antenne meer voor?
Dat is huiswerk, niet alleen voor mensen binnen, maar ook voor zovelen buiten de kerk. Als het niet meer voorkomt, nou ja, dan is het probleem snel opgelost. Zoeken is dan onbegonnen werk, tevergeefse moeite.
Maar zo gemakkelijk komen we er niet van af. In evangelische gemeenten kan men zomaar vertellen: ‘Luister, wat God gedaan heeft aan mijn ziel, in mijn bestaan!’
Ach, zeggen wij dan, ons wijze hoofd schuddend: overdreven! Dat kan zeker het geval zijn, maar toch…. Ik wil niemand iets aanpraten, maar het zou kunnen zijn dat we zo ingekapseld, misschien wel ingemetseld zijn in onze platte, hebberige cultuur dat we vrijwel onbereikbaar zijn voor signalen van de andere zijde. Wat gebeurt er, om een voorbeeld te noemen, in een kerkdienst? Als die overbekende woorden ‘Genade voor u en vrede’ worden uitgesproken? Als er een Psalm wordt gezongen? Als het Brood wordt gebroken?
We zijn net verwende kinderen. De prikkels moeten steeds sterker worden, willen we nog ergens van opkijken. Wat een ontzettende verarming! Geen wonder dat we, bij gebrek aan beter, ons uitleven in sterke verhalen, in succesverhalen… Jakob vertelt aan zijn jongens over Bethel: Dat is de moeite waard, jongens! ’t Is echt geen succesverhaal. Ook de ervaring van verlies wordt openhartig verwoord en gedeeld. De vroegtijdige dood van Rachel is voor Jakob een bron van pijn, van hartzeer geweest, zijn leven lang. Hij zegt niet: de tijd heelt alle wonden. Hij komt ook niet met een zevenklapper als ‘De zon kan niet altijd schijnen!’
Die oude man praat over de dood van zijn geliefde, als was het gisteren gebeurd: ‘Wat mij aangaat, toen ik uit Paddan kwam, is Rachel mij door de dood ontvallen in het land Kanaän op de reis; toen wij nog maar een eindweegs van Efrath verwijderd waren, en ik heb haar daar begraven aan de weg naar Efrath, dat is Bethlehem’.
Op de weg van het geloof wordt het verdriet, de pijn niet verdonkeremaand. Daarvoor moet je bij de amusement programma’s en de reclamespots op de televisie zijn. Dan wordt nog beweerd dat de kerk wereldvreemd is. De stem van Rachel geldt als de stem van alle moeders, huilend om haar kinderen … ‘Ze weigert zich te laten troosten’, lezen we in het Evangelie.
Er zal met het leed, de tranen, iets moeten gebeuren, wil er echt sprake zijn van troost. Zou het toevallig zijn dat de Heilige Geest, zo nauw verweven met Jezus, de Gekruisigde, de Opgewekte, de Trooster wordt genoemd? Dat is wel iets anders dan uit je dak gaan voor een nieuw wasmiddel, terwijl een paar minuten eerder verbijsterende beelden in het journaal aan je voorbijtrokken.
Jakob heeft op deze grens niet alleen iets te zéggen aan zijn kinderen, ook iets te geven. Hij legt de handen op het hoofd van die beide kleinzonen, Manasse en Efraïm, en spreekt de zegen uit over Jozef en die beide jongens.
Wat is dat: zegenen? Een hooggeleerde voorganger, professor Evert Louis Smelik – hij was ook een dichter! – schrijft ergens: ‘Zegenen is stellen onder de bestraling van de liefde’.
Met andere woorden: uit de vrieskou brengen onder de hoogtezon van Gods barmhartigheid. Hoe gaat dat in z’n werk? Kun je je kinderen het geloof, het Godsvertrouwen geven? Nee, dat kan niet, maar je kunt wel proberen hen zo dicht mogelijk erbij te brengen. Het zou kunnen zijn dat al die overvloed, alles hebben wat je hart begeert, eerder een blokkade is. De hoogtezon van het digitale paradijs is een andere dan die van Gods barmhartigheid. Een schrijnend voorbeeld zag ik onlangs op een boerderij. Iemand zei: ‘Dominee, kijk eens hoe onze welvaartsmaatschappij er uit ziet’. Hij liet mij de stal zien: honderden broden, in allerlei soorten, onuitgepakt, een dag over de datum en daarom niet meer geschikt voor menselijke consumptie, goed als veevoer. Het is bijna onmogelijk om in zo’n maatschappij oprecht te bidden: ‘Geef ons heden ons dagelijks brood’ en werkelijk zicht te krijgen op Hem die van Zichzelf zei: ‘Ik beb het brood des levens’. Stellen onder de bestraling van de liefde…
Ik ben uitermate somber. Ook vrees ik dat onze cultuur, de dampkring van ons leven en van de samenleving, stervende is, omdat ze aan haar eigen overgewicht ten onder gaat. Trouwens, die zegen hebben wij niet in de hand: het eigenlijke wonder, de vonk die overspringt, dat is het werk van de Drieënige God, de Vader, de Zoon en Heilige Geest. Ook dat wordt schokkend duidelijk in dit verhaal. Jozef helpt al vast een handje: Manasse bij de rechterhand van Jakob, Efraïm, de jongste, bij grootvaders linkerhand. De oudste heeft de eerste en de meeste rechten. Maar Jakob kruist zijn handen, zodat de jongste, Efraïm, voorrang krijgt. In de Statenvertaling lezen we: ‘Hij maakte zijn handen wijs!’
Het was dus geen vergissing. Jakobs handen voeren Gods welbehagen uit: ‘De eersten zijn de laatsten, / wie nakomt gaat voorop; / zo staat het voorgeschreven, / zo is het steeds voorzegd, / wie achter is gebleven / krijgt eerstgeboorterecht’.
Jozef protesteert, maar zijn blinde vader zegt: ‘Ik weet het, mijn zoon, ik weet het…’.
Ik zei u al: dit verhaal is als een spiegel, waarin wij onszelf zien. Op de grens van 2002 en 2003 maken we de balans op. Was er een plaats van ontmoeting met God of is ons leven zo plat als een dubbeltje? Hoe gaan we met ons verdriet om? Krijgt dat een volwaardige plaats of wordt het weggestopt in onze maatschappij waarin alles leuk moet zijn? Daarmee verbonden de vraag: wat geven we onze  kinderen mee? Heeft het iets van een zegen?
Ik kom nog eens terug op die woordafleiding: zegenen komt van ‘signare’, tekenen, tekenen met het kruis. Zo is onze God ons nabij. Niet uit de verte of uit de hoogte, maar als Degene die ons opzoekt op de plaats waar we zijn, de pijn, de moeite, de last van het leed en van de schuld, deelt en het zo van ons afneemt. Ik las ooit het verhaal van rooms-katholieke ouders, die ’s avonds hun kinderen welterusten zeiden. Het laatste wat ze deden was een kruisteken op het voorhoofd: gezegend, getekend door God! In vertrouwen op deze God gaan we de grens over. Ik zou niet weten hoe je verder zou kunnen als je niet wist dat deze God met je meegaat. Een oude Latijnse spreuk vat alles samen in een viertal woorden:

‘Tempora pessima sunt! Vigilamus!’

Dat is: ‘De tijden zijn buitengewoon slecht, laten we waakzaam zijn!’ Amen.