Marchal


1. Genesis

Genesis 1:26
Gehouden op:
*Woensdag 13 maart 1974, bidstond te Oosthem
Bijbellezing: Genesis 1: 24 – 2: 4a.

In het merkwaardige boek Prediker staat het merkwaardige regeltje: wie kennis, wetenschap, vermeerdert, vermeerdert smart. Dit is geen uitspraak van iemand die liever lui dan moe is, maar van iemand die al zijn krachten en vermogens heeft ingezet en zo, aan den lijve, ondervonden heeft wat het betekent om mens te zijn.
Wie kennis vermeerdert, vermeerdert smart. Ik vermoed dan de waarheid van deze woorden vooral in onze dagen door steeds meer mensen erkend wordt. Er is nooit een tijd geweest, waarin de mens zoveel dingen wist als de onze, op zoveel vragen een antwoord kon geven. Maar tegelijkertijd ontstaan er steeds meer dingen, die de mens niet weet, steeds meer vragen, waarop hij het antwoord schuldig blijft.
De techniek, de wetenschap van alles wat wij kunnen, maakt ons duizelig van bewondering en verrukking, maar tegelijkertijd duizelig van ontzetting en angst. Hoe zullen we ons technisch kunnen gebruiken? Het dreigt ons boven onze macht te gaan, uit de hand te lopen. Daarom is er in de wetenschap een merkwaardige ontwikkeling gaande. Behalve aandacht voor de vraag: ‘Wat kunnen wij?’ groeit de belangstelling voor de vraag: ‘Wie zijn wij?’
De zogenaamde mens-wetenschappen raken steeds meer ín. Psycholgie, sociologie, anthropologie, andragogie enz. Moeilijke namen van studierichtingen die zich met het geheim van de mens bezighouden.
Wie zijn wij? Elk mogelijk antwoord roept een veelheid van nieuwe vragen op. Het verschijnsel mens is moeilijk te vatten, laat staan te doorgronden. Hij is op drift geraakt, op hol geslagen. Hij lijkt op een autobestuurder, die de macht over het stuur is kwijtgeraakt en in panische angst alle knoppen uittrekt, alle pedalen indrukt.
Wat kunnen wij? Duizelingwekkend veel, maar in wezen o zo weinig. Wie zal wij? Wie zal de mens in deze hachelijke, verbijsterende situatie helpen? De mens-wetenschappen met hun keur van geleerden – geen kwaad woord over hen! – kunnen wel enige verlichting van de pijn en angst teweeg brengen, maar geen genezing. Het begin, het beginsel van alle wijsheid is de vreze des Heren. Alleen op deze weg is genezing mogelijk.
Zolang de mens zichzelf niet of niet meer verstaat als schepsel, verantwoordelijk voor, gekend en bemind door God, zal hij steeds meer op drift raken en zich ten slotte zelf vernietigen.
Daarom is het geen kleinigheid, maar een levensgevaarlijke ontwikkeling dat de kennis van de levende God steeds meer vervaagt, steeds meer verdwijnt. Een samenleving, een cultuur, waaruit dit hart verdrongen en zelfs weggesneden wordt, verwildert en bloedt dood. Daarom vervult de toekomst van ons volk en van onze wereld mij met een beklemmende zorg.
Bij het licht van de Schrift valt er ook licht op onze tijd. Allerlei ontwikkelingen komen ons duidelijker voor ogen te staan is geen wonder dat de mens op hol is en wanhopig naar zichzelf zoekt naarmate hij zich van God verwijdert. Het is de wet van oorzaak en gevolg. God en mens staan in een bepaalde betrekking tot elkaar. Wanneer deze relatie verbroken wordt, raakt alles in de war en op drift. Dat wordt op aangrijpende wijze duidelijk uit de eerste bladzijden van de Bijbel. Daar wordt het verhaal van de schepping verteld, liever gezegd: het lied van de schepping gezongen.
Met behulp van woorden, uitdrukkingen voorstellingen uit die tijd wordt een poging gedaan om het geheim van de schepping, dat tegelijk het geheim van de Schepper is, uit te zingen. Dit oude lied raakt nooit verouderd; ook niet door de opkomst en de hoge vlucht van de natuurwetenschap. De Schrift nodigt uit om mee te denken, mee te zingen. Wie het geheim beter onder woorden kan brengen, ga zijn gang. Het is de vraag of iemand ooit iets kan bedenken dat dieper graaft, dat meer hout snijdt.
Aan de schepping van de mens gaat iets vooraf. Hij is eigenlijk een na-komer; pas op de zesde dag komt hij kijken. Voordien is alles in gereedheid gebracht om hem te ontvangen. Het huis van de wereld is keurig ingericht om de bewoner van dienst te zijn: licht en lucht, grond en begroeiing,  vogels, vissen en vee. Telkens lezen we het scheppingswoord van God: ‘Er zij…’, ‘Er zij…’ Gevolgd door: ‘En het was alzo’.
Op de zesde dag worden eerst de landdieren geschapen, naar hun aard. Maar dan gebeurt er iets bijzonders; er klinken andere woorden die het unieke van de mens typeren: ‘Laat ons mensen maken, naar ons beeld, als onze gelijkenis’. We gaan deze regel eens even spellen.
Waarom wordt hier een meervoud – het woordje: ‘ons’ – gebruikt? Er zijn tastende pogingen gedaan om deze spreekwijze enigszins te duiden. De mogelijkheid van meerdere goden wordt door het geheel van de Schrift uitgesloten. Gaat God dan misschien te rade bij de hofstoet, die Zijn troon omringt: de hemelingen, de dienende geesten, de engelen? Volgens anderen moeten we dit meervoud vergelijken met ons spraakgebruik: ‘Wij, Juliana, Koningin der Nederlanden…!’ Tastende pogingen om het spoor te vinden. Ik vermoed dat de bedoeling deze is: God heeft aan Zichzelf genoeg; Hij is niet eenzaam. Hij heeft niets of niemand werkelijk nodig buiten Zichzelf. Hij is in Zichzelf gemeenschap. Wij,  mensen, hebben een aanspraak, een tegenover, een naaste nodig. In ons eentje verpieteren, verwelken wij. God is God. Hij heeft aan Zichzelf genoeg. De schepping is niet noodzakelijk, maar gegrond in het welbehagen van God. Daarom spreekt niets vanzelf. Het spreekt alles van Hem, die eens zei: ‘Laat ons mensen maken!’
Daar klinkt ook een stuk vreugde in door: wat een idee; dat doen we! We gaan een stap verder: ‘mensen maken’. Letterlijk staat er: een mensheid. Het Hebreeuwse woordje voor mensheid is haast hetzelfde als dat voor aarde. Dat wil zeggen: wat nu komt, een mensheid, is verworteld met de aarde. En toch is het een unieke, onvergelijkelijke verschijning op de aarde. Er volgt immers niet, zoals bij de land-dieren: naar hun aard, maar: ‘naar ons beeld, als onze gelijkenis’. De mens is uit de aarde, aards, maar toch: veel meer! Wat betekenen deze woorden: beeld en gelijkenis?
Weer zeggen we: We komen niet verder dan aarzelende pogingen. Dat hoeft ons niet te verbazen. Wij hebben niet de wijsheid van de Schepper, Die alles overziet en doorgrondt. Het geheim van de mens is het geheim van God. Toch heeft men pogingen gewaagd. De woorden: beeld en gelijkenis zouden betrekking hebben op iets, een hoger deel, het betere ik, van de mens: zijn ziel, zijn geest, zijn denkkracht, zijn spaakvermogen en nog veel meer.
Het verhaal, het lied van de schepping leert ons echter niet naar een onderdeel te kijken, maar naar de totale mens; met alles wat hij heeft en is, is hij geschapen naar ons beeld, als onze gelijkenis. Wanneer we aandachtig luisteren, wijst de Schrift ons ook hier de weg. Er wordt duidelijk gesproken over de gevolgen, de kenmerken die uit dit diepste geheim van de mens voortvloeien. Eerst het woordje: beeld. Dat wordt in het volgende vers opgenomen: ‘En God schiep de mens naar Zijn beeld; naar Gods beeld schiep Hij hem.’ En dan komt het: ‘Man en vrouw schiep Hij hen’. Letterlijk staat er: manlijk en vrouwlijk. Dat wil zeggen: de mens is van meet af aan gericht op gemeenschap; hij is in liefde geschapen en op liefde aangelegd. Dat is geen bijkomstigheid, maar wezenlijk voor zijn bestaan als mens; hij heeft de ander broodnodig. Daarom lezen we in het vervolg: het is niet goed dat de mens alleen zij; hij heeft een tegenover nodig, een hulp die bij hem past. Als hij de ander aanspreekt en door de ander aangesproken wordt, is hij pas waarlijk mens. In deze samenspraak, in dit samen-zijn, in deze gemeenschap met elkaar weerspiegelt zich het geheim van de mens, geschapen naar het beeld van God. Het huwekijk is de meest zichtbare, meest geconcentreerde vorm van dit-op-eklaar-aangewezen-zijn, maar het huwelijk is geen verplichtende wet voor ieder mens. Waar het om gaat is dit: in de ontmoeting, in het verbond met de ander, wordt de mens pas waarlijk mens: beelddrager van God. Tegen deze achtergrond wordt het duidelijker waarom de mens in onze tijd zo op drift is geraakt en verbijsterd naar zichzelf op zoek is. Als de ander niet meer als bondgenoot maar als concurrent wordt gezien, dan mist de mens zijn besremming. Als de samenleving steeds killer, onpersoonlijker wordt, dan verliest de mens het geheim van zijn bestaan en doolt stuurloos rond.
Er valt nog meer te zeggen over het geheim van de mens. Hij is geschapen naar ons beeld, als onze gelijkenis. De betekenis van dit laatste woord: gelijkenis wordt aangeduid in het vervolg: ‘Opdat zij heersen over de vissen der zee, over het gevogelte des hemels, over het vee, over de gehele aarde en over al het kruipend gedierte dat op de aarde kruipt’. Dat wil zeggen: de mens mag in zijn heerschappij gelijkenis vertonen met God.
Als de rentmeester mag hij de bedoeling van de Eigenaar uitbeelden en uitspelen. Deze heerschappij is aan de mens toevertrouwd; hij is een heer-tje, dat de trekken van de Here mag dragen. Zo is hij geschapen, daartoe is hij geroepen: als onze gelijkenis. Wel te verstaan: pas op de zesde dag. Alles ligt al klaar; zijn bedje is gespreid; zo mag hij aan de slag gaan; niets is van hemzelf, zelfs zijn eigen lichaam niet; alles is hem geschonken, gratis, uit genade. Hij heeft een stem gekregen om de ander aan te spreken en om de Ander – met een hoofdletter, God – aan te spreken en te bezingen. Hij brengt als een priester de dank van de sprakeloze schepping onder woorden in een lofprijzing. De zorg voor alles is hem immers toevertrouwd; hij is verantwoordelijk tegenover de Eigenaar; hij is aanspreekbaar omdat hij als enige naar ons beeld, als onze gelijkenis geschapen is. Daarom spreekt het volmaakt vanzelf dat hij zijn mond opent en zijn handen vouwt. Hij bidt dat God Zijn heerschappij, Zijn zorg, zal voortzetten, want anders is het met de schepping gedaan. Alles en allen bestaan immers bij de gratie Gods. Niets spreekt vanzelf, alles spreekt van de Schepper en is bestemd tot meerdere glorie van Zijn heerlijkheid. Dat weet de mens, die naar ons beeld, als onze gelijkenis is geschapen. Daarom betuigt hij zijn afhankelijkheid van, zijn aanhankelijkheid aan de Schepper.
‘Laat ons mensen maken, naar ons beeld, als onze gelijkenis’. Zo is het, zo zijn wij bedoeld. Hier ligt ons geheim. En weer zeggen we: Is het een wonder dat de mens op drift is geraakt, op hol geslagen en de ganse schepping met zich meesleurt? Hij misdraagt zich als een bezitter, een eigenaar, een dictator, die met niets of niemand iets te maken heeft. Hij vervreemdt van God en van de ander en daardoor ook van zichzelf. Zo wordt hij zelf een vreemdeling en de schepping een wildernis, een chaos. Geen wonder! Als we ons mateloos verwonderen willen, dan hierover: God laat het werk van Zijn handen niet in de steek.
Aan het begin zei Hij vol vreugde: Laat ons mensen maken, geweldig idee! Deze oorspronkelijke vreugde, die tegelijkertijd liefde is, is niet verdwenen, ondanks de pijn, het verdriet, de teleurstelling  die Hij ondervonden heeft en dagelijks ervaart. Ook als de mens ontrouw is, Hij is getrouw, want Zichzelf verloochenen kan Hij niet. Hij is opnieuw op weg gegaan met Abraham, met Zich volk Israël om Zijn bedoelingen uit te zeggen.
Ten slotte heeft Hij alles samengevat in Zijn Zoon Jezus, de Christus. Zo roept Hij mensen terug tot hun wezenlijke bestemming, om hen te herscheppen naar Zijn Beeld, als Zijn gelijkenis. Daarom zijn we vanavond in de kerk gekomen, in deze bidstond voor gewas en arbeid. We zijn koningen en priesters bij de gratie Gods. In onze tijd vooral priesterlijk, denk ik. We brengen de dankbaarheid van de sprakeloze schepping onder woorden, maar ook van steeds meer mensen die het geheim zijn kwijtgeraakt en daardoor sprakeloos, biddeloos zijn geworden. Het gebed, de dankbaarheid, de lofprijzing is de hartslag van ons leven, de hartslag van de schepping. Amen.

===   ===   ===

Genesis 2: 19
Gehouden op:
*Zondag 6 oktober 1974, 13.30 uur Oosthem.
Bijbellezing: Genesis 2: 18 – 25.

Deze dienst staat in het teken van de dankbaarheid. Als ik dat zo zeg, denk ik bij mezelf: is deze toevoeging, van de dankbaarheid, niet overbodig? Is dat niet dubbelop? Spreekt dat dan niet vanzelf?
We vinden het toch ook niet nodig om te zeggen dat de zon warmte verspreidt, dat een schimmel wit is, dat een cirkel rond is? Hoe kun je ooit een dienst vieren, anders dan in dankbaarheid?
In de ontmoeting met de God van de Bijbel, gehoord Zijn Evangelie, gezien Zijn trouw, kan het niet uitblijven: mensen worden vervuld met dankbaarheid, ondanks alles en door alles heen.
Toch komt deze dankbaarheid, die eigenlijk vanzelf spreekt, vanmiddag uitdrukkelijk ter sprake. Dat heeft een reden. Vanmorgen stond hier, voor in de kerk, een tafel. Mensen schaarden zich eromheen. Ze aten een stukje brood, ze dronken een slokje wijn. Met deze tekenen vierden mensen het geheim van de verzoening; het goddelijke geschenk dat de mensen en de wereld draagt en omvat. Rondom deze tafel leerden mensen om de dienst der verzoening aan elkaar te verrichten. Deze dienst loopt niet af, maar gaat door, vandaag en morgen, ja alle dagen van ons leven. Als begenadigde mensen mogen we leven en ons werk doen, in dankbaarheid. Dat zal ergens moeten blijken, op velerlei gebied.
Vanmiddag noem ik een gebied dat niet zo vaak ter sprake komt: de omgang met de dieren. Ik zal u eerlijk bekennen: ik heb hierover zelden gepreekt, maar dat is in het licht van de Bijbel onjuist, een groot tekort. Als ik lees en hoor wat de Bijbel over de dieren te zeggen heeft, dan doe ik ontdekkingen die mij verrassen, maar – eerlijk is eerlijk – ook beschaamd maken.
Ik houd van dieren; ik ben – zonder mijzelf te willen prijzen – een dierenvriend. Maar in het concert van de schepping spelen zij een veel grotere en voornamer rol, dan ik ooit gedacht heb. De dieren vormen geen aanhangsel, maar hebben een eigen waarde, een volwaardige plaats.
De menselijkheid of de onmenselijkheid van de mens blijkt niet alleen uit de wijze waarop hij met zijn medemensen omgaat, maar ook uit zijn omgang met de andere wonderen van de schepping, in het bijzonder de dieren. Als hij hier, in de omgang met de dieren, uit zijn rol valt, buiten zijn boekje gaat, dan is het geen wonder dat hij een onmens wordt tegenover zijn medemensen.
Dit wordt op indrukwekkende wijze duidelijk uit de eerste hoofdstukken van de Bijbel. Hier wordt God, de Schepper, bezongen, die Zijn schepping in het aanzijn roept. Het gebeurt niet op de wijze van een zakelijk verslag, dat voor kennisgeving aangenomen wordt, maar op de wijze van een lied, een liefdeslied, dat aanstekelijk wil werken.
De Here God heeft eindeloze ideeën, een onuitputtelijke fantasie. Wat bij Hem opkomt en Hem voor ogen staat, wordt werkelijkheid. Onvermoeibaar is Hij bezig met scheppen: uit niets roept Hij iets tot aanzien. Hij heeft er plezier in. Hij fluit en zingt onder Zijn werk. Daarom horen we in het lied van de schepping telkens weer dat vrolijke refrein: ‘En God zag dat het goed was!’
En kijk, op de zesde dag, komt de mens op het toneel, een figuurtje uit het stof verrezen door het creatieve, scheppende spreken van God. Hij is een na-komertje, maar de laatsten zullen de eersten zijn: aan hem vertrouwt God Zijn schepping toe: kom maar in Mijn tuin, en speel met alles wat Ik geschapen heb. Achteraf kun je je er niet genoeg over verbazen, dat God dit risico genomen heeft, dit avontuur met de mens begonnen is. Hij heeft er dan ook meermalen spijt van gehad. Het vrolijke refrein aan het begin: ‘Zie, alles is zeer goed’, ging spoedig over in een klaaglied, zoals bij monde van de profeet Jesaja: ‘Hij, God, verwachtte goed bestuur, maar zie het werd bloedbestuur, rechtsbetrachting, maar zie: rechtsverkrachting’.
Maar ondanks alles is Hij trouw gebleven aan Zijn oorspronkelijke opzet: de mens, schepsel naar Zijn beeld, als Zijn gelijkenis, geroepen om schatbewaarder, rentmeester te zijn.
‘En de Here God zeide: het is niet goed dat de mens alleen zij; Ik zal hem een hulp maken die bij hem past’, een tegenover met wie hij samen mens kan zijn. Alleen is maar alleen. De mens is in liefde geschapen en op liefde aangelegd: woord en wederwoord, stem en tegenstem, liefde en wederliefde, spel en samenspel. Zo wordt de mens pas waarlijk mens. Een hulp, die bij hem past. Nu denken wij direct aan de vrouw, als tegenpool van de man. In de ontmoeting met deze ander komt de mens op pas tot zichzelf. Op deze tweezaamheid loopt dit verhaal ook uit. Maar er gaat iets aan vooraf, wat we alleen maar tot onze schade en schande kunnen overslaan. Als eerste tegenover, hulp die bij de mens past, worden de dieren genoemd. ‘En de Here God formeerde uit de aardbodem al het gedierte des velds, en al het gevogelte des hemels’. Dan volgt er weer een van die verrassende, speelse regels waar het boek Genesis vol van is: ‘God bracht het gedierte, de dieren en de vogels, tot de mens om te zien hij het noemen zou’. Met een binnenpretje en een kloppend hart wacht God af wat Adam, de mens gaat doen. Dit is de eerste proef van zijn menselijkheid. Hoe zal hij deze proef doorstaan? Zal hij tonen dat hij daadwerkelijk beelddrager van God is en dus verantwoordelijkheid en zorg aanvaarden voor de dieren? Zal hij zich ontpoppen als Zijn gelijkenis door de dienst van een goede herder op zich te nemen? Het avontuur van en met de mens is begonnen. God houdt Zijn adem in. En zowaar, het gaat goed. God kan een zucht van verlichting niet onderdrukken. Dat Hij er plezier in heeft wanneer de mens aan Zijn verwachting beantwoordt, blijkt uit het zinnetje: ‘En zoals de mens elk levend wezen noemen zou, zo zou het heten’. God stemt dankbaar in met de namen die de mens geeft. ‘En de mens gaf namen aan al het vee, aan het gevogelte des hemels en aan al het gedierte des velds’. In dit samenzijn met de dieren wordt zijn eenzaamheid voor een deel opgeheven.
De mens geeft namen aan de dieren. Dat is typerend voor de mens en typerend voor de dieren.
Om met de eerste, de mens, te beginnen: hij aanvaardt zijn verantwoordelijk en zorg voor de dieren. Hij neemt hen onder zijn hoede. Dat is geen aardige bijkomstigheid, want zo vervult hij zijn roeping: geschapen naar Gods beeld, als Zijn gelijkenis. Als hij hier, in de omgang met de dieren, vals spel speelt, dan mag hij geen mens meer heten. Dan wordt hij een onmens, het tegenovergestelde van wat God bedoeld heeft. Dit valse spel werkt door in zijn omgang met de medemens. Een ongeluk komt zelden alleen. Dat is de huiveringwekkende mogelijkheid, waartoe de mens kan komen en – om zo te zien – ook gekomen is: de schepping in de war sturen en zo de dieren, de ander en zichzelf meeslepen naar de ondergang. Maar als hij zich laat gezeggen door Zijn Schepper, dan komt er levensruimte voor de dieren, de ander en hemzelf.
De mens geeft namen aan de dieren. Dat is niet alleen typerend voor de mens, maar ook voor de dieren. De dieren zijn kennelijk noemenswaard. Ze zijn geen onpersoonlijke dingen, geen nummers, geen gebruiksvoorwerpen, waar de mens mee doet wat hij wil, maar ze zijn dragers van een eigen geheim. Ze ontvangen namen van de mens, waar God Zelf achter staat. Hij is ook de God van de dieren. Als we nu verder bladeren in de Bijbel vinden we deze waarheid telkens weer bevestigd. Ik noem enkele plaatsen: God sluit een verbond met Noach, maar in dit verbond horen ook de dieren thuis: ‘Zie, Ik richt mijn verbond op met u en met uw nageslacht en met alle levende wezens die bij u zijn: het gevogelte, het vee en het wild gedierte der aarde bij u…!’
Is het toevallig dat de zegen van de sabbat ook voor de dieren geldt? ‘De zevende dag is de sabbat van de Here uw God; dan zult gij geen werk doen, gij, noch uw zoon, noch uw dochter, noch uw dienstknecht…, noch uw vee…’.
Is het toevallig dat, volgens de traditie, ook een ezel getuige was van de geboorte van de Messias?
Is het toevallig dat we in het laatste Bijbelboek lezen over de vier dieren die de troon van God omringen? Dit alles geeft te denken!
De mens, die aan de dieren namen geeft, waar is hij vandaag? Nog steeds brengt God de dieren bij ons. Hoewel – het zijn er telkens minder, want steeds meer soorten sterven uit, geofferd op het altaar van de welvaart. Nog steeds wacht God in spanning, met ingehouden adem, wat we doen. Aanvaarden we onze roeping om mens te zijn, geschapen naar het beeld van de Schepper, als Zijn gelijkenis. Of worden we onmensen, door de dieren te verwaarlozen, beledigen, kleineren, misbruiken, terroriseren? Als we op de weg van de dankbaarheid gaan, dan worden de mensen en de dieren, zoals ze door God bedoeld zijn. Dan kan Hij, God, Zich weer verheugen over het werk van Zijn handen en de hele schepping verheugt Zich met Hem mee. Denkt u door eens aan als u onder de koeien zit, de vogels hoort fluiten of met uw hond speelt. Amen.

===   ===   ===

Genesis 4: 8-13
Gehouden op:
*Zondag 31 januari 1988, 19.00 uur, zangdienst te Hellendoorn.
Bijbellezing: Genesis 4: 8 – 13; Hebreeën 12: 18 – 24; Mattheüs 5: 43 – 48;

De eerste hoofdstukken van de Bijbel gaan over de oergeschiedenis. Dat wil zeggen: hier worden de oerlijnen geschetst die wezenlijk zijn voor ons, mensen, voor u en voor mij en voor de wereld, waarin wij samen wonen. Het wordt allemaal beschreven in bloemrijke, beeldende taal.
In deze hoofdstukken worden ook de oerlijnen, de diepste trekken, van Gods gelaat getekend. Het is ons allemaal overgeleverd om te leren leven. Over deze hoofdstukken is helaas heel wat strijd geleverd. Heeft die slang nou echt gesproken? Waar haalde Kaïn zijn vrouw vandaan? Het is gepraat en geruzie van mensen die een gedicht te lijf gaan zoals ze een rekensom aanpakken, die – anders gezegd – de taal van het hart aan mootjes hakken op de tafel van het nuchtere verstand.
Maar als het nu eens gaat, in dat verhaal van Kaïn en Abel bijvoorbeeld, om uw en mijn leven, om onze manier van doen, dan gaat zo’n verhaal spreken, dan gaat het je bestoken met vragen als: Gaat het ook niet over jouw leven? Ben jij dit niet? Zie je dan niet dat het nog steeds gebeurt? Oergeschiedenis, die geen verleden tijd is, maar hedendaagse werkelijkheid, omdat er oerlijnen getekend worden die niet uit te poetsen zijn.
Een mens slaat z’n medemens, z’n allernaaste, z’n broer dood. Dat gebeurt nog steeds. Dichtbij en ver weg. Als het dichtbij gebeurt, schrikken we, maar verder weg vinden we het min of meer gewoon.
Joden en Palestijnen, Iraniërs en Irakezen, blanken en zwarten in Zuid-Afrika, kolonisten, nieuwkomers en oorspronkelijke bewoners in Australië, contra’s en sandinisten in Midden-Amerika. Wie is Kaïn in dit alles en wie Abel?
Het wordt allemaal ook redelijk aannemelijk gemaakt. De theorie van de rechtvaardige oorlog stamt ook uit de oertijd en en leeft nog steeds.
Het zal allemaal wel een beetje waar zijn, wat er zoal wordt gezegd, maar in wezen verandert er niets. We zeggen, met of zonder woorden, wat Kaïn in de oertijd, die nog steeds telt, antwoordde op de vraag van God: ‘Waar is je broer?’: ‘Ben ik mijns broeders hoeder?’ En hij wilde gewoon weggaan, doorlopen alsof er niets gebeurd was. Zand erover. Geen moeilijke vragen!
Ja, over God gesproken… In deze oergeschiedenis gaat het niet alleen over de mens, dat is: over is en mij, maar ook en vooral over God. Hij, God, roept de mens ter verantwoording: ‘Wat hebt gij gedaan? Hoor, het bloed van uw broeder roept tot Mij van de aardbodem’.
Is dat geen ontroerende regel? Het is beeldspraak, dichterlijke taal, maar daarom heeft het des te meer zeggingskracht. De diepste geheimen van God, mens en wereld kun je niet vatten in het taaltje van ons redenerend verstand. ‘Hoor, het bloed van uw broer roept tot Mij…’. Onzin, natuurlijk. Bloed is een vloeistof, bestaande uit zoveel procent dit en zoveel dat. Hoe kan dat nou roepen? Wie zo redeneert, is een ademend verlengstuk van een computer geworden, maar is geen mens meer.
Er is een taal, een sprake zonder woorden, maar met een zeggingskracht…! De Vlaamse dichter Guido Gezelle heeft dat verstaan en daarom schreef hij: ‘Mij spreekt de blomme een tale, mij is het al beleefd, mij spreekt het altemale, wat God geschapen heeft’.
Het bloed, het vergoten leven roept en God hoort het…!
Is dat niet een oerlijn van Gods gelaat? Hij is de Schepper, die het werk van Zijn handen niet loslaat. Ook in de dood is er nog een band, een verband met Hem. Als de mens verstek laat gaan als hoeder van zijn broeder, van zijn zuster, dan blijft Hij, die de Hoeder, de Herder van mensen is, die Zich bij voorkeur ontfermt over de zwakste, de kleinste, de meest kwetsbare.
Wat heeft Hij, God, met deze roep van het bloed, opklinkend van de aardbodem gedaan? Heeft Hij wraak genomen, zoals wij gewend zijn? Op de wijze van: lik op stuk, leer om leer, oog om oog, tand om tand?
Weer wordt een oerlijn zichtbaar. Even verder, in dit verhaal, en later wordt deze lijn og veel sterker. Als Kaïn zegt: mijn misdaad is te groot om de straf te dragen, voortaan ben ik vogelvrij, wie mij ziet zal mij doden, dan antwoordt de Here God: ‘geenszins!’ Hij neemt Kaïn in bescherming. Ja, maar dat bloed, dat vergoten leven van Abel dan? Wordt dat vergeten? Is God daar doof voor?
Er tekent zich een lijn in de Schrift af, die steeds sterker wordt. De Rechter wordt de Redder. De Meester wordt de minste. Hij gaat op dat roepen van het bloed in door Zijn eigen bloed te vergieten. Zo betoont Hij Zich de Hoeder van mensen.
Kaïn vroeg: ‘Ben ik mijns broeders hoeder?’ Later zei Iemand: ‘Ik ben de Goede Herder, de Goede Herder zet zijn leven in voor de schapen’. Hij geeft Zichzelf ten offer. Dat is Zijn manier van reageren op de vijandschap, de liefdeloosheid van mensen.
Heeft het wat geholpen? Ik weet het niet. Als ik naar de geschiedenis kijk, wat er sindsdien gebeurd is, dan word ik wel wat somber. Wie het zo goed konden weten, de mensen naar Christus genoemd, vormen helaas geen uitzondering. In Naam van Christus, de Goede Herder, hebben mensen hun broeders en zusters aan de kant geschoven, onderdrukt, om zeep geholpen – heel letterlijk, lijfelijk met de Joden, van wier lichamen zeep gemaakt is in het christelijke West-Europa.
Maar de stem van Christus is niet tot zwijgen te brengen, wat mensen ook bedenken en doen. In de Hebreeënbrief wordt die regel uit de oergeschienis opgenomen en vertaald naar Hem toe, die Zijn bloed, Zijn leven gaf: Jezus, de Middelaar van een nieuw verbond, Zijn bloed der bespenging, dat krachtiger spreekt dan Abel. En in onze tijd heeft de dichter Inge Lievaart deze Bijbelwoorden uitgeschreven in een gedicht, dat opgenomen is in deze liturgie. Ik heb het eerder genoemd, maar het is taal naar mijn hart en, wat veel belangrijker is, taal naar het hart van de Schrift. Zullen we het samen nog eens lezen? Met het oog op dat oude, maar nooit voorbije verhaal van Kain en Abel schrijft ze:

‘Bloed, bloed roept van de aarde, een klacht die aanklacht is – wie is geen aangeklaagde?’

We zijn allemaal medeschuldig. We doen er allemaal bewust of onbewust aan mee. Niemand heeft schone handen. Daarom lezen we verder:

‘De verte – wereld-wijd – kan niet zwijgen / en ook het binnenst hart is niet meer stil te krijgen’.

Maar….een ander bloed roept van de aarde en deze stem is veel sterker, het bloed van Christus, dat de waarde heeft van een offer. Het doet de aanklacht zwijgen, alles wordt wit – in plaats van roodgekleurd door bloed – alles wordt wit en stil: door niets meer stuk te krijgen, vrede om Christus’ wil.
Zo, op de wijze van de verzoening, in het spoor van de Goede Herder, mogen we leven in onze eigen kring, als hoeders van elkaar, en zo mogen samen leven als gemeente van Christus.
Als we ons daarin oefenen, met vallen en opstaan, als we ons in deze kring van de verzoening laten betrekken, dan zullen er overal scheurtjes en barstjes komen in de muren van haat en vijandschap en wraak en geweld. En ook als het niet zichtbaar wordt, dan nog zullen we ons niet uit dit lood laten slaan, want alleen Christus is het licht der wereld, de Hoeder van mensen, de Heiland van het heelal.

VERZOENING

Bloed, bloed roept van de aarde,
een klacht die aanklacht is –
wie is geen aangeklaagde?
De verte kan niet zwijgen
en ook het binnenst hart
is niet meer stil te krijgen.
Maar bloed roept van de aarde
dat sterker spreekt dan dat:
uit kracht van offerwaarde.
Het doet de aanklacht zwijgen,
alles wordt wit en stil:
door niets meer stuk te krijgen
vrede om Christus wil.

Inge Lievaart.

Amen.

===   ===   ===

Genesis 7: 1-16
Gehouden op:
*Zondag 23 september 2007. Kinderdienst over het thema  ‘Bij wie ben je veilig?’ 10.00 uur te Beekbergen
Bijbellezing uit Genesis 7: 1 – 16

Dat was een mooi lied! Alle liederen die we zongen waren mooi, maar ik bedoel dat lied over zo stil als een muis, zo bang als een wezel, zo slim als een vos. Je kunt zo glad zijn als een aal, zingen als een nachtegaal, want iets van alle dieren vind je in ons allemaal. Tussen mens en dier een hele nauwe band, omdat ze zijn geschapen, geschapen door Zijn hand.
Ik ga iets vertellen over dieren en dat is dan ook een verhaal over jou en mij, over ons allemaal.
Onze hond heet Holly. Ze lijkt heel flink. Ze denkt dat ze ons huis en onze tuin en die grote tuin om de kerk moet bewaken. Daarom blaft ze hard als ze iets of iemand hoort. Het lijkt alsof ze voor niks en niemand bang is, maar dat is niet waar. Als het onweert in de nacht, als er lawaai is op straat, vooral als er vuurwerk wordt afgeschoten, is ze doodsbang. Ze slaapt ’s nachts in de keuken, maar dan slaat ze met haar poten tegen de deur, net zo lang totdat ik naar beneden kom. Dan gaat ze als een speer naar boven en komt ze bij ons op bed, liever nog in bed, tegen ons aan liggen. Dan voelt ze zich veilig en wordt ze rustig.
Iets van alle dieren vind je ons allemaal….
Ik kreeg deze brief van Jolanda en Herman. Daarin schrijft ze over een gesprek met jullie in de kindernevendienst. Het was in Beekbergen, maar in Lieren zal het wel net zo zijn. De vraag was: ‘Ben je weleens bang?’ Alle kinderen zeiden of knikten van ‘ja’. ’s Nachts in bed. Buiten in het donker. Bang door enge verhalen die verteld worden.
Wat doe je dan, om je veilig te voelen? Ik lees wat jullie gezegd hebben: Aan iets leuks denken, bidden, onder het bed kijken, het licht aan doen, naar papa of mama gaan, liedjes neuriën.
Jullie vertelden ook over dieren die bang zijn en wat ze dan gaan doen: een egel kruipt weg of rolt zich op; een bang babyaapje kruipt tegen z’n moeder aan; een hond doet z’n staart tussen z’n poten; het konijn of de cavia kruipt weg, gaat misschien wel bijten.
Bang zijn!
Bij wie ben je veilig?
Daarover gaat ook het Bijbelverhaal, over de zondvloed, over Noach en de ark. Gaat het daar echt over? Niet bang zijn, je veilig voelen? Ik kan me best voorstellen dat iemand denkt, misschien wel hardop zegt: ‘Ik vind dat een vreselijk verhaal, om bang van te worden.’
Iemand, hij heette Anton Koolhaas, een bekende schrijver in ons land, schreef een verhaal, een toneelstuk, over dit Bijbelverhaal. Hij vertelt daarin over Noach en zijn vrouw, over hun drie zonen Sem, Cham en Jafet en hun vrouwen. Als Noach de hele kring roept om in de ark te gaan, dan wil er een niet mee. Jiska, de vrouw van Cham. Ze zegt – en ik geef door wat Anton Koolhaas schrijft – ‘Ik ga niet met jullie mee; ik ga niet als jarig Jetje op die schuit met Gods elite – Zijn kleine kringetje – zitten, terwijl alles en iedereen van wie ik houd verzuipt’. Even later zegt ze tegen Cham, haar man: ‘Jouw God wil blijkbaar tranen, goed, daar mogen jouw vader Noach en de zijnen dan op drijven. Mij niet gezien’.
Bang zijn…
Bij wie ben je veilig?
Helpt dit Bijbelverhaal je echt verder?
Weet je, er zijn meer zondvloedverhalen bekend, die lijken op het Bijbelverhaal. Je vindt ze bij de Eskimo’s, in Afrika, in Australie, en ook – dichter bij Israël – in Babel, de streek waar nu Irak ligt. In die verhalen gaat het over goden die zomaar de mensen weg willen hebben. Of over goden die een spelletje spelen, net zoals sommige gekke mensen het fijn vinden om dieren te pesten.
In het zondvloedverhaal van Babel wordt verteld dat de goden zo’n grote watervloed maakten dat ze er zelf bang van werden. Dat een familie toch overleefde, was te danken aan de god Ea, een bedrieger, die nu eens de mensen, dan weer de goden een poets bakte.
Maar de levende God doet geen gekke dingen. Hij speelt niet een spelletje met de mensen op de manier van kat en muis. Hij wil een aarde waarop je veilig kunt wonen. Hij wil mensen die elkaar niet bang maken, die zelf ook niet bang hoeven te zijn. Het Bijbelverhaal, een stukje eerder dan wat Sanne las, begint dan ook zo: ‘De Here zag dat alle mensen op aarde slecht waren.’ Alles wat ze uitdachten, was steeds even bar en boos. De Here kreeg er spijt van dat Hij de mensen had gemaakt en voelde zich diep gekwetst….
Daarom maakt God een nieuw begin. Het kan niet anders. Niet even wat plakken en oplappen. Het gaat door de diepte van de dood heen.
Moeilijk? Ik denk het wel. Bang zijn is ook moeilijk. Iemand bij wie je echt veilig bent, dat gaat ook niet een-een-drie. Ik kan van het Bijbelverhaal geen verhaaltje maken. Dan zouden de mensen, de groten en de kleinen, dan zou ook de Here God aan mij kunnen zeggen: ‘Dominee Marchal, wat heb je staan te kletsen.‘
Ik kijk nog eens naar brief van Jolanda en Herman en naar wat jullie gezegd hebben. Bang zijn. Wanneer en waarvoor? Bij wie voel je je veilig? Hoe zit dat met de dieren? Helpt dit Bijbelverhaal je verder?
Ik weet van mensen die dit verhaal gelezen en gehoord hebben en daardoor moed, rust, vrede ontvingen. De oudste christenen in Rome kwamen samen, niet in een kerk zoals deze, maar in onderaardse grotten. In het geheim, want dat mocht eigenlijk niet. Als ontdekt werd dat je in deze God geloofde, kon je voor de leeuwen worden gegooid. Die mensen hadden alle reden om bang te zijn. Dit verhaal van Noach lazen ze keer op keer. Het gaf hen eindeloos veel troost en kracht.
Hoe weet ik dat? Nou, die onderaardse grotten kun je nu nog bezoeken, catacomben heten ze. Daar zie je overal in de muren tekeningen, soms alleen maar krassen. Waar slaan die tekeningen op? Heel vaak zie je een soort kist, de ark van Noach, met iemand die op Noach lijkt, en ook een duif. Die eerste christenen zagen en lazen dit verhaal als een Paasverhaal. Door de dood heen naar het leven.
Noach lijkt op de Here Jezus Christus. De ark lijkt op de kerk. De duif heeft te maken met de Heilige Geest. Het water lijkt op het water van de doop. Wie gedoopt is, gaat kopje onder, gaat door het water van de doop, van de dood heen, en mag met Christus opstaan in een nieuw leven. Zo hebben de eeuwen geleden, dit Bijbelverhaal gelezen.
Wij leven bijna 2000 jaar later. Er is heel veel veranderd. Maar mensen zijn mensen gebleven. Of je nu oud of jong, arm of rijk, zwart of blank bent. En dieren zijn dieren gebleven. Wij lijken op elkaar. Holly is bang in de nacht, bij onweer en bij vuurwerk. Ik ben ook heel voor bang als ik dingen hoor, zie en lees. Bij wie ben ik veilig? Alleen bij de Here God. Hij wil niet dat Zijn aarde een slagveld wordt, ook niet dat Zijn mensen elkaar bang maken. Hij heeft een regenboog gegeven, teken in de wolken, teken van Zijn verbond. Hij zal ervoor zorgen dat er een nieuwe hemel, een nieuwe aarde komt. Dat zal een wonder zijn. Nooit meer angst, nooit meer verdriet. Alleen bij Hem, God, ben je veilig! Amen.

===   ===   ===

Genesis 32: 22-32
Gehouden op
*Zondag 26 augustus 2012, 19.00 uur in de Grote Kerk te Apeldoorn
Bijbellezing: O.T. Genesis 32: 22-32; N.T. 2 Corinthiërs 12: 6: 9
*Zondag 14 oktober 2012, 10.00 uur te Zwolle-Berkum
Bijbellezing: O.T. Genesis 32: 22-32; N.T. 2 Corinthiërs 12: 6: 9

God ontmoeten… Onze eerste, misschien ook wel enige, gedachte is: dat is mooi. Beter nog: het mooiste dat er is! Als we ons er verder in verdiepen, dan stellen we ons een soort videoclip voor met wonderbaarlijk, bovenaards licht en daarbij passende hemelse muziek. We zijn van die religieuze dromers, terwijl het leven, ook het geloofsleven, zo ruig, rauw, weerbarstig is. Ook hier geldt: te waar om mooi te zijn.

Ad den Besten, dichter van veel kerkliederen, ontmoette ooit iemand uit de Pinksterkringen, van wie je weleens de indruk krijgt dat ze bij de Here God op schoot zitten. Die Pinksterbroeder vroeg als een soort lakmoesproef, een geloofstest, aan Den Besten: ‘Heeft u ooit een Godservaring gehad?’ Het weerwoord van Den Besten: ‘Ja, mijnheer, ik schrok me rot!’

Jakob is zich ook rot geschrokken. Hij ontmoet God – dat dringt pas later tot hem door, na een gevecht op leven en dood – op een plaats die veel weg heeft van een griezelfilm, op een manier die je niet zo gauw of helemaal niet van God verwacht. Hij presenteert zich als een Nachtfiguur, een Tegenstander, terwijl wij doorgaans graag een liever, aardiger beeld van God hebben: God als Vriend, als Helper in nood, met een arm om je heen, niet met een vuist die je slaat.

Wat voor mens is Jakob? Ik probeer hem scherp in beeld te krijgen en dat beeld een tikkeltje uit te vergroten. Al doende wordt het verschil in afstand – Apeldoorn op de Veluwe en een riviertje in Israël, de Jabbok – en het verschil in tijd – ruwweg 3500 jaar – steeds kleiner.
Het beeld, het portret, van Jakob lijkt verdacht veel op dat van onszelf. Hij heeft succes gehad in zaken en daarom heeft hij ook een groep mensen om zich heen, die hoe dan ook van hem afhankelijk zijn. Maar succes is iets anders dan zegen. Jakob wist van huis uit wat zegen betekent. Die heeft hij niet gratis, uit genade, ontvangen, maar listig gestolen. Hij is als iemand die een medaille gewonnen heeft op de Olympische Spelen, maar wel met doping. Een gestolen zegen – en daarmee is hij met de noorderzon vertrokken.
Maar het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Hij is op weg naar huis en nu komt hij zichzelf tegen. Niet in een spiegel, maar in de ontmoeting met een vreemde, angstaanjagende macht, in het holst van de nacht.

Jakob moet een grens over. Tussen de ene dag en de andere, tussen het verleden en de toekomst, tussen zijn vlucht en zijn thuiskomst, oog in oog met zijn broer die de zegen toekwam, ligt een kloof.
En dan: ‘Zo bleef Jakob alleen achter. En een man worstelde met hem, totdat de dag aanbrak’. Huiveringwekkende woorden, meer herkenbaar dan ons lief is. Met je schuld, met je angst, met je onzalige, onverwerkte verleden moet je alleen verder.

Je kunt natuurlijk meer doping tot je nemen, op de wijze van: al te goed is gek; niemand is volmaakt; geen softe praatjes, want de wereld is hard. Maar je wordt steeds meer een vreemdeling, een verknipt en verkreukeld mens, met al je bezit, al je succes.

Zo al ergens, dan geldt hier: mensenhulp is ijdel. Tevergeefs. Mensenwoorden helpen niet echt verder. God moet er aan te pas komen. Niet ‘het Opperwezen’, niet ‘de lieve Heer’, of welke hotemetoot dan ook, maar de God van het verbond, de God van Abraham, Isaak, die – wonder boven wonder – ook de God van Jakob wil zijn.

Waarom doet Hij zich voor als een Tegenstander en gaat Hij op de vuist? Ik tob ermee om dit te verstaan, maar allengs gaat mij een beetje meer licht op. Dat de Here God zich zo bekend maakt – Luther noemt dat: ‘sub contrario’, onder de schijn van het tegendeel – is geen uitzondering, maar komt meer voor in de Bijbel. Bij Job bijvoorbeeld, die de Here God tart met zijn woorden: ‘Mijn Tegenstander scherpt zijn ogen tegen mij; (…) Ik leefde in vrede, maar Hij schrikte mij op; Hij greep mij bij de nek en wierp mij ter aarde, stelde Zich mij ten doelwit’ (16: 9, 12). En Jeremia, die zegt: ‘Gij zijt mij waarlijk als een uitdrogende beek, water waarop geen staat valt te maken’ (15: 18).
Er is nog een voorbeeld waarbij je denkt: ‘Dit kun je toch niet maken? Dit gaat over de grens en wordt Godslastering.’ Ik bedoel een regel uit de Klaagliederen: ‘Hij heeft mijn weg versperd met steenblokken, mijn paden onbegaanbaar gemaakt; Hij is mij een loerende beer, een leeuw in verborgen schuilhoeken’ (3: 9-10).

Dat is in geen orthodox, ook in geen vrijzinnig boekje te vinden, maar de Bijbel trekt zich niets aan van onze aanduidingen links, rechts; zwaar, licht; orthodox, vrijzinnig.

Waarom komt de Here God ons zo tegemoet? Ik denk dat we vaak zo ingewikkeld en verfomfaaid in elkaar zitten dat ook de Here God zich anders – sub contrario! – wil voordoen om ons werkelijk te bereiken, om ons op de knieën te krijgen. Het is zoeken en tasten, maar dichterbij kan ik niet komen.

Terug naar dit Bijbelverhaal. Ik zie dat voor me en ik hoor de geluiden. De stilte van de nacht onderbroken door rauwe, onderdrukte kreten, door gesteun en gekreun. En dan die wonderlijke regel, die ook zo moeilijk past in ons gangbare beeld van God: ‘… een man worstelde met hem (…). Toen deze zag dat hij Jakob niet overmocht…’ Met andere woorden: God als Verliezer.
Hij is toch altijd en overal Overwinnaar? Ja, wat heet overwinnen? Een vraag, die ons voorzichtig maakt, ontleend aan het hart van het Evangelie: is het kruis verlies of winst? Daar is God, die in de gestalte van Christus onder ons is, schijnbaar de verliezer. Daar is Paulus, ook zo’n man die door een donkere tunnel heen ging, God ontmoette op de weg naar Damascus en met blindheid werd geslagen – maar Paulus noemt dat kruis de kracht van God en de wijsheid van God.

God laat zich verslaan om Jakob te laten opstaan, Jakob wordt geslagen op zijn heupgewricht. Hij is lijfelijk getekend door deze ontmoeting, deze worsteling. Hij wordt er een ander mens van. Vandaar die naamsverandering. Hem wordt gevraagd: ‘Hoe is je naam?’ Het antwoord: ‘Jakob.’ Dat is: hielenlichter, mannetje met doping. En dan dat wonderlijke vervolg: ‘Uw naam zal niet meer Jakob luiden, maar Israël, want ge hebt gestreden met God en mensen, en ge hebt overmocht!’

Ik kan het niet beter zeggen dan met de woorden uit het Evangelie: ‘Wie zijn leven zal willen behouden, die zal het verliezen, maar wie zijn leven verloren heeft aan Mij en aan het Evangelie, die zal het opnieuw, voor altijd, ontvangen’.

Jakob krijgt alsnog de zegen. Dan breekt gaandeweg de zon door. De nacht wordt verdreven door de dag: ‘de zon ging over hem op, toen hij door Pniël getrokken was’.
Ik vind dat zo indrukwekkend. Wat er precies gebeurt, gaat mijn macht, mijn besef te boven, maar ik ga, dank zij Hem, de dag tegemoet. Jakob is getekend, gelittekend door Gods genade. Hij hinkt, maar zo heeft hij de moed om zijn broer te ontmoeten. Zo komt hij klaar met zijn verleden en kan hij verder, de toekomst tegemoet.
Willem Maarten Dekker, een collega uit Mastenbroek, aan wie ik een en ander heb ontleend in deze overdenking, schrijft in dit verband: ‘Jakob voelt zich ondanks zijn manke been sterker dan ooit. Jakob loopt voortaan mank, maar toch is zijn tred trefzekerder dan ooit.’

Ten slotte, lieve lezer: ging het alleen over Jakob, zo ver weg, zo lang geleden? Of gaat het ook over onszelf? God komt ons tegemoet op allerlei wijzen. Een stem, die ons aanspreekt. Een storm, die door ons leven raast en alles op z’n kop zet. Een vriend die ons de hand reikt. Een Vijand, een Tegenstander die een gevecht met ons aangaat. Een spoor van licht. Een nacht vol duisternis. God is zo groot dat Hij niet te vangen is in het luciferdoosje van onze ideeën. En een mens is zo geheimzinnig en uniek, dat je er nooit een mal, een vast patroon van kunt maken. Geef elkaar, geef God de ruimte. Hij komt je tegemoet, in welke gestalte dan ook. Misschien wel ‘sub contrario’, onder de schijn van het tegendeel. Maar Zijn laatste bedoeling is steeds, wat de apostel Paulus op een kruispunt van zijn leven hoorde: Mijn genade is u genoeg! Amen

===   ===   ===

Genesis 46: 1 – 4; 47: 7 – 12
Gehouden op:
*Zondag 23 november, 2008; 10.00 uur te Beekbergen.
Bijbellezing: Genesis 46: 1 – 4; 47: 7 – 12; Hebreeën 11: 8 – 10.

Zondag 23 november 2008. Iedere zondag is bijzonder: de dag van de opstanding. Opstaan als een voorproef, een oefening met het oog op de opstanding op de grote dag van Christus’ komst in heerlijkheid, die de jongste dag wordt genoemd. Een dag, waarop geen nacht zal volgen.
Deze zondag is bijzonder in het kwadraat: de laatste zondag van het kerkelijk jaar. Straks krijg ik uit de handen van de ouderling van dienst een boek, dat hier in het koor ligt. Daarin zijn de namen geschreven van gemeenteleden die sinds Advent 2007 zijn heengegaan. Zorgvuldig, met kennis van zaken en liefde voor de Zaak van God, bijgehouden door onze broeder Henk van Gils.
Als ik die namen lees, dan zien we gezichten, gestalten voor ons. Mensen die ons lief, vertrouwd waren. Hun levensweg komt in beeld. Heel duidelijk bij hen, die hun allernaasten waren. Hoogtepunten, dieptepunten. Tijden van vreugde, tijden van zorgen en verdriet. Met de woorden van een dichter, Ida Gerhardt, overleden in 1999:

‘Langzaam zie ik hen gaan / die ik nog bij mij had, / de bocht om van het pad. / Wat goud doorschenen stof / dan wordt het in de hof / nog stiller dan voorheen. / De liefsten. Een voor een’.

Boek. Namen. Levensweg. Wat zullen we – wat zal ik – daarbij, daarvan zeggen? Woorden die hout snijden, die licht ontsteken in het donker. Wie kan zulke woorden bedenken? Ik heb ze niet in voorraad. Ik ben slechts dienaar van het Woord. Naar het woord van de grote Calvijn, wiens 500-ste geboortedag we in 2009 heel nadrukkelijk gedenken: een mensje uit het stof verrezen, maar van Hogerhand geroepen om met horten en stoten mond van God te zijn.
Daarom neem ik eerst een ander boek ter hand, de Bijbel, Woord van God. Ik noem de naam van Jakob en ik volg hem op zijn levensweg. Al doende valt er licht, licht van Godswege, op dat andere boek, met namen van mensen wier levensweg is afgebroken, ten einde liep in de dood. Wij worden geroepen om op te staan. Wat wij het einde noemen, is het einde niet.
De levensweg van Jakob. We hebben die al een aantal weken, zondag aan zondag, gevolgd. Vandaag het laatste stuk. Op weg naar Egypte. Een land ver en vreemd. Voor oren van mensen die met dit Boek vertrouwd zijn niet alleen ver en vreemd, maar ook vijandig. Egypte geldt als Angstland, oord van hartzeer, van heimwee, van duisternis. Daar kun je alleen maar noodgedrongen zijn.
Die laatste levensweg van Jakob wordt getypeerd door tenminste drie dingen: offer, zegen, vreemdelingschaap. Bij die drieslag gaan we in de leer. Leren om te leven. Daarom komen we hier, in dit huis van God, zoals mensen hier al eeuw en lang kwamen. Eredienst! Op audiëntie bij de Drieënige God, de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.
Op weg naar Egypte doet Jakob eerst Berseba aan. Een gedenkwaardige plaats. Zijn voorouders, Abraham en Isaäk, kwamen daar op een kruispunt van hun leven. Zij riepen daar, zo lezen we in Genesis 21 en in Genesis 26, de Naam des Heren aan. Ook op audiëntie bij de Koning, de Hoog-Heilige, de Eeuwig-Trouwe, die Zijn Naam heeft bekend gemaakt: Ik ben bij u. Ik ben met u! Zoals Mijn Naam luidt, zo ben Ik.
De God van wie de Bijbel getuigt, is niet een Naamloze Vennoot, maar heeft een Naam, een Gezicht, een geheim waarin Hij ons, mensen, doet delen. Op audiëntie! Je loopt niet zomaar even binnen. Dat doe je toch ook niet bij de koningin? Soms hoor ik mensen praten, lees ik woorden in de trant van: ‘Even een bakje doen bij Trix.’
Hoe dan ten aanzien van de Here God? Jakob brengt offers, slachtoffers, zo lezen we in Genesis 46: 1. Dat doen wij niet meer op deze wijze. Het offer dat alle voorgaande offers vervult en voortaan voor altijd van kracht is, is gebracht: ‘Zie, het Lam van God, dat de zonde der wereld wegdraagt!’
Onze levensweg is door dit offer getekend, wij worden door dit offer gedragen. Wij geven onszelf uit handen. Wij belijden dat we onszelf niet in het leven kunnen houden. Met de woorden van een dichter, die dichter bij het geheim brengt, Inge Lievaart:

‘Hier zwijgt het hoge denken: / God trad in ons gemis / om volheid ons te schenken, / zijn dorst bracht lafenis’.

Het mondt uit in:

‘Die vol was van genade / is onze weg gegaan, / het spoor van onze daden / klaagt ons niet langer aan’.

Jakob op weg naar Egypte. Hij heeft allerlei dingen gehoord, zelfs uit de eerste hand, van zijn eigen kinderen. Maar Hij gaat te rade bij de God van zijn vader, Isaäk, de God van zijn grootvader, Abraham. Die God laat zich niet onbetuigd. Een woord uit de Psalmen, Psalm 51, komt tot leven: ‘Een verbroken en verbrijzeld hart veracht Gij niet, o God’.
Jakob wordt bij name geroepen: ‘Jakob, Jakob’. Twee maal, zoals vaker gebeurt als de zaak zo op scherp staat: ‘Abraham, Abraham!’ (Genesis 22, op de berg Moria, met Isaäk, die uit handen wordt gegeven); ‘Mozes, Mozes!’ (Exodus 3, bij de brandende braambos); ‘Samuel, Samuel!’ (geroepen in de nacht, 1 Samuel 3); ‘Martha, Martha’ (Lucas 10); ‘Simon, Simon’ (bijna gezift door de satan (Lucas); ‘Saul, Saul’ (wat vervolgt u Mij? Handelingen 9). Zo ook hier: ‘Jakob, Jakob, (…) vrees niet naar Egypte te gaan’.
In dit vertrouwen lezen we straks de namen uit het boek. We mogen weten dat de Here God hen bij herhaling noemt, totdat Hij het ten slotte zal doen op het allerlaatste appel. Weer met een Psalmwoord, Psalm 146: ‘Welzalig de mens die de God van Jakob tot zijn hulpe heeft, wiens verwachting is op de Here zijn God’. Levensweg. Offer. Een tweede woord dat de levensweg typeert: zegen! Jozef, de zoon, stelt zijn oude vader aan Farao voor: ‘En Jakob zegende Farao’. Wonderlijk gebeuren! Is het niet strijdig met de etiquette aan het hof? Wie de zegen ontvangt, is de mindere van hem die de zegen geeft. Hoe heeft de grote Farao, die geldt als de zoon van de zonnegod, dat ervaren? Het wordt niet verteld. De ontmoeting is maar heel kort. Het einde is opnieuw: ‘Toen zegende Jakob Farao en ging van Farao heen’ (47: 10).
Zegenen, wat is dat? Je brengt de ander in de lichtkring van Gods beloften. Zelf heb je niets in de aanbieding. Je bent als een bedelaar die de andere bedelaar wijst waar het Brood, Levensbrood, te vinden, te ontvangen is: ‘De Here zegene u en Hij behoede u; de Here doe zijn aangezicht over u lichten en zij u genadig; de Here verheffe zijn aangezicht over u en geve u vrede’. Dat is de beste, de hoogste dienst ie je elkaar kunt bewijzen.
De Farao had ogenschijnlijk alles: brood in overvloed, pracht en praal in zijn paleizen. Hij was een absolute heerser, die aan niemand om hem heen verantwoording schuldig was. Na zijn dood werd hij ‘vereeuwigd’ in een praalgraf, een pyramide, waarvan de spits symbolisch de hemel raakte.
Maar wat heb je, per saldo? Wie ben je, op de keper beschouwd? Je hoeft maar een stevige kiespijn te hebben en je hele leven staat op z’n kop. Laat staan dat je iets ergers overkomt. Zonder de zegen van God ben je niemand, nergens meer. Op de wijze van deze bloemenkaart: een klein, kwetsbaar kuikentje in een grote, beschermende hand. Daaronder een tekst uit Johannes 10, over Jezus de Goede Herder: ‘Niemand zal ze uit Mijn hand rukken’.
Levensweg. Zegen. Ik verbind een en ander weer met het boek dat we straks ter hand nemen. Wat telt nu werkelijk, wezenlijk? Succes is iets anders dan zegen. Ik gun ieder mens van harte succes. In de studie. In zaken. In bezit, zij het ook in bescheiden mate. Wie bezit heeft, raakt doorgaans niet verzadigd, maar is zomaar bezeten. Dan gaan er machten in je leven spelen, die je zelf niet meer in de hand hebt.
Je kunt niets meenemen. Dat is een waarheid die alom wordt beaamd, maar die zelden wordt gepraktiseerd. Wat werkelijk telt, wat zelfs van eeuwig gewicht is, is de vraag: staat en gaat, valt jouw leven in de lichtkring van Gods beloften, die ook jou gelden? Dan ben je een gezegend mens. Niets, niemand kan je scheiden van de liefde van God, verankerd in Jezus Christus, de Heiland der wereld, de Heer van het heelal.
Staan en gaan, zelfs vallen onder Zijn beloften. Dan wordt dood gaan: ontslapen in de Heer. Weer met de woorden van een dichter, Geert Boogaard, overleden in 1990:

‘Wanneer ik straks lig uitgeteld, / tel ik bij God nog volop mee. / Ik blijf geborgen in Zijn vree, / ook als de dood mij heeft geveld. // Kreeg doodgaan niet een nieuwe naam? / Het werd: ontslapen in de Heer. / Dat lees en spel ik telkens weer. / Het wil niet meer bij mij vandaan’.

Levensweg. Offer. Zegen. Een derde en laatste woord: vreemdelingschap. Tijdens die korte audiëntie, ingekaderd door de zegen, vraagt de Farao aan Jakob: ‘Hoe oud bent u eigenlijk?’ Een fatsoenlijke vraag? De Farao mag alles vragen. Niemand, die hem ooit corrigeert. Jakob antwoordt dat hij 130 jaar rondgezworven heeft op deze aarde. Relatief kort: Abraham werd 175 jaar, Isaak zelfs 180.
‘Mijn leven is ellendig geweest.’ Was Jakob depressief op zijn oude dag? Ellendig betekent letterlijk: uit-land-ig. In de vertaling van 1951: ‘Het getal van de jaren van mijn vreemdelingschap is 130’. Vreemdelingschap! Verlangde Jakob naar de hemel ten koste van de aarde? Hemel is een bijwoord bij het hoofdwoord God. Hij belooft een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Zijn voornemen is nog niet voleindigd. Tot dan zijn allen die Hem op Zijn Woord geloven vreemdelingen en bijwoners op deze aarde. Niet omdat we de aarde afschrijven, maar omdat we weten van Gods beloften. Hier en zo kunnen we ons niet echt thuis voelen. Geweld is niet gewoon. Onrecht kan, mag niet duren. Bitterheid en haat kunnen niet het laatste woord hebben. Tranen kunnen niet zomaar wegvloeien zonder dat iemand er werkelijk iets mee doet. Wie kan er aarden hier beneden als er geen open hemel is? Dat zou echt capituleren zijn voor de dood.
Met de woorden uit de Hebreeënbrief: ‘Door het geloof heeft Abraham vertoefd in het land der belofte, als in een vreemd land, waar hij in tenten woonde met Izaäk en Jakob, die medeërfgenamen waren van dezelfde belofte; want hij verwachtte de stad met fundamenten, waarvan God de ontwerper en bouwmeester is’ (11: 9 – 10).
Levensweg. Offer. Zegen. Vreemdelingschap. Aan de hand van dit Boek, Woord van God, nemen wij straks dat boek ter hand. Ons einde is het einde niet. Wij vertrouwen God op Zijn Woord. Levenslang, en …nog verder! Amen.

===   ===   ===

Genesis 48: 14
Gehouden op:
*Oudejaarsavond, 31 december 2002; 19.30 uur te Beekbergen.
Bijbellezing: Genesis 48: 1 – 14.
|
Twee kernwoorden om dichter bij dit oude, indrukwekkende, ontroerende verhaal te komen. Ook om dichter bij deze bijzondere dag, deze aparte avond te komen.
Het eerste is grens, het tweede is zegen.
In de Bijbel wordt een zegen – daarover straks meer – altijd uitgesproken op een grens: tussen oud en nieuw, tussen verleden en toekomst. Zegen is dus een wachtwoord. Als je weet wat het betekent, kun je verder.
Nog een taalkundige opmerking die ik ergens vond en die voor mij een verrassing, een eye-opener, is. Ons woord zegenen is afgeleid van het Latijnse ‘signare’, dat is: een kruis tekenen, op de wijze van een priester met het oog op de gelovigen, op de wijze van mensen die elkaar, vooral hun kinderen, en zichzelf tekenen met het kruis, in de Naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Wat een verrassingen: grens, zegen, wachtwoord, tekenen met het kruis.
Nu eerst naar het verhaal van Jakob. Al luisterend krijgt alles een plekje, in de hoop dat het zich nestelt in ons leven en vrucht draagt.
Ik zie dat voor mij: Jakob, hoogbejaard, vrijwel blind. Hij is aan de grens van zijn leven. Hij roept zijn zonen, inclusief de kleinzonen Manasse en Efraïm, rondom zijn sterfbed. Hij heeft een en ander te zeggen en ook te geven.
Het verhaal is ook een spiegel, waarin we onszelf zien. De vraag dringt zich op: wat zouden wij op zo’n grens zeggen? Wat zouden wij aan de naaste kring, aan de komende generatie meegeven?
Ik ben er niet gerust op. Ik ben – eerlijk is eerlijk – uitermate somber gestemd. Deze dagen las ik een stukje van Jacob Noordmans – een familielid van dr. Oepke Noordmans, die ik vaker noem – in de Leeuwarder Courant. Indertijd was Jacob hoofdredacteur van die krant. Toen ik in Friesland kwam, in 1970, sloeg de vonk van zijn commentaar, van zijn hoofdartikelen, direct over. Sindsdien heb ik al zijn pennenvruchten bewaard en verzameld, zelfs uitgewerkt voor een mogelijk boek als eerbetoon.
Sinds zijn terugtreden in 1989 schrijft Jakob Noordmans wekelijks in de zaterdagbijlage van ‘zijn’ oude krant, de bijdrage ‘Gast op Zondag’. Onlangs schreef hij over wat wij onze kinderen meegeven. Een citaat:

‘Ze raken overvoerd en overvoed, krijgen het te druk met alles, of worden zelf te druk, zodat ze met pillen moeten worden getemd. Ze eten en drinken te veel, bewegen te weinig en worden zo te dik. Tegelijkertijd worden ze maar al te vaak geestelijk en moreel ondervoed de wereld in gestuurd: te veel zakgeld, te weinig bagage’. Noordmans vervolgt dan: ‘De huidige, opgroeiende jeugd wordt wel de ‘achterbankgeneratie’ genoemd. Ze wordt op de achterbank van de auto meegevoerd of ontvoerd naar de vakantie – en recreatiebestemmingen van hun vaak afgebrande, dubbelop verdienende ouders. Veel kinderen verspelen hun jeugd zonder ooit aan echt spelen te zijn toegekomen. Kinderen worden bovendien dikwijls het kind van de rekening bij echtscheidingen’.

Tot zover deze Jacob Noordmans.
Wat zegt die andere Jacob en wat geeft hij? Hij laat zijn leven de revue passeren. Een mijlpaal voor hem, doorwerkend naar de volgende generatie, was voor hem Bethel voorheen Luz genoemd. De ladder, teken van het contact, het verbond tussen God en hem, zwerver, asylzoeker. Dat vertelt Jakob. Hij moet al zijn krachten verzamelen, maar wat waar is, wat waarde heeft moet worden gezegd: ‘God, de Almachtige, is mij verschenen te in het land Kanaän en heeft mij gezegend…’.
Wat zouden wij zeggen als we op deze grens, niet van het leven, maar van de jaren, de balans opmaken? Is God ook ons verschenen, op een wijze, vergelijkbaar met de Godservaring van Jakob, die daar en toen – lees maar na in Genesis 28! – zei: ‘Waarlijk, de Here is aan deze plaats en ik heb het niet geweten. En hij vreesde en zei: Hoe ontzagwekkend is deze plaats. Dit is niet anders dan een huis Gods, dit is de poort des hemels?’
Ik vraag maar verder: Als dat niet zo is, zo’n ontmoeting met, ervaring van God, mag je dan veronderstellen dat zoiets niet meer voorkomt? Of gebeurt het wel, maar hebben wij er geen antenne meer voor?
Dat is huiswerk, niet alleen voor mensen binnen, maar ook voor zovelen buiten de kerk. Als het niet meer voorkomt, nou ja, dan is het probleem snel opgelost. Zoeken is dan onbegonnen werk, tevergeefse moeite.
Maar zo gemakkelijk komen we er niet van af. In evangelische gemeenten kan men zomaar vertellen: ‘Luister, wat God gedaan heeft aan mijn ziel, in mijn bestaan!’
Ach, zeggen wij dan, ons wijze hoofd schuddend: overdreven! Dat kan zeker het geval zijn, maar toch…. Ik wil niemand iets aanpraten, maar het zou kunnen zijn dat we zo ingekapseld, misschien wel ingemetseld zijn in onze platte, hebberige cultuur dat we vrijwel onbereikbaar zijn voor signalen van de andere zijde. Wat gebeurt er, om een voorbeeld te noemen, in een kerkdienst? Als die overbekende woorden ‘Genade voor u en vrede’ worden uitgesproken? Als er een Psalm wordt gezongen? Als het Brood wordt gebroken?
We zijn net verwende kinderen. De prikkels moeten steeds sterker worden, willen we nog ergens van opkijken. Wat een ontzettende verarming! Geen wonder dat we, bij gebrek aan beter, ons uitleven in sterke verhalen, in succesverhalen… Jakob vertelt aan zijn jongens over Bethel: Dat is de moeite waard, jongens! ’t Is echt geen succesverhaal. Ook de ervaring van verlies wordt openhartig verwoord en gedeeld. De vroegtijdige dood van Rachel is voor Jakob een bron van pijn, van hartzeer geweest, zijn leven lang. Hij zegt niet: de tijd heelt alle wonden. Hij komt ook niet met een zevenklapper als ‘De zon kan niet altijd schijnen!’
Die oude man praat over de dood van zijn geliefde, als was het gisteren gebeurd: ‘Wat mij aangaat, toen ik uit Paddan kwam, is Rachel mij door de dood ontvallen in het land Kanaän op de reis; toen wij nog maar een eindweegs van Efrath verwijderd waren, en ik heb haar daar begraven aan de weg naar Efrath, dat is Bethlehem’.
Op de weg van het geloof wordt het verdriet, de pijn niet verdonkeremaand. Daarvoor moet je bij de amusement programma’s en de reclamespots op de televisie zijn. Dan wordt nog beweerd dat de kerk wereldvreemd is. De stem van Rachel geldt als de stem van alle moeders, huilend om haar kinderen … ‘Ze weigert zich te laten troosten’, lezen we in het Evangelie.
Er zal met het leed, de tranen, iets moeten gebeuren, wil er echt sprake zijn van troost. Zou het toevallig zijn dat de Heilige Geest, zo nauw verweven met Jezus, de Gekruisigde, de Opgewekte, de Trooster wordt genoemd? Dat is wel iets anders dan uit je dak gaan voor een nieuw wasmiddel, terwijl een paar minuten eerder verbijsterende beelden in het journaal aan je voorbijtrokken.
Jakob heeft op deze grens niet alleen iets te zéggen aan zijn kinderen, ook iets te geven. Hij legt de handen op het hoofd van die beide kleinzonen, Manasse en Efraïm, en spreekt de zegen uit over Jozef en die beide jongens.
Wat is dat: zegenen? Een hooggeleerde voorganger, professor Evert Louis Smelik – hij was ook een dichter! – schrijft ergens: ‘Zegenen is stellen onder de bestraling van de liefde’.
Met andere woorden: uit de vrieskou brengen onder de hoogtezon van Gods barmhartigheid. Hoe gaat dat in z’n werk? Kun je je kinderen het geloof, het Godsvertrouwen geven? Nee, dat kan niet, maar je kunt wel proberen hen zo dicht mogelijk erbij te brengen. Het zou kunnen zijn dat al die overvloed, alles hebben wat je hart begeert, eerder een blokkade is. De hoogtezon van het digitale paradijs is een andere dan die van Gods barmhartigheid. Een schrijnend voorbeeld zag ik onlangs op een boerderij. Iemand zei: ‘Dominee, kijk eens hoe onze welvaartsmaatschappij er uit ziet’. Hij liet mij de stal zien: honderden broden, in allerlei soorten, onuitgepakt, een dag over de datum en daarom niet meer geschikt voor menselijke consumptie, goed als veevoer. Het is bijna onmogelijk om in zo’n maatschappij oprecht te bidden: ‘Geef ons heden ons dagelijks brood’ en werkelijk zicht te krijgen op Hem die van Zichzelf zei: ‘Ik beb het brood des levens’. Stellen onder de bestraling van de liefde…
Ik ben uitermate somber. Ook vrees ik dat onze cultuur, de dampkring van ons leven en van de samenleving, stervende is, omdat ze aan haar eigen overgewicht ten onder gaat. Trouwens, die zegen hebben wij niet in de hand: het eigenlijke wonder, de vonk die overspringt, dat is het werk van de Drieënige God, de Vader, de Zoon en Heilige Geest. Ook dat wordt schokkend duidelijk in dit verhaal. Jozef helpt al vast een handje: Manasse bij de rechterhand van Jakob, Efraïm, de jongste, bij grootvaders linkerhand. De oudste heeft de eerste en de meeste rechten. Maar Jakob kruist zijn handen, zodat de jongste, Efraïm, voorrang krijgt. In de Statenvertaling lezen we: ‘Hij maakte zijn handen wijs!’
Het was dus geen vergissing. Jakobs handen voeren Gods welbehagen uit: ‘De eersten zijn de laatsten, / wie nakomt gaat voorop; / zo staat het voorgeschreven, / zo is het steeds voorzegd, / wie achter is gebleven / krijgt eerstgeboorterecht’.
Jozef protesteert, maar zijn blinde vader zegt: ‘Ik weet het, mijn zoon, ik weet het…’.
Ik zei u al: dit verhaal is als een spiegel, waarin wij onszelf zien. Op de grens van 2002 en 2003 maken we de balans op. Was er een plaats van ontmoeting met God of is ons leven zo plat als een dubbeltje? Hoe gaan we met ons verdriet om? Krijgt dat een volwaardige plaats of wordt het weggestopt in onze maatschappij waarin alles leuk moet zijn? Daarmee verbonden de vraag: wat geven we onze  kinderen mee? Heeft het iets van een zegen?
Ik kom nog eens terug op die woordafleiding: zegenen komt van ‘signare’, tekenen, tekenen met het kruis. Zo is onze God ons nabij. Niet uit de verte of uit de hoogte, maar als Degene die ons opzoekt op de plaats waar we zijn, de pijn, de moeite, de last van het leed en van de schuld, deelt en het zo van ons afneemt. Ik las ooit het verhaal van rooms-katholieke ouders, die ’s avonds hun kinderen welterusten zeiden. Het laatste wat ze deden was een kruisteken op het voorhoofd: gezegend, getekend door God! In vertrouwen op deze God gaan we de grens over. Ik zou niet weten hoe je verder zou kunnen als je niet wist dat deze God met je meegaat. Een oude Latijnse spreuk vat alles samen in een viertal woorden:

‘Tempora pessima sunt! Vigilamus!’

Dat is: ‘De tijden zijn buitengewoon slecht, laten we waakzaam zijn!’ Amen.