Marchal


2008 Advent 1

2003-02-23  Verloren, gevonden
Advent: Hij komt – maar wie is Hij? 

Een klemmende vraag en een kort antwoord
Johannes de Doper stelt een vraag die voor hem van levensbelang is. Het antwoord van Jezus is op het eerste gehoor strijdig met onze pastorale handboeken. Die leggen de nadruk op empathie, inlevend vermogen. Waarom is de reactie van Jezus, Pastor bij uitstek, zo kort door de bocht? Gert Marchal leest Matteüs 11:2-6
Jules de Corte – blindeman, liedjeszanger, gelovige met vallen en opstaan – schreef indertijd een brief aan prof. H. Jonker (1917-1990), hoogleraar Praktische Theologie in Utrecht. Ik citeer enkele regels: ‘De God over wie u spreekt, preekt en schrijft, professor, waar kom je Hem tegen in het gewone leven? Vooral als het echt spannend wordt: harde onderhandelingen tussen winnaars en verliezers, mensen in de modder en aan de marge, kinderen in de knel en in de vernieling … Die God van u, professor, woont in een mooi huis, de kerk. Daarbuiten is Hij, naar mijn besef, nergens aanwezig’. 
Jonker doceerde onder meer Pastoraat. Hij was alles behalve een mooi-weer-prater. Hij wist van heel nabij van de schaduwzijden, de diepe tunnels van het leven. Het onvoorstelbare leed in de wereld hield hem duurzaam bezig. Het resulteerde onder meer in zijn minutieuze studie van de Eerste Wereldoorlog, met name de hel van Verdun: Sporen van een slag – Een pelgrimage naar Verdun 1916 (verschenen in 1981). 
 Ik verbind deze correspondentie met een episode uit het Evangelie. Johannes laat een vraag overbrengen naar Jezus. Zelf is hij daartoe niet in staat. Hij verblijft in de gevangenis. Vanwege zijn dienstwerk, zijn prediking. Die vraag is uit de nood geboren. Niet zozeer de nood van zijn eigen situatie. Hij wist dat het levensgevaarlijk is om, hoe en waar dan ook, mond van God te zijn. Johannes heeft alle kaarten van zijn leven gezet op het oordeel dat staat te komen, met het oog op Hem die komt: de bijl aan de wortel van de boom, de wan die al het kaf uitzift. Door de komst van die Ene komen er werkelijk andere tijden. Maar de prangende vraag verteert hem: is dat wel zo? Is deze Jezus de vanouds beloofde, de Messias die komen zou? Hij kan het nauwelijks geloven. Er gebeurt ogenschijnlijk niets. 
Aanstootgevend?
Johannes moet het doen met de dingen die hij al wist, maar waarop hij stukloopt: ‘Zeg tegen Johannes wat jullie horen en zien: blinden kunnen weer zien en verlamden weer lopen, mensen met huidvraat worden gereinigd en doven kunnen weer horen, doden worden opgewekt en aan armen wordt het goede nieuws bekendgemaakt’ (4-5). 
Cruciaal is de vraag: waar ligt de climax in deze opsomming die Jezus geeft? Voor de hand ligt de veronderstelling: doden worden opgewekt! Dat is echt spectaculair, het sprekende bewijs dat de tijden kantelen. Maar deze vlieger op de wijze van een Telegraaf-mentaliteit gaat niet op. De climax ligt in het slot: armen ontvangen het Evangelie! Arm zijn zij, die geen raad weten met hun verfomfaaide bestaan, die geen kant op kunnen, tenzij God aan hun kant staat. Daartoe is Christus gekomen. De Hoog-Heilige, de Eeuwig-Trouwe is niet iemand die minzaam wuift vanuit de verte, als een vorst in een gouden koets. Niet iemand, die idealen laat zweven om ons aan op te trekken en dan toch weer naar beneden te duikelen. In een onbegrijpelijke solidariteit deelt Hij ons bestaan. Zo draagt en bewaart Hij ons. 
Het aanstootgevende bij uitstek is een kruis: de Rechter gaat zelf in de beklaagdenbank zitten. De Leeuw uit Juda’s stam komt vooralsnog als Lam, dat de zonde der wereld draagt. Die ergernis raken we nooit kwijt, maar wie er enigszins vertrouwd mee raakt, ontwaart daarin de kracht, de wijsheid van God (1 Kor. 1:22-25). Reden tot eindeloze vreugde! Zo maakt de drie-enige God zijn heil bekend. De eerste komst van Christus gedenken wij. Zijn uiteindelijke komst verwachten wij: Advent!
Confessioneel,  Advent 2007

5.696 Responses to 2008 Advent 1