Marchal


2. Exodus

Exodus 2: 24-25
Gehouden op:
*Zondag 2 maart 2003, 10.00 uur te Beekbergen.
Bijbellezing: Exodus 2: 11 – 25; Hebreeën 11: 24 – 27

Mensen zijn op zoek naar hun wortels. Dat zit ons in het bloed, dieper nog: in onze genen, die miljoenen mini-bouwsteentjes van ons leven. Deze zoektocht blijkt op allerlei wijzen en heeft vaak een ontroerend, soms ook een dramatisch karakter.
Een paar voorbeelden. In de roes van de bevrijding is een kind verwekt bij een Nederlandse moeder door een Canadese vader, die nadien spoorloos is verdwenen. Nog een voorbeeld dat steeds actueler, wellicht ook schrijnender zal worden. Door moderne medische technieken is een mensenkind ontstaan van wie de vader onbekend is.
Na verloop van tijd komen de vragen, onrustbarend, begint de zoektocht. Waarom? Als ik een poging mag wagen: we willen weten waar we vandaan komen om beter te verstaan wie we zijn en waar we heengaan.
Onrustig is ons hart totdat het rust vindt in… Wat is het slotwoord? De kerkvader Augustinus, jarenlang zwervend en zwalkend van hot naar haar, heeft het op deze wijze ingevuld: ‘onrustig is ons hart totdat het rust vindt in U, o God!’
Dat geeft te denken. Ook en vooral met het oog, het oor op dit verhaal van Mozes, dat in wezen het verhaal van God is. Laten we al luisterend op zoek gaan, ook naar onze eigen wortels, zelfs als die bekend zijn.
‘In die tijd, toen Mozes groot geworden was, ging hij uit tot zijn broeders en lette op hun dwangarbeid…’. Groot geworden, dat wil zeggen: volwassen. In Handelingen 7 spreekt Stefanus, martelaar om Christus’ wil, een verdediging ten overstaan van de Hoge Raad. Daarin vertelt hij ook, in grote lijnen, het levensverhaal van Mozes. Hij zou in deze tijd, in Exodus 2 genoemd, veertig jaar zijn en later weer veertig jaar als balling in het land Midian zijn geweest. Veertig, dat is niet zomaar een getal. Het is een tijdvak dat uitmondt in een nieuw begin, omdat God een nieuwe bladzijde omslaat. Stefanus verhaalt ook: ‘En Mozes werd onderwezen in alle wijsheid der Egyptenaren en was machtig in zijn woorden en werken’ (7: 22).
‘Hij ging uit…’. Niet zomaar een wandelingetje. Er staat een woord dat een hele bewuste keus aanduidt. ‘Hij lette op…’.  Weer een vlakke vertaling. Er staat: hij nam intensief in zich op…..
Hij is weer onder zijn broeders. Z’n voeding – Hebreeuwse moedermelk! – is sterker dan zijn opvoeding. Dwangarbeid, zoals in Exodus beschreven is: ‘Toen lieten de Egyptenaren de Israëlieten onder mishandeling werken; ja, zij maakten hun het leven bitter’ (1: 13 – 14).
Een Egyptenaar tuigt een Hebreeër af, terwijl Mozes, de mooie prins, het ziet. Het bloed kruipt waar het niet gaan kan, misschien wel juist waar het thuis hoort. Mozes kijkt naar alle kanten. Niet als een sluipmoordenaar, maar met de moed van de hoop: is er niemand die het opneemt voor de zwakke? Het doet denken aan een tekst uit Jesaja 59, ook in een benarde situatie: ‘Maar de Here zag het en het was kwaad in Zijn ogen, dat er geen recht was. Hij zag dat er niemand was, en Hij ontzette zich omdat niemand tussenbeide trad. Toen bracht Zijn arm Hem hulp en Zijn gerechtigheid ondersteunde Hem’ (vers 16).
Die tekst houden we in gedachten, want het verhaal van Mozes is het verhaal van deze God. Mozes treedt tussenbeide en pakt de Egyptenaar aan. Hij slaat, niet om te doden, maar het is ongewild wel doodslag. Mozes verbergt het lijk: zand erover.
Onderdrukking, dwingelandij, terrorisme…. Het lijkt een grote stap, maar ik blijf in de ruimte van deze heilige teksten. Irak moordt de Koerden uit. Met chemische wapens, met napalm…. Wie is gemachtigd tussenbeide te komen? Wie zal verlossing brengen? Amerika? Is van die kant heil te verwachten? Wordt zo het slavenhuis ontgrendeld, met uitzicht op het beloofde land? Wie is tot rechter aangesteld? 
Die vraag klinkt op, korte tijd daarna. Mozes ziet twee Hebreeuwse mannen vechten. Hij vraagt aan de schuldige, roept hem ter verantwoording: ‘Waarom slaat gij uw naaste?’ En het antwoord: ‘Zeg, hofmaarschalk, ‘wie heeft u tot overste en rechter over ons aangesteld?’ En dan nog een vraag, die Mozes in het nauw brengt: ‘Denkt gij soms mij te doden, zoals gij de Egyptenaar gedood hebt?’ Met andere woorden: hoeveel kilo’s boter heeft u op uw hoofd? En weer de overstap, zonder uit het verhaal te stappen: bestaat de wereld alleen maar tussen blanke duiven en zwarte kraaien? Ook broeders, volksgenoten, doen elkaar de vreselijkste dingen aan. Wie is gemachtigd tussenbeide te komen? Wie zal verlossing brengen?
Wie heeft Mozes daartoe geroepen? Als hij op eigen houtje handelt, dan wordt het alleen maar meer van hetzelfde, dan wordt het kwaad alleen maar groter. Nog een vraag: Is een mandaat van de Verenigde Naties voldoende? Ik schrik van m’n eigen vragen, maar ze worden biddend en werkend afgelezen uit dit Bijbelverhaal, gelezen naast de krant.
Alleen het mandaat van de God van Abraham, Isaäk en Jakob, de Vader van Jezus Christus, alleen Zijn mandaat geldt en telt. Voordat Mozes van Godswege geroepen wordt, gaan er nog eens veertig jaar voorbij, en wat voor jaren…. Jaren van vreemdelingschap om gerijpt te worden tot overste en rechter van Godswege. Hij verliest alles en alleen zo wordt hij bekwaam gemaakt. Het is een illustratie van het woord van Hem, overste en leidsman van het geloof, Jezus de Christus: ‘Ieder die zijn leven zal willen behouden, die zal het verliezen; maar ieder, die zijn leven verliezen zal om Mijnentwil en om des Evangelies wil, die zal het behouden’ (Marcus 8: 35).
Zo gaat het verhaal verder: ‘Toen Farao van deze zaak hoorde….’. Hoezo gehoord? Misschien was Mozes wel aangegeven door die twee Hebreeuwse mannen. Volgens een rabbijnse uitleg waren het Dathan en Abiram die later – het wordt verteld in Numeri 16 – een opstand ontketenden tegen Mozes. Hoe dit ook zij: ‘Toen Farao van deze zaak hoorde, trachtte hij Mozes te doden, maar Mozes vluchtte voor Farao en zocht verblijf in het land Midian’ (15).
Een asielzoeker, voor de begrippen van die dagen: eindeloos ver weg, diep ten zuiden van Kanaän. Het is – volgens de verdediging van Stefanus – opnieuw een periode van veertig jaar. Bij een bron, plaats van ontmoeting, neemt Mozes het weer op voor mensen, meisjes aan de marge, bruut behandeld door herdersvolk. Elke dag is het raak, totdat ze een keer vroeg thuis zijn. Dan gaat het verhaal ineens heel snel. Het lijkt wel alsof het met grote stappen naar de ontknoping wil gaan. Mozes wordt uitgenodigd ten huize van Rehuël, vader van zeven dochters, priester van Midian.
Wonderlijke naam: Rehuël, dat is: vriend van God. De vader geeft zijn dochter Zippora aan Mozes tot vrouw. ‘Zij baarde een zoon en hij noemde hem Gersom, want, zei hij: ik ben een vreemdeling geworden in een vreemd land’ (22).
Een vreemdeling! De naam van die zoon is een belijdenis. Niet thuis in dit vreemde land, met z’n vreemde goden. Wat heeft de moeder daarvan gezegd? En opa Rehuël? Het wordt niet verteld. We moeten ernaar raden. Psychologisch gezien zal het de nodige spanningen hebben opgeroepen. Is dit land niet goed genoeg voor jou, Mozes? Zijn wij dan geen thuisfront voor jou? Van waar die onrust?
‘Onrustig is ons hart totdat het rust vindt in U, o God!’ Daar gaat het verhaal heen. Het slot reikt de sleutel, de ontknoping aan. ‘In die lange tijd stierf de koning van Egypte; en de Israëlieten zuchtten nog steeds onder de slavernij en schreeuwden het uit, zodat hun hulpgeroep om hoog steeg tot God’. Omhoog stijgen, net als het bloed van Abel dat van de aarde riep. Een langgerekt ‘kyrie eleis!’
Die roep wordt gehoord: ‘En God hoorde hun klacht en God gedacht aan zijn verbond met Abraham, Isaäk en Jakob. Zo zag God de Israeliëten aan en God had bemoeienis met hen’ (23 -25).
Waarom hier ‘Israëlieten’ in plaats van ‘Hebreeën’? Ik weet het niet, althans niet zeker. Heeft het te maken met ‘strijder met God’, worstelen totdat de zon van Zijn verlossing opgaat?
Aanzien en bemoeienis hebben. Het is de taal van de liefde, het uur van de minne. Voor ‘bemoeienis hebben’ staat het woord ‘kennen’ dat ook de meest intieme omgang aanduidt, in de Statenvertaling weergegeven door ‘bekennen’.
Nog eens die tekst uit Jesaja: ‘Hij, God, zag dat er niemand was die tussenbeide trad en Hij ontzette zich…’. Na deze twee keer veertig jaar, van hofmaarschalk tot asielzoeker, werd Mozes geroepen van Godswege. Mozes de knecht, de man Gods, de middelaar.
‘Hij heeft de smaadheid van Christus, groter rijkdom geacht dan de schatten van Egypte’, zegt de Hebreeënbrief. Want, zo lezen we verder in Hebreeën 11, ‘hij hield de blik gericht op de vergelding’. Vergelding, dat wil zeggen: Alleen God zal recht doen, alleen Hij zal verlossen!
Dat is dan ook gebeurd, toen Hij zelf kwam, als een Mens onder de mensen. Weer met de woorden, wiens bloed krachtiger spreekt dan (dat van) Abel (12: 24). Wij zijn op weg naar Zijn Koninkrijk, de nieuwe hemel de nieuwe aarde, waarop gerechtigheid zal heersen. Onderweg daarheen zullen we de smaadheid van Christus dragen. Dat betekent onder meer: het is beter onrecht te lijden dan onrecht te doen. Wanneer wij de zaak ter hand nemen, wordt het onrecht alleen maar groter. Ik schrik van deze woorden, omdat ze zo radicaal zijn. Ze passen eigenlijk in geen enkel politiek program, noch bij links, noch bij rechts. Het is de weg van de vreemdelingschap, zoals Mozes in Midian. Niet weglopen voor je verantwoordelijkheid. Vooral opkomen voor de zwakken, die niet in tel zijn.
Als christen zul je je niet populair maken. Maar als je op zoek gaat naar je wortels, dan kom je uiteindelijk terecht in het circuit van Gods bemoeienis met ons. Die zoektocht wijst naar het verleden, maar nog meer naar de toekomst: Wie zijn we? En: waar gaan we heen?
Vreemdelingen. Thuis zullen we pas zijn als God is alles in allen. ‘Here God, wij zijn vervreemden, ‘door te luist’ren naar Uw stem, ‘breng ons saam met Uw ontheemden, ‘ in het nieuw Jeruzalem.’ Amen

===   ===   ===

Exodus 2: 23 – 3: 15
Gehouden op
*Zondag 10 oktober 1971 9.30 uur te Abbega.
Bijbellezing: Exodus 2: 23 – 3: 15

Door het ruimteonderzoek zijn allerlei, tot dusver onbekende, gebieden voor de mens ontsloten. De maan bijvoorbeeld heeft een deel van haar geheimen prijsgegeven. Er zijn kraters ontdekt, bergketens, rotsachtige streken en zeeën. Wat hebben we met die onbekende plaatsen gedaan, toen ze ontdekt waren? We hebben ze een naam gegeven. Als iemand nu spreekt over de ‘Zee der Stormen’ dan weten wij dat het niet over het IJsselmeer of de Noordzee gaat, maar over een bepaalde zee in het maangebied.
Een ander voorbeeld. Als twee mensen, die elkaar nooit eerder gezien hebben, elkaar ontmoeten, dan maken ze zich bekend door hun naam te noemen: Jansen, Eysinga enzovoort.
Uit deze twee voorbeelden, het maanoppervlak en het contact tussen mensen, kunnen we een algemene regel opmaken: iets of iemand, tot dusver onbekend, wordt bekend door een naam.
Met deze regel in ons achterhoofd gaan we spoorzoeken in het Oude Testament. Zoals de gewoonte is bij het spoorzoeken, moet je je ogen en oren goed de kost geven, anders ontdek je niets. Dat zou jammer zijn, want je kunt adembenemende ontdekkingen doen. Dat zullen we straks hopelijk zien, maar voordat we bij onze tekst zijn, moeten we eerst een paar andere pijlen volgen.
In de wereld van het Oude Testament geldt ook de regel dat de naam iets of iemand bekend maakt. Maar het gaat een paar lagen dieper dan bij ons. Wij kunnen zeggen, zoals de dichter Shakespeare eens zei: Wat is in een naam? Het is slechts een etiketje dat je iets of iemand opplakt. Als het beestje maar een naampje heeft.
Spoorzoeken in het Oude Testament. Daar wijzen de pijlen een andere richting uit. De naam bungelt er niet bij, maar behoort tot de kern, het belangrijkste. Vandaar dat bij een geboorte zorgvuldig een naam werd gezocht voor een nieuw mensenkind. In de naam werd uitgedrukt wat wezenlijk bij dit kind hoorde, wat van hem verwacht mocht worden.
Geen wonder dat bij ingrijpende gebeurtenissen, waardoor alles er anders uit kwam te zien, de naam soms werd veranderd, omdat deze de kern niet meer raakte. Jakob, hielenlichter, wordt Israël, strijder met God. Benjamin, zoon van het geluk, wordt als zijn moeder Rachel sterft Ben-Onni, zoon van het ongeluk. Naomi, lentebloesem, wordt Mara, bitterheid.
Er is nog een pijl in het Oude Testament, die we niet voorbij moeten lopen. Iemand die namen geeft, heeft ook zeggenschap, heerschappij, over de ontvanger van de naam. Daarom mag Adam (en die naam is ook veelzeggend, want hij betekent aardmannetje, uit de klei getrokken) in het scheppingsverhaal namen geven aan de dieren en de vogels: ‘en zoals de mens elk levend wezen noemen zou, zo zou het heten’.
Goed. Aan het begin vonden we dus de algemene regel: het onbekende wordt bekend door de naam. Toen gingen we spoorzoeken in het Oude Testament, en we deden al twee ontdekkingen: een naam is niet iets bijkomend, hangt er niet wat bij, maar hoort tot de kern, is wezenlijk. De naam drukt uit wie iemand in wezen is, of wat van hem verwacht mag worden. En het tweede was: degene die de naam geeft heeft gezag, zeggenschap over degene die de naam ontvangt.
Nu gaan we luisteren naar het verhaal uit Exodus 3, de roeping van Mozes. Valt er iets te ontdekken? Jazeker. Niet zomaar iets, maar een goudmijn. Het gaat over een heel gewone man en over een buitengewone God. De man is Mozes. Zijn levensloop lijkt wel op een roman. Geboren, verstopt in het riet, opgevoed aan het hof, gevlucht na een gevecht, bij een put toevallig een meisje ontmoet dat zijn vrouw werd, in dienst van zijn schoonvader als herder van de schapen.
Lang geleden voelde hij zich geroepen om iets voor zijn geknechte volk te doen. Nu is hij schaapherder en werkt totdat hij zijn schaapjes op het droge zal hebben. Maar er gebeurt iets wat zijn leven totaal zal veranderen. Als hij zich niet meer geroepen voelt tot grootse dingen, juist dan krijgt hij een roeping te horen, wordt hij geroepen tot een haast bovenmenselijke taak.
Door wie? Door God. Ja, maar met dat woordje God is nog niet veel gezegd, want de mensen leefden en leven in een doolhof van goden. Is er over deze God iets meer te vertellen, wat dit woordje inhoud geeft, zodat het niet verward wordt met andere goden?
Ja, Hij die Mozes roept is de God van Abraham, Isaäc en Jacob, de God van het verbond, de God die in een liefdesverhouding tot de mensen staat. De God die het steunen en kreunen van Zijn creatuur hoort, en het zich aantrekt, zozeer dat van Hem gezegd wordt: ‘In al hun benauwdheid was ook Hij benauwd’. Deze God geeft aan Mozes de opdracht: ‘Ga! Ik zend u tot Farao’. Zeg tot hem: ‘Laat Mijn volk gaan’.
Geslagen en bevreesd antwoordt Mozes: ‘Wie ben ik, dat ik naar Farao zou gaan?’ Hij zal mij in het gunstigste geval uitlachen, maar veel waarschijnlijker is het dat hij mijn stem voorgoed zal smoren. Want zo doen de machthebbers met allen die niet willen buigen. En wat zullen de Israëlieten wel zeggen? Ze zijn al zo vaak teleurgesteld. Welke God heeft jou gezonden. Mozes? Ja, de God van uw voorouders, de God van het verbond, maar dat is hun waarschijnlijk niet genoeg. Ze zullen vast vragen: ‘Hoe is Zijn naam? Wat moet ik hun dan antwoorden?’
Aha, hier stuiten we op een geweldig belangrijk punt. Als God een Naam heeft, dan is Hij niet langer de grote onbekende, maar dan weten we wie Hij is. We hebben immers in gedachten dat de naam de kern, het wezen van iemand uitdrukt en: wie een naam geeft heeft gezag, zeggenschap over iemand.
We beginnen met het laatste. Wie geeft God een naam? Doen de mensen dat? Ja, dat proberen ze wel, omdat ze het niet laten kunnen. Want ze willen God in hun vingers hebben, Hem naar hun pijpen laten dansen. Maar de God van Israël, de Enige, de Eeuwige, geeft Zichzelf een Naam. De mensen mogen Hem aanspreken met een Naam, die zij niet zelf bedacht, maar van God Zelf gehoord hebben.
En nu het tweede. Hoe luidt dan de Naam van deze God? Als we die Naam van a tot z weten en begrijpen, dan weten we van a tot z wie God is. Toen zei God tot Mozes: ’Ik ben, die Ik ben. Aldus zult Gij tot de Israëlieten zeggen: Ik ben heeft Mij tot U gezonden’.
‘Ik ben, die Ik ben’. Dat is het antwoord op de vraag van Mozes: met welke Naam wilt U genoemd worden?
Merkwaardige woorden, moeilijk te doorgronden. De Oude Vertaling heeft met evenveel recht deze woorden weergegeven met: ‘Ik zal zijn, die Ik zijn zal’. In het Hebreeuwse werkwoord lopen de tegenwoordige en toekomende tijd vaak door elkaar heen.
‘Ik ben die Ik ben’. Zo duidt God Zijn Naam aan. Hebben we nu enig houvast? Ligt in deze woorden het wezenlijke van God besloten? Wat betekenen deze woorden dan? Het is veelzeggend dat we deze woorden niet kunnen doorgronden, omdat we het wezen van God niet kunnen vatten. Ware dat wel zo, we zouden stapelgek worden.
Blijft deze Naam: ‘Ik ben die Ik ben’, dan toch nog een mysterie? Ja, voor een deel wel, maar zoveel is duidelijk, dat we genoeg hebben, een leven en een dood lang.
In vers 15 staat het woordje ‘HERE’, met hoofdletters geschreven. Dat is de weergave van de Hebreeuwse Godsnaam Jahweh. Dan volgt in vers 15: ‘Dit is mijn Naam voor eeuwig en zo wil Ik aangeroepen worden van geslacht tot geslacht’. Deze naam Jahweh is afgeleid van de aanduiding: ‘Ik ben die Ik ben’. Een mysterie, jazeker, want wie zou God kunnen doorgronden, maar ook een belofte, die ons leven draagt. Want wat betekenen die woorden: ‘Ik ben, die Ik ben’, waarmee de Naam Jahweh, HERE, samenhangt?
‘Ik ben…’, dat betekent: ‘Ik ben met u!’. Ik ben de aanwezige, Ik laat niet verstek gaan. Het zal blijken dat Ik paraat ben. Ik ben er, niet als een verre vreemde God, maar Ik ben er voor u, Ik besta daarin dat Ik bij u sta en u bijsta. Ik ben die Ik ben – ge zult het wel merken uit Mijn daden, Mijn bevrijding, Mijn aanwezigheid. Op het pad van uw geschiedenis zult ge Mijn voetsporen zien; nu eens duidelijker, dan weer vager, maar ze zijn er. Want Ik ben met u, altijd en overal.
Zo luidt de Naam van onze God, zo is Hij, ten voeten uit. Een Naam, die een belofte inhoudt. Deze belofte wordt nooit tot een bezit, waarover je beschikken kunt. Dat betekent: je hebt God nooit achter de hand als het nodig mocht blijken. Je hebt Hem ook nooit bij de hand. Laat staan in de hand. Alleen de belofte: ‘Ik ben met u’.
Dat is maar weinig, of is het misschien ook alles? Ik dacht het laatste, mits we het wagen durven met deze God, wiens Naam een belofte is. Zo heeft Mozes, met vrees en beven, voor de Farao gestaan. Stelt u zich dat voor. In een land, waarin het barstte van de goden, staat daar een stotterend mens voor de, als een god vereerde, Farao. Zonder garantie, alleen met de belofte: ‘Ik ben, die Ik ben’. Zal dat waarlijk genoeg zijn? Zal het de Egyptenaren overtuigen en Israël bevrijden? Zal deze Naam opgewassen zijn tegen al die goden-namen van Egypte? De Egyptenaren hebben smalend gelachen, totdat God zei: ‘Zij zullen weten dat Ik de HERE ben’. Toen, bij de doortocht van de Schelfzee, hebben zij het geweten, ten dode toe.
‘Ik ben die Ik ben’. Daarmee zal Mozes moeten verschijnen voor zijn gemarteld volk. Zal het genoeg zijn? Zal alleen deze Naam bij machte zijn hun doffe ogen te laten glanzen? Zij hebben het gewaagd, met vallen en opstaan, tussen twijfel en geloof, soms juichend, soms klagend. Onder de belofte van deze Naam trokken zij veertig jaar lang door de woestijn. Geen andere zekerheid of garantie dan: ‘Ik ben bij U! Vrees daarom niet!’
Tot slot nog een paar opmerkingen. Het was misschien een beetje ‘dreech’ vanmorgen. Toch hoop ik dat u iets ontdekt hebt, in mateloze verbazing, wat het betekent dat onze God een Naam heeft, en welke Naam. Nu begrijpen we misschien ook beter waarom de Naam des Heren telkens genoemd wordt. We beginnen de dienst niet voor niets met de woorden: ‘Onze Hulp is in de Naam des Heren’. In het lied wordt deze Naam bezongen: ‘O HERE, onze HERE, hoe heerlijk is Uw Naam op de ganse aarde!’ In het gebed wordt op deze Naam gepleit: ‘Doe het om Uws Naam’s wil’, want Uw Naam houdt immers een belofte in! En wie zal deze belofte willen besmeuren door deze Naam ijdel, voor een leeg doel, te gebruiken? Het bederf van het beste is het slechtste.
Misschien krijgen nu ook de woorden van de Here Jezus meer glans en kleur, wanneer Hij zegt: ‘Vader, Ik heb Uw Naam bekend gemaakt aan de mensen’. In Zijn leven, dood en opstanding heeft Hij lijfelijk bewezen dat de Naam van God is: ‘Ik ben met U, Ik ga met u mee om u een hoopvolle toekomst te geven. Onder de belofte van deze Naam staan ook wij in een wereld met vele goden en machten. Weerloos en zwak, want we hebben niets. Alleen de belofte van een God, wiens Naam betekent: ‘Ik ben met u!’
Dan begrijpen we ook de woorden van Paulus als hij schrijft: ‘als stervende, maar zie wij leven; als bedroefd, maar altijd blijde; als arm, maar velen rijk makend, als niets hebbend en toch alles bezittend’. Want we worden gedragen door Hem, wiens Naam te prijzen is tot in eeuwigheid. Amen.

===   ===   ===

Exodus 3: 2-4
Gehouden op:
*Zondag 9 maart 2003, 10.00 uur te Beekbergen.
Bijbellezing: Exodus 3: 1 – 12; Romeinen 10: 14 – 15

Maandagmiddag 5 uur. Jongste groep van de catechese. Laatste keer dit winterseizoen. Het ging over de kring rondom Jezus, zeg maar: de kerk. In Nederland en in andere westerse landen zijn er zoveel die afhaken. Kerkverlater zogezegd.
Elders op deze wereld, in Azië en in Afrika, zijn er juist stromen van ouderen en jongeren die komen, die aanhaken, een plekje zoeken in de kring.
Waarom die afhakers? En waarom die nieuwkomers?
Een van de jongeren zei: ‘Dominee, het zou echt gemakkelijker zijn, als God eens iets van zichzelf liet zien…’.
Zo’n opmerking raakt mij, omdat ik bij tijd en wijle ook naar zo’n duidelijk teken, zo’n flitsend signaal verlang. En tegelijkertijd denk ik: wordt de zaak van het geloven er dan echt gemakkelijker op? Neem nou Mozes en de manier waarop God iets van Zichzelf laat zien. Het is ook een spiegelverhaal waarin je zoveel van je eigen leven terugziet.
Gewoon gaan lezen… Wat heet gewoon? De Bijbel is zo’n spannend boek. ‘Mozes nu was gewoon de kudde van zijn schoonvader Jethro, de priester van Midian, te hoeden’.
Jethro? Even tevoren wordt die priester-schoonvader toch Rehuël genoemd, dat is: vriend van God? Jethro is waarschijnlijk een ambtsnaam en betekent zoveel als: hoogheid, eerwaarde, met een deftig woord: eminentie.
Mozes als schaapherder. Je leest er zomaar overheen, maar dit is wonderlijk! Mozes geldt en telt in de eerste periode van zijn leven, wellicht veertig jaar lang, als zoon van Farao, is opgevoed aan het hof, ingeleid en ingewijd in alle wijsheid van de Egyptenaren. Wat dacht een doorsnee-Egyptenaar bij het beroep schaapherder? Aan het slot van Genesis 46 lezen we: ‘Al wat schaapherder is, is voor de Egyptenaren een gruwel’ (vers 34).
Mozes als schaapherder… Hoe voelde dat voor hem? Wat heeft-ie gedacht in deze periode van zijn leven, volgens de traditie weer veertig jaar lang? Hij was en bleef een vreemdeling. Z’n volk in nood, tot slavernij vervallen, stond dat nog op z’n netvlies? Of was hij als vreemdeling toch min of meer geassimileerd? Had hij zich aangepast aan de manier van denken en doen in Midian? Was hij misschien ook – zoals dat heet – gehospitaliseerd, zoals een zieke helemaal is thuisgeraakt in zijn ziekte, een gevangene in z’n huis van bewaring, zonder nog iets andere te willen en te kunnen?
Ik zuig al deze vragen niet uit m’n duim. Vroeger stond Mozes te trappelen van ongeduld om iets voor de slachtoffers te doen, maar nu wordt Hij van Hogenhand geroepen en ziet alleen maar beren op z’n weg.
Ja, er gebeurt iets van Hogerhand, zoals wij dat ook zo graag zouden willen meemaken. Worden de zandkorreltjes ineens parels? Gaat de woeste vlakte ineens bloeien als een roos? Dat zou mooi zijn, maar kun je daar ook morgen en overmorgen op teren? Of denk je dan: het was een droom?
Hoe dit ook zij: God, de Levende, gaat anders te werk. Mozes kwam bij de – niet zomaar een berg; je-weet-wel: die van later, van de Tien Geboden – hij kwam bij de berg Gods, Horeb. In de volgende verzen – wie het leest, lette erop! – klinkt telkens een vorm van het werkwoord zien op. Dat is een sleutelwoord. God laat Zich zien, door middel van een bode, hier vertaald met Engel. Dat roept allerlei glorieuze gedachten op, terwijl de Hebreeuwse uitdrukking het toonbeeld van soberheid is. ‘Daar verscheen hem de Engel des Heren als een vuurvlam midden uit een braamstruik. Hij keek toe, en zie, de braamstruik stond in brand, maar werd niet verteerd’.
Indrukwekkende woorden die te denken geven. Vuur, vuurgloed is vaker het teken van Gods nabije aanwezigheid. Waarom vuur? Omdat het ongenaakbaar is, je krijgt het niet in de vingers. Omdat het je op afstand houdt. Omdat het jou te sterk is, verterend kan werken. Omdat het een zuiverend effect…
Ik probeer er dichterbij te komen. Het zal allemaal wel meespelen. En dan die braamstruik, ‘sene’ in het Hebreeuws, dat zo dicht bij ‘sinaï’, Sinaï, ligt. In een woestijnachtig gebied niet veel anders en beters.
Ik denk dat er meer aan de hand is. Wie grondig leest, zich de woorden eigen maakt, hoort wonderlijke muziek. De aarde zal voortaan, nu jij, kleine mens, Adam, als God probeert te zijn, ‘doornen en distelen’ voortbrengen. Een bremstruik doet denken aan het oordeel, aan de breuken en wonden in de schepping. Een bremstruik, doornstruik gold dan ook als de geringste, de laagste van alle boomsoorten. Ik denk aan de fabel van Jotham, verhaald in Richteren 9: ’Eens begaven de bomen zich op weg om een koning over zich te zalven…’ (8). De olijfboom werd als eerste gevraagd, maar bedankte voor de eer. Toen de vijgenboom en daarna de wijnstok, maar ook zij hielden de koninklijke boot af. ‘Toen zeiden al de nomen tot de doornstruik: indien gij mij werkelijk tot koning over u wilt zalven, komt dan en schuilt in mijn schaduw; maar zo niet, dan zal er vuur uitgaan van de doornstruik en de ceders van de Libanon verslinden’ (14v). Zou het toevallig zijn dat Jezus een doornenkroon werd opgedrukt?
Een bremstruik… Dan ben je in geen geval in een voorname atmosfeer. Het geeft te denken dat God, de Levende, zich zo laat zien aan Mozes. Niet tijdens een keurig offerfeest met Jethro en zoveel anderen in de zondagse kleren. Niet middels een droom, een gezicht in de nacht. Op een gewone werkdag, te midden van de dagelijkse beslommeringen, in de strijd om het bestaan, in het harde, rauwe leven, daar en zo laat God zich zien, bovendien gebruik makend van wat niet in tel is. Dat is Zijn manier van doen. Het blijkt ook in de keuze voor Israël, een klein, onooglijk volkje, de keuze voor Maria, een tot dusver onbekend meisje.
Als God iets van Zichzelf laat zien, wordt het er dan gemakkelijker op? Hoe ging dat met Jezus, sprekend God, maar een man van smarten, voor wie men het gelaat verbergt: niet om aan te zien! En toch openbaring! Maar o zo wonderlijk! Braamstruik in brand, maar niet verteerd. Een eerbiedwaardige voorganger, professor Evert Louis Smelik, schrijft daarover een paar regels, zo kernachtig, zo weergaloos goed: ‘De vlam wordt dus niet gevoed door het hout. De vlam heeft zich neergezet op de struik, maar heeft de struik niet nodig. Het braambos is slechts plaats. Dit teken is een wezenlijke aanduiding van Gods openbaring: zo zal God doen met Mozes en Israël. Zij worden de dragers van de vlam, maar zij voeden de vlam niet’.
Het is ook een meesterlijke omschrijving van wat er gebeurt als de Heilige Geest ons wordt toevertrouwd: wij worden dragers van de vlam, maar wij voeden de vlam niet! En we worden – wonder boven wonder – ook niet verteerd.
Wat gebeurt er nu verder? Ik blijf het dichtst bij de heilige tekst en ook heel dicht bij mij- , onszelf als ik een paar trefwoorden gebruik: raadsel, stem, aanspraak. Over dat raadselachtige gebeuren hebben we het uitvoerig gehad. Het prikkelt Mozes tot nieuwsgierigheid: ‘Laat ik toch dat wonderlijke verschijnsel gaan bezien, waarom de braamstruik niet verbrandt’ (3). En dan de stem, uitmondend in de aanspraak, heel persoonlijk: ‘Toen de Here zag, dat hij het ging bezien, riep God hem uit de braamstruik toe: Mozes, Mozes!’
De stem zegt nog veel meer: over wie Hij is en over wat Hij ziet. Daarover, vooral over de onthulling van de Naam: ‘Ik ben, die Ik ben….’, had ik het vanmorgen willen hebben, maar ik liep al lezend vast in zoveel wonderen die mij vasthielden omdat zij mij zoveel wilden en konden geven. Ik kom dus niet veel verder dan die stem en die aanspraak.
Mozes bij name genoemd, dubbel op. Dat gebeurt vaker in de Heilige Schrift, dubbel aangesproken, om het beslissende moment te typeren. ‘Abraham, Abraham, strek je hand niet uit naar de jongen!’ (Genesis 22: 11). ‘Samuel, Samuel! en hij: Spreek Here, want Uw knecht hoort!’ (1 Samuel 3: 10). ‘Martha, Martha, je maakt je o zo druk…’ (Lucas 10: 41). ‘Simon, Simon, de satan zeeft jullie als de tarwe…’ (Lucas 22: 31). ‘Saul, Saul, waarom vervolg je Mij?’ (Handelingen 9: 4).
‘Mozes, Mozes!’. En hij zei: ‘hinneni, hier ben ik!’ Tot Uw dienst? Nou, het is een lange weg, voordat hij eens willend is met God, maar hier en zo beging het.
Wij zijn Mozes niet… Gelukkig maar, is mijn eerste reactie. Het lijkt me geen pretje om zo’n leven te leiden: al die jaren door de woestijn, met eindeloos gemurmureer. En toch denk ik: misschien treedt God ons wel op vergelijkbare wijze tegemoet. Ik noem nog eens die drieslag: raadsel, stem, aanspraak. Geloven in God begint, naar mijn besef, bij de verwondering; bij de vraag die je niet met rust laat: wat is hier aan de hand? Op de wijze van Mozes: laat ik toch dat wondere verschijnsel gaan bezien. Waarom is er zoiets als kerk? Wat heeft deze mens met God? Ik zou meer voorbeelden kunnen noemen. Mensen, soms ook gebeurtenissen, die dragers zijn van de openbaring zonder die openbaring zelf te voeden. Verwondering, nieuwsgierigheid als eerste stap op de geloofsweg. Ik denk dat die verwondering op allerlei gebied, niet in de laatste plaats op dat van de wetenschap, alleen maar groter wordt, tenzij wij de zaak grondig vernielen. Het leven zit niet zo logisch in elkaar als we lange tijd dachten. Ik bedoel niet dat de kerken weer vol zullen stromen, hoewel…. Ook die mogelijkheid moet je niet uitsluiten. Ik weet heel veel plaatsen waar het bomvol is terwijl er, naar mijn besef, veel minder te beleven is dan in de kerk. Ik zeg maar: verwondering als eerste stap. Er moet wel een stem hoorbaar worden, meer dan de echo vanuit het platte vlak. Je zult niet verder komen, eerder terugvallen, als je niet door het Woord, door de Stem van de Roepende, aangesproken wordt.
Kun je die Stem opnemen en af laten draaien? Nee, dat kan niet. Wij beschikken niet over Hem. Het is een kwestie van oefening, van bidden en werken, van omgang met de woorden waarin je het Woord verwachten mag. Daarom heeft de Bijbel zo’n voorname plaats in onze dienst, op onze geloofsweg. Hier en zo kan het wonder gebeuren dat Hij zelf gaat spreken. Met de woorden van een dichter, Martinus Nijhoff: ‘Want ieder blijven Gods woorden vreemd, behalve wie ze van Hemzelf verneemt’.
Dat Woord landt pas echt als je bij name geroepen wordt: Mozes, Mozes….. en vul je eigen naam maar in. Dan weet je dat je met al je hebben en houden gekend bent en bemind wordt. Niet door zomaar iemand, maar door God. Die band kan nooit meer stuk, is zelfs sterker dan de dood.
Hem, God, zij de glorie, is Zijn gloria zijn wij geborgen, een leven en een dood lang, ja, nog verder…. Amen.

===   ===   ===

Exodus 3:14-II
Gehouden op
*Woensdag 12 maart 2003, biddag voor gewas en arbeid; 19.30 uur Beekbergen.
Bijbellezing: Exodus 3: 7 – 14; Romeinen 8: 22 – 27

‘Bid – en dankdagen staan op de grens van de prediking’. Woorden van een voorganger, dr Oepke Noordmans, die zijn werkzame leven lang predikant op het boerenland was, eerst in Friesland, later in Laren, hier in Gelderland, achter Zutphen.
Op de grens van de prediking… Grensgevallen dus, niet zonder risico’s. Waarom zegt Noordmans dat en waarom staat hij zo op scherp? Ik vermoed dat ik het weet, omdat die risico’s, de dingen waar Noordmans zo beducht voor was, onverminderd actueel zijn.
De levende God, de God van Abraham, Isaäk en Jakob, de Vader van Jezus Christus, wordt zomaar ingewisseld voor een vage voorzienigheid, een Opperwezen dat de hele zaak van het leven, met alles wat d’r op en d’r an is, in gang heeft gezet en hoe dan ook draaiende houdt.
Zo’n hoge macht moet je te vriend houden. Anders gezegd – en dan komen we dichter bij dit Bijbelgedeelte, Exodus – : de God die een gezicht, een Naam heeft, wordt o zo gauw verwisseld met een Naamloze Vennootschap, hoog en droog, waar je geen zicht op, geen gezicht bij hebt.
Op de grens…. We zijn gewaarschuwde mensen, die elk voor twee tellen. Laten we op die grens niet de verkeerde kant uitkijken, maar naar het midden, naar het hart. We geloven niet in een Naamloze, niet in een Besloten Vennootschap, maar in God die Zich bekend maakt, de Bron van al het leven, de Bondgenoot die meegaat, de Betrouwbare die het werk van Zijn handen niet loslaat.
In de Nijldelta van Egypte, in het land Gosen, klinkt een langgerekte klacht tot God omhoog. Mensen die net iets te veel hebben om te sterven, veel te weinig om in vrede te leven. Mensen van het vijfentwintigste uur, te laat om te leven, te vroeg om te sterven. Een langgerekte klacht, zoals nu in en vanuit hongerend Afrika. Van de Koerden in Irak en in Turkije. Van zoveel anderen, ouderen en kinderen, voor wie het ook het vijfentwintigste uur is.
Was die klacht, daar klacht, daar en toen, van Israël in Egypte, een dringend en duidelijk gebed tot God? Wat doet een mens in grote nood? Misschien laat-ie zich meer dan eens ontvallen ‘Mijn God’.
Is het een gebed? Is het wanhoop? Is het woede? Wie zal dat uitmaken? Alleen God, die een Naam, een Gezicht heeft. Hij is de goede verstaander. ‘Wij weten niet wat wij bidden zullen naar behoren, maar de Geest zelf pleit voor ons met onuitsprekelijke verzuchtingen’ (Romeinen 8: 26).
In dit hoofdstuk, in dit verband, lezen we een en andermaal dat God dit klagen hoort, deze ellende ziet: ‘Ik heb terdege gezien de ellende van mijn volk, dat in Egypte is, en hun gejammer over hun drijvers gehoord’ (7) ; en even verder: ‘het gejammer der Israeliëten is tot Mij doorgedrongen; ook heb Ik gezien, hoezeer de Egyptenaren hen verdrukken’ (9).
Was er toen der tijd alleen in Egypte ellende, onderdrukking, slavernij? Ik wilde dat het waar was: overal mensen in vrijheid en vrede, behalve op dat ene plekje in het land, de provincie Gosen. Alom, wereldwijd, kreunde de schepping, net als nu. Waarom trad de Levende, God, handelend op ten gunste van dat kleine volkje Israël? Waarom deed Hij dat niet, tenminste: niet zo duidelijk, in Griekenland, in China, in streken van Afrika, waar het doorgaans ook bar en boos was? Ik weet het niet, althans… ik weet geen antwoord dat sluit als een bus. De enige reden die hier, ook een en andermaal, wordt aangegeven is deze: God gedacht aan Zijn verbond met Abraham, Isaäk en Jakob.
Het is dus verkiezing en het bijbels ABC leert mij dat verkiezing niet ten koste, met uitsluiting van anderen is, maar ten gunste van allen. Zoals Hij, God, aan Abraham beloofde: ‘Met u zullen alle geslachten van de aardbodem gezegend worden’.
Wonderlijk hoe alles in z’n werk gaat. Twee kernvragen komen op, die we ook vertalen naar onszelf toe, vooral ook met het oog op deze biddag voor gewas en arbeid: ‘Wie ben ik?’ (11). En ‘Wie bent U?’ (13).
‘Wie ben ik?’ vraagt Mozes, als hij van Godswege geroepen wordt om naar Farao te gaan. Ik vind die vraag zo herkenbaar. Daar staat een mannetje – Calvijn zou zeggen: een mensje, uit het stof verrezen – voor de troon van Farao, die geldt als zoon van de zonnegod. Dat ziet Mozes voor zich. Alles is uitdrukking, toonbeeld van macht. Overal goden en godengestalten, die garant staan voor deze manier van leven en samenleven: heer en knecht, leidinggevende en lijdend voorwerp, dag en nacht, leven en dood. Wie ben ik?
Vroeger, pakweg veertig jaar geleden, voelde Mozes zich geroepen om een daad te stellen, om het touw van de alarmklok in beweging te brengen. Nu hij zoveel ouder is geworden, krijgt hij een roeping te horen die hij lang niet meer voelt. Het gaat Mozes als vader Abraham, toen hem een zoon werd toegezegd: ‘Mijn God, nu maar niet meer…’ (Genesis 17: 17). Een roeping komt niet in ons op, maar naar ons toe!
En toch vraagt Mozes: ‘Wie ben ik, dat ik naar Farao zou gaan en de Israëlieten uit Egypte zou leiden’ (11). Niemand in Israël kent mij nog, en als iemand van de Egyptenaren mij herkent, dan is het des te erger.
Even later noemt Mozes nog een argument om niet te gaan, om alles maar zo te laten zoals het is en was: ‘Och, Here, ik ben geen man van het woord en dat dateert al van lange tijd; ik ben zwaar van mond en zwaar van tong’ (4: 10). Met andere woorden: het valt me zwaar om iets te zeggen in gezelschap, laat staan daar aan het hof van de zonnekoning….
‘Wie ben ik?’ Daar sta je dan als mensenkind, anno Domini 2003. Niet om een volk te bevrijden. Het tijdperk van de grote woorden is voorbij. In de reclame en in de politiek leven ze door, maar het vertrouwen, de geloofwaardigheid lijdt telkens weer schipbreuk. Misschien hebben we ooit, net als Mozes in zijn jonge jaren, ons geroepen gevoeld om de wereld te veranderen: alle mensen worden broeders, zusters! ‘Make love not war.’ Hebt elkaar lief en maakt geen oorlog. Recht voor allen om te leven, voedsel en zo nodig medicijnen, vrij om een mening te hebben en uit te dragen, mondeling en schriftelijk. Het laatste is artikel 1 uit het Handvest van de Verenigde Naties. Er is nog nooit zoveel onvrijheid, onvrede, onmenselijkheid geweest….
Wie ben ik? Wat heeft het allemaal voor zin om je in te zetten, om eerlijk en eenvoudig je werk te doen? Ben je dan op de een of andere wijze geroepen van Hogerhand, zelfs als je er weinig of niets van voelt? Ons huidige denk- en levensklimaat wordt aangeduid met de term postmodernisme. Een deftige term voor wat heel herkenbaar is. Typerend voor het postmodernisme is dat ieder z’n eigen verhaaltje mag vertellen, dat ieder haar eigen waarheid heeft. Die hele stroming wordt, naar mijn besef, ingehaald door fanatieke stemmen en stromingen die maar een verhaal hebben, een waarheid erkennen en dit alles dwingend, desnoods met geweld, willen opleggen aan anderen.
Is er hoop? Is er licht? Is er leven? Is er een zinvolle manier om te zijn op deze aarde, om te werken aan en op deze aarde? Niet te gauw, niet te snel zeggen: natuurlijk…! Dat riekt naar de zevenklapper: twee aspro’s en u bent weer fit! Het leven is te kostbaar, te heilig, ook te ingewikkeld voor zevenklappers die het schijnbaar goed doen, maar dan op de wijze van: opgaan, even blinken, in het niet verzinken!
En toch is er roeping van Godswege. Maar dan komt levensgroot de vraag naar boven: ‘Wie bent U?’ Mozes vroeg, met vrees en beven, toen hij al zijn eigen kruit vrijwel verschoten had en niet om deze Stem-van-Hogerhand heen kon: ‘Maar wanneer ik tot de Israeliëten kom en hun zeg: De God uwer vaderen heeft mij tot u gezonden, en zij mij vragen: hoe is zijn Naam – wat moet ik hun dan antwoorden?’
Dan volgt een weerwoord dat, naar mijn besef, het hart is van het Oude Testament, van de hele Bijbel: ‘Ik ben die Ik ben’. En Hij zei: ‘Aldus zult gij tot de Israëlieten zeggen: Ik ben heeft Mij tot u gezonden’. Deze geheimzinnige woorden – ‘Ik ben die Ik ben’ – vormen samen de Godsnaam, vier letters in het Hebreeuws: ‘JHWH’, nooit uitgesproken, in het Nederlands weergegeven met: ‘HERE’.
Waarom geen eenvoudiger naam? In de woordwereld, het taalveld van de Bijbel is het zo: als je iemands naam van a tot z weet, dan heb je, hoe dan ook, macht over hem of haar. God, de Levende, zullen wij nooit doorgronden. Het eindige kan de Oneindige niet, nooit bevatten. Maar wat ons en allen genoeg mag zijn, in leven en in sterven, in tijd en eeuwigheid, dat heeft Hij ons toevertrouwd, daartoe heeft Hij ons Zijn Naam gezegd: ‘Ik ben die Ik ben’, dat wil zoveel zeggen als: Ik ben bij u, Ik ben met u! Ga maar met Mij mee, geloof Mij op Mijn Woord! Onderweg zul je merken dat het waar is, dat Ik bij je ben! In dit vertrouwen is Mozes gegaan, met knikkende knieën, maar toch….
Zo stond hij voor de Farao, zo ging hij door de woestijn, uit het slavenhuis op weg naar het beloofde land.
‘Wie bent U’, vragen wij opnieuw, na zoveel jaren. De God die roept heeft Zijn Naam opnieuw uitgespeld in die Ene die ooit zei: ‘Vader, Ik heb Uw Naam geopenbaard aan de mensen’ (Johannes 17: 6). De God die roept, heeft de trekken van Zijn gelaat opnieuw laten zien in Hem die zei: ‘Wie Mij heeft gezien, heeft de Vader gezien’ (Johannes 14: 9).
Daarom lezen we ook telkens in het Evangelie herkenningswoorden die beginnen met: ‘Ik ben…’.  De Goede Herder! De wijnstok! Het Licht der wereld! Het Brood des levens! Hij wordt dan ook Immanuel – dat is: God met ons! – genoemd.
Op deze God, de Drieënige, Vader, Zoon en Heilige Geest, zijn wij aangewezen. Tot wie zullen we anders gaan? Petrus zei ooit: ‘Gij hebt woorden van eeuwig leven en wij hebben geloofd en erkend dat Gij zijt de Heilige Gods’ (Johannes 6: 68 – 69).
In het licht van Zijn beloften krijgen we ook meer en meer zicht op onszelf. Wie zijn we eigenlijk? Wat doen we? Heeft ons zijn hier, heeft ons werk enige zin? Ach, laten we niet hoog van de toren blazen. We doen wat van ons verwacht wordt. Ieder op zijn, haar eigen plaats. Met alle vreugde, ook met alle moeite daarmee verbonden. En wij bidden met de slotwoorden van Psalm 90:

‘Laat Uw werk aan Uw knechten openbaar worden,
en Uw heerlijkheid over hun kinderen;
de liefelijkheid van de Here, onze God, zij over ons,
en bevestig Gij het werk onzer handen over ons,
ja, het werk onzer handen, bevestig dat!’

Amen

===   ===   ===

Exodus 5: 22-23
Gehouden op
*Zondag 16 maart 2003; 10.00 uur te Beekbergen.
Bijbellezing: Exodus 5: 1 – 5, 19 – 24; Marcus 9: 2 – 8;

Ik zag er ontzettend tegenop. Wat van mij verwacht werd, was dan ook geen kleinigheid. Ik liet mij bepraten, stapte over de drempels heen en ging – toch wel met knikkende knieën – op weg. Hoe zou dit spannende avontuur verlopen?
De eerste ervaringen waren tamelijk positief. Ik werd enthousiast ontvangen door mensen met wie ik direct te maken had. Zij zagen het wel zitten en mij wel staan.
Daardoor schraapte ik alle moed bij elkaar om het eigenlijke karwei aan te vatten. Ik ging – om zo te zeggen – naar het hol van de leeuw. Dat werd een vreselijke afknapper. Ik werd als een hond van het erf gejaagd. Alles sloeg om in z’n tegendeel. De mensen die eerst in hun handen klapten, balden nu hun vuisten naar mij toe. Ik kan mij daarbij wel iets voorstellen, want zij kregen de rekening gepresenteerd, niet zo zuinig.
Ook ik raakte helemaal van slag en zag het niet meer zitten. Ik ging terug naar m’n opdrachtgever om een hartig woordje met hem te spreken. Ik maakte van mijn hart geen moordkuil. M’n opgekropte spanning, mijn frustratie, m’n woede en vlak daarbij m’n verdriet, het moest er allemaal uit….

Over wie gaat het? Het zou over u, over mij kunnen gaan, want het verhaal is levensecht, alles behalve wereldvreemd. Toch gaat het in werkelijkheid over Mozes. Omdat het zo herkenbaar is, blijft het verhaal zo boeiend. We lopen het nog eens na en staan hier en daar even stil.
Het begin is duidelijk: aarzeling, afweer om zo’n opdracht – naar de Farao gaan en hem dit zeggen: ‘Laat mijn volk gaan!’ – te aanvaarden. Mozes waagde het met de belofte: ‘Ik ben met u’.
Het lijkt allemaal goed te gaan. Aan het slot van hoofdstuk 4 lezen we: toen de stamoudsten van het volk ‘hoorden, dat de Here op de Israëlieten acht geslagen en hun ellende gezien had, knielden zij en bogen zich neder’.
Dan verschijnen Mozes en Aäron voor de Farao, met de woorden: ‘Zo zegt de Here, de God van Israël: laat mijn volk gaan om te Mijner ere in de woestijn feest te vieren’.
Dit slaat natuurlijk alles wat diplomatiek, economisch, psychologisch en wat al niet te doen gebruikelijk is. Er is maar een persoon in Egypte die bevelen uitdeelt zonder zelf ooit een bevel te krijgen: de Farao! Als iemand al een vraag stelt, dan is het een smeekschrift, eerbiedig ingediend bij de directie ingekomen stukken en vervolgens gaat het, als je geluk hebt en als je aan een netwerk van voorwaarden hebt voldaan, trapsgewijs omhoog naar de troon.
‘Laat mijn volk gaan!’ Dit is de onbeschaamdheid, zo u wilt: de onbeschoftheid ten top! Dat geldt ook van die motivatie, indruisend tegen alles wat een Egyptenaar hoog en heilig: om in de woestijn een feest te vieren! Dat is iets anders dan een paar vrije dagen voor vermoeide slaven. Het is evenmin een slinkse manier om er stiekem tussen uit te knijpen. ’t Is een revolutionaire, godslasterlijke daad. De woestijn gold als de eeuwige vijand van Egypte. Dankzij de Farao, dankzij de Nijl was er leven, was er toekomst. Er was maar een feest in Egypte: het faraofeest. In de woestijn….?
Dat kan alleen maar een tegen-feest zijn. Met die woestijngod, zogenaamd: de Here, de God van Israël, heeft de Farao niets, wil hij ook niks hebben. Mozes gooit dezelfde zaak over een andere boeg. Hun toon verandert, hun taal wordt algemener: ‘de God der Hebreeën heeft ons ontmoet…’, en al doende herhalen zij in beleefde termen hun verzoek.
Het heeft een averechtse uitwerking. Ze worden herhaaldelijk (8: 17) beschuldigd van luiheid, net zoals de Nazi’s deden met de uitgemergelde Joden in de concentratiekampen. De lasten worden verzwaard. Het eind van dit droeve lied is dat Mozes en Aäron ook van hun eigen volk de schuld krijgen: ‘Gij hebt ons bij Farao en zijn krachten in een kwade reuk gebracht, waarmee gij hun een zwaard in handen hebt gegeven, om ons te doden’ (21).
Met andere woorden: door jullie gepraat over vrijheid en dienst aan onze God zorgen jullie ervoor dat ze nu de kans zien om ons te vermoorden. Ten einde raad keert Mozes terug naar de opdrachtgever die hem achter de schapen van pa Jethro wegriep: ‘Toen keerde Mozes terug tot de Here’ (21).
Terug…. Waarheen? Naar die berg, Horeb, waar dit hele avontuur begon? Net als Elia, zoveel later, ook ten einde raad: ‘Hij stond op, at en dronk en ging door de kracht van die spijs veertig dagen en veertig nachten tot aan het gebergte Gods, Horeb’ (1 Koningen 19: 8)?
En Mozes zei: ‘Here, waarom behandelt Gij dit volk zo hard? Waarom hebt Gij mij gezonden?’ Dit is eigenlijk nog veel spannender, schokkender dan dat gepraat met die knakker van een zonnekoning. Ik denk aan het woord van Jezus: ‘Wees niet bevreesd voor hen, die wel lichaam doden, maar de ziel niet kunnen doden; weest veeleer bevreesd voor Hem, die beide, ziel en lichaam, kan verderven in de hel’ (Mattheüs 10: 28).
Wat gebeurt hier eigenlijk? Ik wil niet vrijpostig zijn, maar enige vrijmoedigheid is een gelovige uit genade eigen. Eerst heel formeel, wat de vorm betreft: een tweegesprek tussen Mozes enerzijds, de Here anderzijds. Je kunt alle handboeken van de communicatiewetenschappen raadplegen, maar dit is niet in kaart te brengen. De Bijbel schrijft er tamelijk onbevangen over, terwijl dit boek van de eerste tot de laatste bladzijde vervuld is van de hoogste eerbied voor de Hoog-Heilige. In deze eerbied vraag ik een stukje door. Hoe wist Mozes dat Hij nabij was? Elia wist het aan het suizen van een zachte koelte, na die stormwind die aardbeving, dat vuur (1 Koningen 19: 11vv).
Heeft Mozes deze woorden uitgeschreeuwd, een eenzaam stipje in een streek, waar geen levend wezen te bekennen was?
Als ik mij dit probeer voor te stellen, raak ik gaandeweg meer onder de indruk. Ooit las ik deze woorden over mensen, van Godswege geroepen: ‘Ernstig en eenzaam staat / Tussen de holten van / Hemel en aarde de man / Die Gods Woorden verstaat’.
Ik denk dat Mozes gebruld heeft als een leeuw. Tot twee keer toe dat: ‘Waarom’? In het Hebreeuws: ‘lamma’. Dat heeft geklonken tegen de hoogten van die berg, aangenomen dat dat hij daar weer was.
‘Waarom behandelt Gij dit volk zo hard’. Er staat een werkwoord dat betekent: kwaad doen. Hetzelfde werkwoord dat met Farao verbonden is: bij heeft dit volk slecht behandeld, kwaad gedaan. Wat zullen we nou hebben, Here God? Het kan toch niet zo zijn dat U en de Farao op elkaar lijken? En als dit, om welke reden dan ook, die mij ontgaat, toch het geval is, laat mij er dan alstublieft buiten: ‘ Waarom hebt Gij mij gezonden?’ Laat me toch, val me verder niet lastig. ‘Want van het ogenblik af, dat ik bij Farao gekomen ben, om in uw naam te spreken, heeft hij dit volk slecht behandeld, en Gij hebt uw volk geenszins gered’ (23). Hoe durft een mens zoiets te zeggen, ten overstaan van de Hoog-Heilige? In het voorgaande is dat telkens de kern van de zaak, het hart van de beloften geweest: Ik heb de ellende gezien, het gejammer gehoord, maar er komen andere tijden! De redding, de bevrijding, de uittocht staat te komen!
Maar Mozes, hij kan niet anders dan concluderen: ‘Gij hebt uw volk geenszins gered’. Het is een constatering, die bol staat van verwijten, ok niet zonder bitterheid is.
Wat gebeurt er nu? Er komt een reactie van de andere zijde: ‘Maar de Here zei tot Mozes…’.
En weer vraag ik eerbiedig en dus ook vrijmoedig: Hoe ging dat in z’n werk? Mozes wist zich blijkbaar aangesproken. Hij kon er niet omheen. Die woorden kwamen ontegenzeggelijk naar hem toe. Voor hem was het duidelijk dat hij niet zichzelf, hoe dan ook, hoorde, maar de ANDER, de Here God.
Ik kan het allemaal niet onder woorden krijgen, en dat is geen wonder. Als me dat wel lukte, dan zou ik dit, dat mij te hoog, te sterk, te heilige is, in de vingers krijgen.
‘Maar de Here zei tot Mozes: Nu zult gij zien, wat Ik aan Farao doen zal; want door een sterke hand zal hij hen laten gaan….’ (24).
De Here God kiest blijkbaar Zijn eigen tijd en wijze. Ik zeg dat niet om de zaak op een zalvende manier dicht te smeren. Redding van Godswege heeft een langere adem, een langere weg dan wij denken. Inmiddels zijn er eeuwen verstreken.
Ik begon met een verhaal, waarna ik vroeg: over wie gaat het? Over Mozes in de eerste plaats, maar ook over onszelf. Ook wij zijn soms, vaak (?) ten einde raad. De vraag naar het waarom laat zich niet onderdrukken! Ook niet de verzuchting: ‘Redding… hoe bedoelt u?’ Mozes keerde terug om verder te kunnen. Wat betekent voor ons die terugkeer, ook om verder te gaan? Ik denk, ik weet wel zeker dat het Evangelie, op deze zondagmorgen gelezen, ons de weg wijst.
Mozes en Elia verschijnen op de berg van de verheerlijking. Mozes als de man van de Wet, de heilzame orde van God. Elia als de man van de profetie, het bevrijdende Woord van God. Ze zijn samen met die Ene, in wie de wet en de profeten worden vervuld: Jezus de Christus. Er klinkt een stem van Hogerhand: ‘Deze is mijn Zoon, de Geliefde, hoort naar Hem’.
En dan lezen we van de discipelen: ‘En opeens, rondkijkende, zagen zij niemand meer bij zich dan Jezus alleen’ (Marcus 9: 7 – 8). Wij zullen telkens weer terugkeren naar Hem, Jezus, wiens naam betekent: ‘de Here redt’. In Hem heeft God de zaak van de redding der wereld opnieuw ter hand genomen. Niet met harde hand, niet op de wijze van korte metten. Het gaat ten koste van Hemzelf, het gaat door het offer heen. Naar Hem keren we terug om verder te komen. We mogen de dingen die in ons hart spelen en spoken – net als Mozes – eerlijk zeggen: onze vreugde en ons verdriet, ons geloof en onze twijfel, onze hoop en onze wanhoop. Het is het heden der genade. God gunt ons de tijd omdat Hij wil dat alle mensen tot erkentenis van de waarheid komen. Die waarheid is verankerd in Hem van wie een oud lied zingt op de wijze van een gebed, bidt op de wijze van een Gezang:

‘Christus, heilig Godslam,
die der wereld zonden draagt,
ontferm U onzer!

Christus, heilig Godslam,
die der wereld zonden draagt,
geef ons Uwe vrede!’

Amen

===   ===   ===

Exodus 16:15-I
Gehouden op:
*Zondag 18 juni 1972 om 9.30 uur te Folsgare.
Bijbellezing: Exodus 16: 1 – 20; Joh. 6: 41 – 43, 48 – 51;

In de laatste tientallen jaren is er een hernieuwde belangstelling ontstaan voor het Oude Testament. Daar kunnen we niet dankbaar genoeg voor zijn.
Waarom deze nieuwe aandacht? Hoe is dat zo gekomen? Het is moeilijk om precies alle redenen aan te wijzen, omdat het veeleer een samenspel van factoren is.
Één duidelijke reden kunnen we misschien wel noemen, al doen we dat met een huivering van schrik. Op de oude tronk van het heidendom schoot een nieuwe loot omhoog: het nationaal-socialisme onder leiding van Hitler. Deze duivelse stroming leidde tot een uitmoorden van de Joden, op een wijze, die wij ons nog steeds niet kunnen voorstellen.
Die zes miljoen doden hebben de christelijke kerk gedwongen om opnieuw het Oude Testament na te spellen, om opnieuw te luisteren naar de God van Israël. Al lezend en luisterend beseffen we ook onze schuld tegenover God en Zijn volk Israël, omdat we zo kortzichtig en eigenwijs met het Oude Testamant zijn omgesprongen.
We zijn bovendien gaan beseffen dat de oecumene in Jeruzalem zal beginnen, bij het gesprek met de Joden. Daarbij vergeleken zijn de gesprekken met Rome nog maar kinderspel. Laat staan de gesprekken tussen Hervormd en Gereformeerd!
Op het boek Exodus staan de schijnwerpers van onze aandacht wel in het bijzonder.
Vanmorgen hebben we een aantal verzen gelezen uit dit tweede Bijbelboek. De naam Exodus betekent: uittocht. In dit boek gaat het over de bevrijding van het volk Israël, de uittocht uit de slavernij, de weg naar de vrijheid.
De uittocht uit het bekende. Het achterlaten van alle oude zekerheden. Het loslaten van de vastgeroeste verbanden en patronen van Egypte, het diens thuis, waarin het volk Israël leefde.
Dit beeld van de uittocht wordt in onze tijd steeds vaker aangehaald. We moeten oude zekerheden achter durven laten. We moeten ons ontworstelen uit de vastgeroeste patronen en structuren, die ons in hun greep hebben. We moeten niet vastgeplakt blijven zitten, maar op weg durven gaan. Vandaar dat er steeds meer over de kerk wordt gesproken als: Gods volk onderweg! De kerk mag niet naar binnen gekeerd zijn, maar moet uitgaan in de wereld. Exodus! Uittocht! Deze roep om uittocht doet z’n intocht in de kerken. Zo sterk, dat we met een woordspeling mogen zeggen: ‘Uit is in!’
Een nieuwe aandacht voor het oude boek Exodus. Dat is allemaal goed en wel. Ook het boek Exodus is een goudmijn, vol kostbare schatten. Maar we moeten wel oppassen dat dit woordje Exodus niet een modewoord wordt. Ook de mode is een verfijnde vorm van slavernij.
Exodus. Uittocht. Goed! Maar wie roept om uit te gaan? God! Daarom mogen mensen alleen maar oproepen tot Exodus, voor zover ze door God geroepen zijn. Anders worden ze, misschien ongewild en onbewust, nieuwe slavendrijvers.
God roept! Maar wie is deze God? De God, die Zich heeft voorgesteld, die Zijn Naam heeft gezegd. Aan het begin van het boek Exodus wordt verteld, dat God aan Mozes verschijnt bij de brandende braambos. Hij stelt Zich voor, Hij geeft Zijn visitekaartje, Hij maakt Zijn Naam bekend: ‘HERE’, dat wil zeggen: ‘Ik ben die Ik ben’.
Ik ben bij u, met u, voor u. Meer niet? Nee, dit is alles. Geroepen door deze God, riep Mozes het volk Israël. In vertrouwen op deze Naam, stond de stamelende, stotterende Mozes voor de machtige Farao: ‘Laat Mijn volk gaan’.
Exodus! Uittocht! In vertrouwen op deze God. Gehoorzaam aan Zijn roepstem! Maar wat ongelooflijk moeilijk om zo op weg te gaan, om zo op de been te blijven, zonder iets in je vingers te hebben. De andere volken hadden het eigenlijk wel gemakkelijker met hun goden. Je kon ze zien en zelfs betasten. Maar deze God had gezegd: geen beelden, in welke vorm dan ook. Ik ben met u! Dat is genoeg. Aan deze belofte heeft u uw handen en harten vol.
Ja, ja, dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan. Aan het begin hadden ze hun geloofsbelijdenis met hart en ziel gezongen: onze God is de HERE, die ons bevrijdde uit de slavernij van Egypte. Maar allengs veranderden die woorden in mopperen, klagen, platweg gezegd: kankeren.
Dat werd de geloofsbelijdenis: een stuk gemopper en gemor, een lange klaagzang. Ze reageerden hun ontevredenheid, hun verontwaardiging af op Mozes en Aäron. Ook wat dit betreft is er niets nieuws onder de zon. Als er iets mis gaat, als het tegenloopt, krijgende leiders de schuld. De regering moet maar naar huis gaan. De ministeres doen alles fout. Als wij het voor het zeggen hadden! Wij hebben een alternatief programma. Koeien met gouden hoorns worden beloofd. Alles zal anders en beter worden.
Er is niets nieuws onder de zon. Het volk morde tegen Mozes en Aäron. We hadden beter in Egypte kunnen blijven. Als we dan toch moeten sterven, dan liever daar dan hier in de woestijn. Dit is geen leven. Daar zaten we om de vleespotten, daar hadden we vlees in de pan. Daar hadden we volop brood. Daar konden we onze buik dik eten, maar in deze rotwoestijn sterven we van de honger. Een alternatief programma: de vleespotten en het brood van Egypte. Zoals altijd bij ontevredenheid gebeurt, wordt het andere, de tijd van weleer, het verleden verheerlijkt. De goeie oude tijd. In het boek Numeri wordt verteld dat de mensen elkaar lekker zaten te maken. Ze wisten hele spijskaarten op te noemen: wij denken terug aan de vis die wij in Egypte eten voor niets, aan de komkommers en de meloenen, de uien en het knoflook. Wat een lekkernijen. Zo werd de slavernij verheerlijkt. De akelige dingen werden vergeten en het schamele eten – want veel kregen ze niet in Egypte – werd opgehemeld en steeds lekkerder gemaakt.
Exodus! Uittocht! Dat is gemakkelijk gezegd, maar ongelooflijk moeilijk om te doen. Zo moeilijk, dat de slavernij betere lijkt dan het leven na de uittocht. Alles, ook de slavernij, is beter dan dit.
‘Toen sprak de HERE tot Mozes: Ik heb het gemor van de Israëlieten gehoord’. Hun geloofsbelijdenis is een lange klaagzang. Ze morren niet tegen u, maar tegen Mij. Ze willen de vrijheid niet die Ik hun schenk. Mozes, je hebt Mijn Naam gehoord: HERE! Ik ben bij u, met u, voor u. Dat zal Ik bewijzen. Ondanks alle ontrouw blijf trouw. Zeg tot het volk: ‘In de avondschemering zult gij vlees eten en in de morgen zult gij met brood verzadigd worden; en gij zult weten dat Ik de HERE, uw God ben’.
Gij zult weten! Die geladen woorden komen enkele malen in dit hoofdstuk voor. Er is geen ander die vrijheid schenkt. Dat zal juichend uw belijdenis worden. Daarom beginnen de Tien Geboden met de woorden: ‘Ik ben de HERE uw God, die u uit het land Egypte, uit het diens thuis geleid heb’. In deze vrijheid is geen plaats voor andere goden. Ik laat u niet sterven van de honger. Gij zult weten dat Ik, de HERE, uw God ben, betrouwbaar alle dagen.
En ’s avonds kwamen kwakkels opzetten, die de legerplaats overdekken. En ’s morgens was er een dauwlaag rondom de legerplaats. God gebruikt eigenlijk heel gewone dingen om te tonen dat Hij de HERE is. Hij heeft geen kunst- en vliegwerk nodig, geen trucjes, geen stunts. Het gewone wordt door Hem opgenomen als teken van Zijn trouw en nabijheid.
Kwakkels, of beter kwartels, zijn vogels die nu nog in groten getale voorkomen in het Midden-Oosten. Het zijn vogels die in de wintermaanden de warmte van Egypte zoeken. Op hun lange tocht raken ze ten slotte uitgeput en strijken doodmoe neer. Dan kun je ze zomaar pakken.
Ook het zogenaamde manna komt nog steeds voor. Bepaalde bomen en struiken worden door insecten bevolkt. Door het samengaan van die insecten en die bladeren van bomen en struiken ontstaat er iets schilferachtigs, fijne deeltjes die als dauw op de grond komen te liggen.
Toen de Israeliëten het zagen, zeiden zij tot elkaar: Wat is dit? Uit deze vraag is het woordje ‘manna’ gevormd. In het Hebreeuws zijn de klanken van de vraag: ‘Wat is dit?’ namelijk dezelfde als in het woordje ‘manna’.
‘En Mozes zei tot hen: dit is het brood dat de HERE u tot spijze gegeven heeft. Verzamelt ervan naar ieders behoefte.’ Het gemor verstilde. De Israëlieten zochten het manna en deden het in schalen.
Sommigen wilden een voorraad aanleggen voor een paar dagen. Hebben is hebben en krijgen is de kunst. Maar de volgende morgen was de voorraad bedorven. Het stonk en zat vol wormen. Er lag weer nieuw ‘manna’, genoeg voor een dag!
Dit is het brood dat de HERE u tot spijze gegeven heeft. Hij neemt het gewone in Zijn dienst om teken te worden van Zijn trouwe zorg. De Israëlieten moesten leren op Hem alleen te vertrouwen. Dat is het waagstuk van het geloof. De roepstem gehoord hebben en dan uittrekken uit de slavernij. Op niets en niemand anders te vertrouwen dan op God alleen. Zonder verder iets in je vingers, in de ijskast of op de bank te hebben waarop je vertrouwt. Ja, ja, dat zingen we wel en dat belijden we stoer, maar wie durft dit waagstuk werkelijk aan? Alleen op God vertrouwen en aan Zijn gave genoeg hebben, elke dag opnieuw.
God zorgt voor mij. Dit betekent niet, dat we dan maar kunnen luieren en onze tijd in ledigheid doorbrengen. De kwakkels vlogen de Israëlieten niet als gebraden biefstukken in de mond. En het ‘manna’ lag niet als een gesmeerde, goed belegde boterham in de woestijn. Ze moesten opstaan, verzamelen en bereiden, was God geschonken had. Bezig zijn en werken op grond van een diep vertrouwen, dat de gave van God genoeg is voor elke dag.
‘Gij zult weten dat Ik de HERE, uw God ben’. Dat hebben de Israëlieten geweten. Het gemor verstilde, maar slechts voor een ogenblik. De geloofsbelijdenis ontaardde telkens weer in een klaagzang, in een terugverlangen naar de vleespotten van Egypte.
Veertig jaar heb Ik last gehad van dit volk, verzuchtte God. Terwijl Ik toch Uw bevrijder ben. Maar de vrijheid werd telkens weer verspeeld. In alle ontrouw is God echter trouw gebleven aan Zichzelf. Hij heeft Zijn Naam eer aangedaan. Ten slotte was er een, die zei: ‘Vader, Ik heb Uw Naam geopenbaard aan de mensen’. Ook van Hem zeiden de mensen: ‘Wie is dat?’ Zoals de Israëlieten van het ‘manna’ vroegen: ‘Wat is dat?’
En Mozes zei: ‘dit is het brood dat de HERE u tot spijze gegeven heeft’. Eeuwen later werd gezegd: ‘Dit is het brood van God, dat uit de hemel neerdaalt en aan de wereld het leven geeft: Ik ben het brood des levens; wie tot Mij komt zal nimmermeer hongeren, en wie in Mij gelooft zal nimmermeer dorsten’. De Joden dan morden over Hem. Wie is Hij? Is dit niet Jezus, de zoon van Jozef, wiens vader en moeder wij kennen? En Jezus zei tot hen: ‘mort niet onder elkaar!’
‘Gij zult weten dat Ik de HERE, uw God ben’, betrouwbaar, alle dagen. Dit is het brood dat de HERE u tot spijze gegeven heeft. Zo is Hij onze Bevrijder, de God die met ons is en voor ons uit gaat. Zijn gave, Zijn genade is genoeg, elke dag opnieuw. Wat Hij geeft, kunnen we niet opslaan; we kunnen er geen voorraad van aanleggen, we kunnen het slechts elke dag uit Zijn hand ontvangen in dankbaarheid.
Wie bij deze bevrijdende God behoort, kan niet meer terugverlangen naar de vleespotten van Egypte, hoe die er dan ook uit mogen zien. Rondom die vleespotten is er slavernij. Wordt het leven en de samenleving overwoekert en verstikt. Rondom de vleespotten bloeit en groeit wat in strijd is met de tien woorden, de Tien Geboden, die geschonken zijn door Hem die zei: ‘Ik ben de HERE, uw God, die u uit het land Egypte bevrijd heb’. Leef en speel dan ook in deze vrijheid, en laat u niet opnieuw een slavenjuk opleggen.
Deze God gebruikt nog steeds hele gewone dingen als tekenen van Zijn trouw en nabijheid. Gewoon brood. Gewone wijn. Wat is dit? Is dat nu zo bijzonder? Dit is het brood dat de HERE u tot spijze gegeven heeft. Hij gaf niet iets, maar Hij gaf ten slotte Zichzelf: ‘Ik ben het brood des levens. Neemt, eet, dit is Mijn lichaam dat voor U verbroken is! Neemt, drinkt allen daaruit, dit is Mijn bloed dat vergoten is als een verzoening voor onze zonden’. Zo blijven mensen op de been. Zo houden zij de lofzang gaande. Dank zij God, betrouwbaar tot in eeuwigheid.  Amen.

===   ===   ===

Exodus 16:15-II
Gehouden op
*
Zondag 4 mei 2003, 10.00 uur te Beekbergen.
Bijbellezing: Exodus 16: 1 – 3, 9 – 16; Johannes 6: 48 – 51.

De kortste verbinding tussen twee punten is een rechte lijn. Die regel uit de wiskunde is helder, althans in het platte vlak, en kun je ook elders, buiten de wiskunde, toepassen.
Om direct met de deur in het huis van dit hoofdstuk te vallen: de kortste weg tussen het slavenhuis Egypte en het beloofde land Kanaän is een rechte lijn. De werkelijkheid van het leven is natuurlijk niet zo rechtlijnig, maar veertig jaar is wel een ontzettend lange tijd….
Waar is dat goed voor? Waarom maakt God de zaak niet wat eenvoudiger? Er wordt in dit hoofdstuk een werkwoord aangereikt, waar we straks op terugkomen: op de proef stellen. Testen, dus: ‘..opdat Ik het op de proef stelle, of het (volk) al dan niet wandelt naar mijn wet’ (4).
Het is eerlijk om die kwestie – kortste verbinding, rechte lijn – ook bij jezelf neer te leggen. De kortste verbinding tussen de verkiezingsuitslag in januari en een nieuw te vormen regering is een kabinet van CDA en PvdA. De kortste verbinding tussen de opbrengst van de aarde en voldoende voedsel voor alle mensen is een eerlijke verdeling. Nog een voorbeeld, met het oog op deze gedenkwaardige dagen: de kortste verbinding tussen het verlangen naar vrijheid en het leven in vrede, is afzien van tirannie, geweld, respect, ruimte voor de ander.
Het is niet oprecht om die vraag alleen bij God neer te leggen en niet bij jezelf: waarom maken wij de zaken niet wat eenvoudiger? God is voor ons vaak een alibi, een excuus, om ongestoord onze eigen gang te kunnen gaan, om ons de lastige vragen van het lijf te houden. Dat is geen blijk van volwassenheid, het is een vluchten voor je verantwoordelijkheid.
Het staat er zo kort en bondig, aan het begin van dit verhaal. Je leest er zomaar overheen: ‘Toen zij van Elim opgebroken waren, kwam de gehele vergadering der Israëlieten in de woestijn Sin, die tussen Elim en de Sinaï ligt’.
Het is ver weg en toch o zo dichtbij. Elim, dat was een prachtig plekje onder de zon, met de naglans van het paradijs. Exodus 15 eindigt zo: ze kwamen in Elim; daar waren twaalf (’t getal van de volheid!) waterbronnen en zeventig (ook een getal met een magnetische werking) palmbomen. Een super Centerparcs in de tobberige laagvlakte van het leven.
Waarom daar niet gebleven? Ja, je kunt niet altijd taartjes eten, ’t is niet altijd vakantie. Dus wees nou niet flauw en kinderachtig. Elim in de rug en Sinaï in het verschiet. De plek van donderslagen en bliksemstralen, maar vooral: plaats waar God, hoe dan ook, tastbaar aanwezig is, waar de regels, de Tien Geboden van kracht worden: Uw wil geschiede, niet alleen in hemel, maar ook op de aarde. Tussen Elim en de Sinaï, in de woestijn Sin. Alleen maar ver weg? Lezen in het algemeen, Bijbellezen in het bijzonder, betekent ook dat je jezelf laat invoegen in het verhaal. Anders blijft het een afstandelijke beschrijving, voor kennisgeving aangenomen.
Ik proef de atmosfeer van de woestijn Sin, hier en nu. Met de jubelroep van Pasen, al die waterbronnen en palmbomen in de rug, met de nieuwe hemel en de nieuwe aarde – dat is ons toch beloofd?! – in het verschiet, maar voorlopig in een gebied dat verdacht veel lijkt op de woestijn Sin.
Nog een voorbeeld om te proeven hoe dichtbij deze plek is. Wat een opgetogen eensgezindheid toen de bevrijding eindelijk een feit was. Iemand in De Vier Dorpen vertelde me deze week dat er een dankdienst was in de open lucht, ergens aan De Hoeven, met Hervormden, Gereformeerden, Rooms-katholieken. Het hele dorp was present.
Wat is er met die vrijheid gebeurd? Het gros van de Nederlanders durft ’s avonds, na een uur of acht, de deur niet meer open te doen als er gebeld wordt. Ik denk ook aan een gedicht van Joke Verweerd, in verband met die twee minuten van vanavond:

‘In twee minuten trekt de stoet voorbij / van toen en nu en wat er nog zal komen, / de namen hangen fluisterend in de bomen, / die droeve fluister van de vierde mei. // (…) Ik heb zo vaak gedacht: dat is voorbij, / nooit wordt weer zo gedood en zo geleden, / het komt niet weer, het kan niet in het heden, / maar het gefluister is zo tegen mij… // Soms duren twee minuten al te lang, / soms sta ik voor mijn menszijn me te schamen, / en roep ik door het fluisteren van de namen / hardop omhoog: O God, ik ben zo bang….’.

In de woestijn Sin, tussen Elim en de Sinaï. Wat gebeurt daar? Hoe wordt de tijd gevuld? Een trefwoord is: morren. Een wonderlijke ontdekking, zuiver taalkundig. In het Hebreeuws is het telkens voorzien van een lettertje, een achtervoegsel dat het adres aanduidt: ’t is dus altijd morren, rebelleren ‘tegen’. Dat is andere, ernstiger koek dan een beetje sjacherijnig-te-lopen-zijn, je-dag-niet-hebben.
Morren tegen de leiding, Mozes en Aäron, en dat wordt getypeerd als morren tegen de Here, want, want zegt Mozes: ‘wat zijn wij, dat ge tegen ons mort?’ (7) en even verder: ‘de Here (heeft) het gemor waarmee ge tegen Hem gemord hebt,  gehoord (..) – wat zijn wij? Niet tegen ons was uw gemor, maar tegen de Here’ (8).
Ver weg? Of dichterbij dan we ons bewust zijn en ons lief is? Psalm 78 heeft deze mentaliteit op deze wijze verwoord, berijmd door Willem Barnard: ‘Zij hebben zich als kinderen misdragen, / zij hebben Gods geduld bestormd met vragen, / vragen om steeds andere zegeningen: / Hij die uit rotsen water deed ontspringen, / kan Hij in deze barre eenzaamheid / ook voedsel geven, tafels toebereid?’
Ze gaan het verleden idealiseren en beklagen zich bij Mozes en Aäron: ‘Och, dat wij door de hand des Heren in het land Egypte gestorven waren, toen wij bij de vleespotten (!) zaten en volop (!) brood eten; want gij hebt ons in deze woestijn geleid om deze hele gemeente van honger te doen omkomen’ (3).
Het is oer-menselijk om deze vluchtweg, soms naar een denkbeeldige toekomst, meestal naar een opgehemeld verleden, te kiezen. We hebben moeite om de werkelijkheid, hier en nu, vooral tussen Elim en de Sinai, onder ogen te zien.
In Egypte was, vooral voor een slavenvolk, vlees een super-de-luxe artikel en brood was er, iets meer om te sterven, te weinig om te leven. En toch: vleespotten!; volop brood!
Ach, die goede, oude tijd. Toen de kerken nog vol waren! Toen iedereen tevreden was! Toen je nog echt iets voor elkaar over had! Is deze beeldvorming nou werkelijk waar of is de wens ook hier de vader van de gedachte?
Zou Prediker niet dichter bij de waarheid zijn, toen hij schreef: ‘Zeg niet: Hoe komt het, dat de vroeger tijden beter waren dan deze? Want niet uit wijsheid zoudt gij aldus vragen’ (7: 10).
Terugkomend op dat morren tegen… Die plek tussen Elim en de Sinaï is herkenbaar. Wegdromen naar een opgehemeld verleden ook. Maar hoe zit het met dat morren tegen…?
Er is tamelijk veel gemor tegen de leiding van ons land – mijnheer Balkenende heeft het zwaar te verduren -, ook tegen de leiding van de kerk – dominee Plaisier krijgt heel wat over zich heen -, maar dat gemor tegen de leiding is niet sowieso gemor tegen de Here God.
Zo’n vereenzelviging zou echt doodeng zijn: verzet tegen een politieke keuze, een kerkelijk beleid is verzet tegen de Here God. Dat zou het einde zijn van vrijheid van meningsuiting, ook van godsdienstvrijheid. Dat is terugverlangen naar de Geheime Dienst, eventueel naar de Inquisitie.
Morren tegen de leiding en dus tegen de Here God. Het gebeurt in een situatie van op de proefstellen, van uittesten dus. Als dat gebeurt, wat zou er dan met ons gebeuren? Hebben we daar ervaring mee, dat alles ons uit handen wordt geslagen, zelfs de eerste levensbehoeften? Wie daar iets van weet, mag het zeggen. Die woestijn Sin is weliswaar herkenbaar, maar we hebben genoeg van de Rabobank en van de C-1000 bij ons om voorlopig royaal te overleven. Maar als dat allemaal weg is, als sneeuw voor de zon, wat dan?
Laat ik voor mijzelf spreken. Ik vrees dat het morren tegen de kop zou opsteken, de boventoon zou voeren. ‘Leid ons niet in verzoeking’, dat is ‘test ons niet tot op de bodem’, zo bidden we in het Onze Vader. Toch is het niet denkbeeldig dat we zo’n tijd tegemoet gaan, vooral samen als kerk, althans hier in het Westen. Dat we alle macht en invloed-van-vanouds, alle steunpunten kwijtraken en alleen aangewezen zijn op het Woord, de beloften van God.
Dat gebeurde met het volk Israël in de woestijn Sin. Niets om te eten, om te overleven. Maar Hij, de Here God, zegt: ‘Ik heb het gemor der Israëlieten gehoord; zeg tot hen: in de avondschemering zult gij vlees eten en in de morgen zult gij met brood verzadigd worden; en gij zult weten, dat Ik, de Here, uw God ben’ (12).
Wat er te eten viel – letterlijk en figuurlijk: te eten viel – is goeddeels biologisch te verklaren. Kwakkels, een soort patrijzen, doodmoe na de vlucht overzee. En dan die witte substantie, waarschijnlijk een afscheiding van schildluizen die op woestijnstruiken leven. Wanneer de lucht droog is, wordt alles korrelig en valt het naar beneden.
Toen de Israëlieten het zagen, zeiden zij tot elkander – in het Hebreeuws – : ‘man hu?; want zij wisten niet wat het was’ (15). Vandaar de naam ‘manna’. Dat eten had, was een verhaal. Daarin klonk het Woord van God; het vertelde: ‘Ik ben de Here, uw God’. Ik ben genoeg voor iedere dag, waar en wie je ook bent. Daarom bidden we ook deze woorden in het Onze Vader: ‘Geef ons heden ons dagelijks brood!’ Als we zouden beseffen wat we hiermee zeggen, dan was de honger van miljoenen mensen in feite opgelost, tenminste op de terugtocht. Wie te veel neemt, zal merken dat het overschot bederft, tenzij het een voorschot betreft voor de sabbat.
Er wordt alom gesproken over de minima in ons land: de mensen met een minimumuitkering, een minimumloon, een minimumbudget. Daar willen we liever niet bij horen. En toch leven we van een minimum dat qua inhoud een maximum is. Brood uit de hand van God, genoeg voor iedereen. Brood uit de hemel: Jezus Christus. Hij heeft en is genoeg om te leven, om te overleven.
Als u en ik, als wij samen als kerk ons op Hem zouden concentreren, aan Hem genoeg hadden, wat zou de wereld dan veranderen: Vrijheid, die aanstekelijk werkt; Vrede die zich voortplant op de wijze van Psalm 85: ‘Goedertierenheid en trouw ontmoeten elkaar, gerechtigheid en vrede kussen elkaar’; Brood in overvloed, zodat niemand meer krepeert van de honger.
Ik denk dat de kerk ten dode is opgeschreven als ze een beetje op de Here God vertrouwt en voor de rest net zo denkt en doet als iedereen. Maar anderzijds heeft de kerk unieke kansen om een manier van leven te tonen, die aan en in zichzelf ten onder gaat. Voor mij is dat zo vast en zeker omdat het Woord van God zich aan mij opdringt en z’n eigen waarheid bewijst. ‘Man hu? Wat is dit?’ ‘Manna’, brood uit de hemel.
En verruil het alstublieft – met alle eerbied gezegd: in Gods Naam – niet voor taartjes, snoepjes en liflafjes van eigen makelij. De kerk is geen snackbar. Amen.

===   ===   ===

Exodus 17:7
Gehouden op:
*Zondag 2 mei, 1999, 10.00 uur te Beekbergen
Bijbellezing: Exodus 17: 1 – 7; 1 Corinthiërs. 10: 1 – 4.
*Zondag 2 mei 1999, 19.00 uur in de Sionskerk te Zwolle
Bijbellezing: Exodus 17: 1 – 7; 1 Corinthiërs. 10: 1 – 4.

‘Sta een ogenblik stil…’. Zo heet dit monumentenboek met het oog op de jaren 1940 tot 1945.
Ik blijf eerst dicht bij huis: de Woeste Hoeve. Op 8 maart 1945, in het zicht van de bevrijding dus, werden daar 117 mensen doodgeschoten, uit wraak, als represaille, op een overval van het verzet op een auto met Duitse militairen.
Ik stond er maandagavond, omdat ik de tekst van Bonhoeffer, gegraveerd op het pad naar het monument, wilde weten.
Indrukwekkend, zo in je eentje.
Ik las de namen: 116 in getal en één naam onbekend. En die tekst van Bonhoeffer, op 9 april 1945 opgehangen als ‘persoonlijke gevangene van Hitler’.
Hij schreef van uit de gevangenis: ‘Als je van iemand houdt / en je bent van diegene gescheiden / kan niets die leegte vullen / je moet dat niet proberen. / Je moet eenvoudig aanvaarden en volharden / Dat klinkt erg hard / Maar het is ook een grote troost / Want zolang de leegte werkelijk leeg blijft / blijf je daardoor met elkaar verbonden’.
Al bladerend zie ik ook beelden en teksten van de erebegraafplaats in Bloemendaal. Daarheen lopend zie je de tekst van Henk van Randwijk – oprichter van Vrij Nederland – : ‘Bedenk, dat hetgeen gisteren bedreigd werd, heden en morgen opnieuw in gevaar kan verkeren. Bescherm het en wees waakzaam. Tot zolang moge het pad, dat tot deze stille plek leidt, begaanbaar blijven voor de voeten van allen, die zich hier bezinnen op de waardij van vrijheid en gerechtigheid’.
Ik leg dit boek terzijde en blader in – zoals iemand dat ooit noemde – Gods oude plakboek. Ik sta eens even stil bij die gedenkwaardige plaatsen, met die wonderlijke namen. Massa en Meriba. Daar zit een verhaal achter, om nooit meer te vergeten, zo menselijk en zo goddelijk ineen.
Wat gebeurde er na die grote bevrijding uit Egypte? Marcheerden ze in rechte lijn, psalmen zingend en in grote harmonie, het Beloofde Land binnen?
Pascha, Pasen… Hoe gaat dat bij ons, met het Paasfeest in de rug en op weg naar de voleinding der wereld, het Koninkrijk van God? In rechte lijn en met een aanstekelijk lied?
En nog een vraag, waardoor alles zo dichtbij komt: wat hebben wij sinds de meidagen van 1945 met het geschenk van de vrijheid, met de waardij van de gerechtigheid gedaan?
Ik lees hier: ‘De hele vergadering der Israëlieten brak op (…) trekkende van pleisterplaats tot pleisterplaats, naar het bevel des Heren’. Niet als een speer door de woestijn, gesteld dat dit zou kunnen, maar van de ene plek, pleisterplaats naar de andere.
‘Naar het bevel des Heren’. Geen slechte vertaling, al klinkt het wat ‘befehlerig’. In het Hebreeuws staat letterlijk: ‘(hangend) aan de mond des Heren’. Dat is geloven: ‘hangen aan des Heren mond!’ Houd je dat wel vol in de woestijn? ‘Hangen aan des Heren mond’. Met al die gruwelen voor ogen, met al die scheuren in je hart.
Het loopt uit de hand in de woestijn. Het volk begon met Mozes te twisten. Ik ga dat niet mooi maken, maar ik vind het zo menselijk. Stel je voor dat het volk Israël die tocht door de woestijn beleefde op de wijze van Job, althans Job aan het begin van zijn lijdensverhaal: ‘De Here heeft gegeven, de Here heeft genomen, de Naam des Heren zij geloofd’. Dat zou groots en geweldig zijn, maar voor mij ook onbereikbaar.
Ik luister met diepe eerbied naar al die mensen die zelfs in Auschwitz deze toonhoogte nog vasthielden, maar op die hoogten sta ik niet. Ik voel wel wat voor dat gemurmureer. Om nog even aan Job te denken: in het vervolg van zijn levens -, lijdensverhaal zegt hij ook andere dingen naar God toe. Hij wordt er ook niet op afgerekend, laat staan afgeschreven. De verhouding met God is er alleen maar hechter en echter door geworden.
‘Geeft ons water!’ In het Hebreeuws heeft het wel de klank van ‘Befehl ist Befehl’. Je hoort het de klank: ‘tenu lanu majim’. Wonderlijk trouwens dat meervoud: ‘geeft!’ Of toch: achter Mozes….God?
Hoe dit ook zij, Mozes reageert: ‘Wat twist ge met mij? Wat stelt gij de Here op de proef?’ Weer zo wonderlijk: in één adem: met mij twisten, dat is: de Here op de proef stellen!
In dit laatste zit het venijn: de goede trouw van God wordt door het volk niet alleen van vraagtekens voorzien, maar blijkens het vervolg terzijde geschoven en als gebakken lucht beschouwd. Daarom mort, murmureert het volk zo verder tegen Mozes: Waarom hebt gij, jij, Mozes, ons uit Egypte gevoerd?
God komt niet meer ter sprake. Zijn Naam, die ten diepste betekent: Ik ben bij u, Ik ga met u mee, is niet meer aan de orde. Uitleiden uit Egypte kon Hij misschien nog wel, maar verantwoording dragen voor het verdere verloop wil of kan Hij niet! Hij is, hoe dan ook, niet meer in ons midden.
Dan is het leven, de samenleving, God-loos geworden. Het dragende midden, de as die alle spaken vasthoudt is verdwenen. Dat is ontzettend! Vandaag de dag hebben we daar andere woorden voor: secularisatie, alles herleid en beperkt tot het platte vlak; nihilisme, de gapende leegte. Niemand kan daar echt bij en mee leven. Er komen andere goden, heren en heer-schappen. Ook in onze tijd.
Religie is in. Allerlei stromingen die ons met huis en haard, met hart en ziel aan zich willen binden, schieten als paddenstoelen uit de grond. Professor Miskotte schreef ooit over de vierde mens: na de heiden, de jood en de christen, de mens die van niemand of niets meer wil weten of van alles een hutspot maakt, maar ook in dit opzicht raken de uitersten elkaar.
Wat doet Mozes, de man Gods, nu? Hij schreeuwt – dat woord staat er: krijten en kreunen ineen – hij schreeuwt tot de Here: ‘Wat moet ik met dit volk doen? Nog een ogenblik en zij gaan mij stenigen’.
Stenigen, dat is blijkens de Heilige Schift, de straf die staat op de verleiding tot afgoderij, waarover in Deuteronomium 13 uitvoerig wordt geschreven: ‘Gij zult hem stenigen, zodat hij sterft, omdat hij getracht heeft u af te trekken van de Here, uw God, die u uit het land Egypte, uit het dienst huis heeft geleid’ (13: 10).
Is het volk zo verblind dat het de dienst aan de levende God als afgoderij bestempelt? Is Jezus Christus later niet om soortgelijke, godsdienstige redenen veroordeeld en gekruisigd? Ooit zei Hij – aan het slot van Johannes 8 – : ‘Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, eer Abraham was, ben Ik!’ En dan lezen we: ‘Zij namen dan stenen op om naar Hem te werpen; maar Jezus verborg zich en verliet de tempel’ (9: 39).
Wat doet Mozes, de man Gods? De hamvraag is: wat doet de Here God zelf? Het antwoord is zo indrukkend, geeft zoveel te denken en nog meer te danken. Mozes moet de staf nemen, waarmee hij indertijd de Nijl en even later de Schelfzee geslagen heeft. Een herdersstaf, die een heersers-staf is, maar het is geen toverstaf. Lees en luister maar mee: ‘Ga voor het volk uit en neem enige van de oudsten met u, neem ook de staf, waarmee gij de Nijl geslagen hebt, in uw hand en ga heen’, En dan volgt een regel, een belofte, waar alles om draait: ‘Zie, Ik zal daar voor u op de rots staan, de rots bij Horeb’.
Daarom is die staf geen toverstaf. Later kon Mozes die verleiding niet weerstaan. Hij sloeg op een rots, als zou hij water kunnen oproepen. Daarmee verspeelde hij zijn eigen intocht in het beloofde land. Ik zal voor u op de rots slaan. Niet de woorden van Psalm 68: ‘God is de bron, de klare wel, springader voor heel Israël, uit Hem vloeit louter zegen’. Het kan niet toevallig zijn dat die rots nader bepaald en benoemd wordt: de rots bij Horeb! De rots die getuige is van Gods verbond. Dat verbond staat als een boog over het volk heen, in goede en in kwade dagen. God is, naar het woord van Pascal, niet de God van de filosofen, die denkladdertjes uitschuiven naar boven, naar de hemel toe, maar de God van Abraham, Isaäc en Jakob, de Vader van Jezus Christus, de God van het verbond. Hij is de God die neerdaalt.
Nu begrijp ik ook beter waarom de apostel Paulus schrijft: ‘Zij dronken uit een geestelijke rots die met hen meeging, en die rots was de Christus’ (1 Cor. 10: 4). Zondag 2 mei 1999. Deze zondag, de vierde na Pasen, heeft sinds jaar en dag een naam: zondag Cantate, dat is: zingt. De tijd na Pasen is vanouds een vreugde-tijd. Wie kan deze toonhoogte – de Heer is waarlijk opgestaan; de dood is in wezen overwonnen! – wie kan deze toonhoogte aanhouden? Is de reactie van het volk Israël ons werkelijk zo vreemd? Die woorden van Psalm 78 typeren ook ons bestaan: ‘Mijn God, hoe snel vergeet men zijn bevrijding. / Blijdschap valt licht ten offer aan ontwijding. / Gij Heer, die heilig zijt en heilig voorging, / vergeten zijn Uw heil en Uw verhoring / bij ’t volk dat nu schoorvoetend verder trekt, / maar eenmaal door uw hand werd opgewekt’.
Is de Heer ook in ons midden? Zo ja, hoe en waar is dat te merken? Wij hebben geen toverstaf, wij kunnen Zijn aanwezigheid niet afdwingen, ook niet organiseren. We gaan telkens weer terug naar de lichtkring van Gods verbond, ten diepste onthuld in Jezus de Christus, die door de Heilige Geest bij ons present wordt gesteld. Zo slaan ook wij op de rots, in de hoop, met de stellige verwachting dat Hij daar op de rots zal staan. Alleen Hij-zelf kan het water doen vloeien. Preken is ook een vorm van slaan op de rots. Niet eigenmachtig, want dat werkt averechts en blokkeert zelfs de toegang naar het Beloofde Land. Hoe dan wel?
Nog eens met de woorden van professor Miskotte: ‘preken is het openhouden der handen in bevende, maar stellige verwachting, dat Hij daarin doet vloeien het levende water, om het zo, in diezelfde handen, te brengen naar de gekwelde mensen’. Over ons is de belofte uitgeroepen:
‘Waar twee of drie in Mijn Naam vergaderd zijn, daar ben Ik in hun midden’. Amen.

===   ===   ===

Exodus 20, 1e gebod
Gehouden op
*Zondag 29 oktober  1972; 13.30 uur te Oosthem.
Bijbellezing: Exodus 20

Met de jongste groep catechisanten zijn wij bezig met de Tien Geboden. We zijn nog maar even op weg, maar al lezend, luisterend en pratend ontdekken we hoe actueel, hoe nieuw deze oude woorden zijn.
Ik wil u graag uitnodigen om mee te gaan op deze ontdekkingstocht. Misschien zullen we lezend, luisterend en meedenkend de glans van deze oude woorden gaan zien.
Door al deze geboden ruist het lied van de vrijheid. Daar gaan ze van uit, en daar wijzen ze heen: vrijheid, bevrijding. Wie goed luistert, hoort de klanken van deze melodie bij ieder woord.
Dat is heel merkwaardig. Hoe kan een gebod, een voorschrift, nu bevrijdend werken? Dat gaat voor ons gevoel niet samen. Al die regels en voorschriften vormen eerder een inperking, een aantasting van onze vrijheid. Dit mag niet en dat mag niet; dit moet je doen, maar dat moet je laten. Hoe kan een dominee nou beweren dat al die woorden een groot vrijheidslied vormen?
Heel veel mensen vullen het woordje vrijheid zo, dat er geen gebod, geen voorschrift in past. Vrijheid is: doen wat je maar wilt, met niets en niemand iets te maken hebben. Al die regels en wetten kunnen ons gestolen worden, want zij tasten onze vrijheid aan. We zullen zelf wel uitmaken wat we doen. Daar hebben we niemand anders bij nodig.
Zo denken steeds meer mensen. Daarom is er zoveel onrust, zoveel verzet, zoveel protest tegen alles wat maar met wetten, met geboden samenhangt. Want die twee, gebod en vrijheid, verdragen elkaar niet, sluiten elkaar uit, volgens een steeds groter wordende groep mensen.
Deze gevoelens en gedachten moeten we nu eens even laten rusten, om aandachtig te kunnen luisteren naar wat de Bijbel zegt. Ook hier wordt de vrijheid hoog geprezen. Zij wordt beschouwd als het meest kostbare geschenk, aan mensen toevertrouwd. Op zo iets kostbaars moet je zuinig zijn.
Hoe wordt die vrijheid nu verkregen en bewaard? Niet in een stuk ongebondenheid, niet in doen wat je maar wilt, maar alleen door gebondenheid aan God, in gehoorzaamheid aan Hem. Pas dan zullen we waarlijk vrij zijn. Daarom zijn de Tien Geboden gegeven, om mensen de weg te wijzen op het pad van de vrijheid. Daarom ruist het lied van de vrijheid door al deze woorden heen. Zullen we eens gaan luisteren om die melodie op te vangen?
Welke God geeft deze geboden? Is Hij een vreemde, hogere macht, die de mensen wil ringeloren? Nee. Hij is de God die Zichzelf bekend heeft gemaakt als de grote Bevrijder. ‘Ik ben de Here, Uw God, die u uit het land Egypte, uit het dienst huis, geleid heb’. Zo heeft u Mij toch leren kennen? Ik heb u weggehaald uit de slavernij. Die kleine, stotterende Mozes sprak namens Mij tot de grote, machtige Farao: ‘Laat Mijn volk gaan!’ Wat Ik, God, van plan ben, dat gaat door, zelfs wanneer heel Egypte moord en brand schreeuwt en alle strijdkrachten optrommelt om Mij te dwarsbomen. Dat is vergeefse moeite, want door tegen Mij, God, op te staan, doen zij Zichzelf de das om. Zij komen om in de Schelfzee. Ik ben de Here, uw God, uw Bevrijder. Dat heb Ik bewezen vanaf Egypte, en elke dag maar weer. Blijf toch bij Mij, Uw Bevrijder, want alleen dan zal de vrijheid bewaard worden.
Ik geef u een paar vuistregels, handwijzers, om in het spoor van de vrijheid te blijven. Zonder die regels verdwaalt u in een doolhof, en tuimelt u weer in de slavernij.
Deze begintoon van de Tien Geboden klinkt door alle woorden daarna heen. ‘Ik ben de Here, Uw God!’ Als u prijs stelt op Uw vrijheid, blijf dan bij Mij, uw Bevrijder!
Alles luistert hier heel nauw, omdat de vrijheid zo’n kostbaar geschenk is. Wie daaraan gaat prutsen, zit spoedig met een hand vol scherven. Daarom luistert alles ook zo nauw bij deze bevrijdende God. Met Hem valt niet te schipperen. Het is alles of niets. In deze verhouding tussen God en mens is geen plaats voor een derde. Dat verdraagt God niet. Een derde kan alleen maar roet in het eten van de vrijheid gooien.
Daarom staat er verder: ‘Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben’. Over die beide woorden – goden en aangezicht – zullen we een paar dingen zeggen.
Eerst over die andere goden. Daarbij denken we misschien: andere goden, afgoderij, dat was vroeger een probleem, maar komt nu nog zelden voor. Dat is nog de vraag, maar daar komen we straks wel op. Voor het volk Israël was het in ieder geval een grote verleiding. Bij de tocht door de woestijn begon het al. Er werd gemopperd, geklaagd, platweg gezegd: gekankerd, dag aan dag. Waren we maar in Egypte gebleven. Daar wisten we tenminste, waar we aan toe waren, al was schraalhans dan ook keukenmeester. Door de contacten met de andere volken en hun godsdiensten, werd de verleiding nog sterker. Allerlei goden en machten kwamen binnen het gezichtsveld. Vooral de Baäls, de goden van de vruchtbaarheid en de welvaart. Zij weren op velerlei wijzen vereerd, aangepast aan de verlangens van de mensen. Deze verleiding werd het volk Israël telkens weer te sterk. Nee maar, die Baäls, dat zijn aardige jongens. Goden die garant staan voor meer welvaart, meer geluk, meer levensvreugde. Dat is altijd meegenomen. Baat het niet, het schaadt ook niet.
Nou, dit laatste was een dodelijke vergissing. De schade was het verspelen van de vrijheid en een wegzakken in de slavernij. Geen andere goden tussen u en Mij, uw Bevrijder. In deze verhouding is geen plaats voor een derde, want die vergiftigt de vrijheid, die u geschonken is. Vandaar de felheid van de profeten, die het volk waarschuwden om huns levens wil. Denk maar aan het aangrijpende verhaal van Elia op de Karmel. Mensen, God laat zich niet door elkaar klutsen met de goden tot een grote hutspot. ‘Kies nu wie gij dienen wilt! Indien de Here God is, volg Hem na. Maar als u liever de Baäls hebt, volgt hen dan na’. U moet het zelf weten, maar allebei, God en de goden, gaat niet.
Geen andere goden. Straks gaan we die woorden door vertalen. Dan zal blijken dat de goden springlevend zijn. Maar eerst nog een paar opmerkingen over die uitdrukking: ‘voor Mijn aangezicht’.
Het woordje aangezicht komt telkens in de Bijbel voor. Het duidt aan dat God aanwezig is, present, tegenwoordig. Gods aangezicht is als de zon, die warmte verspreidt zodat het leven gedijen kan. Onder Gods aangezicht is er warmte, vrede, vrolijkheid. ‘Gods vriend’lijk aangezicht, geeft vrolijkheid en licht’.
Maar wanneer er iets tussen wordt geschoven, dan kan de warmte niet meer bij de mensen komen. Evenals wanneer er een zonsverduistering plaats vindt. Wanneer Gods gelaat niet meer ontdekt kan worden, dan wordt alles kil en koud, dan komt er schrik en angst, dan kan het leven niet meer gedijen. De Psalmen zijn vol van ontzetting en klachten, wanneer Gods aangezicht verborgen is. Dit ontzettende gebeurt, wanneer andere goden tussen Hem en ons worden geschoven. Dan wordt Gods aangezicht verduisterd, zodat er een verstikkende duisternis ontstaat.
Nu weten we een klein beetje beter wat de betekenis is van deze oude woorden. Zullen we ze eens verder gaan door vertalen, zodat ze ons na aan het hart komen?
‘Ik ben de Here, uw God, die u in de vrijheid breng. Blijf dan ook bij Mij, uw Bevrijder. Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben’. Welke zijn dat, andere goden? Ze heten nu anders dan ten tijde van het volk Israël, maar ze hebben nog dezelfde functie. Andere goden zijn machten, personen, dingen, van wie de mensen heil, geluk, verwachten. Zonder dat voelen ze zich wankel en weerloos, onzeker en leeg.
In de kring van catechisanten kwamen een hele reeks voorbeelden naar voren. Machten, personen, dingen, van wie de mensen heil, geluk verwachten. Voor veel mensen zijn dat verdovende middelen. Voor anderen is dat de sportverdwazing. Weer anderen hebben zich gebonden aan de drank. Anderen zweren bij een politieke partij of bij een politiek systeem, waarbij geen tegenspraak wordt geduld. Talloze mensen hebben zich overgeleverd aan hun geld, aan hun bezit. Daar verwachten ze al hun heil van.
Er zouden nog wel meer voorbeelden te noemen zijn. De goden, hoe ze dan ook heten, zijn nog lang niet gestorven, maar bewegen zich springlevend onder ons. Zij worden tussen God en ons geschoven en verduisteren Gods aangezicht, zodat wij, mensen in de slavernij belanden.
Ten slotte nog een vraag waar u maar eens over na moet denken. Er wordt in onze dagen veel geklaagd over en geleden onder de afwezigheid van God. Hij hult Zich, voor ons gevoel, in een groot stil zwijgen. Hij verbergt Zijn aangezicht. Nu moet u nog eens denken aan dat beeld van de zonsverduistering. En nu de vraag: hebben we het niet voor het grootste deel aan onszelf te wijten, dat God verborgen, afwezig is? Hebben we niet zoveel goden opgetrommeld, dat Zijn aangezicht wel verborgen moet zijn? Zorgen we niet zelf voor deze Gods-verduistering? Pas wanneer we deze goden de laan uit sturen, zullen we het aangezicht van God weer ontdekken en zo in vrijheid leven, spelen en werken. Want de hoogste vrijheid is slechts daar, waar mensen gebonden zijn aan deze geweldige God, die bevrijdend bezig is tot op de dag van vandaag. Amen.

===   ===  === 

Exodus 20:7, 3e Gebod
Gehouden op:
*Zondag 7 januari 1973, 13.30 uur te Abbega.
Bijbellezing: Exodus 3: 1 – 14.

In de laatste maanden van het vorige jaar hebben wij over twee van de Tien Geboden nagedacht. Wat ik toen gezegd heb, zult u zich niet meer van a tot z herinneren. Maar als ik u een beetje help, komen de grote lijnen misschien weer boven.
Door alle woorden van de Tien Geboden ruist het lied van de vrijheid. Wie goed luistert, hoort deze bevrijdende klanken, die ons hart mateloos verheugen. Dat is een merkwaardige ontdekking.
Bij het woordje gebod, wet, voorschrift denken wij meestal aan inperking, beknotting van onze vrijheid. Dit mag niet en dat mag niet. Dit moet je doen, maar dat moet je laten.
Maar wie de woorden tot zich door laat dringen, merkt dat hij, luisterend en gehoorzamend, in de vrijheid wordt gebracht. Deze woorden worden gesproken door een God, die ons bevrijdt: Ik ben de Here, Uw God, die u uit de slavernij heb gevoerd. Blijf dan bij Mij, die Uw Bevrijder is. Ga niet achter andere goden aan, hoe ze ook mogen heten, hoe ze er ook uitzien, want dan verspeel je de vrijheid, die Ik je geschonken heb. Zo beginnen de Tien Geboden.
In het tweede gebod gaat het vrijheidslied verder: Gij zult Mij, uw God, niet in een beeld persen. Dat kan niet, want Ik ben God. Je kunt Mij niet naar je toehalen, je kunt Mij niet vastzetten, vastspijkeren in een beeld. De enige manier, waarom Ik in uw midden ben, is door Mijn Woord en door Mijn Geest. Een beeld is star, onbeweeglijk, dood. Daar zit geen muziek in. Maar Ik, uw God, ben de levende, iedere dag weer verrassend en nieuw.
Vanmiddag gaan we naar het derde gebod luisteren: ‘Gij zult de Naam van de Here, uw God, niet ijdel gebruiken’. Dat betekent heel wat meer dan: je mag niet vloeken, maar dat zullen we al luisterend wel gaan ontdekken.
De Naam van de Here, uw God. Wat betekenen deze woorden? Dit regeltje is moeilijker dan u denkt, maar in wezen o zo eenvoudig. Ik zal proberen het met een voorbeeld wat dichterbij te brengen. Wanneer u straks thuiskomt, zou iemand kunnen vragen: wie preekte er vanmiddag? Als u dan zou antwoorden: een mens, dan sprak u de waarheid. Want de man, die hier staat, is een mens. Maar de vragensteller zou u vreemd aankijken en misschien wel boos worden. Een mens! Dat kan ik zelf ook bedenken. Er staan in Abbega geen schapen op de preekstoel. Wie preekte er? Een mens. Dat is wel waar, maar het woordje mens is een verzamelnaam, een algemene aanduiding. Zo algemeen, dat het weinig zegt. Maar wanneer we een naam zeggen, dan weten we precies wie bedoeld wordt. Wij zijn allemaal mensen, maar toch elk voor zich verschillend. Ieder mens draagt een eigen geheim. Dat bijzondere, dat unieke, drukken we uit door onze naam.
Met dit voorbeeld in gedachten gaan we nog eens luisteren: De Naam van de Here, uw God. Is het woordje God ook niet een verzamelnaam, een algemene aanduiding, zoals ook het woordje mens is? Het wordt in allerlei godsdiensten en stromingen gebruikt. De een denkt er dit bij, een ander dat, een derde weer iets anders. Het Opperwezen, de Voorzienigheid, de lieve Heer, er zal wel iets wezen en noem maar op. Al die verschillende voorstellingen worden aangeduid door het woordje God. Het is een verzamelnaam, een algemene aanduiding. Geen wonder dat het woordje God veel mensen niets meer zegt. Je kunt er van alles bij denken, met het gevolg dat je er niets meer bij denkt.
Bij de God van Israël is dat anders. Hij is bijzonder, Hij is uniek. Hij draagt een eigen geheim. Dat geheim wordt uitgedrukt in Zijn Naam. Wanneer we Hem God noemen, dan bedoelen we niet een hogere macht, niet de lieve Heer, niet een verzamelnaam waar alles in past, maar dan bedoelen we die God, die een bepaalde Naam heeft. Dan is misverstand en spraakverwarring uitgesloten. Door deze Naam wordt dat algemene woordje God heel bijzonder, heel uniek.
Ik hoop dat u al luisterend wat nieuwsgierig wordt. Hoe is dan de Naam van deze God? Voordat we daarnaar gaan luisteren, noem ik eerst nog twee punten, die voor een goed verstaan belangrijk zijn.
Het eerste is dit: in de gedachtenwereld van het Oosten was een naam niet iets bijkomstig, zo van: als het beestje maar een naampje heeft, maar iets wat met de kern, het wezen van iemand te maken had. De naam drukte uit wie iemand was, wat van hem of haar verwacht mocht worden. Israël: strijder met God! Elia: mijn God is de Here! Johannes: de Here is genadig. Jezus: de Here redt!
Van iemand mocht verwacht worden dat hij zijn naam eer aan deed. Het minste wat iemand kon doen, was zijn naam te grabbel gooien. Dan sleurde hij zichzelf door de modder.
Een tweede punt: wanneer iemand een naam geeft, dan betekent dat, dat hij gezag, zeggenschap over de ander heeft. Ouders geven hun kinderen een naam, dat wil zeggen: zij hebben gezag over hun kinderen. Even onthouden: de naam drukt uit wie iemand is, wat van hem of haar verwacht mag worden, en: wie een naam geeft aan een ander, heeft gezag over die ander.
Nu gaan we verder. De Naam van God. Hebben mensen deze Naam bedacht? Nee! Dit zou betekenen dat wij gezag over Hem hebben. Dat wij Hem naar onze pijpen kunnen laten dansen, dat wij Hem naar onze hand kunnen zetten. Dat zouden we wel willen. Daarom is het heidendom zo verleidelijk. Daar worden de goden naar onze maat gesneden, zodat ze in onze kraam passen. Maar de levende God, de God van Israël, is anders. Wij hebben geen gezag over Hem, maar Hij heeft gezag over ons. Niet wij bedenken Zijn Naam, maar Hij Zelf heeft Zijn Naam geopenbaard, bekendgemaakt. Hoe is deze Naam dan?
Nu gaan we luisteren naar het verhaal uit Exodus 3. Het duurde even, voordat we hier uitkomen, maar dat is wel nodig. Want er liggen zoveel misverstanden en struikelblokken, die we eerst moeten opruimen.
Mozes, een schaapherder, werd geroepen tot een haast bovenmenselijke taak. Hij hoorde een Stem: Mozes, Mozes! Van wie was deze Stem? De Stem van God! Dat is zo algemeen, dat het weinig zegt. Er zijn zoveel mensen, die stemmen hebben gehoord of nog steeds horen. Wie zal zeggen of Mozes niet de stem van zijn eigen hart voelde? Want talloze mensen beweren dat godsdienst een projectie, een weerspiegeling is, van alles wat er diep in een mensenhart leeft. De Stem van God! Maar deze God is bijzonder, uniek. Niet zomaar een God, maar de God van Abraham, de God van Isaäc, de God van Jacob. Door deze aanduiding wordt dat algemene woord God met een bepaalde inhoud gevuld. Mozes, Ik heb de ellende van Mijn volk Israël gezien en hun klacht gehoord!
Ga, naar Farao, en zeg tot hen: Laat Mijn volk gaan! U moet zich dat eens voorstellen. Een bovenmenselijke opdracht. Even zwaar, als wanneer iemand morgen naar Rusland zou gaan en tot de leiders van dit land zouden zeggen: Laat de Joden gaan! Brezjnef, Kosygin en de andere grote heren zouden zich dood lachen om zo’n kostelijke grap. Wie ben ik, dat ik naar Farao zou gaan en de Israëlieten uit Egypte zou leiden? Wat zal Farao zeggen? En wat zullen de Israëlieten zeggen? De God van uw voorouders, van Abraham, Isaäc en Jacob, heeft Mij tot u gezonden. Is dat genoeg? Is dat voor geen misverstand vatbaar? Misschien vragen ze wel: hoe is de Naam van deze God? Wat moet ik dan zeggen?
Dan volgen de woorden, waarin God Zijn Naam bekend maakt. ‘Ik ben die Ik ben’. Zo is Mijn Naam. Wat betekenen deze geladen woorden? We kunnen ze niet van a tot z begrijpen, omdat we deze God niet van a tot z doorgronden. Maar zoveel is wel duidelijk dat we een levenlang ons hart en onze handen vol hebben. Ik ben bij u! Ik ben met u! Zo is Mijn Naam en deze Naam drukt uit wie Ik ben, wat van Mij verwacht mag worden. Ga nu maar op weg Mozes, in Mijn Naam. Zeg tot Farao: Laat Mijn volk gaan. Roep de Israëlieten om zich klaar te maken voor het vertrek.
Mozes is gegaan en hij kwam niet bedrogen uit. De Farao moest zich ten slotte gewonnen geven en het volk Israël ging op weg, uit het diensthuis, uit de slavernij naar het beloofde land. Zonder garantie, behalve met de belofte van deze bijzondere, unieke God: Ik ben bij u! Ik ben met u!
Als wij nu het woordje God noemen, dan bedoelen wij niet God in het algemeen, maar deze bijzondere God, die deze Naam draagt. Hij doet Zijn Naam eer aan. Dat heeft Hij bewezen in de geschiedenis van Zijn volk Israël. Dat heeft Hij lijfelijk bewezen in Hem, die Immanuël, God met ons, genoemd wordt.
Zozeer is deze God bij en met ons, dat Hij onze broeder is geworden, om ons wankele leven steun te geven, om het heden te vullen met vreugde en de toekomst met hoop.
In vertrouwen op deze Naam leven en werken mensen. In vertrouwen op deze Naam bidden zij: Doe het om Uws Naams wil. U heeft toch beloofd dat U bij ons bent. Laat ons dat dan ook merken. Uw Naam is immers geen holle klank, maar een levende werkelijkheid.
De Naam van de Here, uw God. Wanneer we hierover nadenken, raken we aan het hart van God. Ik ben bij u! Ik ben met u! Daarbij past ons eerbied, dankbaarheid en bescheidenheid. Zijn Naam ijdel, zomaar, zonder reden gebruiken is het ergste wat er is. Dan raken we het hart van God, zonder dat ons eigen hart erbij betrokken is.
Ik ben bij u. Ik ben met u. Dat vraagt van ons dat we ons leven inrichten naar deze belofte, naar deze heilzame tegenwoordigheid van God. Anders gebruiken wij Zijn Naam ijdel, tevergeefs, zoals de mensen doen van wie Jezus zegt: ‘Niet een ieder die tot Mij zegt: Here, Here, zal het Koninkrijk der hemelen binnengaan, maar wie doet de wil van Mijn Vader, die in de hemelen is’. Amen.

===   ===   ===

Exodus 20: 8-11, 4e Gebod
Gehouden op
*Zondag januari 1973, 1.30 uur te Abbega.
Bijbellezing: Exodus 23: 10 – 12; Marc. 2: 23 – 28. 4e gebod.

Vandaag is het zondag. Een dag, anders dan de maandag, de dinsdag en de overige dagen van de week. Op de zondag doen we doorgaans andere dingen, waar we in de week niet aan toekomen. Wat die andere dingen zijn, verschilt van mens tot mens. De een brengt de zondag zus door, een tweede zo, een derde weer anders.
In de kring van de catechisanten hebben we aan elkaar de vraag gesteld: Hoe breng jij de zondag door? En: Is de zondag een feestdag voor je; zo ja, waar zit dat feestelijke dan vooral in?
Er kwam een hele reeks antwoorden. Dat zou ook gebeuren wanneer ik u zou vragen: Wat betekent de zondag nou voor u? Waarin zit voor u het bijzondere, het feestelijke karakter?
U moet daar zelf maar eens over nadenken. Het is wat moeilijk om de antwoorden op een bord te schrijven, in een duidelijk overzicht. Er zouden veel overeenkomsten naar voren komen, maar ook veel verschillen.
Het is verstandig en zinvol om nu eens verder te vragen. Niet blijven stil staan bij de vraag: Wat denk jij ervan, en jij? Maar doorstoten naar een andere vraag: Wie heeft deze rustdag gegeven? Wat is ermee bedoeld?
Als we daar een klein beetje zicht op krijgen, dan kan ieder voor zichzelf controleren of hij met zijn gedachten en gevoelens op het goede spoor zit of niet.
Daarom gaan we luisteren naar de Bijbel. We hebben een paar verzen uit Exodus 23 gelezen. Zes dagen zult gij uit werk doen, maar op de zevende dag zult gij rusten om adem te scheppen, om op adem te komen.
Wanneer we deze woorden tot ons door laten dringen, doen we een ontdekking, die de moeite van het onthouden waard. De rustdag is er ter wille van de mens. Zes dagen mag hij werken, zijn best doen, zich inspannen.
Maar we leven gelukkig niet alleen om te werken, hoe belangrijk de arbeid met hoofd, hart en handen ook moge zijn. We hoeven niet te werken tot we er uitgeput bij neervallen en naar adem snakken. Want de werkdagen mogen onderbroken worden door de rustdag, om adem te scheppen, om op adem te komen. De sabbat, de rustdag is er ter wille van de mens. Om het menselijke leven te bewaren, te beschermen. Niet alleen het leven van de mens, maar ook dat van de dieren en de kring wordt nog wijder: ook de aarde, de levende natuur mag op adem komen: in het zevende jaar zult gij het braak laten liggen, want de schepping is niet een bezit van jezelf, maar een geschenk, waar je met zorg mee om mag gaan.
Dat is het eerste punt, dat we onthouden: de sabbat, de rustdag is gegeven ter wille van de mens, ter wille van de dieren, ter wille van de leefbaarheid van de aarde.
Nu een tweede punt. De rustdag is geschonken aan de mens. Door wie? Door God, de Schepper van hemel en aarde. Bij het Derde Gebod hebben we gezien dat het woordje God voor allerlei misverstand vatbaar is. Het is zo’n algemeen woord, dat je er ongeveer alles bij kunt denken, met het gevolg dat je er misschien niets meer bij denkt. Maar in de Bijbel is dat woordje God in een heel bijzondere zin bedoeld. Niet God in het algemeen, maar die God die Zijn Naam heeft gezegd. Zijn Naam luidt: Ik ben met u! Ik ben bij u! Altijd en overal.
Deze bijzondere God, die Zichzelf bekend heeft gemaakt, die Zijn Naam heeft gezegd, deze God heeft de rustdag geschonken aan de mensen. De mensen mogen deze dag vieren, als een teken dat ze bij deze God behoren. Het is een uiting van verbondenheid tussen deze geweldige God en ons, kleine mensen. Wij zijn beelddragers van God. Wij mogen uitbeelden wat God heeft gedaan. In ons gewone werk, maar vooral op de rustdag.
Want wat heeft God gedaan? In zes dagen heeft Hij de hemel en de aarde geschapen, met alles wat is en leeft. De zon, de maan, de sterren, de mensen, de dieren, de planten en alle wonderen die we om ons heen zien en die we zelf zijn. Op de zevende dag rustte Hij. Niet om te gaan luieren, niet om te gaan slapen. Lees maar wat in het lied van de schepping bezongen wordt. Op de zevende dag keek God naar alles wat Hij geschapen had. Hij verheugde Zich. Hij genoot. Hij was blij als een Kind. Alles is zeer goed. Zoals een boer op zondag over zijn akkers loopt en geniet van alles wat groeit en leeft, bekeek God op de zevende dag Zijn Schepping, en Hij verheugde Zich. Alles is zeer goed. Daarom zegende de Here de sabbatdag en heiligde die.
Er moet tijd zijn om op adem te komen, om een lichtje te scheppen; er moet tijd zijn voor de vreugde, voor de dankbaarheid.
Omdat wij kleine mensen bij deze geweldige God mogen behoren, daarom vieren we de rustdag. Als beelddrager van God beelden we uit wat God heeft gedaan. We laten het werk eens even rusten, om op adem te komen. Anders zouden we stapelgek worden, en dodelijk vermoeid raken. Anders zouden we gaan denken, dat we alleen maar leven om te werken. Maar we zijn niet veroordeeld om te sjouwen en te zwoegen tot de dood erop volgt.
Er is tijd voor bezinning, tijd om even stil te staan, tijd om te denken: Wie ben ik? Wat doe ik? Wat is de zin van alles? Misschien dringt dan de vreugdeboodschap tot ons door: we zijn door God geschapen, we worden door Hem bemind, we mogen met Hem meegaan, op weg naar Zijn toekomst. Dan gaan we ons, met God mee, verheugen, ondanks alles. We dreigen op ons eentje vaak te verdwalen, in deze waanzinnige wereld. Mensen schreeuwen, met grote monden. Mensen slaan, met harde vuisten. Allerlei machten grijpen ons vaak naar de keel en benauwen. Maar we vieren de rustdag, om op adem te komen.
Vanwege deze geweldige God, die de Baas is, ondanks alle mensen en machten. Op de rustdag leren we het lied weer te zingen, dat door ons gewone, dagelijkse leven heen ruist. We komen weer op toonhoogte, want telkens dreigen we van de wijs te raken. We zeggen met God mee: alles is zeer goed. Het is niet tevergeefs dat we leven; het is niet tevergeefs dat we werken. Alles is zeer goed, ondanks de mensen en de machten, die ons de adem soms benemen.
We scheppen adem en moed vanwege deze geweldige God, vanwege alles wat Hij gedaan heeft en nog zal doen. Dan stroomt ons lege hart vol vreugde. Alles is zeer goed, omdat deze God het werk van Zijn handen niet in de steek laat.
De rustdag is er ter wille van de mens, om op adem te komen, om het lied van de vreugde keer te leren zingen.
‘Gedenk de sabbatdag dat gij die heiligt’. In dit korte regeltje staan twee kernwoorden, die in het voorafgaande steeds hebben meegeklonken op de achtergrond, maar die we ten slotte nog even naar voren halen. Gedenken en heiligen.
Heiligen betekent: in verband brengen met de Heilige. Dat doen we in het bijzonder op de rustdag: ons leven, ons werk, alles wat we hebben en zijn in verband brengen met de Heilige. Dan wordt alles doortrokken door de warmte, de muziek van God. Die warmte, die muziek dragen we met ons mee, de week in, in ons gewone dagelijkse leven. In verband brengen met de Heilige, die hartverwarmende dingen heeft gedaan. Deze daden van God gedenken wij, in het bijzonder op de rustdag, om ons in het gewone leven door de daden van God te laten richten en bezielen. De schepping, de uittocht uit het slavenhuis, de wetgeving op Sinaï, het beloofde land, de komst van Jezus, Zijn leven, Zijn dood, Zijn opstanding. Allemaal daden die een mensenhart vullen met vreugde en hoop. Dat geldt in het bijzonder van de opstanding van Jezus uit de doden. Zo’n overweldigende daad van God, dat de sabbat, die op zaterdag werd gevierd, is verschoven naar de zondag, de dag van de opstanding. Gedenken om te heiligen. De grote daden van God tot een levende werkelijkheid laten worden. Dan wordt ons het gewone, alledaagse, heilig, omdat het wordt doortrokken door de warmte, de muziek van de Heilige.
Zo mogen wij de rustdag vieren. Niet een dag om te luieren en te slapen, want het is de dag van de opstanding. We mogen opstaan tot de vreugde, om op adem te komen en zo, versterkt en verblijd, de nieuwe week ingaan.
Ik houd mijn hart vast, als ik zie hoe deze dag verwatert en ontheiligd wordt. Wat zal er van de mens worden, die de grote daden van God niet meer gedenkt? Hij raakt in ademnood en holt zich dood. Wat zal er zo met de dieren gebeuren, die aan de zorgen van de mens zijn toevertrouwd? Wat zal er met de aarde gebeuren, met de leefbaarheid van het bestaan?
‘Gedenk de dag des Heren, dat gij die heiligt!’ Ter wille van u zelf, ter wille van de dieren, ter wille van de schepping, waarin wij als rentmeester mogen leven en werken. Een dag om weer op toonhoogte te komen. Een kompas, om niet te verdwalen. Zo vieren we de zondag. Tenminste, dat is ermee bedoeld.
Hoe brengt u de zondag door? Wat betekent deze dag voor u? U kunt nu zelf controleren of u op het goede spoor zit. Amen.