Marchal


43. Johannes

Johannes 6: 16 – 21
Gehouden op:
*Oudejaarsavond, 31 december 2004 19.30 uur te Beekbergen.
Bijbellezing: Johannes 6: 16 – 21; Job 9: 1 – 8.

Soms krijg ik een mailtje, een bericht op mijn computer, dat ik niet kan lezen. Het lukt mij gewoon niet het in beeld te krijgen. Hoe dat komt? Het kan allerlei oorzaken hebben, niet in de laatste plaats mijn gebrekkige kennis van zaken. Onlangs was het weer zo ver. Een rooster voor het Bijbeluurtje in 2005, eens in de veertien dagen in ‘De Vier Dorpen’. Ik sprak de volgende dag de vriendelijke mevrouw die het verzonden had. ‘Wil je mij de platte tekst sturen?’, vroeg ik. Dat gebeurde en toen kon ik met het rooster aan de slag.
Ik vertaal deze ervaring naar het Bijbelgedeelte, het bericht van Johannes, dat vanavond, oudjaar 2004, aan de orde is. Het Evangelie is geen bericht op de wijze van e-mail en een mens is geen computer, maar dit voorbeeld kan ons, al gaat het hier en daar mank, een heel eind op weg helpen.
Eerst de platte tekst, die een voorgeschiedenis heeft. Aan de oever van de zee van Tiberias, in het noorden van Israël, deelt Jezus twee broden en vijf vissen, die een jongen als boodschappen in z’n mandje heeft. In en door de handen van deze Ene is er genoeg te eten voor een grote schare mensen. Er zijn in elk geval vijfduizend mannen. Als iemand hiertoe in staat is, dan kan Hij nog veel meer. Het moet voor Hem een koud kunstje zijn om de Romeinen, de gehate bezettende macht, te verdrijven; Hij kan ook de ingestorte economie uit het slop halen; Hij kan een volk dat niet of nauwelijks meetelt een plaats geven in de grootmachten. Met andere woorden: dit is onze man!
Deze conclusie ligt weliswaar voor de hand, maar is een monsterlijk misverstand. Daarom eindigt deze geschiedenis, vlak voor het gebeuren dat we lazen, op deze wijze: ‘Daar Jezus bemerkte, dat zij zouden komen en Hem met geweld meevoeren om Hem koning te maken, trok Hij zich weer terug in het gebergte, geheel alleen’.
Blijkbaar heeft Hij tegen Zijn discipelen gezegd: ga naar het strand, maak het schip klaar om terug te gaan naar Kapernaum; blijf niet te lang op Mij wachten; als Ik er niet tijdig ben, steek dan maar van wal en ga naar huis; we zien elkaar wel weer!
Dat en zo de platte tekst: ‘En toen het avond geworden was, gingen Zijn discipelen naar de zee en begaven zich in een schip over de zee naar Kapernaum; en het was al donker geworden en Jezus was nog niet tot hen gekomen, en de zee werd onstuimig, daar er een harde wind woei’.
Even later zijn zij midden op het meer. Ze hebben vijfentwintig of dertig stadi-en geroeid, dat is ongeveer vier of vijf kilometer. Wie de afmetingen van dit grote meer kent, weet dat zij midden op de watervlakte zijn. Het is van tweeën één: roeien of verdrinken.

Dit is een goed moment om te vragen: gaat het alleen maar om deze platte tekst of is er meer aan de hand? Na die gebeurtenis met de vijf broden en de twee vissen trok Jezus zich niet zo meer terug. Deze overvloed, iedereen meer dan verzadigd, tekende, typeerde Hem die het levende Brood is, die mensen zoveel geeft dat ze verder kunnen, ondanks alles en door alles heen. Hij is een Koning, iemand die het echt voor het zeggen heeft, maar op een andere wijze dan men denkt, dan men verwacht.
Wie Hij werkelijk is, wat Hij werkelijk doet, werkt door, ook in dit verhaal van de discipelen, midden op de zee van Tiberias. Wie de platte tekst aandachtig leest, merkt dat er meer staat dan je op het eerste gezicht denkt.
Discipelen, een groepje mensen, midden op het meer. De golven worden almaar sterker. Het schip is niet bestand tegen de machten en krachten die losbarsten. Waar lijkt het op? Bij nader inzien, heb ik tenminste drie beelden, drie voorbeelden voor ogen. Het schip heeft veel weg van de wereld waarin wij leven. Het lijkt verder als twee druppels water op de kerk. In de derde en laatste, maar vooral niet in de minste plaats lijkt het verdacht veel op ons eigen leventje, een mens tussen geboorte en dood, ten prooi aan zoveel machten die ons te sterk zijn.
Het schip als in een notendop het ruimteschip aarde. De avond, de nacht is gevallen en de zee is onstuimig. Als je de balans opmaakt op deze grens van 2004 en 2005 moet je eerlijk bekennen dat dit beeld, dit voorbeeld levensecht, waarheidsgetrouw is. Om een en ander te illustreren kun je verwijzen naar de gebeurtenissen in de afgelopen maanden, vooral wat betreft de toename van geweld en terreur. Was deze kluwen van ellende maar een incident, een gewelddadig toeval. Dan zou je misschien nog kunnen zeggen: een dramatische samenloop van omstandigheden. Ik vrees dat het geen incident is, maar de wrange vrucht van een samenleving die veel zieker is dan wij in ons gemoedelijk optimisme veronderstelden.
Ik werd onlangs uitgenodigd op Parc Spelderholt, om voor studenten en gasten een inleiding te houden over normen en waarden. Ik verdiepte mij in de voorgeschiedenis. Premier Balkende doet telkens weer een dringend beroep op alle kringen en verbanden in onze samenleving om daarover in gesprek te gaan. Misschien hebben we onze tijd al verslapen en verlummeld. Onze vrijheidsdrang – ik doe wat ik wil en ik heb met niemand iets te maken – en daarmee verbonden: ons eigen behoeftepakket – wat ik wil, moet ook direct op mijn bordje liggen – is wellicht al zover doorgeschoten dat we de discipline niet meer op kunnen brengen om werkelijk naar elkaar te luisteren en ons levenspatroon ingrijpend te veranderen.
Indertijd, in 1977, lanceerde de toenmalige premier Dries van Agt de noodzaak van een ethisch reveil of zedelijke opwekking. Hij werd toen, naar zijn eigen zeggen, weggehoond ‘als een dorpsgek’. Mijn vriend Jacob Noordmans schreef bijna twee jaar geleden in de Leeuwarder Courant – dus lang voor de consternatie rondom de dood van Theo van Gogh: Van Agt ‘bleef een roepende woestijn van de verwildering, verruwing en verharding, die in de jaren tachtig en negentig de Nederlandse samenleving hebben verziekt. Het gemakzuchtig en lafhartig gedogen is uitgelopen op de grote verloedering’.
Die platte tekst – door Johannes nooit als plat bedoeld! – heeft nog meer verdiepingen. Als ik mij er verder in verdiep, zie ik ook een plaatje van de kerk, vooral de kerk in West-Europa. Het schip van de kerk, dat in zoveel liederen wordt bezongen, zoals: ‘’t Scheepke onder Jezus’ hoede, met Zijn kruisvlag hoog in top’ en ‘Looft God, Hij stuurt het schip der kerk, dat naar de morgen vaart’. Misschien is dat al te veel gezegd. De discipelen zijn zich niet of nauwelijks bewust van Jezus’ hoede; de kruisvlag is hun te hoog, de morgen is ver. Het is roeien of verdrinken en wat het wordt, is voor hen onzeker.
Het lijkt verdacht veel op de kerkelijke situatie waarin wij ons bevinden. De zee is onstuimig, de nacht is alom, de Heer, de Meester is naar ons besef verder weg dan ooit. Er worden allerlei strategieën bedacht om de storm te stillen, de nacht te verhelderen, maar het noodweer groeit ons boven het hoofd. Soms is er even een adempauze, die bij nader inzien een stilte is voor een nieuwe storm. In dat schip wordt ook op allerlei wijzen ruzie gemaakt omdat de een dit vindt, de ander dat, een derde het nog beter meent te weten.
Nog een verdieping: de grote wereld – nou ja, wat heet groot in de onvoorstelbare ruimte van die heelal? – de aanzienlijk kleinere en kleiner wordende kerk en, niet in de laatste plaats, jouw eigen bestaan. Wat spookt er niet in een mensenleven?
Ik hoor de verhalen, die mensen mij toevertrouwen, ik lees en overdenk mijn eigen levensverhaal. Sommigen varen voor de wind, hebben zo te zien alles mee. Er zijn mensen die zonder veel averij door het leven gaan. Het is hun van harte gegund, maar wie z’n ogen sluit voor alles wat er gaande is, is wereldvreemd en zal bij het eerste stootje of stormpje totaal ontredderd zijn. Ook het geloof in God blijkt een dun vliesje te zijn als het verbonden wordt met de ontreddering van de wereld en de ellende waarin anderen verkeren. Als het daarin, daartegen niet bestand is, wordt het ontmaskerd als een praatje voor de vaak, een kleurrijke zeepbel, een fraaie luchtballon. 
‘Toen zagen zij Jezus over het water gaan en dicht bij het schip komen en zij werden bevreesd’. Andere evangelisten vertellen dat zij Hem hielden voor een spookachtige verschijning. Je kunt natuurlijk eindeloos doorzeuren over de vraag: ‘Hoe kan dat nou, over het water gaan?’ Die vraag heeft enige zin als Jezus een van ons zou zijn. Waarom Hij wel en wij niet? Als Hij werkelijk van elders komt, God in ons midden, dan moet je het stadium van zeuren te boven komen. Job, de aangevochtene, getuigt van Hem: ‘Hij spant geheel alleen de hemel uit, en Hij schrijdt voort over de hoogten van de zee’ (9: 8).

Door het stormgebruis, door de duisternis heen, klinken de woorden: ‘Ik ben het, weest niet bevreesd!’ Het is de herkenningsmelodie van de levende God, die telkens opnieuw in de Bijbel opklinkt. Mozes hoorde Hem zeggen, toen hij geroepen werd om naar de farao in Egypte te gaan: ‘Ik ben, die Ik ben! Zo is Mijn diepste Naam! In dat vertrouwen kun je gaan!’
In het Evangelie naar Johannes klinkt die melodie ook telkens door, vooral in de ‘Ik-ben-uitspraken’: Ik ben het Brood des Levens, Ik ben het Licht der wereld, Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven. Zo ook hier: Ik ben het, laat dat genoeg zijn. Weest dus niet bevreesd!
In vertrouwen op Hem, de Drie-enige God, de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, sluiten we dit oude jaar af en gaan we het nieuwe jaar tegemoet. Ik weet niet wat er in en met onze wereld gebeurt. Ik vrees dat het vooral niet veiliger, rustiger zal worden.
Ik weet evenmin wat er met de kerk gebeurt. Eerlijk is eerlijk: ik ben niet hoopvol gestemd. De Schriftgeleerdheid, die veelal de boventoon voert, maakt mij vooral niet vrolijk.
Hoe het met ons eigen leven zal gaan, is ook onvoorspelbaar. Wij wagen het met de belofte dat de Heer present is, niet verstek laat gaan, dat Hij ook daar verschijnt waar Hij niet verwacht wordt. Gehoorzaam aan Zijn Woord, ontvankelijk voor het waaien van Zijn Geest, mogen we zeggen: ‘Heb moed voor de wereld!’ Weet wel dat de kerk ondanks alles het lichaam van Christus is en bedenk steeds opnieuw jij het eigendom van Jezus Christus bent. Dan zal het wondergebeuren waarmee deze geschiedenis besluit: ‘Terstond bereikte het schip het land’. Wie het met deze God waagt, wie Zijn Woord ter harte en ter hand neemt, wie beademd wordt door Zijn Geest, krijgt terstond grond onder de voeten. Ere zij de Vader en de Zoon en de Heilige Geest, nu en voor immer. Amen.

===   ===   ===

Johannes 6: 27
Gehouden op:
Woensdag 14 maart 2001, 19.30 uur te Beekbergen. Biddag voor gewas en arbeid.
Bijbellezing: Johannes 6: 22 – 31.

Werk en vooral brood. Die twee zijn eigenlijk de ‘aanjagers’ van dit hoofdstuk. Misschien mag je wel zeggen dat die beide woorden – werk en brood – de hele samenleving aanjagen en opjagen. Werk, dat vult je leven voor een heel belangrijk deel. Tenminste …. als je gezond bent, als je ergens woont waar werk voorhanden is, als er een plekje is in dat hele raderwerk waar jij past, waar jij – zo mogelijk – tot je recht komt.
Er zijn zoveel gebieden op deze wereld, waar geen zinvol werk is, waar dus ook weinig of geen brood op de plank komt. Het gaat ons betrekkelijk goed, mede omdat het anderen slecht gaat. Dat is het wrange, het moeizame, ook op een dag als deze: biddag voor gewas en arbeid. Mag je wel bidden dat het goed blijft gaan, zo mogelijk beter wordt, als dat – hoe en waarom dan ook – ten koste gaat van anderen? Ook hier is het woord van de apostel Paulus van toepassing: ‘wij weten niet wat wij bidden zullen naar behoren …’.
Wat is de aard en het doel van het werk waarmee we bezig zijn? Hoe staan we daar zelf in? Welke geest bezielt ons? Heeft die geest iets, veel te maken met de Heilige Geest die van God komt en Zelf God is? Als het werk losgemaakt wordt van deze God, van Wie de Bijbel getuigt, als het werk dus een eigen leven gaat leiden, dat gebeurt er dan met onszelf en met de ander? Wat gebeurt er dan met het brood, nodig om in leven te blijven? Het zijn niet de gemakkelijkste vragen, maar je kunt er niet omheen.
In Johannes 6 wordt verteld van een grote schare die op de been is en op zoek blijft naar die Ene, Jezus Christus. Ik zie dat voor me. Aan de oever van de zee van Tiberias, in het noorden van Israël. De bergen op de achtergrond, vooral de hoogten van Golan, waarover zoveel spanningen zijn tussen Israël en Syrië. Daags tevoren zijn er heel bijzondere dingen gebeurd: zieken genezen, brood uitgedeeld dat niet opraakt, evenals stukjes vis. Oude dromen worden wakker, verbonden met een belofte, ooit aan Mozes gedaan: ‘Een profeet uit uw midden, uit uw broeders zoals ik ben, zal de Here, uw God, u verwekken; naar hem zult ge luisteren’ (Deuteronmium. 18: 15). In de loop van de eeuwen kregen deze woorden een enorme lading. Ze vormden als het ware de montagefoto die zich ontwikkelde tot het portret van de ene profeet, de Heilands-gestalte, de Messias. Daarom lezen we even eerder in dit hoofdstuk: ‘Toen dan de mensen zagen, welk teken Hij verricht had, zeiden zij: Deze is waarlijk de profeet, die in de wereld komen zou’ (14). Er wordt zelfs gemompeld: ‘Dit is onze man! Onze leider! Onze koning!’ Maar dat is het laatste wat Jezus wil. ‘Hij trekt zich terug in het gebergte, helemaal alleen’. ’s Avonds gebeurt er iets op en om het water waardoor deze Ene steeds geheimzinniger wordt voor Zijn naaste kring, zo ver weg en toch ook weer zo met hen verbonden.
De volgende dag is er weer een schare mensen, op zoek naar deze Jezus. Ze nemen alle middelen te baat, ook vissersbootjes, om Hem te vinden. Misschien was ik ook wel meegegaan als ik daar en toen geleefd had. Waarom? Een tikkeltje nieuwsgierigheid, wellicht. Maar vooral vanwege de dingen die Hij zei en deed. Sommige mensen hebben een uitstraling, een magnetische werking. Nou eens niet de woorden die honderdvoudig weerkaatsen omdat iedereen ze gebruikt. Ook niet de geijkte patronen en praktijken die het draaiboek vormen voor gevierde personen: brede glimlach, joviale handdruk, vriendelijk wuiven naar de pers, eventueel aanschuiven aan tafel tegen betaling van vijfentwintigduizend gulden zoals rondom oud-president Clinton deze week.
Op zoek naar deze Ene. Misschien heeft het vooral te maken met het onblusbaar verlangen naar heil, heel-making, geluk, geborgenheid. Hoe meer je dit alles mist, hoe hartstochtelijker je ernaar op zoek gaat.
Als ze elkaar eindelijk treffen, de schare en Jezus, ontstaat er een woordenwisseling. De grote kring vraagt: ‘Rabbi, wanneer bent U hier gekomen?’ Ik hoor er een andere vraag achter en onder: waarom liet U ons gisteren zo abrupt in de steek? Beseft U wel dat U hoog in de peiling staat? Enige tact en wijze promotie van Uw zaak zou niet verkeerd zijn.
Dan zegt Hij die merkwaardige woorden, waarbij de uitroeptekens vooraan staan: ‘Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, U zoekt Mij, niet omdat u tekenen van Mij gezien hebt, maar omdat u van de broden gegeten hebt en verzadigd bent’.
Wat bedoelt Hij nou? Als ik een poging mag wagen, kloppend op de deur van de teksten: je staart je alleen maar blind op het brood, zonder je af te vragen of dat misschien een meerwaarde heeft. Dan en daarom zegt Hij: ‘Werkt niet om de spijs, die vergaat, maar om de spijs, die blijft tot in het eeuwige leven’.
Wonderlijke woorden. Ook na zoveel eeuwen in deze bidstond voor gewas en arbeid. Werken voor de spijs, de opbrengst die vergaat. Energie voor de korte baan, maximaal voor de lengte van dit leven. Het is – letterlijk en figuurlijk – broodnodig om je daarvoor in te zetten. Er moet brood op de plank komen. Dat is duidelijk.
Deze woorden veronderstellen echter een leefwereld waarin mensen in hun levensonderhoud kunnen voorzien. Met andere woorden, vertaald naar onze tijd: Jezus zou dit niet zeggen in Soedan of op andere plaatsen waar schrijnende hongersnood is. Het is wrang en wreed om aan iemand die ondervoed is te zeggen: ‘Span je niet in voor voedsel van tijdelijke aard.’
Voor ons, levend in een betrekkelijke lovervloed, hebben deze woorden een enorme zeggingskracht. Als dit alleen je leven is: eten en verzadigd worden, meer eten totdat je eindelijk weer verzadigd bent, dan wordt alles kil en koud, dan slaat de leegte toe, dan wordt de vraag steeds sterker: waar is het nou eigenlijk goed voor?
Iemand zei: ‘Ik werk en werk, ik verdien redelijk, straks een aardig pensioen en dan moet ik zeggen: dat was het dan!’ Toen keek ze mij aan met een wanhopige uitdrukking op haar gezicht.
Het is geen wonder dat allerlei vormen van religie, van min of meer bekend tot buitengewoon en bizar, gretig aftrek vinden. Er is een markt voor, omdat mensen beseffen dat de jacht naar meer en meer ook niet alles is en geen garantie is voor geluk. Mensen zijn alom op zoek naar antwoorden op – zoals we dat noemen – zingevingsvragen. De Samen op Weg-kerken spelen daarop in door middel van advertenties om jongeren te motiveren theologie te gaan studeren en predikant te worden. ‘Durf de diepte in’, staat er met grote letters boven.

‘Werkt niet om de spijs, die vergaat’. Ik veronderstel dat de waarheid van deze waarschuwende woorden ook op andere wijzen bevestigd wordt. In onze kortzichtigheid grijpen we rigoreus in, in de natuur. Wij, mensen, zijn laatkomers op het wereldtoneel, terwijl het leven al eeuwen gaande is. Wij zullen dat kostbare proces van leven, in allerlei vormen en variaties weleens even naar onze handzetten. Onlangs las ik een artikel van een collega, die ter zake kundig is, onder het opschrift: de natuur slaat terug! BSE, mond-en-klauwzeer, zure regen, gaten in de beschermende  ozonlaag, ontbossing, overstromingen, woestijnvorming en nog veel meer ellende, waarvan het einde nog lang niet zicht is. Het is een doodlopende weg, ook in deze zin dat de dood hoogtij viert. Ook langs deze weg klinkt de waarschuwing ons tegemoet: werkt niet voor de spijs die vergaat! Mag je misschien zeggen dat je ook aan de hand van de feiten, op de wegen van de wetenschap en van de techniek, de gestalte van Jezus Christus tegenkomt, in en door en tot wie alle dingen geschapen zijn? Dat is een interessante gedachte, die we eens verder zouden moeten uitspinnen en uittesten. Ook in het ‘gewone’ leven – wat heet trouwens gewoon? – ontmoet je de sporen van de Levende, de Drieënige God, Vader, Zoon en Heilige Geest. Met andere woorden: het is zo gek nog niet christen te zijn!
‘Werkt niet om de spijs, die vergaat!’ Kortzichtigheid is uit de Boze. Wat is het alternatief? Werkt om de spijs, die blijft tot in het eeuwige leven…!’ Dat is een vorm van arbeid die de moeite waard mag heten, die een toekomst schept zonder einde, zonder de slagschaduw van de zinloosheid, de ontreddering, de dood voor alles en allen. Hoe werkt dat? Die spijs is een gave van de Zoon des Mensen, beter gezegd: is de gave van de Zoon des Mensen Zelf, want op Hem heeft God, de Vader, Zijn zegel gedrukt!
Weer zulke wonderlijke woorden, die wij, mensen, niet zo gauw thuis kunnen brengen. Vandaar dat de vraag opklonk uit de schare, daar en toen: ‘Wat moeten wij doen, opdat wij de werken van God mogen werken?’ Dat wij dus in en door ons werk in de pas blijven met het werk van God!? Geen halsbrekende toeren, geen programma van actie waar je als mens in verdwaalt, geen profielschets waarin het onmogelijke gevraagd wordt. Het antwoord op die vraag is indrukwekkend, ook schokkend van eenvoud: ‘Dit is het werk van God, dat u gelooft in Hem, die Hij gezonden heeft!’
Dat is blijkbaar alles. Geloof! Wat betekent dat? Je hele bestaan laten verbinden met die Ee, die het Brood des Levens, het Licht der Wereld is. Zijn leven, Zijn doen en laten, Zijn weg en werk, Zijn offer, Zijn zelfovergave is de spijs, de teerkost voor onderweg, die blijft tot in het eeuwige leven. Je zult dan nog wel werken om de spijs die vergaat. We zijn hier niet om te luieren. De aarde is ons toevertrouwd. Niet van onszelf, maar van de Drieënige God. Je doet in zekere zin hetzelfde als alle anderen, maar toch is alles anders. Je wordt bevrijd van de krampachtigheid, de gulzigheid om er voor jezelf alles uit te halen wat er in zit. Dat is een doodlopende weg, waarop zoveel slachtoffers vallen aan mensen, dieren en andere levende wezens. Je wordt bevrijd tot de eenvoud, de eerbied om mens te zijn bij de gratie Gods. Met een perspectief dat niet eindigt, zelfs niet door de dood.
Hoe dat in de landbouw, de industrie, het onderwijs, het bedrijfsleven, in de huishouding in het klein en in het groot, kortom: in al die werkvelden gestalte kan krijgen, weet ik niet in details. Ik heb er geen blauwdruk van. Maar het is de enige weg om te leven, te overleven, om de vreugde te bewaren, de hoop te zien gloren. Het is leven dat niet aan de zinloosheid prijsgegeven is, eeuwig leven, dankzij God, de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Amen.

===    ===   ===

Johannes 6: 60 – 71
Gehouden op

*Zondagavond 30 maart 2003 in de Grote Kerk te Apeldoorn (Dienst met Belangstellenden
Bijbellezing:  O.T. Jozua 24: 14  – 16; N.T. Johannes 6: 60 – 71

Blijven of weggaan….? Het lijkt alsof je die keuze zelf in de hand hebt. Dat is lang niet altijd het geval. Ik zal een paar voorbeelden noemen.

Ik ben krijgsgevangene in Irak. Het maakt even niet uit of ik Irakees, Brit of Amerikaan ben. Ik ben hoe dan ook in handen van de tegenstander. Blijven is het wachtwoord. Weggaan is niet aan de orde. Ik probeer mij voor te stellen dat een van mijn kinderen, zoon of dochter, daarbij is: overgeleverd aan de vijand, misschien wel getoond op de televisie. Om gek van te worden….!
Ander voorbeeld, iets dichter bij huis. Ik heb een baan bij een bedrijf dat alom de wind tegen heeft omdat de markt oververzadigd is. Als ik wegga, sta ik zeker op straat, met alle risico’s  van dien. 
Laatste voorbeeld: ik ben gehandicapt en dus aangewezen op duurzame , intensieve zorg. Weggaan?  Hoe dan? En waarheen?
Onze keuzevrijheid is bij nader inzien nogal beperkt. Je bent meer gebonden  dan je vaak waar wilt hebben.

Met het geloof en met de kerk ligt het misschien wat gemakkelijker. Het is een soort extraatje dat je eventueel ook wel kunt missen. Net als een blinde darm. Als die weggaat, is je leven er doorgaans niet mee gemoeid. Laten we die vraag – blijven of weggaan? – eens testen aan de hand van verhalen uit de Bijbel. We lazen het slot van Johannes 6. Blijkens het begin van dit hoofdstuk heeft en doet Jezus iets met mensen. De belangstelling is overweldigend: vijfduizend mannen. Tel daar nog eens de vrouwen en de kinderen bij. Dan heb je een enorme club. Wat heeft al die mensen op de been, in beweging gebracht? Die ene mens, Jezus, die zulke aparte dingen zegt en doet. Hij deelt tussen de bedrijven door ook brood en vis uit. In en door Zijn handen wordt het vermenigvuldigd. Er is genoeg voor allen en nog ruimschoots over. De mensen vermoeden terecht dat dit, dat Hij iets met God te maken heeft. 

Maar als Jezus dat gebeuren van het brood en van de vis gaat uitleggen, dan gaat het mis.  Het enthousiasme zakt als pudding in elkaar, slaat ook om in ergernis. Wat Ik deed en gaf, zegt Hij, wijst heen naar mezelf. ‘t Is geen hocus-pocus, geen show, geen publiekstrekker. Zoals dit brood gebroken wordt, zo laat Ik mijzelf breken ter wille van de mensen, wereldwijd. Wat de wereld, met alles wat d’r op en d’r an zit, draagt en bewaart, is niet een grote mond, ook niet een dikke vuist, evenmin een volle portemonnee, maar een offer. En dat niet zomaar, het is een offer van Gods kant.
Dat is een zwaar woord: offer. Je loopt eromheen en je probeert er dichter bij te komen.  Bijvoorbeeld door te zeggen: offeren is geven in de hoogste graad. Anders gezegd: leven dat leeft, steunt op leven dat sterft. ’t Blijft stamelen en stotteren. Iemand zei: tegen dat je ’t kunt weten, ben je versleten. Of met de woorden van een lied: ‘Leer Mij, o Heer, Uw lijden recht betrachten, in deze zee verzinken mijn gedachten…’.

Ik ben het brood des levens, zegt Hij. Brood voor de wereld. Dat is òf de hoogste waanzin òf de diepste waarheid. De meeste mensen, daar en toen, vonden het waanzin, in elk geval: onzin, prietpraat. Ze  gaan weg, voelen zich niet meer betrokken. Misschien al mopperend: ze bekijken het maar! Misschien geruisloos: weer een teleurstelling, een kaarsje gedoofd. ’t Lijkt wel een beetje op kerkverlating. Een beetje, want de kerk, al heet ze dan ook lichaam van Christus, is niet gelijk aan Jezus zelf. De kerk vaarwel zeggen betekent niet sowieso breken met het geloof. Daarom zei ik: ’t lijkt een beetje op kerkverlating. Sommige mensen zeggen duidelijk: ‘Mij niet meer gezien.’ Er zijn ook bosjes mensen die geruisloos verdwijnen, weggaan zonder groeten.

Van ruim vijfduizend naar een handjevol. Dat is een aderlating! Jezus ziet ze gaan en zegt dan, met het oog op de twaalf discipelen: ‘Jullie willen toch ook niet weggaan?’  Wonderlijke vraag. Het is de toon die de muziek maakt. Als je die vraag uit het verband haalt, kun je er allerlei geluiden in horen. Onverschilligheid. Op de wijze van: ‘’t Zal mij een zorg zijn!’ Dat klopt niet met de rest van het Evangelie. Het laat Jezus alles behalve koud wat mensen zeggen en doen. We lezen – om een voorbeeld te noemen – dat Hij huilde over Jeruzalem en zei: ‘Hoe vaak heb Ik u naar mij toe geroepen zoals een kloek doet met haar kuikens?’
Is het dan angst misschien? Zo van: als jullie ook weggaan, dan ben Ik nergens meer! Ook dat kan het niet zijn. Er wordt in het Evangelie wel verteld dat Jezus angst had. Vooral in de hof van Gethsemané. Niet zozeer vanwege de discipelen die allemaal op de loop gingen, maar vanwege het offer dat niemand met Hem kon delen. Geen onverschilligheid dus. Ook geen angst.
Wat dan wel? Een afgezaagd woordje, maar wel het hart van de zaak: liefde. Liefde is ook de kunst van het loslaten. Je helpt de ander om bewust een keus te maken en elkaar zo, van harte, nabij te zijn.

Blijven of weggaan? Eén uit de kring reageert. Heel echt, puur, en daarom zegt-ie zoveel: ‘Here, tot wie zullen we heengaan? U heeft woorden van eeuwig leven.’  Die reactie komt van Simon, ook wel Petrus genoemd. Later sloeg hij plank nog vaak mis, zei hij dingen die niet helemaal of helemaal niet in de roos waren. Over deze man staan minder fraaie dingen in het Evangelie, maar wat hij hier zegt, is goud waard, zelfs meer dan dat.
Tot wie zullen we heengaan? Ik herken mijzelf in deze vraag die iets heeft van een verzuchting. Er wordt zoveel gezegd, beloofd, geshowd, getrokken, gepeuterd aan mensen. Het is nooit anders geweest. In het groot en in het klein. In het groot zijn er hele systemen bedacht en in werking gezet om mensen een betere toekomst te bieden: socialisme, communisme, liberalisme, kapitalisme, idealisme. Is het er beter op geworden? Mensen zijn allergisch geworden voor grote woorden.

Ook op kleinere schaal is en wordt zoveel beloofd. Met bijbedoelingen, maar vaak ook heel oprecht. Soms wordt het wat, soms blijkt het niks te zijn. Tot wie zullen we heengaan? Vooral als het spannend wordt, als de zaak op scherp komt te staan. U hebt woorden van eeuwig leven. Woorden die niet stuk te krijgen zijn! Onze woorden zijn vaak zo kort van duur en klein van kracht. Net als bij de verzekering. Als het echt gaat spannen, dan zijn er allerlei kleine lettertjes waardoor de grote woorden niet meer gelden. Zo gaat ook met ons geloof. Het is soms, vaak (?) zomaar weg. Dat heeft diezelfde Simon Petrus aan den lijve ervaren. Hij overschatte zichzelf met zijn: ‘Ik zal dit, ik zal dat!’ Het spatte als een zeepbel uit elkaar. Geloven betekent ook: afzien van jezelf, opzien, uitzien naar Hem, die als enige woorden van eeuwig leven heeft.

  Ik kom nog even terug op dat woordje kerkverlating. De kerk valt niet samen met Jezus Christus, die de Heer is. Niet de kerk heeft woorden van eeuwig leven. Het is wel de plaats bij uitstek waar die woorden bewaard worden. Niet opgesloten als in een kluis, maar bewaard om ernaar te luisteren en er iets mee te doen. De kerk heeft alleen toekomst als ze die woorden van eeuwig leven eerbiedig en zorgvuldig doorgeeft en voorleeft. Zo’n plek, zo’n plaats van licht en hoop, waar iedereen welkom is, is broodnodig in deze wereld. Ik weet wat er gaande is in en om de kerk. Ik word er lang niet altijd vrolijk van. Maar als die Ene, Jezus Christus, in het midden staat, het hart van de kring is, dan kom je telkens weer op verhaal, dan schep je moed. Dat weet je opnieuw: wat Hij zegt en doet, ook naar mij toe, dat kan nooit meer stuk. Amen.

===   ===   ===

Johannes 6: 60 – 71
Gehouden op:
*Zondag 7 november 2004, 19.00 uur in de hervormde kerk te Beekbergen.
Bijbellezing: Johannes 6: 60 – 71; Jesaja 40: 6 – 8.

De krant van donderdag 21 oktober, ruim veertien dagen, geleden dus. Met grote, vette letters op de voorpagina: ‘Nederland los van kerk en Bijbel – Nog maar een derde van de Nederlanders rekent zich tot een kerkgenootschap’.
Dit onzalige nieuws, op grond van recent opiniepelingen, wordt in geuren en kleuren uitgewerkt in een paginagroot artikel, even verder in diezelfde krant. Het staat onder het hoofd ‘de Verdieping’. Het is goed, geboden, om je in die cijfers te verdiepen. Over verdieping gesproken…
Ik heb m’n gepijnigde hart al een klein beetje gelucht in de meditatie in het pas verschenen kerkblad. Niet om de feiten te verdonkeremanen, maar juist om ze, zoals dat heet, bloedserieus te nemen.
Wat gebeurt er met al die kerkverlaters? Waar zoeken ze voortaan, elders, hun heil? Is het in welk circuit, in welke kring, dan ook, beter? Waar haalt het volk, het nageslacht van Abraham nu en in de naaste toekomst de mosterd? Is zo’n ‘happening’ als in de Arena, rondom de dood van Andre Hazes, ons voorland? Moeten de smaakmakers van de televisie nu aangeven wat goed voor ons leven is? Ik probeer mij meer dan eens voor te stellen dat ik buitenkerkelijk zou worden. Ik zie mij dan verkeren in allerlei kringen, waar mensen de toon aangeven en hun wijsheden wereldkundig maken, veelal niet gehinderd door enige vorm van bescheidenheid. Het komt zelden boven het niveau van borrelpraat uit. Dan slaat de schrik mij om het hart en verzucht ik wanhopig: ‘Mijn God – in alle eerbied – is dat het nu? Moet ik mijn leven zo invullen?’
Over zulke vragen hoor en lees ik niets. Als het flut-vragen zijn, wil ik mij graag laten gezeggen, maar vrijwel iedereen doet er het zwijgen toe. Ik vrees dat ook de meeste theologen, net als al die andere deskundige–ogen, doodsbang zijn om uit de toon te vallen van wat men vindt, men zegt, men doet. Het is echt om wanhopig te worden, tenzij…
In het Evangelie staat een schokkend verhaal. Bij nader inzien is het geen wonder, want het Evangelie zelf is schokkend. Het gaat over Jezus, die niet een aantrekkelijke Jood is, niet een aardige man, niet een diepzinnige geest, maar: God in ons midden, God die de weg van het lijden gaat, de weg van de dood. Dat is schokkend. Hij laat Zijn lichaam breken als brood om te eten, Zijn bloed vloeien als wijn om te drinken. Dat is schokkend!
Geen wonder dat de omstanders, aanvankelijk door Hem geboeid, zeggen: ‘Deze rede is hard’, gewoon niet te verteren. Ze lopen, de een na de ander, weg. Opiniepeilingen zouden onmiskenbaar uitwijzen: De Zaak van Jezus, die de Zaak van God is, draait uit op een faillissement.
Ik weet best dat de kerk hier en nu niet automatisch de kring rondom Jezus is. In de kerk is ook veel miezerig mensenwerk ingebakken en dat moet voortdurend uitgezuiverd worden door aandachtig naar Hem te luisteren. In de kerk heeft Hij, Jezus, de Heer, het voor het zeggen. Alles is aan Hem ondergeschikt. Ik weet dus ook best dat deze ‘Jezus-verlating’, waarover het Evangelie vertelt, niet hetzelfde is als kerkverlating, maar toch…, er zijn meer overeenkomsten dan verschillen.
De vraag klinkt, en ik kan er niet los van komen: ‘Willen jullie ook niet weggaan?’ Die vraag is niet ingegeven door paniek, op de wijze van: ‘Als jullie ook vertrekken, wat moet Ik dan?’ Het heeft God behaagd mensen nodig te hebben, maar Hij is nooit en nergens van ons afhankelijk, want Hij is God, ook als Hij mens is geworden in ons midden. Hij vraagt het alleen om ons des te bewuster te maken wat we doen en waarom. Op de wijze van dat andere schokkende woord uit het Evangelie: ‘Indien iemand achter Mij wil komen’ – niets moet, weet wel wat je doet – ‘die verloochene zichzelf, neme zijn kruis op en volge Mij’ (Marcus 8: 34).
Het antwoord van Petrus is indrukwekkend, onvergetelijk, ook aanstekelijk voor gelovigen, hier en nu, lamgeslagen door statistieken en opiniepeilingen. Het begint met een tegenvraag. Dat is niet een toonbeeld van beleefdheid, want een vraag verdient klip en klaar een antwoord. Hij zegt: ‘Here, tot wie zullen we heengaan?’
Ik denk dat hij die vraag eigenlijk aan zichzelf stelt. Hij vraagt zich in gemoede af: ‘Waarheen? Tot wie?’ Het is een soortgelijke vraag waarmee ik tob en worstel, op zoek naar verdieping. Wat is het alternatief? Theoloog Jansen? Psycholoog Pietersen? Smaakmakers en trendsetters bij radio of tv? Een of andere goeroe uit het Verre Oosten? De zoveelste club van wereldverbeteraars? Hebben we dan nog niet genoeg leergeld betaald in de loop van de geschiedenis? Weer op tournee, weer een zwerftocht van het zoveelste kastje naar de zoveelste muur? Om gek van te worden.
‘Gij hebt woorden van eeuwig leven‘. Woorden die het uithouden, ook als de nacht valt en alle schone theorieën aan flarden worden gescheurd of geschoten. Waarom Hij, waarom Hij alleen? Ook dat zegt Petrus: ‘Wij hebben geloofd en erkend dat Gij zijt de heilige Gods!’
Geloven en erkennen. Die tweeslag lezen we telkens in het Evangelie. Geloven is meer dan natte-vinger-werk. Het is een van binnenuit beamen. Net zoals de liefde, die niet afhangt van een bewijsvoering, maar een zekerheid is die alles overstijgt. Gij zijt, U bent de Heilige, God Zelf in ons midden. Wat U zegt, trotseert de stormen van de tijd, is van eeuwig gewicht.
Over Hem, over Zijn woorden gaat het in de kerk. Als het over iemand, iets anders gaat, is de kerk de zoveelste kraam op de markt van het leven, die na verloop van tijd verdwijnt. Maar een kerk die deze Heer respecteert en bemint, in goed gerucht, in kwaad gerucht, die kan nooit verdwijnen, ook niet als de kring kleiner en kleiner wordt.
In vertrouwen op Hem gaan we hoopvol verder. Al lezend, mediterend en schrijvend, speelde een gedicht door mijn hoofd, niet minder door mijn hart, over de komst, de laatste komst van Christus. Het is van W.A.P. Smit en daarmee wil ik besluiten:

‘Christi Adventus

Wanneer Gij eindlijk komen zult, / Zoals wij wachten naar uw komen, / En ’t waaien van Uw klederzomen, / De luchten ruisende vervult….

En als dan Heer, gekomen zijn / Op aarde Uw doorboorde voeten / En Uw doorboorde handen groeten / De wereld van Uw grote pijn….

Wanneer de bloemen, afgerukt, / De harten brengen van de doden, / Die zo hun donker lot ontvloden, / Maar nu als onkruid zijn geplukt…

En als de stormwind tot U drijft / Van alle kant de duizendtallen, / Die aan Uw voet als blaren vallen, / Tot er geen leven levend blijft….

Dan, Heer, ontferm U over ons!….’.

Amen

===   ===   ===

Johannes 9: 1
Gehouden op:
*Zondag 15 juli 2007, 10.00 uur te Beekbergen.
Bijbellezing: Johannes 9: 1 – 7, 35 – 41.

Ziekte en genezing! Twee woorden waar ieder mens, binnen en buiten de kerk, tegenaan loopt, mee worstelt, in de hoop dat er hoe dan ook licht ontstaat in deze mist, in deze duisternis. Ik vergeet nooit de verzuchting van een gemeentelid in Hellendoorn, opgenomen in het ziekenhuis Twenteborg in Almelo. We zaten samen voor het raam van ziekenkamer, met uitzicht op een drukke verkeersweg. Hij liet zich ontvallen: ‘Dominee, al die mensen buiten hebben honderden wensen. Hierbinnen hebben alle mensen maar een wens: beter worden; al het andere is bijzaak.’
Ziekte en genezing. Ik zet er een woord tussen: geloof, dat wil zeggen: geloof in Hem, God, van wie de Bijbel getuigt. Wat gebeurt er dan met die beide andere woorden, ziekte en genezing? Het is een kwestie die buitengewoon actueel is. Ik denk aan een voorganger, Jan Zijlstra, van de Levensstroomgemeente in Leiderdorp, die ook elders in het land bijeenkomsten belegt, waarin het ook en vooral gaat over gebedsgenezing.
Die zaak speelt niet alleen in de kring van en rondom Jan Zijlstra, maar ook in allerlei Pinkstergroepen en andere godsdienstige gemeenschappen. Onlangs, op 28 juni, kwam een en ander ter sprake in de actualiteitenrubriek Netwerk. Is er werkelijk sprake van genezing? Of vallen mensen korte tijd later terug in het oude patroon van ziekte, pijn zorgen?
Mevrouw Joke van Saane trouw lid van onze gemeente, heeft er onderzoek naar gedaan in het kader van haar werk godsdienstpsycholoog aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Ze is van harte bereid er iets over te vertellen in een gemeenteavond, nader af te spreken na de zomerperiode.
Ziekte, geloof, genezing. Ik denk ook aan de praktijk van de ziekenzalving, die in steeds meer gemeenten een aparte plaats krijgt. Dr. Mart Jan Paul, docent aan de Christelijke Hogeschool in Ede, ook gastvoorganger in onze gemeente, schreef er indertijd een boek over: ‘Vergeving en genezing – Ziekenzalving in de christelijke gemeente’.
Ik denk ook aan de studie, waarop een collega, ds. Roozeboom uit Holten, anderhalve maand geleden promoveerde aan de Vrije Universiteit: ‘Naar een bestaan volkomen’, over de dienst der genezing. Ik weet dat een preek geen lezing is, laat staan een opsomming van verschenen boeken en rapporten, maar het kan niet toevallig zijn dat deze drieslag: ziekte, geloof, genezing zo in het centrum van de aandacht staat. Het gaat er niet om wat een andere voorganger, Gert Marchal, daarvan vindt. Ik probeer alleen tot meer klaarheid te komen door te luisteren naar een Bijbelgedeelte, vanmorgen Johannes 9. Een heel bescheiden verwachting, maar meer mag je ook niet vragen. Zondag aan zondag, zoals ook dag aan dag thuis, proberen we bij het licht van Gods heilig Woord verder te komen in de wirwar van de wegen, in de heksenketel van geluiden.
De discipelen dachten dat die hele kwestie van ziekte, geloof, genezing, met een formule op te lossen was. Ze voegden er nog een woord aan toe: zonde, oftewel schuld. ‘Rabbi, wie heeft gezondigd, deze of zijn ouders, dat hij’ – die mens daar! – ‘blindgeboren is?’ Die vraag, met een ingebakken antwoord, is niet van de lucht. Je hoort er minder van, maar de atmosfeer is vol van voorstellingen, aangeduid met de verzamelnaam New Age, het Nieuwe Tijds-denken. Religie speelt daarin een grote rol. Vaak elementen die ontleend zijn aan allerlei godsdiensten en levensovertuigingen. Een groot Ratjetoe, een grote hutspot. De gedachte van een reïncarnatie, een aaneenschakeling van verschillende levens, spreekt miljoenen mensen aan. In een vorig leven kan er iets misgegaan zijn, dat nu hersteld moet worden. Anders kom je niet verder in de groei, het proces naar volkomenheid. De discipelen waren geen aanhangers van een soort New Age – oude stijl. Als je losse Bijbelteksten aan elkaar rijgt, kun je een patroon weven, waarbij die draden van schuld en ziekte, in het verlengde daarvan: geloof en genezing, naadloos op elkaar aansluiten.
Lezen is iets anders dan losse teksten met elkaar verbinden. En werkelijk horen gaat nog dieper dan lezen, ook lezen in de goede zin. Horen brengt dichter bij het geheim van de levende, sprekende God, van wie deze woorden oorspronkelijk afkomstig zijn: ‘Spreek, Here, Uw gemeente hoort!’ ‘Hoort, wat de Geest tot de gemeente zegt!’
‘En voorbijgaande’, onderweg dus, ‘zag Hij een man, die sedert zijn geboorte blind was’. Ik zet een streepje bij dat woordje ‘zag’. Ik ga niet quasidiepzinnig doen. Zagen de anderen, de discipelen vooral, die ene mens ook? Ja, ze zagen hem als een geval, een casus zogezegd, om een theorie op uit te testen. Een soort proefpersoon. Mag dat ‘zien’ heten? Het is meer een vorm van pottenkijken, om niet te spreken van gluren.
Dat woordje ‘zien’ wordt op een andere plaats in het Evangelie van Jezus gebruikt, en dat is een goed commentaar bij deze woorden: ‘Toen Jezus de scharen zag, werd Hij met ontferming over hen bewogen, omdat zij voortgejaagd en afgemat waren, als schapen die geen herder hebben’ (Matthëüs 9: 36).
Hij zag deze ene mens. Z’n naam wordt niet genoemd. Zou dat toevallig zijn? Ik denk van niet. Ik zou hem wel een naam willen geven. Niet zomaar, uit de losse hand, ook niet uit de lucht gegrepen. Ik denk aan Adam, mens, zoals u en ik. Of een oudhollandse naam: Elkerlic, dat is: iedereen.
Als je nog dichterbij wilt komen, nog meer zicht wilt krijgen op deze geschiedenis, vul dan je eigen naam maar in. Hij zit daar als een toonbeeld van ons allemaal. Zijn wij dan ook blind? Exact dezelfde vraag die de Farizeeën aan Jezus stellen. Ze zijn volop aan het bakkeleien, aan het redetwisten. Hoe is het mogelijk dat deze mens genezen is door iemand die zo in opspraak is? Misschien was het wel op sabbat. Een van de verwijten is ook: Hij houdt de sabbat niet! Hoe kun je van zo’n figuur heil verwachten?
Dan zegt Jezus tot al die morrende mensen: ‘Tot een oordeel ben Ik in deze wereld gekomen, opdat wie niet zien, zien mogen, en wie zien, blind worden’ (vers 39).
Dat ontlokt aan sommige Farizeeën de bitse vraag: ‘Zijn wij soms ook blind?’ Het weerwoord van Jezus is: ‘Indien u blind was – en dat zou erkennen – zou u geen zonde hebben; maar nu zegt u: Wij zien – we hebben zelf licht genoeg -; daarom blijft uw zonde’.
Schuld – ziekte – geloof – genezing. Ik heb daar geen zicht op. Ik ga niet kattig doen, maar ik weet: Jan Zijlstra evenmin. Als iemand het tegendeel beweert, dan lijkt het alsof de kwestie opgelost wordt. In werkelijkheid wordt het aantal vragen alleen maar groter en raak je verstrikt, tot stikkens toe, in een veel grotere kluwen. Ook hier geldt, naar mijn diepste overtuiging: je kunt beter met goede vragen leven dan met slechte antwoorden. Kroongetuige is Job, van wie de Here God tenslotte zegt: ‘Mijn toorn is ontbrand tegen jou, Elifaz, en je beide vrienden, want jullie hebben niet recht van Mij gesproken zoals mijn knecht Job’ (42: 7).
Jezus zet de hele kwestie in een ander licht. Geen kunstlicht, hoe dan ook, dat geknutsel van mensen is. In het licht van God en dat is zelfde licht dat Hij uitstraalt. In het voorgaande hoofdstuk horen we: ‘Ik ben het licht der wereld; wie Mij volgt, zal nimmer in de duisternis wandelen, maar hij zal het licht des levens hebben’ (8: 12). En hier, met het oog op deze ene mens, zegt Hij: ‘Noch deze heeft gezondigd noch zijn ouders, maar de werken Gods moesten in hem openbaar worden. Wij moeten de werken doen van Hem die Mij gezonden heeft, zolang het dag is; er komt een nacht, waarin niemand werken kan. Zolang Ik in de wereld ben, ben Ik het licht der wereld’. Een mond vol, misschien wel meer dan dat. De werken van God. Hij is onvermoeibaar bezig. Vanaf de schepping van de wereld. Daarom belijden we, aan het begin van iedere eredienst, met de slotwoorden van Psalm 138: die niet laat varen, die niet loslaat, de werken van Zijn handen. Schepping, zondvloed, Abraham, Mozes, Uittocht, Woestijn, Beloofde Land, Priesterlijke dienst, Profetisch Woorden, Ballingschap, Terugkeer… De werken van God. Tot heil van mens en wereld. Met de woorden van het proefschrift van Simon Roozeboom, ontleend aan een Paaslied, Gezang 210 – ik noem ook de twee voorgaande regels:

‘Waar Hij, ons hoofd, is voorgegaan, / is voor het lichaam nu vrij baan / naar een bestaan volkomen’.

Al die werken, die woorden van God komen samen in die Ene, door God gezonden, God Zelf in ons midden, die het licht der wereld is. Sindsdien gaan de werken van God door. De voleinding is nog niet bereikt. De wereldgeschiedenis tussen Hemelvaart en Wederkomst heeft vooral het karakter van strijd. Met de woorden van de apostel Paulus: ‘Hij moet als Koning heersen totdat Hij al Zijn vijanden onder Zijn voeten gelegd heeft’ (1 Korinthe 15: 25).
Jezus, de Heer, is – naar het woord van Blaise Pascal – in doodstrijd tot aan het einde der wereld; tot die tijd moeten zijn discipelen niet slapen, maar waken. Wie denkt dat gebedsgenezing altijd en overal werkt, slaat deze tijd na Pinksteren, het tijdperk van de Geest over, en grijpt voorbarig vooruit op de voleinding.
Is er dan geen genezing op gebed? Zijn al die mensen die zich sterk maken voor de zegen van ziekenzalving dan bezig met dingen die niet ter zake doen? Ik geloof dat al deze dingen tot heil kunnen zijn, mits we ze niet in eigen hand nemen. Als wij de regie bepalen, wordt het spelen met vuur en kan het zo worden dat de ramp niet is te overzien. Dan gaan we terug redeneren om ons eigen systeem kloppend te maken. Op deze wijze bij voorbeeld: als je niet geneest dan heb je te weinig geloof.
Het eigenlijke wonder, wonder boven wonder, is dat je met al je pijn en moeite, met al je vragen en aanvechtingen in het licht van God wordt getild. Ik denk aan een gedicht van mevrouw J. M. van Walsum – Quispel. Uit de bundel, die de veelzeggende titel draagt: ‘De Jabbok stroomde door de ziekenkamer’. Boven het gedicht schreef ze: ‘Het andere wonder’. Het gaat over een moeder, die een kind kreeg, zwaar gehandicapt, lichamelijk en verstandelijk. Dan schrijft ze:

‘Zij moet langs vreemde wegen zijn gegaan, / een hel misschien van twijfel en van pijn; / misschien ook mocht ze op lichte hoogten zijn, / waar wij niet kunnen volgen, maar wij zagen / een nieuwe vrede in haar ogen dagen…. / Zij wist: God had Zijn wonder toch gedaan’.

Amen.

===   ===   ===

Johannes 10: 1 – 10 I.
Gehouden op:
*Zondag 3 juli 1977, 10.30 uur te De Steeg. Onderwijzing van de Doop. Doopgelofte. Bediening van de Doop.
Bijbellezing: Johannes 10: 1 – 10. Orde van de dienst op

De schaapskudde in Rheden is een trekpleister voor toeristen, een uitje waard voor de groten en de kleinen. Heel veel mensen stellen zich een herder voor als een oude, wijze man, die bij het licht van de ondergaande zon een tikkeltje weemoedig op een fluitje speelt en dan denken ze: ach hoe rustig, ach hoe lieflijk.
De werkelijkheid van de herder met zijn kudde schapen in Rheden is anders. Als we nu nog verder weg en nog langer teruggaan, naar het land Israël in de dagen van de Here Jezus, dan moeten we onze romantische voorstellingen van een herder met zijn schapen nog meer terugdringen en vergeten dan hier in Rheden al het geval is.
Daar en toen was een kudde schapen geen blikvanger, maar een alledaags verschijnsel. En herder zijn was een hard en nogal gevaarlijk beroep: hij moest altijd, in weer en wind aan het werk en daarbij moest hij niet voor een kleintje en zelfs niet voor een grootje – een wolf, soms een leeuw! – vervaard zijn.
En wat de schaapskooi betreft: die was ook anders dan wij gewend zijn; geen stevige schuur met een rieten dak, maar doorgaans een open ruimte in het veld, zonder dak, afgegrensd door een lage muur van brokkelige, op elkaar gestapelde stenen, samengevoegd met wat leem. Er was een opening in de muur gelaten, waardoor de schapen in en uit konden gaan. Als de avond viel en de nacht kwam, dan ging de herder of de deurwachter die hem ’s nachts afloste, in die opening liggen, beter nog: zitten slapen. Er kon niemand uit of in dan over hem heen. Deze gegevens en gewoonten moeten we even onthouden.
De Here Jezus gebruikt allerlei beelden om het geheim van Zijn persoon en werk duidelijker te maken. ‘Ik ben het brood des levens..’, ‘Ik ben het licht der wereld…’, ‘Ik ben de opstanding en het leven….’ En op een bepaalde plaats in het Johannes-evangelie lezen we: ‘Ik ben de deur der schapen…’.
Het bredere verband waarin deze woorden klinken en dit beeld spreekt noemde ik al, maar over het nauwer, nader verband moet ik nog iets zeggen. In Johannes 9 wordt de genezing van de blindgeborene vermeld; deze heel-making tekent het geheim van de Here Jezus, duidelijk zichtbaar. Dit teken roept tegenspraak en verzet op. Diep verontwaardigd en verontrust zijn vooral de leidslieden, de mensen van wie verondersteld mag worden dat zij anderen voorgaan en al doende een begaanbare, verantwoorde weg wijzen te midden van de wirwar van wegen.
In dit verband – mensen die stuur moeten geven, maar die zo stuurs staan te kijken – wijst de Here Jezus naar een beeld uit het dagelijkse leven: een herder met zijn schapen! en klinken de woorden: ‘Ik ben de deur der schapen’, ingeleid met die geladen woorden die als uitroeptekens vooraan zijn gezet: ‘voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Ik ben de deur der schapen!’
Zoveel predikheren en praatgesmakers, zoveel pogingen en praktijken om mensen te prikken, te pressen, te pesten, zoveel partijen en programma’s om mensen te winnen, zoveel psychologie om het innerlijk van mensen te peilen, maar bedenk en bedank bij dit alles, om uws levenswil, ter wille van het leven dat niet vergaat – eeuwig leven! -: ‘Ik ben de deur der schapen!’
De troost en de tucht van deze woorden springen misschien te meer in het oog en in het hart als we letten op ten minste twee kanten, die zijde en keerzijde van elkaar zijn. ‘Ik ben de deur …!’
Daarin klinkt enerzijds het element van afsluiting, rust, veiligheid. Zo binnen te zijn, dat is goed! Denk even aan de herder die de opening in de muur opvult, afsluit met zijn eigen lichaam. En denk ook even aan de schapen die onder de blote hemel overnachten, omringd, ondanks het muurtje, door allerlei gevaren.
Zo, met behulp van de schapen, wordt ons leven getypeerd. We hebben een broos bestaan, zijn aan alle kanten kwetsbaar en veelal weerloos. Er zijn mensen, zichtbaar, en machten, onzichtbaar, maar niet minder werkelijk, die dit broze bestaan ondergraven, die het uit elkaar proberen te trekken, zoals men een kleed aan flarden kan scheuren. Een bedreigd bestaan, vooral als het donker wordt en de nacht valt. Allerlei veiligheidskleppen en rustverschaffers – geld, rang, stand – blijken dan ondeugdelijk te zijn.
‘Ik ben de deur der schapen…!’ Veiligheid, rust, vrede is er alleen achter Hem die de deur is. Geen veiligheid op een koopje, geen rust op de wijze van een pep-pil, geen vrede als holle, zij het ook stichtelijke frase, want Hij die de deur is gaf Zijn leven ter wille van de schapen en daarom wordt Hij de Goede Herder genoemd, de Enige die deze erenaam verdient. ‘Ik ben de deur der schapen ….!’ Mag ik nog even, om misverstand te voorkomen? Veiligheid, rust, vrede is geen luilekkerland, geen wereldvreemd paradijsje, vrij van moeite en pijn en tranen. Achter Hem Die de deur is, kan het nog – en misschien nog wel meer dan buiten – spoken en stormen, maar we mogen weten dat niets, niemand ons blijvend van Hem kan scheiden.
Zo lezen we even verder in dit hoofdstuk: ‘En niemand zal ze uit Mijn hand roven. Wat Mijn Vader Mij gegeven heeft, gaat alles te boven en niemand kan iets roven uit de hand van Mijn Vader. Ik en de Vader zijn een!’
En nog verder in de Schrift schrijft de apostel: ‘Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? Verdrukking of benauwdheid of vervolging of honger of naaktheid of gevaar of het zwaard? (…) Maar in dit alles – let u op het woordje ‘in’, er staat niet: ondanks! – maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaar door Hem, die ons heeft liefgehad …’. Rust, veiligheid, vrede op deze wijze, levensecht, hartverwarmend, hoopgevend, is alleen voorhanden achter Hem, die de deur der schapen is.
Er is nog een element dat als keerzijde met het voorgaande verbonden is. Behalve de afsluiting, de beveiliging is er ook de openheid, het opengaan, de dag tegemoet, het leven, de wijde wereld in. Een deur dient immers niet alleen om af te sluiten, want dan kun je de muur beter aan een stuk doortrekken; een deur dient ook om open te gaan en door te laten.
Misschien zijn we van nature, en ook als we de genade van het geloof ontvangen hebben, geneigd om meer de nadruk te leggen op de beslotenheid, de rust, het binnen-zijn. Maar als we te veel en te lang naar binnen gericht zijn, dan wordt het allengs muf en benauwd en ten slotte onleefbaar. Hij die de deur is, leidt ons niet alleen naar binnen, maar voert ons ook naar buiten. Weer een gebied vol gevaren. De weg, buiten, loopt over bergen en door dalen, langs kloven en ravijnen en onderweg zijn er allerlei stemmen en geluiden, boosaardige mensen en duistere machten, die de schapen doen schrikken, in de war brengen, meetronen. Mij dunkt: ook zo is het leven van ons, mensen, getypeerd. We staan en gaan in een wereld, die we niet overzien of doorzien, die ons verwart en vaak verbijstert. Adviezen, hoe dan ook, bij de vleet.
Wie eens op zou schrijven hoe vaak er dag aan dag een appel, een beroep op hem wordt gedaan, moet wel schrikken van de lange reeks: vriendelijke raad, dringende waarschuwingen, prikkelende advertenties, schreeuwerige reclame, om van de valse voorlichting, uitgekookte agitatie en gemene chantage nog maar te zwijgen. Zoveel herders bieden zich aan die in wezen alleen zichzelf beminnen, alleen aan hun eigen hachje denken.
Er is niets nieuws onder de zon, wat dit betreft. Bij monde van Jeremia, de profeet, werd al gezegd: ‘Wee de herders, die de schapen welke Ik weid, verderven en verstrooien, luidt het Woord des Heren…!’ ‘Ik ben de deur der schapen’. Hij die ons bij name kent roept ons naar buiten en gaat ons voor naar plaatsen waar leven is en overvloed.
Het enige wat we moeten leren is: luisteren en al doende vertrouwd raken met de stem van Hem die de deur is, die de weg wijst en zelf de weg is. De schapen horen naar Zijn stem en Hij roept. Zijn eigen schapen volgen Hem omdat zij zijn stem kennen….
Alleen zo zullen we de weg vinden in deze verwarrende, veelal verbijsterende wereld als we te midden van de stortvloed van woorden die gezegd worden onze oren scherpen voor de woorden van Hem, die de deur is, die ons naar binnen brengt en weer naar buiten doet gaan.
‘Ik ben de deur…!’ De troost van deze woorden is uitvoerig ter sprake gekomen, maar in de Schrift zijn troost en tucht onlosmakelijk met elkaar verweven. ‘Ik ben de deur…!’ Dat wil ook zeggen: wie zelf rust, vrede meent te hebben en anderen rust wil geven langs een andere weg dan via Hem die de deur is houdt zichzelf en anderen voor de gek, bouwt iets op drijfzand en komt dus bedrogen uit.
Daarom mogen deze woorden een heilzame onrust teweegbrengen om zoveel valse rust te ontmaskeren. ‘Ik ben de deur…!’ De tucht geldt evenzeer voor et naar buiten gaan en buiten zijn. Een gebied vol spanningen en smeulende conflicten, die ineens hoog kunnen oplaaien, vol vragen en problemen, die steeds groter lijken te worden. Niemand mag een en ander onderschatten, niemand mag er zich van afmaken met een fraaie volzin of een stichtelijke opmerking. Ik noem als voorbeeld: de dodelijke dreiging van de bewapening, de schrijnende verschillen tussen rijken en armen, de vragen en het verdriet vanwege de werkloosheid.
Buiten zijn is niet gemakkelijk, maar wel een gebod van Hogerhand. Wie zelf op weg gaat en anderen een weg wijst anders dan via Hem die de deur is wordt een gewillige, weerloze prooi van dieven en rovers.
Moge de gemeente van Christus al luisterend leren en voorleven waar en wat rust, vrede, veiligheid is en waar en wat leven is en overvloed; alleen via Hem die de deur is. Amen.

===   ===   ===

Johannes 10: 1 – 10 II
Gehouden op:
*Zondag 17 april 1994, 8.30 en 10.30 uur te Hellendoorn.
Bijbellezing: Johannes 10: 1 – 10; Jona 3.

De schaapskudde op de Holterberg is een trekpleister voor toeristen, een uitje waard voor de groten en de kleinen. Heel veel mensen stellen zich een herder voor als een oude, wijze man, die bij het licht van de ondergaande zon een tikkeltje weemoedig op een fluitje speelt, en dan denken ze: ach, hoe rustig! ach, hoe lieflijk! De werkelijkheid van de herder met zijn kudde schapen op de Holterberg is anders.
Als we nog verder weg en nog langer teruggaan, naar het land Israël in de dagen van Jezus, dan moeten we onze romantische voorstellingen helemaal vergeten. Daar en toen was een kudde schapen geen blikvanger, maar een alledaags verschijnsel. En herder zijn was een hard en nogal gevaarlijk beroep: hij moest altijd, in weer en wind, aan het werk en daarbij mocht hij niet voor een kleintje vervaard zijn; ook niet voor een grootje, zoals een wolf of soms een leeuw, en verder allerlei gespuis langs de weg.
Wat de schaapskooi betreft: die was ook anders dan wij gewend zijn; geen stevige schuur met een rieten dak, maar meestal een open ruimte in het veld, afgepaald door een lage muur van brokkelige, op elkaar gestapelde stenen, samengevoegd met wat leem. Verder was er een opening in de muur gelaten, waardoor de schapen in en uit konden gaan. Als de avond viel en de nacht kwam, ging de herder – of de deurwachter die hem ’s nachts weleens afloste – in die opening liggen, beter nog: zitten slapen. Er kon niemand uit of in dan over hem heen. Dit plaatje moeten we voor ogen houden, als we lezen wat Jezus zegt.
Hij gebruikt allerlei woorden en beelden om duidelijk te maken wie Hij is en wat Hij doet. ‘Ik ben het brood des levens…’. ‘Ik ben het licht der wereld…’. ‘Ik ben de opstanding en het leven…’. En hier, in Johannes 10: ‘Ik ben de goede Herder…’ en: ‘Ik ben de deur der schapen’.
Een herder met zijn kudde. Het beeld is antiek, maar het is desondanks brandend actueel. Je kunt het zomaar intekenen en inkleuren in je eigen leven, in onze samenleving hier en nu, anno 1994. Een herder is iemand die vertrouwen inboezemt, die stuur en steun geeft, die de mensen niet aan hun lot overlaat of in hun leed alleen laat. Een mens die de saamhorigheid, de solidariteit verdiept en verbreedt.
Waar tref je zulke mensen nog aan? Steeds meer mensen hebben het ellendige gevoel dat ze op drift geraakt zijn, verdwaald in een woestijn, zonder dat er echt naar hen wordt omgezien, behalve wanneer die ander, hoe dan ook, beter van je kan worden, iets aan je verdienen kan. Dat versterkt alleen maar de ontreddering. Zoveel predikheren en praatjesmakers, zoveel programmamakers en profetische figuren, zoveel partijen en pakkende leuzen om mensen te winnen, zoveel psychologie om het innerlijk van mensen te bespelen …
Een ander woord uit het Evangelie is brandend actueel: ‘toen Jezus de scharen zag, werd Hij met ontferming bewogen, omdat ze voortgejaagd en afgemat werden as schapen die geen herder hebben…’. Herders in het politieke en godsdienstige leven, dat wel onderscheiden maar niet gescheiden is van elkaar …

Sommige herders zijn als Jona, die de mensen ongenadig de waarheid zei, die een donderpreek hield in Ninevé. Hij wilde eigenlijk niet gaan, hij geloofde er zelf niet in, maar de Here God kan zelfs met zo’n kromme stok een rechte slag slaan. In het centrum, het hart van het Evangelie staat iemand, die met recht en reden zegt: ‘Ik ben de goede Herder…, Ik ben de deur der schapen’.
Het is de moeite waard over het woord, het beeld deur eens verder na te denken. Ten minste twee dingen komen dan naar voren, die met de functie van een deur verweven, zijde en keerzijde zijn. Een deur sluit af, ter wille van de rust en de veiligheid. Daarom doen we ’s avonds de deur dicht en op slot. Maar een deur gaat ook open, brengt je naar buien, het volle leven in.

Ik ben de deur, zegt Jezus. Denk aan de herder, die de opening in de muur opvult, afsluit met z’n eigen lichaam. Zo komt ons leven in beeld. We hebben een broos bestaan, zijn aan alle kanten kwetsbaar en veelal weerloos. Er zijn mensen, veelal zichtbaar, en machten, meestal onzichtbaar maar niet minder werkelijk, die dit broze bestaan ondergraven, die het uit elkaar proberen te trekken, zoals je een lap stof aan flarden kunt scheuren. Een bedreigd bestaan, vooral als het donker wordt en de nacht valt. Allerlei veiligheidskleppen en rustverschaffers – geld en goed, rang en stand – blijken ondeugdelijk te zijn.
‘Ik ben de deur der schapen’, zegt Hij. Veiligheid, vrede, rust is er alleen achter Hem die de deur is. Geen veiligheid op een koopje, geen rust op de wijze van een pep-pil, geen vrede als een holle frase of stichtelijke punt, want Hij, die de deur is, gaf Zijn leven ter wille van de schapen en daarom wordt Hij de Goede Herder genoemd.
Om misverstand en spraakverwarring te voorkomen: achter Hem die de deur is kan het nog – en misschien nog wel meer dan buiten – spoken en stormen, maar we mogen weten dat niets, niemand ons blijvend van Hem kan scheiden. Daarom lezen we even verder in dit hoofdstuk: ‘en niemand zal ze uit Mijn hand roven; wat Mijn Vader Mij gegeven heeft, gaat alles te boven en niemand kan iets roven uit de hand van Mijn Vader. Ik en de Vader zijn een!’ En nog verder in de Bijbel schrijft de apostel Paulus, die de stormen en de slagen aan den lijve ervaren heeft: ‘Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? Verdrukking of benauwdheid of vervolging of honger of naaktheid, gevaar of het zwaard? (…) Maar in dit alles’ – let wel: er staat in niet ondanks, afgezien van …- , ‘maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars door Hem, die ons heeft liefgehad’. Veiligheid, vrede, rust alleen achter Hem, die de deur der schapen is.
Maar nu die andere kant. Ik heb gezegd: zijde en keerzijde. Het een is er niet zonder het ander. Anders zou de deur dichtgemetseld zijn, en dan is het geen deur meer. Behalve de afsluiting, de veiligheid is er ook de openheid, het open gaan, de dag tegemoet, het leven, de wijde wereld in.
Misschien zijn we van nature geneigd om meer de nadruk te leggen op de beslotenheid, de rust, het binnen zijn. Vooral als het buiten kil en koud, spannend en stormachtig is. Er zijn perioden geweest in de geschiedenis en nog steeds zijn er plaatsen op de wereld, waar je als gelovige, of als kring van gelovigen, nauwelijks de kans hebt om je geloof uit te dragen.
Zo’n situatie is uitzonderlijk, want: als je te veel en te lang naar binnen gericht bent, dan loop je grote kans dat het allengs muf en benauwd, ten slotte zelfs onleefbaar wordt.
Hij die de deur is, leidt ons niet alleen naar binnen, maar brengt ons ook naar buiten. Weer een gebeid vol gevaren. Om in het beeld van de kudde te blijven: de weg, buiten, loopt over bergen en door dalen, langs kloven en ravijnen en onderweg zijn er allerlei stemmen en geluiden, boosaardige lieden en duistere machten, die de schapen doen schrikken, in de war brengen, meetronen.
Mij dunkt: ook zo is het leven van ons, mensen, duidelijk getypeerd. We staan en gaan in een wereld die we niet overzien of doorzien, die ons verwart en vaak ook verbijstert. Adviezen, hoe dan ook, bij de vleet. Wie eens op zou schrijven hoe vaak er dag aan dag een appel, een beroep op je wordt gedaan, moet wel schrikken van de lange reeks: vriendelijke raad, dringende waarschuwingen, prikkelende advertenties, kleurrijke aanplakbiljetten, schreeuwerige reclame, om van valse voorlichting, de halve waarheden en de gemene chantage maar te zwijgen. Zoveel herders bieden zich aan, die in wezen alleen zichzelf beminnen, alleen aan hun eigen hachje en heilige huisjes denken.
Kleine mens, kleine kerk, wat nu? We hebben geen garantie, geen strippenkaart, geen ingebouwd kompas dat we alleen maar op plaatsen zullen komen van rozengeur en maneschijn. We kunnen ons niet verzekeren dat ons leven schadevrij zal blijven. Wat blijft dan over?

Een belofte: Hij die ons bij name kent, roept ons naar buiten en gaat ons voor naar plaatsen waar leven is en overvloed. Overvloed betekent niet dat er bergen goud, stapels geluk, bosjes geld klaarliggen, maar dat er meer dan genoeg is om staande te blijven.
Het enige wat we moeten leren is: luisteren, gehoorzaam leven en al doende vertrouwd raken met de stem van Hem die de deur is, die de weg wijst en Zelf de weg is.
Daarom lezen we: ‘de schapen horen naar Zijn stem en Hij roept Zijn eigen schapen bij name en voert ze naar buiten. (…) Hij gaat voor ze uit en de schapen volgen Hem omdat zij Zijn stem kennen’.
Luisteren, ge-hoor-zaam leven. Ook dat spreekt niet vanzelf. De stem van de Herder hebben we niet zomaar bij de hand, op afroep beschikbaar. Sommige mensen hebben, hoe dan ook, direct contact, horen Hem spreken, zoals u en ik met elkaar kunnen communiceren. Ik hoor die ervaringen aan, maar ik herken ze niet. Voor mij is het Woord van de Herder verweven met de woorden van de psalmisten en profeten, de evangelisten en de apostelen, gebundeld in dit oude boek, de Bijbel. Door de werking van de Geest kunnen die oude woorden tot leven komen, zoals de wind ruist door de bomen, de lucht door de orgelpijpen blaast, waardoor de muziek hoorbaar wordt. Anders gezegd: het Woord en de Geest zijn ons toevertrouwd. Zo brengt de Goede Herder Zichzelf ter sprake. Zo is Hij de deur, die ons naar binnen brengt en weer naar buiten doet gaan. Rondom Hem is het leven goed en het sterven niet zonder hoop. Amen.

===   ===   ===

Johannes 10: 6.
Gehouden op:
*Zondag 25 april 1999, 10.00 uur te Beekbergen.
Bijbellezing:  Johannes 10: 1 – 10; Nehemia 9: 6 – 15.

Zondagavond, 18 april. Nog maar net terug van een weekend op Ameland. ‘Papa, zullen we een spelletje doen?’ Als ik op zo’n vraag van een van de kinderen ‘nee’ zeg, heb ik altijd een kwaad geweten.
‘Een partijtje schaken?’ En ik: ‘nou, liever wat anders’. Dat zei ik overigens niet, omdat ik bijna altijd verlies.
‘In de krant van gisteren staat misschien een mooie cryptogram’. Ik weer: ‘oké, laten we maar eens proberen’.
Daar zitten we dan, samen bij de tafel, gebogen over woorden, waarbij onze hersens kraken. Wat denkt u van deze bijvoorbeeld: ‘Klaag de voortzetting aan!’… Na enige moeite vonden wij: ‘vervolg’.
Nog, eentje, heel mooi als je hem weet: ‘Het mooiste palingvrouwtje in de kerk’ …. Ik zal u helpen: ‘missaal’.
Maandagmorgen 19 april. Ik zit in m’n werkplaatsje – Seth Gaaikema, wiens moeder predikante was, noemde dat ‘het keukentje van God’ – en ben bezig met het Evangelie voor deze derde zondag na Pasen. Op het eerste gezicht en gehoor denk ik: ‘Dat is zo duidelijk als wat…! Deur, schapen, herder! Een beeld van vroeger en van ver weg – hoewel….de Loener Mark is op fietsafstand. Hoe dan ook, een kind kan de was doen’.
Ja, over de was doen gesproken… Net op die maandag was onze wasmachine kapot. En ik, ik moest ook ambachtelijk bezig zijn in de smidse van de Schrift. Ik bleef steken – Goddank! met eerbied gezegd – ni deze woorden: ‘In dit beeld’ – letterlijk staat er: in deze raadselspreuk – ‘sprak Jezus tot hen, maar zij begrepen niet, wat het was, dat Hij tot hen sprak’.
Om misverstand te voorkomen: ga ik nu van de Bijbel is een soort cryptogram maken? Nee, ik lees alleen wat er staat. De Bijbel is een eenvoudig boek, zonder dubbele bodems, want God is eenvoudig. Hij spreekt niet met twee of meer monden, Hij heeft niet meer dan een gezicht.
Maar eenvoudig is iets anders dan simpel. Zij begrepen dit beeld, deze raadselspreuk niet. Waren ze dan zo stom? Hielden ze zich opzettelijk van de domme, tegen beter weten in? Trouwens, wie waren die ‘zij’, die dit beeld, deze raadselspreuk niet begrepen?
Dit hoofdstuk, Johannes 10, is niet los verkrijgbaar. Het is onlosmakelijk verweven met het voorgaande. Daar, in hoofdstuk 9, wordt verteld dat en hoe en ook waarom en waartoe een blindeman genezen is. Het roept verzet op. Vooral van de godsdienstige leidslieden. Aan het slot van hoofdstuk 9 worden de Farizeeën met name genoemd.
Even daarvoor staat een wonderlijk tweegesprek tussen Jezus en de man, die weer zien kan. Jezus vraagt ten slotte: ‘Gelooft u in de zoon des mensen?’ En het weerwoord: ‘Wie is Hij, Here, dat ik in Hem moge geloven?’ Jezus zei tot hem: ‘Gij hebt Hem niet slechts gezien, maar die met u spreekt, die is het!’
Wonderlijk! Waarom? Je zou toch verwachten: u heeft Hem niet alleen gehoord, maar nu zie je Hem, in levende lijve. Maar het is net andersom: niet alleen gezien, maar nu hoor je zijn stem! Dat heeft toch alles te maken met het vervolg: de schapen horen niet naar een vreemde, maar herkennen de stem van de Goede Herder. Hoezo herkennen? Had deze man de stem van Jezus eerder gehoord?
Ik denk, ik weet wel zeker dat hier het geheim ligt van die raadselspreuk. Wie het op het spoor komt, wordt nog veel meer verrast dan toen wij, op die zondagavond, dat woord ‘missaal’ vonden, toen wij zaten te piekeren over die omschrijving: ‘het mooiste palingvrouwtje in de kerk’.
Nu lees ik opnieuw de inzet van hoofdstuk 10. Het sluit naadloos aan bij het voorgaande. De indeling in hoofdstukken dateert uit veel later tijd. En verder moet u weten dat de uitroeptekens in het Evangelie altijd vooraan staan. ‘Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, wie niet door de deur de schaapskooi binnenkomt, maar op een andere plaats inklimt, die is een dief en een rover; maar wie door de deur binnenkomt, is de herder der schapen’. En even verder: ‘Ik ben de deur der schapen. Allen die voor Mij gekomen zijn, zijn dieven en rovers, maar de schapen hebben naar hen niet gehoord’.
We houden vast, we onthouden alvast: Hij, die de deur is, is ook de Herder! De Goede Herder komt door de poort, door de deur die Hij zelf ook is. Dat moeten we vasthouden om enigszins te verstaan waarom de schapen Zijn stem kennen herkennen. Hier klopt het hart. Hier komen we dichter bij het geheim, dat ons leven en deze hele wereld draagt en omvat.
Eerst maken we nog een omtrekkende beweging. Het is bedoeld om eerbiedig te naderen en des te beter te horen. Ik hoop dat u mij op de voet volgt. Anders gezegd: dat u op een oorlengte meegaat, want de Bijbel is zo’n geweldig boek! Omtrekkende beweging. Wat hebben de mensen daar en toen gedacht bij deze woorden? Hebben ze gedacht aan de Schaapspoort, een van de vele poorten in de muren rondom de oude stad, met de tempel als het hart, het klokhuis? Die Schaapspoort lag dicht bij Bethesda, het badwater van Siloam, waar die man genezen werd, 38 jaar (!) ziek. Die poort heette later de Stefanuspoort en staat nu bekend als de Leeuwenpoort.
Schapen, ook tempelschapen, bestemd voor de offerpraktijk, naar binnen, en, bij het krieken van de dag, ook schapen naar buiten, richting Bethanië, en, nog verder weg, richting Jericho, op zoek naar weidegrond. Herders die roepen, om hun eigen schapen bij elkaar te houden.
Of hebben ze gedacht aan een grote binnenplaats bij een huis, waar de schapen van verschillende herders de nacht doorbrachten, de zorg toevertrouwd aan de deurwachter, terwijl de herders ’s nachts thuis sliepen? Ik weet het niet wat en waaraan ze gedacht hebben! Hoe dit ook zij, het heeft hun niet geholpen om dit beeld, deze raadselspreuk te verstaan. Zij begrepen niet wat het was dat Jezus tot hen sprak.
En wij dan, weten wij zoveel meer en beter? Laten we toch voorzichtig zijn en uiterst zorgvuldig. Alles luistert hier zo nauw! Wie niet alert is, wie de oren niet gespitst heeft en houdt, die komt zomaar in crimineel gezelschap, waarbij de Joden in de beklaagdenbank worden gezet en doorgestreept worden als ‘Unter-Menschen’, als mensen beneden de Germaanse, eventueel de Germaans-christelijke maat.
Nog eens: de deur, de Herder, de Schapen! De deur, dat is de openbare weg, de fatsoenlijke toegang naar de schapen toe. Waar duidt dit op? Ik sta weer te hakkelen en te stamelen. Preken is, naar mijn besef, niet anders dan genadig stotteren. Daarom vind ik het ook niet zo erg meer dat ik er vroeger zo’n last van heb gehad en soms nog de naweeën ervaar. God behoede ons voor al die gladde praters en die gestroomlijnde woorden die alleen het ongeloof in de kaart spelen.
De deur…, dat is naar mijn besef het Woord van God, waarmee Hij contact met ons zoekt, heilzaam beslag legt op ons hele bestaan. Door dit Woord zijn de hemel en de aarde geschapen. In het onvolprezen scheppingsverhaal lezen we dan ook telkens het werkwoord roepen, door ons helaas vertaald met noemen. ‘En God riep het licht: dag! en de duisternis riep Hij: nacht!’ Op grond van dat roepen was het er!
Of denk eens aan de Psalmen. Psalm 33 bijvoorbeeld: ‘Door het Woord des Heren zijn de hemelen (meervoud!) gemaakt, door de adem van Zijn mond al hun heer (alles wat er is); …..Want Hij sprak en het was er, Hij gebood en het stond er’. Of met de berijmde woorden van Psalm 103: ‘Hij die ons zelf uit aarde heeft genomen, Hij weet, dat wij, uit stof aan ’t licht gekomen, slechts leven uit de adem van Zijn stem’.
En nu lees ik de ouverture – dat is een woord uit de muziek, maar het Evangelie is ook muziek, een liefdeslied – ik lees de ouverture van het Johannes-evangelie: ‘In den beginne was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God (…). Alle dingen zijn door het Woord geworden en zonder dit is geen ding geworden dat geworden is’.
Hij kwam tot het Zijne, lezen we even verder. Nu gaat mij een licht op. Alles is door en in en tot dit Woord, dat Jezus Christus is, geschapen. Mensen zijn van Hem en van niemand anders! Daarom herkende die blindgeborene, genezen door Jezus, het vleesgeworden Woord, de stem van de Goede Herder. Daarom herkennen ook de schapen Zijn stem!
Ik weet niet hoe ik dit in woorden moet vatten, gesteld dat dit ooit zou kunnen. Wij, mensen, zijn van God. Niet in het wilde weg, van een of andere hogere macht, maar van deze unieke God, die Zich in Jezus Christus, Zijn uitgesproken Woord, ten diepste onthuld heeft. De apostel Paulus schrijft iets soortgelijks in zijn brief aan de Colossenzen, met het oog op Jezus Christus: ‘alle dingen zijn door Hem en tot Hem geschapen; en Hij is voor alles en alle dingen hebben hun bestaan in Hem’ (Colossenzen 1: 16 – 17).
Tenslotte, zusters en broeders, nog twee opmerkingen. Misschien hebben ze iets van een toepassing, maar al het voorgaande gestamel was ook al een toepassing. Hoe zou je het Woord van God ooit afstandelijk kunnen lezen? Hoe dit ook zij, nog twee opmerkingen:
De eerste heeft een politieke strekking. De tweede heeft vooral met evangelisatie te maken. In de Duitse kerkstrijd, tegen de demonische golven van het nationaal-socialisme, werd een synode bijeengeroepen – levensgevaarlijk voor de betrokkenen! – in Barmen. Daar werd een belijdenis geboren! Wat een muziek! Boven het eerste artikel staat onder meer de tekst uit Johannes 10 – over de deur, de Herder en de schapen – en dan horen we: ‘Jezus Christus, zoals Hij ons in de Heilige Schrift betuigd wordt, is het enige Woord van God, dat wij hebben te horen, waaraan wij in leven en in sterven ons vertrouwen en onze gehoorzaamheid hebben te geven. Wij verwerpen de valse leer, als zou de kerk buiten en naast dit ene Woord van God als bron van haar verkondiging nog andere gebeurtenissen en machten, personen en waarheden als openbaring Gods kunnen erkennen’. Met andere woorden: de enige die toegang tot en recht op ons hart heeft, is Jezus Christus. Wie zich buiten Hem als leider (Fuhrer!), redder of verlosser opwerpt, is een dief en een rover. Ik vind dat zo indrukwekkend! Goede theologie raakt het hart van een mens, raakt het hart van een samenleving.
De tweede opmerking, hiermee verbonden, is deze. Hoe benader je mensen? Hoe bereik je hen met het Heilig Evangelie? Ik denk aan het werk van Kerk en Recreatie, waarover we straks nog meer horen. Deze arbeid werkt niet op de wijze van slikken of stikken, niet op de manier van het pistool op de borst. Het is ook geen werk om mensen de hel in te praten om dan de brandslang van het Evangelie op hen te richten. Welke vorm dan wel? Dat is een kwestie van eigentijds bezig zijn, creatief nadenken, van aanhoudend bidden en onvermoeibaar werken. Maar het diepste woord zal altijd zijn: jij, mens, jij bent van deze God, van de Vader, de Zoon, de Heilige Geest! Alleen dan en zo zal er, ondanks alles, herkenning mogelijk zijn. De schapen horen naar deze stem alleen. Met de woorden van het lied dat we zingen: ‘Ja, Hij is elk van ons nabij, / hoe hemelhoog verheven; / in Hem bestaan, bewegen wij, / in Hem is heel ons leven’. Amen.

===   ===   ===

Johannes 10:7
Gehouden op:
*Zondag 7 maart 1976, 13.30 uur te Abbega.
Bijbellezing: Johannes 10: 1 – 10.
*Zondag 1 maart 1981 te Ellecom / De Steeg.
Bijbellezing: Johannes 10: 1 – 10; Jeremia 23: 1 – 5.

In de Bijbel komen regelmatig dieren ter sprake, en wel op een heel merkwaardige wijze. Ze zijn, krachtens de orde die God in de schepping heeft gelegd, ondergeschikt aan de mens, aan hem onderworpen. Maar als de mens, bedoeld als rentmeester, als beelddrager van God, zijn plaats niet meer weet, zijn roeping in de wind slaat, dan lezen de dieren hem vaak de les. Dat is een beschamende ontdekking, als de rollen zo omgekeerd worden.
Ik zal een paar voorbeelden noemen. De ezel van Bileam is wijzer dan zijn meester en leest hem de les. Wie lui is en zijn tijd en gaven verknoeit, wordt, in het Spreukenboek, naar de mieren verwezen om wat wijzer te worden. Als iemand zich zorgen maakt over van alles en nog wat en door zijn gepieker en getob het belangrijkste van het leven vergeet, dan moet hij bij de vogels in de leer gaan: ‘Zij zaaien niet en maaien niet en brengen geen voorraad bijeen in schuren en toch voedt uw hemelse Vader die; gaat u, mens, ze niet verre te boven?’
Dieren kunnen ons soms meer leren dan we denken. In het Schriftgedeelte dat we zopas gelezen hebben krijgen we een levensles van de schapen, die met de Herder verbonden zijn, Zijn stem kennen en gehoorzamen.
Om deze les des te beter ter harte te kunnen nemen, moeten we een paar dingen weten. In de eerste plaats moeten we onze idyllische, romantische gedachten over een herder met zijn kudde schapen vergeten. Wij hebben een beeld voor ogen van een oude, wijze man die op een fluitje speelt bij het licht van de ondergaande zon en we denken dan bij onszelf: ach, wat rustig; ach, hoe lieflijk! Herder zijn in het Oosten was toendertijd een ruig en gevaarlijk beroep. Voortdurend dreigde gevaar van de kant van verdachte figuren die vee probeerden te roven en van wilde dieren die de schapen overvielen en er hun hongerige magen mee vulden.
In de tweede plaats moeten we ons de schaapskooi anders voorstellen dan wij gewend zijn: geen stevige schuur met een rieten dak, maar een open ruimte in het veld, zonder dak, afgegrensd door een lage muur van brokkelige, op elkaar gestapelde stenen, samengevoegd met wat leem. Er was een kleine opening in de muur, waardoor de schapen in en uit konden gaan. Als de avond viel en de nacht kwam, dan ging de herder zelf, of de deurwachter die hem ’s nacht afloste, in die opening liggen, beter nog: zitten slapen. Er kon niemand uit of in, dan over hem heen.
Met deze beide punten in gedachten en voor ogen komen de woorden van de Here Jezus veel dichterbij: ‘Ik ben de deur der schapen!’ Het is een beeld om het geheim van Zijn persoon en van Zijn taak duidelijk te maken, zoals Hij zoveel beelden gebruikt: ‘Ik ben het licht der wereld!’, ‘Ik ben het brood des levens’, ‘Ik ben de weg, de waarheid een het leven!’.
Hier wijst Hij naar de schapen, van wie de mensen het een en ander kunnen leren. Ze zijn vertrouwd met de Herder, ze kennen al Zijn bewegingen en geluiden, ze kennen Zijn stem. Als Hij de opening in de muur opvult met Zijn eigen lichaam, dan kunnen zij rustig gaan slapen. En als het dag wordt, dan roept Hij de schapen bij name, voert ze naar buiten, en brengt ze naar plaatsen, waar voedsel te vinden is.
Wie niet via de deur gaat, maar langs een andere plaats binnenkomt, die heeft kwade bedoelingen, ook al kan hij zich nog zo vriendelijk en fatsoenlijk presenteren. Dieven en rovers worden ze genoemd, door Hem die van Zichzelf zegt: ‘Ik ben de deur van de schapen’.
In dit beeld sprak Jezus tot hen, maar, zo staat erbij vermeld: ‘zij begrepen niet wat het was dat Hij tot hen sprak’. Laten wij ons niet hooghartig verheffen en voorbarig zeggen dat het ons allemaal glashelder is. Om dit beeld werkelijk te verstaan, ter harte en ter hand te nemen moeten we ons voortdurend oefenen en ons laten gezeggen door het Evangelie. Daarom komen we ook week aan week samen in de kerk, want we dreigen telkens weer uit de toon te vallen en van de wijs te raken.
Bij de schapen in de leer gaan. Een beschamende, maar ook bevrijdende les. Evenals de schapen zijn wij, mensen, op gemeenschap aangelegd, de een meer, de ander minder, maar mensen hebben mensen nodig om te kunnen bestaan en verder te gaan. De grondregels van de psychologie, die in alle leerboekjes vermeld worden, tekenen zich in dit grote boek duidelijk af: in de ontmoeting met, in het samenspel met de ander vinden we onszelf en worden we mens. Een van de diepste oorzaken van de ontreddering en verscheurdheid, die steeds meer mensen aan den lijve ervaren en die de psychiaters handenvol werk bezorgt is de eenzaamheid: er is steeds minder tijd, minder aandacht, minder liefde voor de ander en voor elkaar.
Het is waar: evenals de schapen zijn wij, mensen, op gemeenschap aangelegd. Van deze dieren kunnen wij nog meer leren: evenals zij hebben wij, mensen, leiding nodig, de een meer, de ander minder, maar ieder mens heeft een hand nodig, die hem leidt, een stem die hem aanspreekt, bemoedigt, de weg wijst.
Allerlei leiders dienen zich aan en dringen zich op. De een met nog schonere beloften dan de ander. Er zijn zoveel figuren, op allerhande gebied, die ons, mensen, de helpende hand bieden, die onze gevoelens en gedachten zo proberen te bespelen, dat we met hen meegaan. Het is een ratjetoe, een heksenketel van geluiden, waardoor we vaak de kluts kwijtraken. We zijn al zo vaak teleurgesteld, zo vaak voor de gek gehouden. Wie is in staat om mensen te leiden, onbaatzuchtig, zonder bijbedoelingen?
In het Evangelie staat een regeltje dat nog steeds pijnlijk actueel is: ‘toen Jezus de schare zag, werd Hij met ontferming over hen bewogen, omdat ze voortgejaagd en afgemat werden als schapen zonder herder’. Ook dit is waar, wat we van de schapen kunnen leren: evenals zij hebben wij, mensen, leiding nodig, een helpende hand, een open hart, een zuivere stem.
Ik ben de deur der schapen, zei iemand, lang geleden, en deze woorden worden nog steeds herhaald, omdat ze blijvend actueel zijn, want deze woorden zijn van Hem die niet alleen de waarheid spreekt, maar Zelf de waarheid is.
Hij heeft deze woorden bevestigd door Zijn leven en nog meer door Zijn dood en toen, op het Paasfeest, zijn ze van Hogerhand beaamd, voor eeuwig. Rust, bescherming, veiligheid, ontvangen we alleen achter Hem die de deur is. Hij zorgt dat niemand blijvend uit Zijn hand gerukt wordt. Hij zet Zijn leven in voor de schapen. In de nacht van ons leven en evenzeer in de nacht van onze dood, zijn we bij Hem geborgen, beschermd, bewaard, voor altijd. Niemand leeft voor eigen rekening en niemand sterft op eigen risico, want hetzij wij leven, hetzij we sterven, we zijn het eigendom van Hem, die de deur der schapen is, de goede Herder.
Dat is leven: weten dat je als mens, samen met de ander, aanvaard bent, gezien en bemind wordt door Hem die de wacht houdt. Hier krijgen de oude Psalmwoorden nieuwe klank en kleur: ‘in vrede kan ik mij te ruste begeven en aanstonds inslapen, want Gij alleen, o Here, doet mij veilig wonen’.
Maar er is nog meer te zeggen, omdat de schapen ons nog meer kunnen leren. Hij die de deur der schapen is, brengt ons niet alleen naar binnen op een veilige plaats, maar Hij voert ons ook naar buiten, de wijde wereld in. Wanneer we alleen maar naar binnen gericht zijn, bedacht op de rust en op de veiligheid, dan wordt het ten slotte muf en benauwd. Hij die de deur is. brengt ons niet alleen binnen, maar ook en vooral naar buiten. Dat is een gebied vol gevaren; de weg verloopt over bergen en door dalen, langs kloven en ravijnen; er klinken onderweg allerlei stemmen en geluiden die ons beïnvloeden en willen meetronen. Maar Hij, die de Deur is, is de Goede Herder, die Zijn schapen bij name roept. De schapen kennen Zijn stem en volgen Hem. Alleen Hij wijst de weg, alleen Hij heeft oog en hart voor ons.
Zo staan de gelovigen, zo staat de gemeente van Christus in deze wereld. De rust en de activiteit, de beslotenheid en de ruimte, nog anders gezegd: het binnen zijn en het naar buiten gaan wisselen elkaar af, en het gebeurt allemaal via Hem die de deur is. Deze deur draait nog steeds, want Hij die de Goede Herder is, heeft nog grootse plannen. Hij roept nog veel meer schapen, Hij nodigt, Hij daagt anderen, die stuurloos en doelloos rondscharrelen uit om Hem te volgen, totdat het zal zijn: een kudde, een Herder.
Uitziende naar deze toekomst proberen we de les van de schapen ter harte en ter hand te nemen. Buiten Hem die de deur is, is er geen leven, geen toekomst, maar achter Hem aan is leven, vrede, vreugde, overvloed. Amen.

===   ==   ===

Johannes 10: 1 – 11
Gehouden op:
*Zondag 25 april 1999, 19.00 uur te Beekbergen.
Bijbellezing: Johannes 10: 1 – 11; Psalm 130: 5 – 8.

Vanmorgen hebben we geklopt op de deur van deze teksten uit Johannes 10, in de hoop dat die deur open zou gaan. Dat beeld is mij zo lief: kloppen op de deur van de teksten. Niet zomaar even, kriskras in de Bijbel binnen lopen, laat staan binnen breken, maar fatsoenlijk, zoals een gast betaamt, kloppen. Het beeld komt van de kerkvader Augustinus en na zoveel eeuwen heeft Luther, die een Augustijner monnik was, dat beeld opgenomen en jarenlang in praktijk gebracht. Ik heb de afgelopen week zo aanhoudend geklopt en aandachtig geluisterd, dat ik er echt hoofdpijn van kreeg. Dat klinkt wat zielig, maar als die deur opengaat, hoor je zoveel dat je er duizelig van wordt. Ik heb zo vaak het gevoel bij de voorbereiding van de eredienst dat ik met m’n rugzakje, waarin m’n theologische bagage zit, een paar salto’s maak. Zo ook toen de deur van deze – naar ik dacht: overbekende – teksten openging. De Deur, de Herder en de schapen. Jezus Christus die de Deur en de Herder ineen is.
Weet u het nog? En als u er vanmorgen niet was, vat ik het even samen: die Deur is het Woord van den beginne en door die Deur komt Hij, die het vleesgeworden Woord is. Zo komt Hij tot het Zijne. Alles is door en in en tot Hem geschapen. Daarom is er de genadige mogelijkheid dat de schapen Zijn stem herkennen. Dat heeft mij doen tollen en duizelen omdat het gevolgen heeft – bijvoorbeeld voor het werk van de evangelisatie – die ik lang niet kan overzien. Ik moet alles in m’n rugzakje opnieuw schikken en een plaatsje geven. Erg? Nee, dat niet, maar het vreet wel energie. Ik herken en beaam de woorden van de oude professor Gunning – ongeveer een eeuw geleden -: ‘Ook het geestelijke brood zal je in het zweet van je aanschijn verdienen.’ Sta, nu die Deur – Goddank! – open is, even stil bij de entree, de ingang. Daar zit de deurwachter. Je zou hem bijna over het hoofd zien. Hij heeft ook zo’n bescheiden plekje. Met het oog op hem ga ik mediteren. Dat is iets anders dan fantaseren, want ik blijf binnen de omheining van de gegeven, geschreven woorden, maar op de tocht, de adem van de Geest vermenigvuldigen zich de gedachten.
Die deurwachter – dat zit al in z’n naam verscholen – heeft alles met de Deur te maken en dus ook met de Herder en is op zijn wijze dienstbaar aan de schapen. Hij heeft een tijdelijke opdracht. Een part-timer zogezegd. Hij werkt vooral in de kleine, in de nachtelijke uren, omdat de Herder naar huis is en bij het krieken van de dag terug zal komen.
Die deur is er allang, lang voordat de deurwachter kwam kijken. Hij heeft ook duidelijke instructies: ‘Jij, deurwachter, jij hoort bij de deur; daar is je plekje en nergens anders. Je bent geen eigen baas. De schapen zijn immers niet van jou, maar van de Herder.’ Als ik goed kijk naar dit profiel van de deurwachter, dan zie ik allerlei gezichten. Ik zal er een paar noemen.
Die deurwachter heeft het gezicht, de gestalte van de kerk in deze wereld. Sta ik nou te dromen? Ik ben naar mijn besef, zo wakker als wat. Waartoe dient de kerk in deze warrige, veelal waanzinnige wereld? Ze heeft een plaatsje gekregen in de deur, die het Woord is. De kerk is dienstbaar aan het Woord van God. Daar ligt haar taakomschrijving, zo u wilt: haar CAO, haar Collectieve Arbeids Overeenkomst.
Nou ja, vooruit, maar de kerk moet toch ook allerlei dingen doen? Ongetwijfeld! Maar al haar activiteiten zijn getekend, getypeerd door het Woord dat haar is toevertrouwd. Als ze dit Boek te buiten gaat, komt ze onder het juk van andere heren en heerschappen. Het zijn de dieven en de rovers, die erop uit zijn om te stelen en te slachten en te verdelgen. Dat gaat dus ten koste van de schapen. Soms is het broodnodig om de taak van de deurwachter grondig onder de loep te nemen. Net zo grondig als de enquete-commissie die de Bijlmerramp onderzocht en rapport uitbracht. Dat heet in de geschiedenis van de kerk: Reformatie, Hervorming, grote schoonmaak. Wat staat er op je werkbriefje of ben je soms aan het beunhazen? Nou begrip ik ook beter waarom Luther met z’n 95 stellingen zo gehecht was aan deze stelling: ‘De ware schat der kerk is het heilig Evangelie van de heerlijkheid en de genade van God’.
Ja, je bent deurwachter of je bent het niet. Als je het niet bent, dan ben je het niet een beetje minder, maar dan raak je in de maffia van dieven en rovers.
Nog eens die deurwachter als part-timer en vooral als nachtwaker. In tijdelijke dienst. De kerk is van tijdelijke aard, is geen blijvertje. Als de plannen van God voltooid zijn, alom werkelijkheid zijn geworden, is er geen kerk meer. Daarom lees ik in het laatste Bijbelboek, met het oog op de nieuwe hemel en de nieuwe aarde: ‘En een tempel zag ik in haar niet, want de Here God, de Almachtige, is haar tempel, en het Lam’.
Wonderlijke gedachte: de dominees zullen als eersten in aanmerking komen voor een omscholing. Organisten hebben wat dat betreft een beter toekomstig perspectief, want er zal wel uitbundig gezongen worden. Daarom schreef de kerkvader Augustinus ooit: het eeuwige leven bestaat uit Amen en Halleluja zeggen – en ik zeg er, wellicht ten overvloede bij: het zal nooit saai worden.
Ook dit is natuurlijk wat gestamel en gestotter maar het raakt wel het wezen van de kerk: een begrensd, getermineerd dienstverband!
En dan het element van de nachtwaker. Weer de vraag: droom ik nou? Mij dunkt: ik ben zo wakker als wat. Is de kerk er niet om de nacht door te komen? De nacht van de schuld, de nacht van de wanhoop, van de moedeloosheid, de nacht van de onmenselijkheid, de nacht van in die de dood?
In die nachtelijke uren zit de deurwachter ook ietwat gedempt, getemperd te zingen. Hij houdt de lofzang gaande. Hij doet een heleboel dingen meer, maar ik haal dit er even uit, omdat het naar mijn besef zo fundamenteel is. De lofzang! Niet zo uitbundig, alsof de dag al aangebroken was. Gedempt, getemperd.
Dat herkennen we toch? Ik denk, ik weet wel zeker dat we het Paasfeest met nog meer brokken in onze keel gevierd hebben. Die zee van tranen, dat slagveld van de dood, die verbijsterde mensen, groten en kleinen, in Kosovo. Ja, wel zingen, maar niet met het verstand op nul en de blik op oneindig. Hoe ze dat in Servië gedaan hebben, het Paasfeest vieren, ja, dat snap ik helemaal niet meer. Wat je zingt en zegt en doet moet toch ergens over gaan, ergens op slaan? Bij monde van de profeet Micha zei de Hoog-Heilige indertijd, maar ongekend actueel: ‘Ik haat, Ik veracht uw feesten, en kan uw samenkomsten niet luchten. (…) Doe van Mij weg het getier van uw liederen, het getokkel van uw harpen wil Ik niet meer horen. Maar laat het recht als water golven, en gerechtigheid als een immer vloeiende beek’ (5: 21 – 24).
Soms kan de deurwachter, de kerk, misschien niet veel meer doen dan stilletjes wat zitten te janken omdat de nood zo hoog loopt en de Heer, de Herder zo lang uitblijft. In de liturgie van de kerk heet dat het ‘kyriegebed’, het ‘Heer ontferm U’. En de keerzijde daarvan is: ‘Maranatha’, onze Heer, kom toch spoedig! Laat de dag, Uw Dag aanbreken en de nacht eindelijk ten einde zijn. Dat is toch ook wezenlijk voor de deurwachter, dus voor de kerk: de komst van de Herder verwachten! Als dat element, die verwachting ontbreekt, dan is de deurwachter eigen baas geworden en dus een dief en een rover.
Het profiel van de deurwachter. Ik zei zopas: ‘Als je goed kijkt, zie je allerlei gezichten!’ Ik zal er een paar noemen! We hebben het langste stilgestaan bij het gezicht van de kerk. Misschien mag je het beeld wel verkleinen, totdat je jouw eigen gezicht ontwaart. Ik zie het gezicht van ouders, aan wie de zorg voor kinderen is toevertrouwd. Zij hebben iets, veel van een deurwachter. In de lichtkring van het Woord van God. Dat is toch de diepste bron waaruit je put en waardoor je verder kunt? Als part-timer. Ook dat is wezenlijk voor het ouderschap. Liefde is de kunst van het loslaten. Of, met een ander beeld: de schutbladen om de knop van een bloem; die knop moet de ruimte krijgen, waardoor en waarvoor de schutbladen wijken.
Het ouderschap heeft ook iets van een nachtwaker. Met de woorden van een dichter, Geert Boogaard: ‘Wij hebben jou niet / je hebt ons, / om je te leiden / te beschermen / te bewaren voor angst / om je te zeggen / dat we niet bang zijn / als het onweert / en met je te zingen in te nacht’. Om de nacht door te komen. Maar wat gebeurt er als de deurwachter wegvalt of weggaat? Het is om te huilen. Soms is het enige woord dat mij nog te binnen schiet: ‘Maranatha! Heer, Herder, kom toch gauw!’
Ik zie ook heel duidelijk mijn eigen gezicht, mijn eigen gestalte in die deurwachter. Als voorganger van de gemeente, als dienaar van het Woord. Een voorganger, die ook weer voorbijgaat. De gemeente van Christus bestond al eeuwenlang in Beekbergen, voordat ik kwam kijken. Ze zal er voorlopig, totdat de Heer, de Herder komt, ook blijven, als ik er niet meer ben. Ik ben geen nachtvlinder, maar dit werk bestaat ook en vooral uit de zorg om de nacht door te komen, om anderen daarin behulpzaam te zijn.
Nog een opmerking om al het voorgaande samen te vatten. Ik hoop en bid en werk ervoor dat u al meekijkend naar die deurwachter en meeluisterend ook uw eigen gezicht, uw eigen gestalte hebt ontdekt. In de Deur van het Woord gezet, van Hem die Zelf het diepste Woord van God is, de Goede Herder die ons, hoe dan ook, betrekt bij de zorg voor anderen, Zijn schapen. Met een taakomschrijving, vooral bedoeld om de nacht door te komen en Zijn komst te verwachten. Verantwoording schuldig aan Hem. Dat is misschien wel de kroon van ons mens-zijn en ook ons diepste wezen: verantwoordelijk zijn, geroepen om antwoord te geven op Zijn stem die ons vraagt: Menslief, waar ben je? Amen.

===   ===   ===

Johannes 10: 22 – 30
Gehouden op:
*Zondag 18 februari 2007, om 10.00 uur in de hervormde kerk te Beekbergen, Doopdienst
Bijbellezing: Johannes 10: 22 – 30.

Je kunt van dieren heel veel leren. Ik ben niet de eerste die dat zegt. De Bijbel staat er vol van: de duif uit Noachs ark; de ezel van Bileam; de mieren die altijd bezig zijn en ieder weet wat-ie doen moet; de adelaar, die z’n jongen leert vliegen en desnoods opvangt op z’n brede vleugels; de mussen en de andere vogels, die niet zaaien, niet oogsten, geen grote schuren bouwen; en niet te vergeten de schapen die bij de Herder horen en naar zijn stem horen.
Ik kom daar straks op terug. Daarover, de Herder en de schapen, gaat het in dit Bijbelverhaal. Het heeft ook te maken met de doop van Miguel, Maartje en Corné.
Om het allemaal beter te begrijpen, vertel ik eerst over een koe en over een hond. Ik hoorde het verhaal over de koe van Frits en Krina de Groot, van de Molenvaart in Lieren. Frits overleed 7 jaar geleden, op 16 februari 2000. Zij verkochten, heel lang geleden, toen ze nog geen auto hadden en op een brommer reden, een koe die er wat bijzonder uitzag. Een beetje mollig, klein en dik. Ze noemden die koe ‘Poepiedik’. Ze werd verkocht aan een boer, dicht bij Vorden, een uurtje rijden – met de auto – hier vandaan.
Die koe was al heel lang weg, toen Frits en Krina voor ’t een of ander naar Vorden moesten. Ze kwamen bij Vorden langs het weiland van de boer die hun koe had gekocht. Frits en Krina zeiden tegen elkaar: ‘Zou Poepiedik nog leven?’ Ze stapten af en zagen haar in de verte lopen. Frits riep vanaf de weg, bij het hek: ‘Poepiedik!’ En zowaar, de koe spitste de oren en kwam naar het hek toe. Ze herkende de stem van de baas, van Frits, de stem van de meester.
Het verhaal van de hond lijkt daarop. Ik zal het je laten zien. In mijn werkplaatsje hangt deze plaat, waar ik heel zuinig op ben. Een heel oude grammofoon, waarmee vroeger platen werden gedraaid. Daarvoor een hondje, met het kopje ietwat scheef, aandachtig luisterend. Dat hondje hoort uit die grote hoorn, de stem van de meester. Als je er een ander plaatje op zou leggen, dan gebeurde er niks met die hond. Hij zou gewoon blijven slapen of wat rondlopen. Er zijn zoveel geluiden om hem heen, waar-ie niks mee heeft. Hij wordt daar dus niet anders van. Maar die stem van z’n baasje, van z’n meester, die kent het hondje uit duizenden.
Die koe heeft de stem van Frits en Krina zo vaak gehoord. Ze weet dat de boer en de boerin goed voor haar zorgen: eten en drinken geven, extra aandacht als ze niet goed, ziek is, desnoods de veearts waarschuwen. Zo ook dat hondje. Zonder baasje is het eigenlijk niemand en nergens meer. Het heeft die stem zo vaak gehoord, dat ze eigen zijn geworden met elkaar, vrienden voor het leven en misschien nog wel verder.
Nou gaan we terug naar het Bijbelverhaal. Het is feest in Jeruzalem. Het feest van de lichten, het Chanukafeest. Dat feest heeft te maken met een donkere tijd, een zwarte dag in de geschiedenis van Israël. De tempel in Jeruzalem werd ingenomen door een vreemde koning, uit Syrië. Toen gingen alle lichten uit, ook een licht in de tempel dat altijd brandde. Dat lichtje brandde op olie. Niet zomaar olie, maar een heel bijzonder soort.
Toen de tempel later opnieuw werd ingewijd, de vijand verdwenen was, vond men in een boekje een klein kruikje met heilige olie, dat genoeg was voor acht dagen. Net voldoende om in acht dagen weer nieuwe olie klaar te maken, geschikt voor de heilige dienst in de tempel voor de Here God, de Herder van mensen.
Op het Chanukufeest, het feest van de lichten, is Jezus in de tempel. De mensen vragen zich af: ‘Wie is Hij nou eigenlijk? Is Hij een mens, zoals wij, die toch bijzondere dingen zegt en doet? Is Hij een praatjesmaker, met veel lawaai, maar zonder muziek die je hart raakt? Of heeft Hij alles met God te maken en laat Hij in zijn doen en laten zien dat er een Herder is, een HERDER met hoofdletters, die naar de schapen, de mensen omziet?’
In al dat gepraat, met al die mensen om Hem heen die nou eindelijk wel willen weten wie Hij werkelijk is, zegt Jezus: ‘Je gelooft Mij niet, omdat je niet tot Mijn schapen hoort; Mijn schapen horen naar Mijn stem en Ik ken ze en zij volgen Mij en zij zullen niet verloren gaan, nu niet en nooit, en niemand zal ze van Mij afpakken’.
De stem van de Herder! Er waren mensen, op de manier van die koe van Frits en Krina, op de manier van het hondje op en bij de plaat, die de stem van de Meester herkend hebben. Waarom zij wel en anderen niet? Ik weet geen antwoord dat sluit als een bus. Jezus zegt dat het een geheim is, alleen aan God bekend. Er zijn zoveel dingen die wij nooit snappen. Je kunt erover nadenken – dat is goed! – je kunt erover tobben – dat is minder goed – maar je komt er nooit uit. Het is veel beter, veel veiliger dat de Here God het weet dan dat wij het weten met ons, kleine klompje hersenen. We zeggen dan: het is blij, of: het heeft verdriet, alsof daarmee alles is gezegd. Nee, dus. Als je de stem van de Herder wilt horen, dan moet je niet allerlei lawaai aan je hoofd hebben. Lawaai is niet slecht, maar als je nooit de rust, de stilte zoek, dan raak je helemaal dol, dan verdwaal je, dan zit iedereen aan je te plukken en te trekken, en lang niet altijd met goeie bedoelingen. Die koe en dat hondje zijn getraind door jarenlange omgang met hun baas.
Vandaag is het zondag, 18 februari 2007. Allerlei geluiden komen naar je toe en ook in je op. Hoe zal je de stem van de Herder herkennen? Je zult het leren van je ouders. Als kind herken je de stem van papa, van mama. Die stem geeft je een gevoel van veiligheid, van geborgenheid. Dat mag je tenminste hopen. Ik denk aan al die verhalen over kindermishandeling. Sommige kinderen – het zijn er helaas meer dan je denkt – kruipen weg, krimpen ineen als ze de stem van vader of moeder horen. Als je zo opgroeit, dan voel je je nooit en nergens meer veilig. Dan word je een vaste klant van de dokter, de psychiater of iemand anders uit dat leger van hulpverleners. Zo’n kind zal ook des te meer moeite hebben om de stem van de Herder te verstaan, want het heeft slechte ervaringen opgedaan met de herders van heel dichtbij. Het vertrouwen is stuk en misschien gaat dat nooit meer over.
Ouders zijn herders in het spoor van de Goede Herder, de Here God. Daarom lees je samen uit de Bijbel, om die Stem te herkennen. Je bidt, je dankt, je zingt, je lacht, je huilt samen. Het heeft er allemaal mee te maken: de stem van de Herder herkennen.
Later, en dat begint al vroeg, wordt het van jou verwacht. Neem er de tijd voor, laat je niet verdoven door al het lawaai, oefen je in het lezen, het luisteren, alleen en samen om Zijn stem te herkennen. Hij is immers geen vreemde. Je hoort bij Hem! Je bent getekend als Zijn eigendom. Net als de schapen, die vaak een stip krijgen om te weten welke van wie zijn.
De doop is zo’n stip, zo’n merkteken. Vanmorgen zijn Miguel, Maartje en Corné getekend door de trouw van de Herder: je bent van Mij! Zo’n stip is niet alles. Het is ook niet zo: als je geen stip draagt, dan ben je van niemand. De Here God hoeft niets te onthouden. Hij weet het allemaal uit Zichzelf. Maar voor ons vertelt ook die stip een verhaal: ‘Weet je dat de Herder je kent / weet je dat je van waarde bent?’
Leef dan als iemand die bij Hem hoort, die naar Hem hoort, nu en voor altijd; Zijn trouw duurt eeuwig! Amen.