Marchal


19. Psalmen

Psalm 1
Gehouden
*zondagmorgen 14 mei 2006 in Beekbergen
Bijbellezing: OT Psalm 1; NT Mattheus 7: 15-20
Gepubliceerd in “Kijk en Zie”

Vertalen is een moeilijk werk. Woorden in een bepaalde taal hebben een lading, een uitstraling, roepen veel op dat ermee verweven is. Nu ga je dit alles naar eer en geweten overzetten in een andere taal. Het gevaar is levensgroot dat je onderweg morst met de inhoud. Het luistert des te nauwer als het gaat om de vertaling van de Bijbel, het Woord van God. Er is sinds jaar en dag onenigheid over de hamvraag: moet je de hoorders, de lezers meenemen, vertrouwd maken met de Bijbeltaal, zodat ze die vreemde, andere wereld van binnen uit leren verstaan? Of moet je die Bijbeltaal aanpassen aan de leef- en denkwereld voor de mensen, hier en nu?
Die beweging naar de wereld van de Bijbeltaal toe, betekent dat mensen heel wat huiswerk moeten maken voordat ze een thuisgevoel hebben. Die andere beweging, naar de eigen wereld toe, betekent dat je onderweg heel wat kunt verliezen. Laten we de proef op de som nemen en in de leer gaan bij Psalm 1.
Eerst een algemene opmerking. Psalm 1 heeft geen opschrift, zoals doorgaans wel het geval is bij de Psalmen. ‘Van David’. ‘Van Asaf’. ‘Voor de koorleider’. Enzovoort. Het lijkt waarschijnlijk dat die eerste Psalm, samen met Psalm 2 − ook zonder opschrift − bedoeld is als intro voor het hele Psalmboek.
Ik lees de eerste woorden in de vertaling van 1951: ‘Welzalig de man die niet wandelt in de raad der goddelozen’. De Nieuwe Bijbel Vertaling zegt: ‘Gelukkig de mens die niet meegaat met wie kwaad doen’. Daar is, op het eerste gehoor, geen woord Frans bij. ‘Gelukkig’ − daar hebben we allerlei gedachten bij. Het is het summum van wat wij onszelf en anderen toewensen. Ook anderen? Dat is op z’n minst een vraag. Wensen we de ander inderdaad alle geluk van de wereld toe? Spoort onze omgang met de ander daarmee? Of maken we die verheven uitspraak telkens weer ongeloofwaardig? Trouwens, wat bedoel je met dat woordje ‘geluk’? Nou ja, dat je het fijn hebt, dat je goed in je vel zit.
Wat staat er nou in de gevende taal?
‘Gelukkig’ is een woord dat ook verbonden is met: verder komen, een stap vooruit doen. Geluk heeft dus te maken met voortgang in je leven. Wanneer en hoe gebeurt dat? Als je een lof wint uit de loterij? Brengt dat je verder? Waarheen dan? Als je slaagt voor een examen? Het woord, hier gebruikt, heeft altijd te maken met de weg die de Here God met je wil gaan. Daarom geeft de Statenvertaling: ‘Welgelukzalig!’ en die van 1951: ‘Welzalig!’ Er is iets anders, iets meer aan hand dan wat wij doorgaans denken bij dat woordje ‘geluk’, ‘gelukkig zijn’, ‘geluk gewenst’. Moet je die meerwaarde in de vertaling meenemen, verdisconteren, of weet iedereen wel zo ongeveer wat er aan de hand is?
Het woord klinkt telkens op in de Psalmen: ‘Welzalig allen die bij Hem schuilen!’(Ps. 2: 12); ‘Welzalig hij, wiens overtreding bedekt / vergeven is’ (Ps. 32: 1); ‘Welzalig het volk, welks God de Here is’ (Ps. 33: 12) en op zoveel plaatsen meer. Het Nieuwe Testament stemt daarmee samen, zoals in de Zaligsprekingen, aan het begin van de Bergrede.
Ik lees verder in deze eerste Psalm. Gelukkig de mens die niet meegaat met wie kwaad doen. Dat doet denken aan criminele kringen: slecht gezelschap. Als je daarmee geen contact hebt, je niet laat meeslepen door hun duistere praktijken, dan sta je aan de goede kant. Dat kun je zelf ook bedenken.
Weer de vraag: wat staat er? Welzalig de mens, die niet gaat, niet wandelt in de raad der goddelozen. Wie zijn dat: de goddelozen? Zijn dat de atheïsten, de Godloochenaars? Goddeloos is in de wereld van de Bijbel de mens die in zijn doen en laten geen rekening houdt met God. Het gaat niet zozeer over de theorie, maar over de praktijk van je leven. De Bijbel is niet zo filosofisch ingesteld, niet bijster geïnteresseerd in wat je allemaal denkt. De aandacht ligt vooral bij de praktijk van elke dag. Je kunt uitermate orthodox zijn, super gelovig, maar als je handel en wandel daarmee niet stroken, dan ben je goddeloos. Ik denk aan de beginwoorden van Psalm 14: De dwaas zegt in zijn hart − in het klokhuis van z’n bestaan, want kijk maar naar de vruchten die er omheen groeien − de dwaas zegt in zijn hart: er is geen God. In dat hart zit de machinekamer, de motor die alles in beweging brengt. Daardoor laat je je raden. Wandelen, gaan in de raad van de goddelozen.
Je kunt er niet omheen dat een heleboel mensen zo leven zonder God. Je hebt met ze te maken. De samenleving is niet in tweeën gedeeld. Overigens, je eigen hart is ook niet vrij van die goddeloosheid. Heel veel dingen regel je zelf wel, doe je op eigen houtje, onttrek je aan de lichtkring van God, van Zijn Woord. Het gebeurt met een kwaad geweten. Dat is tenminste te hopen. Anders kom je niet echt verder in je leven, mis je je bestemming, verspeel je ook de zaligheid, het uiteindelijk behoud. Dat je met goddelozen opwandelt, is niet te vermijden, maar het kan niet zo zijn, dat je je hun mentaliteit eigen maakt. Wandelen in de raad der goddelozen komt veel dichter bij, raakt je veel meer dan ‘meegaan met wie kwaad doen’.
Dat heeft ook te maken met het vervolg: ‘die de weg van zondaars niet betreedt’. Het lijkt duidelijk, maar het is niet levensecht. Als je een weg niet betreedt, dan loop je ook geen risico’s. In de Psalm staat: en niet staan, niet stilstaan op de weg van de zondaars, van hen die het doel van hun leven missen.
Het wandelen, het gaan wordt vertraagd, zelfs stopgezet tot: staan. Toch eens kijken wat hier te zien, te beleven valt. Het is, naar jouw besef, zo interessant dat het de moeite waard is om er bij stil te staan. Dat moet je niet laten gebeuren, zegt, zingt de Psalm ons voor. Van toeschouwer, die de pas inhoudt, word je zomaar deelnemer. Daar is echt weinig voor nodig. Die weg van de zondaars loopt dood.
De Here kent die weg niet. Hij is er niet present. Hij kent, zo lezen we aan het eind van de Psalm, alleen maar de weg van de rechtvaardigen. Die rechtvaardigen zijn niet de brave Hendriken of de heilige boontjes, maar allen die zich laten gezeggen door het Woord, de terechtwijzing, de wegwijzer van de Here God.
Wandelen, gaan, stilstaan − dat leidt ten slotte tot zitten: bij spotters aan tafel zitten. De Nieuwe Bijbel Vertaling smokkelt het woordje ‘tafel’ naar binnen, want ‘zitten’ doen wij doorgaans aan tafel. Het staat niet in de geven de taal. Je moet dan grondige redenen hebben om het in te voegen. Het gaat niet alleen om tafelgesprekken, ook niet om borrelpraat. Er staat: ‘in de zitplaats van spotters niet zit.’ Anders gezegd, om vast te houden dat het zelfstandige naamwoord en het werkwoord met elkaar samenhangen: in het nest van spotters zich niet nestelt.
Wie zijn dat trouwens, die spotters? Het zijn de mensen die de gek steken met alles wat de Here God aanreikt. Je kunt heel rauw, klip en klaar zeggen dat het onzin is. Je kunt het ook heel subtiel de nek omdraaien, zo van: ‘al te goed is buurman gek’ of ‘vergeving? verzoening? als je eens wist wat hij mij heeft aangedaan!’ of ‘geloven doe je in de kerk, maar hier moet je het zeker weten’.
Als je het Woord, de werkelijkheid van God niet serieus neemt, dan spot je ermee, dan lap je het aan je laars. Dat schiet niet op. Zo kom je niet verder in je leven, integendeel. Je zit gebakken aan de spotters, je komt er niet van los. Je vervalt van kwaad tot erger: gaan, stilstaan, zitten.
Wanneer en hoe ben je wel gelukkig te prijzen? Als je welgevallen hebt aan, vreugde vindt in de wet van de Here God. Wet, dat is een vertaling van het Hebreeuwse woordje Thora. Het betekent – ik probeer er zo dicht mogelijk bij te komen – leefregel, handwijzer in de wirwar van de wegen. Ik maak een reis naar een plaats die mij niet bekend is. Onderweg vertellen handwijzers mij: die kant op, niet linksaf, maar rechtdoor. Als ik mij niet aan die handwijzers houd, kom ik niet op de plaats van bestemming. Dat heet in de Bijbel Thora. Een bron van vreugde.
Die signalen onderweg moet je je eigen maken. Dat staat in de tekst: Zijn Thora overpeinzen, overdenken bij dag en nacht. De Nieuwe Bijbel Vertaling kiest voor: je verdiepen in. Er staat een woord dat ook van dieren gebruikt wordt: herkauwen. Je laat het voedsel zo in je omgaan dat het helemaal verteert, in je broedbaan wordt opgenomen, teerkost is voor onderweg.
Als je zo leeft, in de omgang met de Here God, met alles wat Hij je onderweg aanreikt, dan ben je een gelukkig mens. Dan is de stem van de Here jouw bestemming. Dan blijf je, om het modieus te zeggen, ook het dichtst bij jezelf. Je wordt een eenvoudig, doorzichtig mens, transparant naar God toe, een leesbare brief van Christus, die de Wet, de Thora, vervuld heeft, die jouw tekort heeft goedgemaakt, die jouw verloren, verfomfaaide leven, op het spoor van de verzoening, de vergeving zet. Voortaan heet je rechtvaardig, ook al heb je er niets van gebakken. De Here God ziet jou om Christus’ wil aan als een rechtvaardige. Uit zijn garderobe doet Hij jou het Koninklijke kleed van Christus aan. Je eigen vuile plunje wordt ingewisseld voor de Koninklijke kleding van Christus.
Dan wordt je leven vruchtbaar. Het wordt als een boom, geplant aan waterstromen, die zijn vrucht geeft op zijn tijd. Ik denk aan de kastanjeboom. De wortels zijn verspreid in de aarde, maar de takken met die prachtige witte kaarsen groeien naar boven.
Nel Benschop schreef er een gedicht over. Zij noemde die bundel naar het opschrift boven dat eerste gedicht: ‘Een boom in de wind’. Dan schrijft zij, biddenderwijs:

Laat mij, o God, een boom zijn in Uw tuin:
de wortels in de aarde, maar de takken
omhoog, om zo de hemel vast te pakken,
en recht de stam, en bloemen in de kruin.

Laat mij een schaduw en een schuilplaats zijn,
en laat mij recht staan, als Uw stormen loeien.
Laat, Heer, mij langzaam naar Uw hemel groeien,
en laat mij wuiven in Uw zonneschijn.

Ik bid U ook, Heer, dat Gij vruchten vindt
wanneer de tijd van oogsten is gekomen:
Uw levenssappen moeten door mij stromen –
Laat mij een boom zijn, ruisend in Uw wind!

===   ===   ===

Psalm 8
Gehouden

*woensdagavond 5 november 2003 in Beekbergen (Dankdag voor gewas en arbeid)
Bijbellezing: Psalm 8
Gepubliceerd in ‘Kijk en zie’

Ik neem u mee naar een oude boerenschuur, laten we zeggen: een voormalige schaapskooi. Binnen is het tamelijk donker. Als onze ogen enigszins aan het donker gewend zijn, zien we de contouren van een oude kar, van oud hooi dat muffig ruikt, van staanders en dwarsbalken die het geraamte van de schuur vormen. Halverwege de schuur valt door een dakraampje een balk van licht naar binnen.
Licht trekt altijd aan. Wat zie je in zo’n balk, zo’n bundel van licht? Allerlei stofdeeltjes dansen erin rond. We kijken er verwonderd naar. Buiten dit licht is het schemerdonker en gaandeweg in de schuur zelfs aardedonker.
Zo’n dansend stofdeeltje in een bundel licht heeft veel weg van de aarde waarop wij wonen. Er is een veelheid van andere deeltjes, kortweg planeten genoemd. In de schuur zijn, bij nader inzien, nog meer plaatsen waar licht doorheen kiert. Ook daar zijn dansende stofdeeltjes, aan het licht gebracht, in het licht gehouden door een lichtbron van buiten. Om het stofdeeltje aarde heen is een licht. Het meeste is voor ons verborgen.
In deze boerenschuur, dit ontzagwekkend heelal, gaat het – voor zover wij weten – ordelijk toe. Met andere woorden: die stofdeeltjes dansen op en neer in een bepaald ritme. Soms gebeurt er ver weg een explosie, zoals onlangs op het zonsoppervlak, pakweg honderd miljoen kilometer van de aarde. Ik las in de krant: ‘Op het zonsoppervlak heeft zich een zeer zware uitbarsting voorgedaan; daarbij werden miljarden tonnen zonnemateriaal richting aarde geslingerd.’ Ondanks alle onvoorspelbare, onberekenbare gebeurtenissen staan veel wetenschappers verwonderd over het samenstel en samenspel van al die stofdeeltjes in het heelal. Die verwondering kan uitmonden in de lofprijzing waarmee Psalm 8 begint en besluit: ‘O Here, onze Here, hoe heerlijk is Uw Naam op de ganse aarde’.
De enige – voor zover wij weten – onzekere factor, bron van wanorde ook, in dit wonderbaarlijk geheel is de mens, die in het midden van deze Psalm ter sprake komt. De vraag klink: wat is de mens? Waar en hoe is ons plekje?
Die vraag krijgt een vervolg, maar deze eerste woorden zijn algemeen herkenbaar. We moeten wel bekennen, belijden dat we op dit stofdeeltje aarde eindeloos nietig, klein zijn. We komen ook pas kijken. Als we de wordingsgeschiedenis van het leven afbeelden op een tijdklok, die loopt vanaf het allereerste begin, 0.00 uur, dan zijn wij, mensen, net aan het licht gekomen, op slag van twaalven. In tegenstelling tot alles wat is, beweegt en leeft, zijn wij volstrekt onberekenbaar, een door en door onzekere factor in het geheel. We zwalken van hot naar haar, we doen maar wat, zoals het in onze santenkraam te pas komt. Het geeft meestal geen enkele pas, en dat is nog netjes uitgedrukt.
Ik noem een voorbeeld: wat er Noord-Korea gebeurt en wat nu pas enigszins aan het licht komt: Een vluchtelinge, Soon ok Lee, overleefde een van de vele werkkampen en schreef er een boek over. Het heet: ‘Zij mogen de hemel niet zien’. Zij beschrijft hoe christenen – die nooit ‘God’ maar ‘hemel’ zeggen – in de kampen het zwaarste en gevaarlijkste werk te doen krijgen.
Het lezen van dergelijke lectuur bezorgt mij veelal slapeloze nachten, maar ik wil weten tot welke dingen een mens, dus ook iemand als mijn persoontje, in staat is.
Allerlei takken van wetenschap houden zich intensief en steeds maar opnieuw met die (gewetens)vraag bezig naar wat de mens in wezen is: antropologie, psychologie, sociologie, medische zorg, maatschappelijke dienstverlening, enzovoort. Een sluitend antwoord is nooit gevonden. Dat zullen we ook niet beleven in deze bedeling, want de mens is in de kosmische orde een bron van wanorde. In deze Psalm 8 wordt een geloofsantwoord gegeven, indrukwekkend en aangrijpend van zeggingskracht. Het is ingeweven in het vervolg van de vraag.
Een geloofsantwoord dus. Daar is, modieus gezegd, niets mis mee. Alle antwoorden op wezenlijke vragen zijn geloofsantwoorden, gekleurd door de manier waarop, de overtuiging waarmee je in de wereld staat en gaat. Niets is absoluut zeker, zelfs niet de uitspraak 2 = 2 = 4, want ook die berust op een serie afspraken, gemaakt om orde te scheppen in de wanorde. Dit wordt ons aangereikt: ‘Wat is de mens dat Gij zijner gedenkt en het mensenkind dat Gij naar hem omziet?’
Wij bestaan in het gedenken van God, in Zijn omzien naar ons. Gedenken is een kernwoord in de Bijbel. Het betekent – met de woorden van Dirk Monshouwer − ‘dat wat in het verleden is geschied, heden zo present stellen dat het toekomst opent’.
God gedenkt voor eeuwig zijn verbond. Als Hij het dreigt te vergeten, zoals toen Hij in toorn ontbrandde vanwege het gouden kalf en het volk Israël van de aardbodem wilde wegvagen, dan is er een middelaar die in bres springt: ‘Gedenk toch aan Abraham, Isaac en Israël, Uw dienaren, aan wie Gij gezworen hebt bij Zichzelf’.
Wonderlijke woorden, maar wie het verstaat, heeft die taal innig lief. Willem Barnard schrijft in zijn boek ‘Tegen David aan praten: gepeins bij de Psalmen’: ‘Ik blijf erbij: de tale Kanaäns doet zich kennen als ingeslapen beeldspraak die wakker gekust, Doornroosje gelijk, een sprookjesachtige liefelijkheid heeft’.
God vaagt zichzelf liever weg dan dat Hij het ons aandoet. Dit liever is vlees en bloed geworden in Zijn liefde: ‘Hierin is de liefde, niet dat wij God liefgehad hebben, maar dat Hij ons heeft liefgehad en Zijn Zoon – Zichzelf dus – gezonden heeft als verzoening voor onze zonden’ (1 Joh.4: 10). Hij gedenkt om Christus’ wil. Dichter bij het geheim kun je niet komen.
Het andere kernwoord is: omzien. ‘Wat is het mensenkind dat Gij naar hem omziet?’ Dat is een mooie vertaling: omzien naar. En als je achterop raakt, kom Ik bij je thuis, op bezoek. Dat laatste staat er letterlijk: bezoeken. Dat kan negatief zijn, een straf, zoals in de Tien Woorden: ‘….die de ongerechtigheid der vaderen bezoekt aan de kinderen’ (Ex. 20: 5). Het kan ook uiterst positief zijn, zoals hier; zo omzien dat je thuis komt. God is ons zo nabij, dat Hij naar ons toe komt, Zijn intrek bij ons neemt. Het hele Nieuwe Testament gaat nu mee klinken: God heeft ons bezocht, mens onder de mensen, diepgaand teken van Zijn opperste liefde.
Blaise Pascal, levend en werkend in de zeventiende eeuw, duidt ons bestaan als mens zo aan: vat vol tegenstrijdigheden, poel van onzekerheid en dwaling, glorie en uitvaagsel van het heelal. Ook glorie, dankzij het gedenken, het bezoeken van Gods kant. Daarom lezen we even verder in deze Psalm: ‘Toch hebt Gij hem bijna goddelijk gemaakt’. Met andere woorden – een vertaling van Pieter Oussoren – ‘Weinig laat ge hem ontbreken, of hij is God!’.
Die glorie uit zich in het vervolg: ‘Gij doet hem heersen over de werken Uwer handen, alles hebt Gij onder zijn voeten gelegd: schapen, runderen, dieren van het veld, vogels in de lucht, de vissen in het water’.
Als we onze plaats niet meer weten, dan blazen we onszelf op, dan wordt die geschonken (!) heerschappij een tirannie op de wijze van Noord-Korea, waardoor niemand, niets meer de hemel kan en mag zien. Dan moeten ook de dieren, de planten, de bloemen het ontgelden. Als we de dankbaarheid, de eerbiedige verwondering verleren, afleren, dan ‘ontscheppen’ we de aarde tot de chaos die er voor de schepping was: woest en ledig. In een al wat ouder lied, Gezang 464, worden de woorden op onze lippen gelegd: ‘In het beurtgezang der sferen, in des afgronds bange kreet, ruist de lof, de lof des Heren, die de Zijnen niet vergeet’. Mensen vinden hun bestemming als zij instemmen met dit kosmische koor: ‘O Here, onze Here, hoe heerlijk is Uw Naam op de ganse aarde’.

===   ===   ===

Psalm 22
Gehouden
*Zondagavond 21 januari 2007 in Beekbergen
Bijbellezing: Psalm 22:1-22; Mattheus 27: 45-50
Gepubliceerd in ‘Kijk en zie’

Ik hoor het dominee Teunis Poot nog zeggen: ‘Doorgaans verbinden wij de lof des Heren met de hoogtepunten van ons leven’. Die woorden zijn me altijd bijgebleven. Ook de plaats, de omstandigheden, waarin ik ze hoorde. Het was in de hervormde kerk in Akkrum, in Friesland, meer dan dertig jaar geleden. Het was snikheet, midden in de zomer. Een collega, sinds kort predikant in Akkrum, was enkele dagen eerder om het leven gekomen, in tragische omstandigheden. Hij had zijn leervicariaat, zijn stagetijd bij dominee Poot gedaan, toentertijd predikant in Groningen. Daarom leidde deze de rouwdienst, voorafgaand aan de begrafenis.
Dominee Poot is inmiddels oud, de tachtig al gepasseerd. Een indrukwekkende, onvergetelijke man. Om die ongelukkige termen te gebruiken: rechts in de kerk – hij behoorde bij de Gereformeerde Bond – en uiterst links in de politiek – hij was overtuigd pacifist. Die combinatie werd hem niet in dank afgenomen. De rechter kring van de kerk vond hem een ‘rooie rakker’, de linkse kringen in de politiek vonden hem een zware dominee. ‘Doorgaans verbinden wij de lof des Heren met de hoogtepunten van ons leven!’
Psalm 22 daarentegen zet in met een roepen uit de diepte: ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten, verre zijnde van de woorden van mijn jammerklacht? Mijn God, ik roep des daags, en Gij antwoordt niet, en des nachts, en ik kom niet tot stilte’.
Later komen deze woorden terug, als de Here Jezus Christus ze roept vanaf het kruis. In deze Psalm van David heeft de Zoon van David zichzelf herkend. Hij heeft deze oude woorden tot de zijne gemaakt. De kracht ervan is blijkbaar zo sterk dat ze door de eeuwen heen blijven spreken.
Wij zijn doorgaans veel vromer, veel braver dan de Psalmen. De vraag naar het waarom wordt zomaar toegedekt door mensen die zenuwachtig allerlei andere dingen in het veld brengen. Je mag, zo zeggen zij, niet vragen naar het ‘waarom’, alleen naar het ‘waartoe’. Wat er met je gebeurt, moet dus ergens toe dienen, ergens goed voor zijn. Dat is nou juist de vraag, die opklinkt in deze Psalm en alom in de Bijbel. In het Hebreeuws, de moedertaal van het Oude Testament, staat een woordje dat letterlijk vraagt: Tot wat? Met andere woorden: Waar dient dit toe? Waar is het goed voor?
Heel veel medegelovigen hebben een voorgebakken antwoord, dat direct wordt opgewarmd. Het is goed voor beproeving, om uitgetest te worden. Het is goed voor loutering, zodat allerlei dingen die bijzaak zijn, weggebrand worden, zodat alleen het echte, het waardevaste overblijft. Het is goed voor straf, een signaal dat er iets grondig mis is in en met je leven.
Zulke antwoorden komen regelmatig in de Bijbel voor. Ze zijn dus niet uit de lucht gegrepen. Als je zelf tot deze ontdekking, deze uitleg komt, is het veel meer waard dan dat anderen je dat, met de beste bedoelingen, proberen aan te praten. Je komt dan zomaar in het gezelschap van de vrienden van Job, die slechte vertroosters worden genoemd en die uiteindelijk van de Here God te horen krijgen: u hebt niet recht van Mij gesproken, zoals Mijn knecht Job. En Job heeft, naar ons besef, dingen gezegd die ver over de grens van goed fatsoen heen gingen, ook de geloofsetiquette naar de Here God toe helemaal niet in acht nam. En toch: recht van Mij gesproken.
Waarom? Waar is het goed voor? Het is ook hier de toon die de muziek maakt, maar onder dit voorbehoud mag je zeggen: dit vragen is geen uiting van oppervlakkigheid, niet van onverschilligheid, maar juist van betrokkenheid.
Wie weinig of niets van de ander verwacht, stelt geen vragen meer, windt zich ook nauwelijks meer op. Je berust in de omstandigheden, die nu eenmaal zo zijn.
Maar als je weet dat die ander, ook de ANDER met hoofdletters, de Here, in wezen anders is, dan is het vragen niet van de lucht. Ik denk aan een woord van Luther, die levenslang worstelde met de levende God: ‘Als Hij niet hoort naar mijn stem, niet omziet naar mijn ellende, dan zal ik Hem met Zijn eigen beloften om de oren slaan.’
Nog eens die woorden van Psalm 22: ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten, verre zijnde van mijn verlossing, bij de woorden van mijn jammerklacht?’ Dubbelop: Mijn God, mijn God! Als het ernst wordt, een dubbeltje op z’n kant zogezegd, dan roep je bij herhaling. Toen Abraham zijn hand uitstrekte naar zijn zoon Isaac, gebonden als een offer, klonk van Hogerhand: ‘Abraham, Abraham!’ (Gen. 22: 11). Mozes, geroepen bij de brandende braambos: ‘Mozes, Mozes!’ (Ex. 3: 4). En een van de discipelen die het beter en eerder kon zeggen dan dat hij het deed: ‘Simon, Simon, de satan heeft verlangd jou en de anderen te zitten als de tarwe…’ (Luc. 22: 31).
Ik zet nog een streepje bij deze eerste woorden van Psalm 22. Waarom zou je een roep uit de diepte niet even zorgvuldig lezen als een opgetogen liefdesbrief? Mijn God! Je blijft dus iets met elkaar hebben, ondanks alles en door alles heen. De God die ik hunkerend verwacht, die ik schrijnend mis, houdt niet op mijn God te zijn. Ik denk aan een regel van Huub Oosterhuis, die ik eerder noemde op deze plaats: God, nooit heb ik niets met U!
Het heeft ook te maken met het vervolg van die waaromvraag. ‘Nochtans zijt Gij de Heilige, die troont op de lofzangen van Israël. Het is waar dat ik er ellendig aan toe ben’.
Lees het vervolg van de Psalm er nog eens op na: ‘Een worm, geen mens meer, mijn beenderen zijn ontwricht, mijn hart is weggesmolten tot een drupje vocht, verdroogd als een scherf is mijn kracht, mijn tong is als een leren lap’.
Het is allemaal waar, maar niet minder waar is: ‘U bent de Heilige, die troont op de lofzangen van Israël’. Wonderlijke, aangrijpende gedachte. Waar is God? Waar is Hij het meeste thuis? Je kunt er eindeloos over redeneren, filosoferen, zonder dat je er zelf iets anders van wordt.
Hij woont, troont op de lofzangen van Israël. De lofzangen. Dat zijn, naar ons toe vertaald, de Psalmen. Een lofzang kan hooggestemd zijn, maar ook klinken uit de diepte. Niet alleen de overvloed, de vreugde klinkt erin op, maar ook het Godsgemis. Toegepast naar deze Psalm: het is dus niet zo dat het eigenlijke zingen pas halverwege begint: ‘Ik zal Uw Naam aan de anderen verkondigen, in het midden der gemeente zal ik U lofzingen’, en het voorgaande is alleen maar voorspel, een treurige opmaat. Ook die vraag naar het waarom, het spreken over dat niemandsland, dat nergens huizen, behoort volop bij de lofzangen, waar Hij, de Heilige op troont.
Deze belijdenis is wonderlijk, aangrijpend, en ook niet vrij van een tikkeltje chantage. Als een stem uitvalt of meerdere stemmen ontbreken, dan wordt de troon van God minder vast, minder zeker. Die geluiden komen vaker in de Bijbel voor, met name in de Psalmen. De dood is daarom zo gruwelijk, omdat dit monster de lofprijzing doet verstommen. Psalm 6: ‘Want in de dood is Uwer geen gedachtenis; wie zou U loven in het dodenrijk?’(vs 6). Psalm 30: ‘Wat voor gewin ligt er in mijn bloed, in mijn nederdalen in de groeve? Kan het stof U loven, kan dat Uw trouw vermelden?’ (vs 10).
Een belijdenis wordt altijd gevoed. Anders sterven de woorden af tot dode letters. Zo gaat het ook in ons lichaam. Als de aanvoer van zuurstof even stagneert, dan kunnen de gevolgen rampzalig zijn. De belijdenis wordt gevoed door proefondervindelijke trouw: ‘Op U hebben onze vaderen vertrouwd; zij hebben vertrouwd, en Gij deedt hen ontkomen’ (vs 5).
Genade, geloof is geen erfgoed. En toch geldt: wat een kostbare erfenis! In het verleden heeft U Uw trouw betoond. Daarom hebben we goede, gegronde redenen om opnieuw op U te rekenen. Ik las ooit een commentaar op deze woorden: ‘geloven tegen beter weten in’ werd het genoemd.
Wat weet je dan beter? Weet je het beter dan al die mensen die je zijn voorgegaan? Misschien mag ik het nog persoonlijker toespitsen. Ik heb in mijn werk als dominee, als dienaar van het Woord, heel veel mensen mogen vergezellen in de laatste fase van hun leven. Ik heb vaak gehoord, met horten en stoten, dat mensen de balans opmaakten. Daarbij klonk meer dan eens de verzuchting: Wat heb ik me uitgesloofd, druk gemaakt voor dingen die dat eigenlijk niet waard zijn. Ik heb nooit gehoord dat mensen zeiden: Dat geloof van m’n ouders, waar zij kracht uitputten, dat had wel wat minder gekund. Integendeel! Heb blijkt telkens opnieuw waar te zijn, maar dat moet ieder mens wel zichzelf toe-eigenen, telkens opnieuw.
Een is ons voorgegaan, die ons ook tegemoet zal komen: Jezus Christus, de Goede Herder, de Heiland der wereld. Hij heeft deze woorden tot de Zijne gemaakt, toen Hij uitriep aan het kruis: ‘Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?’
Wie iets van de Psalmen, dus ook iets van de geloofsweg weet, kan nooit zeggen: de wanhoopskreet van een vertwijfeld mens! In die ene regel, in dat kruiswoord klinkt de hele Psalm, het hele Psalmboek, zelfs de hele Bijbel mee. Zozeer is de Hoog-Heilige onze metgezel geworden dat Hij in zijn leven, in zijn lijden dat geworden is: ‘een worm, minder dan een mens, beenderen ontwricht, hart gesmolten, verdroogd als een scherf de kracht’.
Een voorganger, dr Oepke Noordmans, schreef ooit: ‘Als de Zoon van David de woorden van David doet, dan weten we pas echt wat ze betekenen’.
Voortaan mogen we weten, om nooit meer te vergeten, dat we nooit en nergens moederziel, vaderloos alleen zijn. Op deze God, de Vader, de Zoon en de Heilige Geest zijn we aangewezen, een leven en een dood lang, en nog verder!

===   ===   ===

Psalm 51
Gehouden
*zondagavond 27 januari 2002 in de GROTE KERK van Apeldoorn
Bijbellezing: O.T .Psalm 51:12-15; N.T. Johannes 3:1-13

Het gebeurde op een landgoed ergens in Duitsland, jaren geleden. De eigenaar, een graaf, was overleden. Op de dag van de begrafenis stond hij opgebaard in de grote hal met marmeren stenen. Daar werd de rouwdienst gehouden. Het personeel, de familie van groot tot klein, de buren en bekenden stonden aangetreden. De dominee begon zijn preek. Vol loftuitingen, dankbare en dierbare opmerkingen met het oog op de overledene. De graaf werd, zoals wij zeggen en zoals de dominee deed, opgehemeld. Opeens klonk een driftig getik op de glanzende marmeren vloer. Afkomstig van de oude gravin, leunend op de stok die ze nu op en neer bewoog. Het werd doodstil. Kort en krachtig klonk haar stem door de ruime hal: ‘Niet kletsen!’ *
Hoe die rouwdienst verder afgelopen is, weet ik niet, doet hier ook niet ter zake, maar deze manier van doen geeft te denken: ‘Niet kletsen.’
Iets dergelijks gebeurt er in Johannes 3, aan het begin van het gesprek in de nacht. Het heeft de man die het betrof, Nicodemus, blijkbaar diep geraakt. Later, als Jezus van het kruis genomen is, is diezelfde Nicodemus erbij. Dit lezen we aan het slot van het Evangelie: ‘En ook Nicodemus, die de eerste maal in de nacht tot Hem gekomen was, kwam en hij bracht een mengsel mee van mirre en aloë, ongeveer honderd pond’ (Joh. 19:39). Een laatste eer aan de onvergetelijke Mens die hem zo bits en bars en de rede viel.
Nicodemus – zijn naam betekent ‘overwinnaar van het volk’ – zoekt in de nacht contact met Jezus. Waarom in de nacht? Misschien wil hij liever niet gezien worden. Als je lid bent van de Hoge Raad en wilt praten met een omstreden persoon, dan moet je op je tellen passen. Zo’n aantekening in je CV, ‘op klaarlichte dag contact met J. van N.’, kan tegen je gebruikt worden. In de nacht! Het kan natuurlijk ook een andere reden hebben. In de schemering, in het donker of bij een kaarsje lukken de gesprekken vaak beter. Je voelt je wat vrijer, je kunt je goed concentreren. Ook dát is heel menselijk. Op zulke momenten zet je zomaar een godsdienstige boom op. Je zou misschien Jezus wel in de kring willen hebben om mee te discussiëren over die ellende in Afghanistan of in het Midden-Oosten. Of ook, dichter bij huis, over dingen uit je eigen leven waarover je tobt. Dat zou een onvergetelijk gesprek kunnen zijn. Ja, dat zou kunnen… Het zou ook kunnen zijn dat er net als in dat andere verhaal op de vloer getikt werd: ‘Niet kletsen!’
Nicodemus begint met een vriendelijke, vleiende opmerking: ‘Rabbi, wij weten dat U van God gekomen bent als leraar.’ Dat is niet niks. Bovendien: niet van de eerste de beste, maar van een lid van het hoogste college, zowel in de kerk als in de staat: de Hoge Raad. Maar Jezus tikt, om zo te zeggen, met een stok op de grond, roept hem tot de orde: ‘Niet kletsen, Nicodemus!’ Met de woorden die we hier lezen: ‘Voorwaar, voorwaar’ – de uitroeptekens staan in het Evangelie altijd vooraan, dan weet je dat er iets komt om in je oren te knopen! – ‘tenzij iemand wederom geboren wordt, kan hij het Koninkrijk van God niet zien!’ Waarom zo bits? En waarom die moeilijke term: ‘wedergeboren worden’? Wat houdt dat in? Over het ene nadenkend komen we vanzelf bij het andere. Het zou kunnen dat Jezus niet op onze waardering zit te wachten, maar – om een bijbels kernwoord te noemen – op onze bekering. Anders gezegd: Hij is niet gekomen om zalig verklaard te worden door ons, mensen, ook niet door de hoogste en burgerlijke autoriteiten, maar om zalig te maken wat verloren is, en dat is wel even iets anders, zoals bekering ook iets anders is dan waardering. Jezus is niet zomaar iemand die je in het rijtje kunt zetten van de groten der aarde, tussen Boeddha, Mohammed en andere schijnbaar onsterfelijke figuren. Hij valt echt uit de toon, want in Hem treedt God Zelf ons tegemoet. ‘Rabbi, wij weten…’ Ach, Nicodemus, wat weet jij per saldo? En denk je nou echt dat deze wetenschap jouw schamele, schuldige, verfomfaaide leven en deze krakende kosmos behouden kan? Tenzij iemand wederom geboren wordt, kan hij het Koninkrijk van God niet zien. Wederom, dat is: opnieuw! En het Griekse woordje dat in de grondtekst staat, betekent ook ‘van boven, van Hogerhand’. Dat wil zeggen: opnieuw moet God eraan te pas komen om onze ogen, oren, harten, handen; kortom ons hele bestaan te openen voor Zijn hoopvol, heilzaam werk. Hij is ermee bezig als de Drie-enige; de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Hoe dan en waar dan? Hier wordt het nader uitgelegd met de woorden ‘uit water en uit Geest’. Water wijst heen naar de Doop, die de herschepping symboliseert: sterven en opstaan met Christus. Met de woorden van de apostel Paulus: ‘Weet ge niet, dat wij allen, die in Christus gedoopt zijn, in Zijn dood gedoopt zijn? Wij zijn dan met Hem begraven door de doop in de dood, opdat, gelijk Christus uit de doden opgewekt is door de majesteit des Vaders, zo ook wij in nieuwheid des levens zouden wandelen’ (Rom. 6:3-4).
Wedergeboren worden. Het overkomt je, net zoals verliefdheid, vriendschap, sympathie, maar je bent er zelf bij, je moet wel op de goeie plaats gaan staan. Het werk van de Geest wordt hier vergeleken met de wind. Nicodemus, hoor je het ruisen van de wind in de toppen van de bomen? Je kunt de wind niet pakken, niet sturen, ook niet tegenhouden. God gaat Zijn eigen gang. Maar jij moet wel op de tocht gaan staan. Wedergeboren worden. Een werk van God Zelf, van de Heilige Geest, waaiend als de wind. Als je verder vraagt, ‘Waar is Hij hier en nu bezig?’ of ‘Hoe kun je iets van Hem bespeuren’, dan wordt er wel een richting gewezen.
Daar waar het heilig Evangelie wordt verkondigd. In alle eenvoud, zonder loos lawaai, met hart voor God en met hart voor de mensen. Daar waar de gemeente samenkomt rondom het Woord en de Sacramenten. Daar waar het kletsen, het klatergoud plaatsmaakt voor het eerbiedig spellen van de Schrift, het afdalen in de goudmijn van het heilig Evangelie. Daar waar Christus in het midden staat, verhoogd wordt, zoals Mozes de slang verhoogde in de woestijn. Daar en zo breekt de herschepping door de schepping heen. Daar en zo wordt iets ervaren van Gods uiteindelijke bedoelingen.
Het werk van God is meer dan een facelift, een snelle opknapbeurt. Dat blijft gemodder in de marge. Het is zo ingrijpend dat het alleen maar aangeduid kan worden als een nieuwe geboorte. Ds. Jaap Zijlstra heeft over die wedergeboorte een onvergetelijk gedicht geschreven, op de wijze van een gebed:

‘O God, onze scherpe tong, / onze snijdende woorden, / wat moet U ermee aan, / hoe kunnen wij ooit getuigen? / En onze grage handen, / apostelen van een hebzuchtig hart, / hoe zullen zij ooit gaan zegenen, / gaan helpen, gaan bevrijden? / O God, onze arme ogen, / blind voor het leed op stoep, voor ellende vlak naast de deur, / hoe zullen zij ooit leren zien? / En onze gespitste oren, / wat zijn ze doof voor de profetie, / hardhorig als het gaat om de stem / die ons vraagt om een beker koud water.

O God, ons opstandig hart, / hoe zou het kloppen voor de wereld, / hoe zou het bonzen voor de Heer, de Opgestane, de Verlosser. / Wij smeken U, arm en behoeftig: vernieuw ons, herschep ons, / wij kunnen met minder niet toe: laat ons opnieuw geboren worden. / Tot glorie van U, onze Schepper, / en tot geluk van de mensen.

*Fragment uit ‘Het Simpele Leven’, door Ernst Wiechert, JWD

===   ===   ===

Psalm 60
Gehouden
*zondagavond 8 juni 2008 in Beekbergen
Bijbellezing: OT Psalm 60; NT Filippenzen 4: 12-13

Een oorlogssituatie. Daarover zingt, bidt, roept, schreeuwt deze Psalm. Een ratjetoe van geluiden. De rauwheid van het leven spettert er aan alle kanten af. Het is dus niet een keurig formuliergebed. Ook niet een mooi versje, netjes uitgebalanceerd, theologisch doordacht en doortimmerd. Een serie vragen om dichter bij de heilige tekst te komen en daar ook te blijven. Die vragen zijn met elkaar verbonden, verknoopt, zodat je niet goed weet waar het lijntje van de ene vraag loopt en waar dat van de andere. In staat van oorlog.
Wat gebeurt er dan met een mens? Nog afgezien van gewond, ontheemd raken. Ook afgezien van gedood worden. Wat er gebeurt, is dat ieder z’n eigenbelangenbril opzet en zo de situatie bekijkt, door de glazen die voorgeprogrammeerd, gekleurd zijn. Het zicht op de feiten is lang niet scherp, niet zuiver.
Voetbal is ook een vorm van oorlog. Een overtreding van ‘onze jongens’ is een foutje dat iedereen kan maken. Dezelfde overtreding van de tegenstander, roept golven van agressie, oorverdovend geloei op.
In staat van oorlog moet ook de taal het ontgelden. Er mag alleen gezegd, geschreven worden wat strookt met de opvatting van hen die aan de touwtjes trekken, de lakens uitdelen. De pers wordt gemuilkorfd.
In staat van oorlog. Wat gebeurt er dan met het beeld dat mensen van God hebben? Dat wordt ook gekleurd door eigen belang. God staat, gaat, vecht aan onze kant. Niet aan de andere zijde. Het wordt hopeloos ingewikkeld als de tegenstanders hetzelfde denken, maar dan omgekeerd natuurlijk: God met ons en tegen jullie!
God wordt hier getekend als een legeraanvoerder in de hoogste macht, een superstergeneraal. Daar schrikken we van. Dat strookt niet met vaak verheven gedachten die wij van God hebben. Zulke voorstellingen komen niet of nauwelijks in onze theologische leerboeken voor. God als Vader, als Bruidegom, als Trooster, als Ontfermer, die gedachten worden breed uitgemeten en diepgaand beschreven, maar God in staat van oorlog, in gevechtstenue, dat laten we liever uiten beschouwing. Of we zeggen: dat zijn primitieve, eventueel mythologische voorstellingen die langzaam maar zeker in de openbaringsgeschiedenis verdwenen zijn. De Bijbel spreekt vrijmoedig over beelden van God die ons niet zo liggen. We zullen ook in dit opzicht bij de les moeten blijven, of die ons nu aangenaam is of niet. Het is een levensgevaarlijk terrein. In ons turbotaaltje: bloedlink. Wat is er gehannest en gerommeld met die heilige overtuiging, die niet zo heilig bleek te zijn: God met ons! Tot op de dag van vandaag! Het is een mijnenveld, maar je zult er toch een weg, dé weg in moeten vinden.
De Psalm zet in met een constatering, die als een aardbeving doorwerkt: Gij hebt ons verstoten! Gij hebt ons verbroken! Gij zijn verbolgen geweest! Niet alleen de mensen zijn geschokt, verbijsterd. Ook het land: Gij hebt het land doen beven en barsten. Gij hebt uw volk harde dingen doen zien. De mensen lopen als zombies rond, verdoofd als door bedwelmende wijn. Hij heeft Zijn volk in de strijd alleen, in de steek gelaten. Nu wordt een klemmend beroep op Hem gedaan om anders op te treden, om aan te treden: ‘Zijn geliefden toerusten tot de strijd; overwinning geven door Zijn rechterhand’.
‘Antwoord ons!’ wordt hartstochtelijk geroepen. Blijkbaar – zo lezen we verder in de Psalm – heeft de Here God gesproken in Zijn heiligdom. Hoe dat gebeurd is, weten we niet. Kwade tongen beweren dat mensen alleen gehoord hebben wat ze graag wilden horen. Dat gebeurde alom in de oudheid. Met de moed van de hoop, vaker nog met de moed van de wanhoop, zochten mensen hun heil in een heiligdom.
Zogenaamde orakels waren sterk in trek. Het orakel in Delphi, in Griekenland, is wereldberoemd geworden. Priesters gaven met kunst- en vliegwerk, op een geheimzinnige wijze, antwoord op klemmende vragen van mensen. Die antwoorden waren vaak heel dubbelzinnig, zodat je ze achteraf altijd kloppend kon maken.
In deze Psalm klinkt een antwoord, waarin de Here God getekend wordt als een generaal in zijn staftent, een gedetailleerde stafkaart voor zich. Het land wordt opnieuw verdeeld. Er worden op bepaalde punten vlaggetjes neergezet. Wie de kaart uit die tijd erbij houdt, kan de landstreken duidelijk zien. Er worden gebieden genoemd aan de overzijde van de Jordaan: het dal van Sukkoth, Gilead, Moab en Edom (het land van de nakomelingen van Ezau). Als deze zijde van de Jordaan worden genoemd: Sichem, Efraïm, Juda, het land van de Filistijnen. Voor een goed verstaan: Moab als wasbekken, een land waar de overwinnaar zijn voeten wast; een schoen werpen op Edom, dat wil zetten: onder de voet gelopen, onderworpen. Verder wordt de versterkte veste genoemd. Dat is de stad Petra, uitgehouwen in de rotsen, rode stenen, een onneembare vesting. Vandaag de dag kun je er nog de restanten van zien. De Psalm eindigt met een gebed en een belijdenis. Een gebed: ‘Bied ons hulp tegen de tegenstander, want mensenhulp is ijdel’. Een belijdenis: ‘Met God zullen wij kloeke daden, want Hij zelf zal onze tegenstanders vertreden’.
Ik probeer voorzichtig en eerbiedig de balans op te maken. Kun je deze Psalm met een paar naamsveranderingen ook hier en nu gebruiken? Mag de staat Israël dat doen, die zich teweer moet stellen tegen de Palestijnen, de Syriërs, tegen Iran, kortom de hele Arabische wereld? Doe je dan en zo die oude woorden – ten diepste woorden van God – recht? Nog een vraag, waarbij je dicht bij Israël, in het Midden-Oosten, blijft: mag je deze Psalm gebruiken om de schurkenstaten, vooral Irak, aan te pakken? Zullen wij met God aan onze zijde kloeke daden doen om de dictatuur, het terrorisme te bestrijden?
Ik ben geen commentator achter of bij het nieuws. Ik ben dienaar van het goddelijke Woord. In deze dienst lees ik een oude Psalm, die verrassend actueel blijkt te zijn. Daarmee sta en ga ik in het nieuws dat ons dagelijks bezig houdt. Een verrassende ervaring. Geen halsbrekende toeren om de oude Bijbel op te poetsen, aan te passen, bij de tijd te brengen. Alleen maar lezen, luisteren en vragen: wat betekent dit alles voor hier en nu?
God in gevechtstenue. Als je dat niet waar wilt hebben, dan zou Hij dus niet present zijn aan het front, op plaatsen waar het echt spannend is? Dan zou je dus eerst de warboel op orde moeten hebben, het huis van de wereld schoon moeten maken voordat Hij Zijn intocht belieft te houden. Zo’n verheven God is niet de Levende, van die de Bijbel getuigt. Wanneer en waar mag je dan zeggen: God met ons? Hij is niet de erevoorzitter van onze partij. Niet de vlag die onze lading dekt. Hij laat zich nooit en nergens spannen voor ons karretje. Met de onvergetelijke woorden van de oude professor Gunning, overleden in 1905, begraven op Moscova in Arnhem: ‘De levende God kan tot niets dienen; alles moet Hem dienen!’ Hij zal uiteindelijk de tegenstanders voorgoed verslaan.
Waar zijn die standwerkers dan tegen? Tegen Zijn verzoening. Tegen Zijn genade, die de grond onder onze voeten is. tegen Zijn ontferming die naar alle mensen uit gaat. Mag je die tegenstanders dan te vuur en te zwaard bestrijden? Moet je alles en allen over je laten komen als een weerloos lam? Het zijn vragen die je verscheuren. Je houdt er ook geen schone handen bij. Soms heb je geen andere keus en moet je kwade dingen doen om nog meer kwaad te voorkomen. In deze strijd mag je met vallen en opstaan geloven dat God met ons is. De dingen kunnen zo hoog oplopen dat mensenhulp ijdel is. Met vrees en beven mag je belijden dat de Here God het werk van Zijn handen niet in de steek laat. Het is dan ook niet vreemd dat de Here God in gevechtstenue is. Niet om onze belangen te behartigen en veilig te stellen, maar als voorganger in het leger des heils. Dat gaat door zoveel diepten heen. Zeker is dat dit heil van God wereldwijd zichtbaar zal worden. Totdat de Here God alles in alles in allen is. Dan zal het eindelijk vrede zijn. Vrede voorgoed.

===   ===   ===

Psalm 61
Gehouden
*zondagavond 22 juni 2008 in Beekbergen (Heilig Avondmaal)
Bijbellezing: Psalm 61
Gepubliceerd in ‘Kijk en zie’

Ik raak dit beeld nooit meer kwijt. In Abbega, een van de drie dorpen van mijn eerste gemeente, stond een boerderij in brand. Ik was erbij, op verzoek van de boerin. Een rooms-katholieke vrouw, die ernstig ziek was. Ik bezocht haar eens in de veertien dagen. Ik hoorde en zag dat het vuur zich door de balken van de oude boerderij heen vrat. Het was zomertijd. De koeien in de wei.
Bij de boerderij, aan de Bolswardervaart, stonden hoge populieren. In een van de bomen zat een kraaiennest. Je kon zien dat een ouderkraai op het nest met jongen zat. Rook en vuur ook naar de bomen toe. De brandweer spoot op het nest. Maar de oude kraai bleef zitten. Liet zich liever verstrikken, verbranden dan de jongen in de steek te laten….
Jezus zegt in het Evangelie: kijk naar de vogels van de hemel… Ze doen op hun wijze de groeten van God. Dat beeld van oudervogel en jongen komt ettelijke keren in de Psalmen voor. Psalm: ‘Bewaar mij als de appel van het oog; berg mij in de schaduw van uw vleugelen’(8). Psalm 36: ‘Hoe kostelijk is Uw goedertierenheid, o God; daarom schuilen de mensenkinderen in de schaduw van Uw vleugelen’. Psalm 57: ‘Wees mij genadig, o God, wees mij genadig, want bij U schuilt mijn ziel; ja, in de schaduw van uw vleugelen zal ik schuilen, totdat het onheil voorbij is’ (2). Psalm 91: ‘Met zijn vlerken beschermt Hij u, en onder zijn vleugelen vindt ge een toevlucht; zijn trouw is schild en pantser’.
Zo ook hier, in Psalm 61. Het gaat over iemand die verbannen is, die asiel, een schuilplaats zoekt. Even later gaat het gebed over naar de koning toe. Het meest voor de hand ligt dat David zelf een asielzoeker is geworden. Dat past in zijn levensverhaal dat ons goeddeels bekend is: op de vlucht voor Absalom, zijn zoon. Koning in ballingschap! Ook vandaag de dag niet onbekend. In Europa zijn heel veel uit hun land gewezen vorsten. Sommigen hebben het ernaar gemaakt. Anderen zijn eerder slachtoffer van allerlei omstandigheden.
In arren moede, in grote nood roept David de Here God aan. Hij gebuikt verschillende beelden die te denken geven. De Psalm is ook voor ons een leerschool op de weg van het gebed. Roepen tot God, maar hoe, wie bedoel je? Er zijn zoveel beelden van God, die onderweg sneuvelen. Daarom hebben talloze mensen het bidden verleerd. Denkend aan Thomas, gaan ze een stap verder dan hij. Het is voor hen geen vraag meer: klopt het wel? Het antwoord dat ze bewust of onbewust geven, is: niet dus! Ik laat deze beelden, zo diep in de Bijbel verankerd, de revue passeren.
Leid mij op een rots, die voor mijzelf, in eigen kracht, te hoog is. Rots, toonbeeld van vastheid. Sterke basis, plaats waar je kunt staan, geen moeras waarin je wegzakt. Misschien een rots in de omgeving, die David zag. Misschien ook met het oog op de tempel in Jeruzalem, de stad zo hoog gebouwd. Misschien ook God als rots, op de wijze van Psalm 18: ‘O Here, mijn steenrots, mijn vesting en mijn bevrijder, mijn God, mijn Rots bij wie ik schuil’ (3). God als vaste rots van mijn behoud! Een toren, een sterke toren tegen de vijand. Ik zie oude kastelen voor mij. In Langbroek, tussen Doorn en Wijk bij Duurstede, waar mijn ouders geboren zijn: Sterkenburg, Leeuwenburg, Hardenbroek, Lunenburg, Sandenburg. Kastelen die een verhaal vertellen. Sommige met een slotgracht, een ophaalbrug, met een verdedigingstoren, voorzien van kanonsgaten. ‘U bent mij een schuilplaats geweest, een sterke toren tegen de vijand’.
En dan verspringt het beeld. Van toren naar tent. ‘Laat mij altijd wonen in uw tent’. Tent doet denken aan het mobiele, verplaatsbare heiligdom in de woestijn. De Here God gaat met Zijn volk mee, woont in zekere zin in hun midden. Wonderlijk hoe de beelden verspringen. Vastheid, zekerheid, veiligheid: rots en toren. Maar de Hoog-Heilige, de Eeuwig-Trouwe is ook en vooral een trekkers-God. Hij staat Zijn tent onder ons op. Dat woord ‘tent’ klinkt ook door in die onsterfelijke woorden uit Johannes: ‘het Woord van den beginne, dat bij God, dat zelf God was, waardoor alle dingen geworden zijn, vol leven, vol licht, dat Woord is vlees geworden’. Het heeft onder ons – zo staat er letterlijk – getabernakeld, gewoond. En in het laatste Bijbelboek, in Openbaring 21, wordt gezegd: ‘Zie, de tent van God is bij de mensen’(3).
En dan het beeld waarmee we begonnen: veilig verscholen onder uw vleugels. Dat zegt iets over God, wie Hij is. Het zegt ook iets, niet zo weinig, over onszelf. Een ander beeld dan dat van de Nederlandse leeuw: koning van de dieren. Dat zouden we wel willen, hoewel…Weet je wel wat je wilt? Wat is ermee gewonnen als je een leeuw heet te zijn? Ik denk aan een woord uit het Evangelie dat veel levensechter is: ‘Wat baat het een mens, als hij de hele wereld wint, maar zichzelf verliest of zelf schade lijdt?’ (Luc. 9: 25). Houd je maar bij en aan de vogels. Geen adelaar – Duitsland is er slecht mee gevaren – , geen havik, maar een klein zangvogeltje, dat soms ook angstig piept. Het leven is immers niet simpel. Het is vol gevaren die je te sterk zijn. Een andere Psalm voegt zich hierbij, Psalm 124. Als de Here niet met ons was geweest, dan waren we beland in nergenshuizen, in niemandsland, waar de wetten van de jungle heersen.
‘Onze ziel is ontkomen als een vogel uit de strik van de vogelvangers; de strik is gebroken en wij zijn ontkomen’. Het laatste van die Psalm is een belijdenis, die altijd een liefdesverklaring is: ‘Onze hulp is in de Naam des Heren, die hemel en aarde gemaakt heeft’. Houd je maar bij en aan een mus. Een vogeltje, grauw en grijs. Zingt niet zo mooi als een nachtegaal. Heeft evenmin prachtige kleuren als een fazant, een pauw. Zelfs de mussen worden niet vergeten, staan en gaan onder een belofte: ‘Worden niet twee mussen aangeboden voor een paar centen? En niet een daarvan zal ter aarde vallen zonder uw Vader. En de haren van uw hoofd zijn alle geteld. Weest dan niet bevreesd: u gaat vele mussen te boven’ (Mat. 10: 29-31).
Jaap Zijlstra schreef er zo’n mooi gedicht over, in verband met het heilig Avondmaal:
Bij het zien / van al die brokjes / denk ik / het is vogelbrood. / Kom maar / schuwe hippe vogel, / kom maar / oude tamme kraai, / postduif moegevlogen, / kom maar / mussen uit de goot. / Bij het zien / van al die brokjes / weet ik / het is vogelbrood.

===   ===   ===

Psalm 118
Gehouden
*Zondagavond 25 maart 2012 in de GROTE KERK in Apeldoorn
Bijbellezing: O.T. Psalm 118:24-29; N.T. Marcus 14:26-31
Gepubliceerd in ‘Zingen in de nacht’

Soms schieten mij woorden te binnen die eigenlijk niet bestaan. Toch helpen ze mij om dingen beter te begrijpen. Ik noem twee voorbeelden: Een stiltemeter.
Er zijn thermometers, barometers, hygrometers. Maar stiltemeters…?
In het contact met mensen, de communicatie, de overdracht, hoop je dat er iets gebeurt. Dat geldt ook voor elke kerkdienst. Er kan daar een betrekkelijk lege stilte ontstaan, omdat de boodschap niet landt. Of een beleefde stilte, op de wijze van: ook dit gaat voorbij en straks is er koffie. Er bestaat ook een geladen stilte, waarin er echt iets gebeurt, over en weer. Om die stilte bidden en werken we.
Het andere voorbeeld: een stemmingsmeter. Zo u wilt: een stemmingswijzer. We kennen wel een stemvork, een stemwijzer, een kieswijzer. Maar een stemmingswijzer…?
Waar zou zo’n ding goed voor kunnen zijn met betrekking tot de kerkdienst? Dat heeft alles te maken met de stemming waarin u verkeert op het moment dat u de kerk binnengaat. Bent u opgewekt? Dankbaar tot en met? Of is er sprake van het andere uiterste: voelt u zich somber, bitter, wanhopig? Ik laat alle varianten hierop nu maar even ongenoemd. Om dichter bij huis te blijven: wat is er die ochtend voorgevallen? Hoe waren de ervaringen de afgelopen week? Hoeveel littekens heb je op je lijf, in je ziel? Waar denk je aan met het oog op de komende week? Je krijgt een papier in handen. De bedoeling is dat we samen zingen. De inzet is niet zo zuinig. ‘Zing, mijn ziel, voor God uw Here.’ En: ‘De vreugde voert ons naar dit huis.’
Degene die dit allemaal opgesteld heeft, is blijkbaar zo vrij om voor ons te denken. Misschien ben ik helemaal niet in de stemming om een lofzang te zingen. Zou een stemmingswijzer niet veel democratischer zijn? Dat moet toch kunnen met de hulp van enige slim ontwikkelde apparatuur? We peilen hoe de stemming is en stemmen daar de liederen op af. Misschien zou de uitslag kunnen zijn: vanavond wordt er om respectabele redenen niet gezongen.
Ik verbind al deze gedachten, invallen en uitvallen met dat wonderlijke regeltje uit het Evangelie: ‘Nadat ze de lofzang hadden gezongen, vertrokken ze naar de Olijfberg.’
Hoe was de stemmig vooraf en nadien? Ook zonder een exacte stemmingsmeter kom je een heel eind. Het is lijdenstijd. Donkere wolken pakken zich samen boven het hoofd van de Meester. Hij en zijn leerlingen vieren het Pascha, zoals dat gebeurde sinds de bevrijding uit het angstland, Egypte.
Alleen, bij het brood en bij de wijn klinken woorden…, heel apart! ‘Dit is Mijn lichaam voor u…’ En: ‘Dit is het bloed van Mijn verbond, u ten goede.’
Er klinken nog meer woorden, waar je – modieus en onderkoeld gezegd – bepaald niet vrolijk van wordt: ‘Voorwaar, Ik zeg u, dat een van u Mij verraden zal.’
Even later, als ze van tafel gaan, komt Getsemane in beeld. Daar gebeuren dingen, te groots, te diep voor menselijke woorden. Nodig zou zijn ‘een taal waarvoor geen teken is in dit heelal’. Een stemmingswijzer zou iets aangeven in de trant van: bedrukte stilte, dreigende atmosfeer, alstublieft geen gepraat voor de vaak… Hoe dan ook, helemaal geen reden om een hooggestemd lied te zingen.
En dan lezen we, wonder boven wonder of, zo u wilt, te gek voor woorden: ‘Nadat ze de lofzang hadden gezongen, vertrokken ze naar de Olijfberg.’
Het is de overgang, de overstap van die gebeurtenissen aan tafel naar die in de hof van Getsemane. Dat er gezongen wordt op dit dramatische moment is vreemd, anders dan wij verwachten. En het gaat je nog meer duizelen als je tot je laat doordringen wát er gezongen wordt.
Wie een beetje thuis is in de Bijbel, in de liturgie van de paasviering, kan de woorden van deze lofzang aan de weet komen. Aan het eind van zo’n viering werden en worden de Psalmen 113 tot en met 118 gezongen. Of je het nu gek vindt of niet, dat doet er even niet toe, want zo zijn de feiten. Ook hier geldt: weten is meten. Dit bundeltje psalmen heet in het Hebreeuws, de moedertaal van de Bijbel, het Hallel. Dat wil zeggen: de lofzang. Ook het woordje Halleluja – dat is: looft de Here! – hangt daarmee samen. Bij nacht en ontij, in dagen van vreugde en van verdriet, met het kruis van Golgota in zicht, werd de paasviering zo besloten, met deze eeuwenoude woorden aan het eind van Psalm 118: ‘Looft de Here, want Hij is goed, ja Zijn goedertierenheid, Zijn verbondstrouw, duurt in eeuwigheid!’
Dertien mensen, twaalf discipelen en de Meester, zijn op hun post zeggen, zingen de woorden die de eeuwen, de landen zijn doorgegaan. Samen zingen zij de lofzang. Was en is die lofzang bestand tegen de nacht? ‘Nacht’ staat dan voor alles wat aan het leven afbreuk doet, wat beschadigt, stuk maakt, wat mensen vermorzelt. Bestand tegen de nacht? Van die dertien bleef er ten slotte maar één over. Judas was de eerste die vertrok. Later volgden de anderen, een voor een. Ondanks alle grote woorden, zoals die van Petrus: ‘Nee, maar op mij kunt u rekenen!’ Ook hij viel door de mand.
Die oude woorden – looft de Here, want Hij is goed, Zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid! – konden ze niet meer meemaken. Ze konden dit alles niet verbinden met de duisternis van Getsemane, de spot, de veroordeling, het kruis, kortom: de nacht. Één bleef over! De Meester, die de Minste werd. Hij hield de lofzang vast, vol. Beter nog: Hij werd daardoor vastgehouden. Zei Hij daarom die vreemde woorden aan tafel: Mijn lichaam, als brood voor u gebroken, Mijn bloed als wijn voor u vergoten? Door de diepte van het lijden, het offer, de nacht heen, werd de lofzang bevestigd, vuurvast gemaakt, zelfs bestand tegen de dood: Looft de Here, want Hij is goed, Zijn verbondstrouw is tot in eeuwigheid!
Thermometer… Hoe warm, hoe koud is het? De aarde warmt weliswaar op, maar de atmosfeer om te leren, te overleven, is grimmig, op het ijzige af. Barometer… Hoe staat het met de luchtdruk? Spannend, onzeker. Sombere berichten, zorgelijke prognoses zijn niet van de lucht. Hygrometer… Het vochtgehalte schommelt heen en weer, is moeilijk in te stellen. Stemmingsmeter… De kerk is eigenlijk de enige plaats waar nog gezongen wordt, echt gezongen. Geen tralala-liedjes op de wijze van: houd er de moed maar in – nadat we ons eerst stevig moed ingedronken hebben. Ja, ik weet het, de kerk is alom in opspraak. Berichten waar velen met wat leedvermaak over gniffelen. De verhalen zijn echt om te huilen, maar zolang de Here God ons de tijd, de ruimte, de rust geeft om Zijn Evangelie ter harte en ter hand te nemen zullen we deze plaats van Woord en Sacrament, van lofzang en licht, van heimwee en hoop respecteren. De ramp is niet te overzien als de lofzang stopt. Dan verdwijnt echt alle muziek.
Ik noem nog een voorbeeld. In levenden lijve. Onlangs waren we op bezoek bij dominee Jelmer Folkertsma. Ik zal nooit vergeten dat hij een preek hield over de woorden uit Psalm 74: ‘Uwer is de dag, uwer is ook de nacht.’ Inmiddels is hij oud en niet zonder lichamelijke klachten. Hij loopt met een stok. Zijn rug is krom. ‘Ik luister naar de kerkradio,’ zei hij, ‘op m’n eentje, hier in deze stoel. Als er iemand gestorven is in de gemeente, doe ik mee. Ik hijs mezelf uit de stoel, leun op m’n stok en zing mee met het lied dat ter gedachtenis gezongen wordt.’
Het maakte diepe indruk op me. Ik zie dat gebeuren en ik hoor hem zingen. Dan gaat hij weer zitten en zegt hij vast een van zijn herkenningsregels: ‘In orde!’
Staande zingen we de lofzang. Of moeten we zeggen: de lofzang houdt ons staande? Met de slotwoorden van Gezang 446: ‘O naam, eeuwige ademtocht, een sterveling ben ik / Als eens mijn eigen adem stokt, dan draagt mij Uw muziek.’

===    ===   ===

Psalm 130
Gehouden
*Zondagavond 29 november 2009 in de GROTE KERK in Apeldoorn
Bijbellezing: O.T. Psalm 130; N.T. Romeinen 13:11-12
Gepubliceerd in ‘Zingen in de nacht’

Op de grens. Je bent ergens weg, maar elders nog niet aangekomen. Het is, hoe dan ook, een tijd van de pas inhouden, van wachten. Wat gebeurt er dan met je? Dat hangt er maar van af. Van de ervaringen die je achter de rug hebt, maar die je toch meedraagt. Van de verwachting met het oog op wat voor je ligt. Die tijd tussen niet meer en nog niet is verre van simpel. ‘Wachten’ is een werkwoord dat steeds meer ergernissen en conflicten oproept. In groter en in kleiner verband, in het maatschappelijk bestel en in het persoonlijke leven. Wachten wil je niet, maar je moet wel. De gewilligheid wordt geringer, het moeten groter.
In de files onderweg. In het ziekenhuis bij de dokter. In de rij voor een prik. Aan de telefoon, waar nog zoveel wachtenden voor u zijn of waar je uitentreuren hoort – opgeleukt door een muziekje – ‘Al onze medewerkers zijn in gesprek; een ogenblik geduld alstublieft.’ In de zorg, waar de wachtlijsten lang zijn. Alles moet sneller: klaar terwijl u wacht! Daarom instant op allerlei gebied: maaltijden, reisboekingen. Als iedereen in kort bestek hetzelfde wil, is het wachtwoord: ‘wachten!’ Langdurig en energievretend. Tenzij je veel reserves hebt van eerder en goede verwachting hebt voor straks.
Ook op de geloofsweg is wachten een werkwoord. Zo belangrijk dat ten minste vier weken van het jaar daardoor getekend zijn: Advent. Weer die vraag: wat gebeurt er dan met je? En opnieuw is de eerste reactie: dat hangt er maar van af. En wat ook niet onbelangrijk is: ben je op de grens van donker en licht of van licht en donker? Met andere woorden: ga je het licht, de dag, tegemoet? Of het donker, de nacht? Dat is een hemelsbreed verschil. Wie is bij machte of bevoegd om daar uitsluitsel over te geven?
Als ik bij mijzelf te rade ga, heb ik meer dan voldoende redenen om te veronderstellen dat we het donker tegemoet gaan; de lichten doven langzaam maar zeker uit. Wie niet genoeg heeft aan genoeg, is onverzadigbaar en dat gaat ten koste van miljoenen anderen die minder en minder krijgen. Zo gaat het met geld, met bezit dat bezeten maakt, met macht. In wereldwijd verband gaat dat zo met de vervuiling, de opwarming van de aarde, het uitsterven van al die soorten planten en dieren. Voeg daarbij het sterven van zoveel soorten van mensen. Tekenen van toenemende duisternis.
Op de grens van… In dit oude boek, Woord van Godswege, wordt ons verteld dat je vanuit het donker het licht tegemoet mag gaan. Het donker wordt niet verdoezeld, niet verdonkeremaand. Integendeel. Als er één boek is dat het donker serieus neemt, dan wel de Bijbel. Een van mijn leermeesters, professor A. A. van Ruler, van huis uit een Apeldoornse jongen, noemt het dan ook meermalen een ruig, realistisch boek. Dat geldt in het bijzonder voor de psalmen, waarvan we er eentje lazen, Psalm 130. Weer met de woorden van een voorganger, Tom Naastepad, van rooms-katholieke huize – dan horen we het ook eens van een ander – ‘Al die registers van dat gekke psalmenboek, het meest aardse en realistische liedboek dat er is.’
In Psalm 130 klinkt een stem uit de diepte. Niet vanaf een bergtop, waar alles je toelacht, met grootse vergezichten, maar van diep onderop, vanuit de onderkant. Het is de stem van een ontredderd, verfomfaaid mens, die beseft dat hij lang niet degene is die hij zou moeten zijn. Op geen stukken na. Een belijdenis van groot tekort, ten overstaan van God. Voor wie zou je je anders uiteindelijk moeten verantwoorden? Als U de zonden blijft gedenken Heer, wie houdt dan stand? Je hebt geen been om op te staan. Alle peptalk, alle mooi-weer-verhalen schieten tekort. Wie beseft dat hij aan de grond zit, wordt grondig bevrijd.
Ik las dezer dagen het onlangs verschenen dagboek van Willem Barnard. De titel is al veelzeggend: Een zon diep in de nacht. Barnard: weduwnaar, hoogbejaard, lichamelijk een wrak, tobber bij de gratie Gods, minnaar van het Woord en van woorden. Op 6 oktober 2005 schreef hij in zijn dagboek – papier is zijn reisgenoot – ‘Zo langzamerhand ben ik genaderd tot het standpunt (is het een “stand-punt”?) van de Nadere Reformatie, dat een mens niets meebrengt, behalve zichzelf in zijn armzaligheid. En dat juist dat arme zijn zaligheid is. Geen praatjes, niks om op de borst te kloppen, qua “heiligheid” ben ik mislukt. Maar als er niets van mij uitgaat, des te meer komt het naar mij toe. De taal van de Schrift, de verhalen en gedichten, de woorden die vermoedens behelzen.’
Ik vind dat zo’n onvergetelijk woord, ‘vermoedens’. Geen agressieve marsmuziek op de wijze van ferme jongens, stoere knapen. Geen grote woorden die je eigen onzekerheid en angst overschreeuwen, maar vermoedens: een ritseling van leven, een ruisen van water voor een dorstige ziel, van het kastje naar de muur gestuurd, een zon diep in de nacht. In deze psalm komt het hoge woord eruit: ‘Bij U is vergeving.’ Niet op een goedkope wijze, niet als een Sinterklaasgebaar. Dat is ‘vergeven’ in de zin van ‘vergiftigd’. Vergeven heeft in de Bijbel met offers te maken en een offer is geven in de hoogste graad, jezelf geven. Ten diepste het offer van Christus, het Lam van God dat de zonde van de hele wereld draagt. Wie er eenmaal door geraakt is, komt er nooit meer los van, wil ook nooit meer los van dit verband leven. Nooit en nergens ben je meer los verkrijgbaar. Voortaan leef je in ontzag voor God. Anders gezegd, met de oude bijbelse woorden die onnavolgbaar schoon en zuiver zijn: in de vreze des Heren. Vrees, in de zin van respect en eerbied. Ook van huivering, omdat je als een brandhout bent, aan het vuur ontrukt. Een drenkeling, uit het water gehaald, met de bibbering nog in je botten. Dat is de vreze des Heren. Alleen Hij, de drie-enige God, weet weg met de schuld, die verzoend wordt en met de dood, die overwonnen is. Er luiden paasklokken over een stervende wereld.
Wie zich laat raken door deze God, door Zijn heilig Evangelie, die wordt als een wachter, uitziende naar de dag, het licht tegemoet. Wachter zijn betekent ook dat je op je post blijft, ten dienste van anderen, ook van hen die zich van geen kwaad bewust zijn. Soms klinkt de vraag: ‘Wachter, wat is er van de nacht?’ Het antwoord zal ter zake zijn, zonder prietpraat, zonder fopspenen. De nacht is zwart en zwaar en lang, maar de dag komt onweerstaanbaar. Jochen Klepper heeft ervan geweten en erover gezongen. Een van zijn liederen is geïnspireerd door Psalm 130. In het liedboek is het ook nummer 130.
Klepper leefde onder het schrikbewind, de tijd van nacht en nevel van Adolf Hitler. Hij was getrouwd met een weduwe, een Jodin, die twee dochters had. De ene dochter ontkwam naar Engeland. Jochen Klepper kreeg de kans om zich van zijn vrouw te laten scheiden en zo zijn leven te redden. Hij weigerde en ging vrijwillig samen met zijn vrouw en dochter de dood tegemoet, wachtend op de grote dag. Ik denk aan de woorden in zijn lied: ‘Hoe vele zwarte nachten / van bitterheid en pijn / en smartelijk verwachten / ons deel nog zullen zijn / op deze donk’re aarde, / toch staat in stille pracht / de ster van Gods genade / aan ’t einde van de nacht.’
Op de grens van donker en licht. Zo staat en gaat de gemeente van Christus in deze wereld. Niet als een kring van betere mensen. Niet als een club van betweters. Armoedzaaiers, bedelaars bij de gratie
Gods, die anderen wijzen waar het brood te vinden is. Wachters, die met vallen en opstaan naar de horizon wijzen.
Met de woorden van Paulus, de apostel: ‘De nacht is ver gevorderd, de dag is nabij!’
Met de woorden van een lied van Willem Barnard – Gezang 446 – waaraan de titel van zijn dagboek is ontleend: ‘Zolang Gij nog onzichtbaar zijt, / een zon diep in de nacht, / roep ik Uw nadering reeds uit / omdat ik U verwacht.’

===   ===   ===

Psalm 139
Gehouden

*zondag 30 september 2001 in Welsum
*zondag 22 november 2009 in Lieren
Bijbellezing: OT Psalm 139: 1-12; NT 1 Corinthiërs 13: 11-16
Gepubliceerd in ‘Kijk en zie’

Handen hebben een verhaal, soms ook een levensverhaal. Hoe dan? Het ligt voor de hand om te denken aan gebarentaal. Ooit hebben we zo’n dienst gehouden. Als ik eraan terugdenk, krijg ik weer het zweet in mijn handen. Heel veel mensen, meer dan u denkt, zijn gehoorgestoord. Soms bereik je elkaar door langzaam en duidelijk te praten, maar massa’s anderen zijn onbereikbaar voor woorden. Je moet het verhaal vertellen door middel van je lichaam: je blik, je gelaatsuitdrukking, je lippen en vooral je handen. De doven zijn een vergeten groep in onze luidruchtige, praatgrage en patserige maatschappij. Ze delen dit lot met andere gehandicapten die eigenlijk niet meetellen.
Terug naar die handen, die een verhaal vertellen, soms ook een levensverhaal. Ik zie slanke, gladde, lenige, rimpelloze, keurig verzorgde handen. Ze vertellen het verhaal van een mens die altijd schoon werk doet – en dat is lang niet altijd het gemakkelijkste. Een organist bijvoorbeeld, die eindeloos oefent om de toetsen te bespelen en vingervlug te blijven, want het muziekblad is gitzwart van de kleine nootjes.
Ik zie ook handen die knoesterig en krom, vol eelt en rimpels zijn. Een handvol groene zeep verandert er weinig aan. Ze dragen de sporen van jarenlang hard werken. Handenarbeid zogezegd. Op het land, met de beesten, in weer en wind, omgaan met hard, weerbarstig materiaal. Mijn moeder was zo iemand. Daarom had ze in de kracht van haar leven ook altijd kloven. Die kregen de tijd en de rust niet om dicht te groeien. Ze sprongen dus telkens weer open.
Handen hebben een verhaal, soms een levensverhaal en verhaal van de Levende. Om dat verhaal van de Levende op het spoor te komen lezen we de Bijbel. Een spannend avontuur, een geloofsweg met vallen en opstaan. Daar zullen we verder niet moeilijk over doen. Alles wat belangrijk is in dit wonderlijke leven, waar je soms kop noch staart aan kunt vinden, kost je moeite. De Bijbel als het verhaal van de Levende. Nu moet ik u zeggen dat ik er steeds minder van begrijp, maar dat het mij zoveel te meer raakt en boeit.
In deze oude, onsterfelijke Psalm, Psalm 139, wordt over de hand van God gesproken. Heeft God dan handen? Natuurlijk is het een beeld om dingen te zeggen die je eigenlijk niet onder woorden kunt brengen. Het is dan ook de taal van de liefde, en daarmee kom je niet zo ver met ons computertaaltje. In deze Psalm klinkt een werkwoord telkens op: kennen! Dat is weer zo’n woord, waarbij je gaat stotteren. Ken je elkaar? Ik bedoel niet: van de buitenkant, maar: naar binnen toe; niet: tot aan je velletje, maar: tot op het bot. Wie kent wie echt? Trouwens, ken je jezelf door en door? Verbaas je jou nooit over jezelf, soms op het schokkende af? Als dat nooit gebeurt, leef je dan eigenlijk wel? Of rommel je maar wat aan?
Het Verhaal van de Levende gaat zo: ‘HERE, Gij doorgrondt en kent mij; Gij kent mijn zitten en mijn opstaan; er is geen woord op mijn tong, of Gij kent het volkomen; Gij kent mijn zitten en mijn opstaan, Gij verstaat van verre mijn gedachten.’
Word je daar nou vrolijk van of werkt het eerder op je zenuwen? Het hangt er maar van af wat de ander, vooral ook; de ANDER, de Levend, met die kennis doet. Er zijn massa’s mensen voor wie kennis alleen maar macht is. Ze gebruiken dat hele zaakje om zichzelf op te schroeven, desnoods ten koste van anderen.
Kennen, kennis is bij ons eigenlijk alleen maar hoofdzaak geworden. We hadden er een onbegrensd vertrouwen in. Veel mensen hebben dat nog. Maar we komen onszelf en elkaar overal tegen. Om het maar heel kort door de bocht te zeggen: het wordt er vooral niet fijner op om mens te zijn, teruggebracht tot je hoofd en daarin tot nog een kleiner deel, een supersuper-computercentrum waar we steeds minder van begrijpen: je hersenen.
Het wordt er niet fijner op voor de mensen. Als de dieren, de planten, de bloemen konden spreken, dan gilden ze het uit en zouden ze voorlopig niet ophouden.
Wat doet de Levende met dat kennen, die kennis? Nu komt het beeld van die hand naar voren: ‘Gij omgeeft mij van achteren en van voren en Gij legt uw hand op mij’. Wanneer en waarom doe je dat? Handen hebben een verhaal, soms ook een levensverhaal. Je hand op iemand leggen. Niet graaierig en grijperig in de trant van: pik, ik heb je, maar als een teken van wat in hart leeft. Je hand op iemand leggen…, daaruit spreekt een wereld van bescherming, van nabijheid, van…ik weet geen beter woord, al is het dan ook platgepraat en stuk gezongen, een wereld van liefde.
Die hand tekent ook het verhaal van de Levende: ‘Gij legt uw hand op mij’. Zo is Hij, die wij God noemen. Je kunt over Hem redeneren en filosoferen. Dat gebeurt dan ook volop. Mensen hebben allerlei gedachten over Hem. De wereld is stikvol religie. Allerlei oude en nieuwe vormen van binding aan een hogere macht, wie of wat dan ook, schieten als paddenstoelen uit de grond. De deskundigen hebben dit niet kunnen voorzien. Hun voorspellingen zijn even wankel als die van het weer. Alom werd verondersteld dat de mens genoeg zou hebben aan zijn eigen kleine, platte vlak, met de auto, de beeldbuis, het internet en dat zou het dan wel zijn.
Maar het is niet waar. We komen onszelf tegen in al onze platheid. We kunnen het niet laten om te blijven vragen: Waarvandaan? Waarom? Waarheen? Te midden van al die verhalen en al onze gedachten over God, wie of wat dan ook, voegt zich het verhaal van de Levende en Zijn gedachten over ons.
Als de zaak op scherp komt te staan, als alle fratsen en franje echt verdwijnen, dan kom je met je eigen verhaal, met je eigen gedachten over God niet zover. Het heeft veel weg van bellen blazen: op het moment dat je er veel van verwacht, is het over en uit, pats en stuk! Maar het verhaal van de Levende, dát is ijzersterk, zelfs sterker dan de dood. Begrijpen doe je het niet. Dat lezen we dan ook in deze Psalm: ‘Het begrijpen is mij te wonderbaar, te verheven, ik kan er niet bij’. Dus zal het wel onzin zijn, zegt iemand, want ik neem alleen maar aan wat ik begrijp.
Dan wordt je wereldje wel heel erg klein. Er zijn zoveel dingen die je aanneemt, zonder er een snars van te begrijpen. Hoe je hersens werken bijvoorbeeld, dat snapt geen sterveling. Nog een klein voorbeeld, heel dichtbij: als je een wondje hebt, vormt zich een korstje: deskundigen kunnen ongeveer zeggen wat er allemaal gebeurt, maar waarom het allemaal zo toegaat, daar kun je niet bij. Om nog maar te zwijgen van de grotere verbanden van het heelal en dat mini-speldenknopje, de aarde, daarin. Bij al deze verschijnselen kun je een bordje zetten met dezelfde woorden uit deze Psalm: ‘Het begrijpen is mij te wonderbaar, te verheven, ik kan er niet bij’.
Die hand van God blijft bij je, waar je ook bent en waar je ook gaat. De Psalm noemt allerlei mogelijkheden: ‘ten hemel stijgen of afdalen naar het dodenrijk ….Gij zijt er!’ Nooit en nergens ben ik blijkbaar alleen. Als dat geen ijzersterk verhaal is… Het is dan ook het Verhaal van de Levende. De Psalm noemt nog een paar dingen op. Niet in een computertaaltje, maar in de vorm van een gedicht, waardoor je dichter bij het Geheim, de Levende, komt: vleugels van de dageraad, wonen aan het uiterste der zee, ook daar zou Uw hand (!) mij geleiden, Uw rechterhand mij vastgrijpen. En dan de woorden die volgen, die naar mijn besef de grens betekenen van wat een mens nog een beetje bij kan houden: zelfs de duisternis verbergt niet voor U, maar de nacht licht als de dag, de duisternis is als het licht! Met andere woorden: Uw licht valt overal doorheen, ook al is het nog zo’n klein straaltje, net zoals de stralen van de zon in een oude, donkere schuur.
Handen hebben een verhaal, soms ook een levensverhaal. Ze wijzen ook heen naar het Verhaal van de Levende. Aan de hand van dit beeld en aan de hand van de Bijbel kun je die hand van God nasporen. Het is een ander verhaal dan wat wij vertellen. Wij zien de hand van God in bepaalde gebeurtenissen. Van zulke verhalen krijg ik het heel vaak benauwd. Hoe weet je dat dit en hier de hand van God is? Het zijn jouw gedachten over God, maar die stroken lang niet altijd met Gods gedachten over jou. Heel veel mensen hebben daardoor hun geloof verloren. Het was een karikatuur, een vertekend beeld van God, maar er is niets, niemand anders voor in de plaats gekomen. Het Verhaal van de Levende is naar de rand geschoven of onder het stof geraakt, en dat is echt doodzonde.
Wie dit Verhaal naspoort zal ontdekken dat die hand van God niet glad en rimpelloos is, maar vol kloven zit en zelfs een gat heeft, omdat er een spijker doorheen is geslagen. Met andere woorden: een doorboorde hand. Wat betekende dat ook al weer ‘Gij legt Uw hand op mij?’ Een wereld van bescherming, van nabijheid, een wereld van liefde. Die doorboorde hand is de laatste consequentie van die Psalmwoorden: steeg ik ten hemel, Gij zijt daar ging ik wonen aan het uiterste der zee of daalde ik af in het dodenrijk, Gij zijt er! Zelfs de duisternis, van de schuld, de angst, de wanhoop, de eenzaamheid, de dood, zelfs de duisternis verbergt niet voor U. Het Verhaal van de Levende is het verhaal van Hem, die Zich liet wegdringen aan een kruis en zo Zijn almacht, Zijn liefdesmacht betoonde. Er is geen plaats te bedenken, waar Zijn licht niet zou kunnen komen. In deze wereld doen allerlei verhalen de ronde over mensen, over machten, over goden en godenfiguren. Er is maar een Verhaal van de Levende, dat Evangelie heet, Goede Tijding, Blijde Boodschap. Daar heb je genoeg aan, een leven en een dood lang en nog verder.

===   ===   ===