Marchal


Marcus 14: 26
Gehouden op
*
Zondag 28 maart 1982 te Ellecom/De Steeg
Bijbellezing:
Deuteronomium 16: 1-4; Marcus 14: 22 – 31
*
Zondag 17 maart 1985, 8.45 en 10.00 uur te Hellendoorn
Bijbellezing:
Psalm 118: 24 – 29; Marcus 14: 26 – 31

*Zondag 10 maart 1991, 9.30 uur te Hellendoorn
Bijbellezing:
Psalm 118: 24 – 29; Marcus 14: 26 – 31

*Zondag 26 maart 1995, 10.00 uur te Beekbergen
Bijbellezing:
Psalm 118: 24 – 29; Marcus 14: 26 – 31

*Zondag 07 maart 2004, 18.30 uur te Rhenen
Bijbellezing: Marcus 14: 22 – 31
*Zondag 17 maart 2013, 19.00 uur te Enter
Bijbellezing: Psalm 118: 24 – 29; Marcus 14: 26-31

Op zondag 17 maart 1985, vandaag dus, komen mensen samen in een kerk. Het gebeurt overal op deze wereld, in kathedralen en in kleine kamers, in schone gebouwen en in schamele optrekjes. Ook hier, in deze ‘oale grieze’, zijn mensen, u en ik, gekomen. Wie zijn we? Wat doen we? Waarom komen we, week aan week? Een handvol vragen, waar we er enkele uitlichten.
Wie we zijn? Als ieder in een paar trefwoorden zijn levensverhaal zou doen, en als al die stukjes werden samengevoegd tot een geheel, dan zou je merken dat ook hier, in dit oude boerendorp, niets menselijks vreemd is. De hoogte – en de dieptepunten, de verwondering en de verwarring, de schoonheid en de schande, de vrede en de angsten van het menselijk bestaan, het speelt, het spookt allemaal in deze kring mensen, bijeen in deze kerk. Wat we op het tévéjournaal zien en in de krant lezen, dit bonte spectrum van wat mensen zijn, denken, komt hier in Hellendoorn voor.
En wat we doen in deze ruimte? We zingen onder meer de lofzang: ‘Looft de Here, want Hij is goed, ja, Zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid…’. Hoe is ’t mogelijk? Al die mensen, met hun ervaringen, stemmen samen in een lied. Kun je dat volhouden in alle oprechtheid, zonder jezelf geweld aan te doen? Of is dit een vorm van schizofrenie, van een gespleten bewustzijn? Op die vragen komen we straks nog terug. We laten ze niet rusten, maar we dragen ze mee door deze hele preek heen.
Over de lofzang gesproken …. Het staat er zo kort en bondig: ‘En na de lofzang gezongen te hebben, vertrokken zij naar de Olijfberg’. Je leest er zomaar overheen. Maar het is de moeite waard om hier eens even stil te staan. Dit sobere regeltje geeft te denken en, wie weet, in alles, te danken. Ga maar na en luister mee.

In het voorgaande wordt verteld dat en hoe de Paasmaaltijd werd gevierd. Dat was gedaan in deze bepaalde tijd van het jaar, sinds de uittocht uit het angstland, het slavenhuis Egypte. In tijden van voorspoed en in tijden van onrust en ontreddering, steeds maar weer die oude woorden en gebruiken, die liturgie van licht, als een fakkel overgedragen van geslacht op geslacht.
In dit oeroude, overbekende ritueel was wel iets nieuws aan de orde. Die merkwaardige woorden bij het brood: ‘neemt, dit is Mijn lichaam’; en even later die bij de beker met wijn: ‘dit is het bloed van Mijn verbond, dat voor velen vergoten wordt’. En dit alles in een geladen, beklemmende atmosfeer, omdat vooraf gezegd was: ‘Voorwaar, Ik zeg u, dat een van u Mij verraden zal; een die met Mij zat’.
Het bederf, het verraad schuilt in de binnenste kring. Reden om te huilen, om wanhopig te worden, om met de vuist op tafel te slaan, wie weet om te vloeken. Hoe dan ook, niet wat hier staat: ‘en na lofzang gezongen te hebben …’.
Of is het vervolg misschien zo luisterrijk dat het met het oog daarop begrijpelijk wordt. Op de wijze van ons goed bedoelde, maar o zo vlakke regeltje: na regen komt zonneschijn.
Vergeet het maar. Weer die pijnlijke woorden, nu naar de hele kring: ‘Ge zult allen aanstoot aan Mij nemen, Mij in de steek laten en zelf op de vlucht slaan’. En in het vervolg komt Gethsemané ter sprake. Wat daar gebeurt, barst helemaal uit de woorden die ons ter beschikking staan. Nodig zou zijn, met de woorden van de dichter Martinus Nijhoff, een taal waarvoor ‘geen teken is in dit heelal’. Gethsemané, dat wil zeggen: tuin van de olijven, maar in wezen: onderwereld, spookhuis, oord van angst, aanvechting, verraad. Met dit in de rug en dat voor ogen wordt de lofzang gezongen. Wie het leest, lette erop en verbaze zich. Goeie genade, een lofzang, uitgerekend hier, op dit kruispunt van de geschiedenis. Het is al lang niet meer de morgenstond van de schepping, waarin alle kinderen van God zingen. Het is nog lang niet het rijk der heerlijkheid, waarin, zoals we in het laatste Bijbelboek lezen, tienduizenden tienduizentallen en duizenden duizendtallen de lof van God bezingen.
Als de nacht valt, het verraad naar boven komt, de trouw tanende is, de machten van de duisternis hoogtij vieren, de modder, de smurrie van het mensenhart opspat en in het rondvliegt, dan klinkt in dit hels kabaal toch de lofzang.
Dat er gezongen wordt, is merkwaardig. Maar ook wat er gezongen wordt. We weten namelijk vrij nauwkeurig welke woorden op dit moment gebruikt werden. De Paasliturgie werd altijd en overal besloten met een aantal Psalmen. De Psalmen waren en zijn levensliederen, bloedwarm, levensecht. Talloze liedjes die nadien geschreven zijn, zijn vaak zo schoon en vroom, zo evenwichtig en kloppend als een bus, dat je denkt: mijn hemel, het lijkt wel alsof Auschwitz, Verdun, al die slagvelden en slachthuizen, krotten en kankerpaviljoens er nooit geweest zijn.
Dr. Oepke Noordmans schrijft ergens: het grootste wereldwonder zijn de Psalmen. En een andere broeder, Geert Bogaard: ‘Er zijn psalmen / die met ons komen / praten; als het moet / een hele nacht; / ze weten overal van / en vinden niets vreemd / zelfs opstandigheid niet. Bij God / mag alles’. 
Een viertal psalmen uit dit weergaloze boek vormde het slot van de Paasliturgie: Psalm 115, 116, 117 en 118. Dit viertal werd en wordt in het Hebreeuws, de moedertaal van het Oude Testament, aangeduid met de term ‘Hallel’. Op de klank af herkennen we het woordje ‘hallelujah’, tot zelfs in de popmuziek doorgedrongen. ‘Hallel’ wil zeggen: lofzang. ‘En na de lofzang gezongen te hebben…’.
We lezen op een afstand mee en noemen, met ontroering en vervoering, een paar regels, daar en toen gezongen: ‘niet de doden zullen de Here loven, niemand van wie in de stilte zijn neergedaald, maar wij zullen de Here prijzen, van nu aan tot in eeuwigheid (….); Gij hebt mijn leven van de dood gered, mijn oog van tranen, mijn voet van aanstoot’; en ten slotte: ‘looft de Here, want Hij is goed, ja Zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid’.
Merkwaardigerwijs eindigt Psalm 118 niet met het akkoord ‘hallelujah’ en de voorgaande drie Psalmen wel. Zou je misschien mogen zeggen dat deze oude Psalmwoorden open bleven tot op het slotakkoord, de diepste bevestiging van de Paasliturgie? En zou je dan, doorgaande op deze lijn, in deze nacht, in deze wir-war van gebeurtenissen, de lofzang en het ‘hallelujah’ horen, als nooit tevoren? Want één hield de lofzang gaande. In deze Ene was God Zelf present, gaf Hij-Zelf taal en teken. Sindsdien weten we, om nooit te vergeten, dat er geen nacht van schuld, angst, aanvechting, dood meer kan zijn, zonder dat de trouw van God daarin ritselt en ruist. Alle trauma’s van de machten, alle tranen van de mensen kunnen deze waarheid, die zo bevestigd is, niet meer uitwissen. Anders gezegd, met die duizelingwekkende woorden van een andere Psalm, 139: ‘Steeg ik ten hemel – Gij zijt daar, of maakte ik het dodenrijk tot mijn sponde – Gij zijt er; nam ik vleugelen van de dageraad, ging ik wonen aan het uiterste der zee, ook daar zou Uw hand mij geleiden, Uw rechterhand mij vastgrijpen; zeide ik: duisternis moge mij overvallen, dan is de nacht een licht om mij heen; zelfs de duisternis verbergt niet voor U …’.
Deze woorden, deze liederen en gebeden, gebaren en gebruiken, ook de tranen en de twijfels, zijn de eeuwen door overgeleverd, van geslacht op geslacht. Het heeft alles vorm en klank gekregen in de liturgie, de eredienst, die we hier mogen vieren, thuis mogen voortzetten en in het gewone leven mogen uitwerken. Als onderdeel, beter nog: als hart van deze liturgie, fungeert de lofzang. Is het niet een zegen dat er zulke patronen, zulke vaste vormen zijn, waarnaar en waarin we ons kunnen voegen? Dat geeft stijl, houvast aan ons leven. Goddank zijn we niet aangewezen op de gevoelens van dit moment, de ervaringen van de dag. Als dat ratjetoe bepalend zou zijn voor de gang van ons leven, dan waren we als een kurk, dansend op de golven, heen en weer geslingerd naar alle kanten en dus nergens heen.
Ik denk dat deze elementen des te belangrijker zijn in onze dagen, waarin alles bijkans gaat op de toer van: wat is uw gevoelen daarbij?; wat ervaart u op dit moment?; en in het verlengde daarvan: wat vindt u, wat voelt u van God? Het is een reactie op een voorgaande periode, waarin alles afstandelijk, nuchter, zakelijk moest worden afgedaan en dus levende mensen veelal werden afgemaakt. Maar deze gevoelsexplosie is niet ongevaarlijk. Niet onze gevoelens en gedachten ten opzichte van God zijn doorslaggevend, maar de Zijne ten opzichte van ons.
Daarom is er kerk op deze aarde. Daarom komen mensen samen, ook in deze kerk. Om de eredienst te verrichten, de liturgie te vieren: schuldbelijdenis, genadeverkonding, Schriftlezing, prediking, gebeden, collecte, zegen, en vooral de lofzang gaande te houden.
Doe je jezelf dan geen geweld aan? Zing je niet boven je macht, buiten je bewuste leven? Ik denk van niet, maar om zo te denken is telkens weer een gevecht, een bekering. Sinds de Meester, de Messias, de lofzang heeft gezongen naar Gethsemané en Golgotha toe, is er geen plekje, geen moment meer te bedenken dat los zou staan van de trouw van God. Als deze liturgie, deze lofzang wordt opgegeven, dan is dat het einde van de humaniteit, de menselijkheid en het einde van de hoop voor de wereld.
Wie niet meer, met vrees en beven, beseft dat hij staat en gaat voor het aangezicht van de Eeuwige, ontneemt zichzelf en de ander de kroon van het mens-zijn. Wie dit geloof afzweert, laat ook de hoop voor de wereld varen. De enige hoop voor de wereld is deze God, die Zichzelf kenbaar maakte in Jezus Christus. Wie van Hem niet meer weet, van Hem niet meer zingt, ondanks alles draait het licht in de eigen kring en in de samenleving uit. Alleen de weg van het kruis is de weg van het licht.

===   ===   ===

Marcus 14: 32 – 42 (1)
Gehouden op
*Zondag 8 april 1973, 1.30 uur te Folsgare. (13,30 uur?)
Bijbellezing: Marcus 14: 32-42

Wanneer iemand een kostbare, kristallen vaas in zijn handen houdt, moet hij er voorzichtig mee omgaan. Als hij dat niet doet, ligt die prachtige vaas spoedig in scherven. Daar is echt weinig voor nodig. Een stommiteit, een ogenblik niet goed uitkijken en het is zover. Dat ligt niet aan die vaas, maar aan de manier waarop mensen ermee omgaan.
Dit voorbeeld van die vaas kun je ook toepassen op allerlei woorden in onze taal. Er zijn woorden die een kostbare inhoud hebben, maar die door het gebruik, of liever gezegd: het misbruik van de mensen, bevuild, verdraaid, kapot gemaakt worden. Dat ligt niet aan die woorden, maar aan de manier waarop mensen ermee omgaan.
Ik zal zo’n woordje noemen. Het woord liefde. Dat heeft een kostbare inhoud. Zo kostbaar, dat het de eeuwen door bezongen is in liederen, beschreven door schrijvers en dichters, besproken door de mensen, zonder dat de inhoud is uitgeput. Maar datzelfde woordje liefde wordt in de monden en in de handen van de mensen ook bevuild, verdraaid, kapot gemaakt. Daar is echt weinig voor nodig. Geen halsbrekende toeren, geen buitengewone inspanning, maar gewoon een stukje onvoorzichtigheid en slordigheid. Het bederf van het beste is het slechtste. Die twee liggen heel dicht bij elkaar evenals het glaswerk en de scherven.
In het Evangelie lees ik ook zo’n woord, met een kostbare inhoud. Maar ook dit woord kan door het gebruik, het misbruik van de mensen, bedorven, kapot gemaakt worden. Ik bedoel het woordje ‘overleveren’. Over dat woord – overleveren – gaan we vanmiddag eens even nadenken. We lezen het telkens in het Evangelie. Het komt ook voor in de geschiedenis die we zo pas gelezen hebben: de worsteling, de doodsstrijd van Jezus in Gethsemané.
Dit is een van de meest aangrijpende stukken die in de Bijbel staan. Lijden, pijn, verdriet van mensen raken ons in het hart. Tenminste, wanneer we nog een klein beetje menselijk gevoel hebben en ons niet ingemetseld hebben binnen een muur van gewapend beton. Zo leven veel mensen. Zolang ze zelf maar buiten schot blijven, zegt en doet het hun weinig wat met een ander gebeurt. Zulke mensen laat ik nu buiten beschouwing, al stijgt hun aantal onrustbarend.
Lijden, pijn, verdriet van anderen raken ons, omdat we samen mensen zijn. Al dat leed van de mensen gaat niet buiten God om, want in de geschiedenis van Gethsemané wordt op aangrijpende wijze geschilderd, hoe de Heiland der wereld dodelijk beangst en bedroefd is: ‘Mijn ziel is zeer bedroefd, tot stervens toe!’ In deze angst zoekt Hij gemeenschap met enkele vertrouwde mensen: ‘blijf hier en waakt!’ Zoals een doodzieke mens een hand zoekt van een geliefde om niet alleen te zijn, zo vraagt de Heiland der wereld aan Zijn discipelen dichtbij Hem te blijven en te waken! Dat is toch het minste wat je doen kunt voor een ander. De discipelen hadden zelfs om het hardst beloofd: ‘Al zouden wij met U moeten sterven, wij laten U niet in de steek’.
Deze woorden waren nog niet koud, of ze werden als grootspraak, holle klanken ontmaskerd. Want tot drie maal toe vond de Heiland der wereld hen slapende. En ondertussen bad Hij op leven en dood een gebed, een hartenkreet tot God: ‘Abba, Vader alles is U mogelijk, neem deze beker van Mij weg’. Laat alles wat als een dreiging op Mij afkomt, niet over Mij heengaan, want het zal Mij verpletteren. ‘Doch niet wat Ik wil, maar wat Gij wilt geschiede!’
Een gebed dat niet verhoord werd. Of misschien toch wel? Wie werkelijk bidt, geeft alles uit handen en maakt zijn eigen wil ondergeschikt aan de wil van God. Dan is alles goed, ondanks de pijn, ondanks de worsteling, ondanks het verdriet. Zolang we onze gebeden nog beginnen met: ‘Uw wil geschiede’ en besluiten met: ‘om Uws Naams wil, om Jezus’ wil’, moeten we niet te gauw klagen over onverhoorde gebeden.
Slapende discipelen en een ten dode bedroefde, biddende Heiland. Vanwaar deze droefheid? Vanwaar dit hartstochtelijk gebed? Hier moeten we erg voorzichtig zijn en bescheiden zijn in onze woorden. Het verdriet van mensen kunnen we zo moeilijk peilen, van binnenuit verstaan, laat staan het verdriet, het lijden van Jezus, de Heiland.
Toch mogen we stamelend en aarzelend proberen om een paar woorden te zeggen. Deze droefheid, deze angst, dit aangrijpende gebed van een totaal vereenzaamde Jezus, hangt samen met het woord dat we al genoemd hebben aan het begin: het woordje ‘overleveren’.
‘De ure is gekomen, zie, de Zoon des mensen wordt overgeleverd in de handen van zondaren’. Hoe gebeurt dat? Want de inhoud van het woordje overleveren wordt bepaald door de wijze, waarop mensen ermee omgaan. Zij kunnen iets overleveren als een kostbaar geschenk, maar zij kunnen het ook in hun handen kapot maken, aan stukken breken. Die twee uitersten liggen in dat ene woord. Het hangt er maar van af, wat de mensen doen.
De Zoon des Mensen – dat is een uitdrukking die Jezus telkens gebruikt om Zichzelf te typeren. Over de achtergrond en de inhoud van deze uitdrukking zou nog veel te zeggen zijn. Het wijst heen naar de nederigheid, de weerloosheid van Jezus, maar tegelijkertijd naar Zijn glorie en majesteit. Als voorbeeld noem ik twee teksten uit het Evangelie. Daarna moeten wij deze uitdrukking laten rusten. Enerzijds: ‘de vossen hebben holen, de vogels nesten, maar de Zoon des Mensen heeft geen plaats om Zijn hoofd neer te leggen’. Anderzijds: ‘de Zoon des Mensen zal komen met de wolken des hemels, als de gebieder, de Heer van het ganse heelal’.
‘De Zoon des Mensen wordt overgeleverd in de handen van zondaren. Als een speelbal wordt Hij van de een naar de ander gegooid. Van Judas naar de Hoge Raad. Van de Hoge Raad naar Pilatus. Van Pilatus naar Herodes en weer terug naar Pilatus. Van Pilatus naar de soldaten, die Hem bespotten en bespuwen, en ten slotte van de soldaten naar een kruis. Zo wordt Hij overgeleverd en in de handen van de mensen stukgebroken ten dode toe.
Dit is ontzettend, vooral wanneer we beseffen met wie dit gebeurt. Met Jezus, de Heiland, door God gezonden om geschonden mensen te genezen, om een gebroken wereld te helen. Hij wordt overgeleverd in de handen van zondaren. Ze doen met Hem wat ze willen. In dit aangrijpende drama spelen allerlei duistere figuren hun rol. Judas, de man van de centen. Het krijsende volk. De Hoge Raad, die Bijbelteksten als kanonnen afvuurt. Herodes, de vrouwenjager. Pilatus, die zijn vingers niet wil branden en zijn gezicht niet wil verliezen. Soldaten, die op sensatie belust zijn. Al die duistere figuren spelen vrijwillig hun rol op een wijze die Jezus beangst, dodelijk bedroefd maakt.
Maar wie heeft de regie van dit drama? Loopt er door deze wir-war van lijnen nog een patroon? Jazeker. Zonder dat ze het weten of zelfs vermoeden, worden deze duistere figuren door God gebruikt om Zijn doel te bereiken. Aldus moet alles geschieden.
De weg van God, tot behoud van de mens en van de wereld, loopt via dit lijden, dit kruis. Dat is verbazingwekkend. De mensen doen met Jezus wat ze willen. Ze laten hun duistere gevoelens, hun lust en spot, hun haat en hoon, de vrije loop. Deze poel van leugen en bedrog, deze stinkende put van menselijke hartstochten, wordt door God gebruikt om Zijn plan te verwerkelijken. Dat is in al deze verschrikking een stuk goddelijke humor. De mensen handelen in vrijheid, maar ondertussen dragen ze hun steentjes bij voor het heilsplan van God, dat door het lijden en de dood van Jezus vastgemaakt, verankerd wordt.
De Zoon des Mensen wordt overgeleverd in de handen van zondaren. Dat is gebeurd en dat gebeurt nog steeds. Het Evangelie van Christus is doorverteld van mond tot mond, doorgegeven van hand tot hand. Als het meest kostbare geschenk dat mensen ooit kunnen ontvangen.
Sommigen hebben dit Evangelie met dankbaarheid tot zich genomen en met eerbied doorgegeven aan anderen. Zo kan de Zoon des Mensen overgeleverd worden. Het hangt er maar van af, hoe de mensen met Hem omgaan.
Maar het Evangelie van Christus is in de handen van mensen ook bevuild, toegetakeld, kapot gemaakt. Het Evangelie van Christus is in de loop der eeuwen voor allerlei menselijke karretjes gespannen. Het is op talloze wijzen vervormd, omgebogen, aangepast aan menselijke verlangens, misbruikt.
Ik zeg dit niet om mensen uit het verleden te beoordelen. Dat zal God Zelf wel doen. Evenals ten tijde van Judas, Pilatus, Herodes en al die duistere figuren, die in alle vrijheid hun rol speelden, heeft Hij de regie van de wereldgeschiedenis in handen, wat mensen ook bedenken en doen. Zijn plannen gaan echt door, met behulp van, maar desnoods ook onder tegenwerking, bedrog, sabotage van de mensen. Wij hoeven niet naar anderen te kijken. We hebben aan onszelf genoeg. Want de Zoon des Mensen wordt ook vandaag overgeleverd in de handen van zondige mensen. Het Evangelie van Christus wordt hier, op dit moment, in de prediking overgeleverd. God behoede mij ervoor, dat ik dit Evangelie door mijn woorden zou vervormen, oppoetsen tot een vlot verhaaltje en het zo zou verraden. Maar als een dienstknecht, een leerling luisterend naar de Schrift, probeer ik het Evangelie in zuivere vorm over te leveren aan u.
Zo wordt Christus in uw handen gegeven, overgeleverd aan u. Het hangt er maar van af, wat u met Hem doet. U kunt Hem verwonden en breken, maar op deze wijze tekent u uw eigen doodvonnis, graaft u uw eigen graf. U kunt Hem ook ontvangen en doorgeven als het meest kostbare geschenk van God aan mensen.

===   ===   ===

 

Marcus 14: 32 – 42 (2)
Gehouden op
*Zondag 8 april 1973, 9.30 uur te Folsgare. (Onderwijzing van de Doop. Doopgelofte. Bediening van de Doop.)

In deze lijdenstijd staan we met groeiende eerbied, met stijgende verwondering, rondom de lijdende Christus. Ik heb telkens twee woorden gebruikt in de prediking, die met deze eerbied en verwondering samenhangen: de woorden raadsel en geheim.
Een raadsel kun je zelf oplossen, van a tot z verklaren. Een geheim is anders. Een geheim kan je alleen maar verteld en uitgelegd worden door een ander. Het lijden van Christus is geen raadsel, maar een geheim. Het kan ons alleen maar verteld en uitgelegd worden door een ander, ten laatste alleen door God Zelf. Want ieder blijft Gods woorden vreemd, behalve wie ze van Hem Zelf verneemt.
Al luisterend naar het Marcus-evangelie zijn we binnengeleid in het geheim van de Christus. We hebben hartverwarmende, hoopgevende woorden gehoord, waar we een leven en een dood lang genoeg aan hebben. Wat kan een mens nog meer wensen?
Dan is het ook niet zo erg, dat we op een bepaald punt niet verder kunnen. Er is een grens. We zullen het geheim van de Christus nooit tot op de bodem doorgronden. De binnenste kern blijft voor ons verborgen. Het hart van het geheim gaat ons begrip, onze macht te boven. Zouden we het geheim geheel en al doorgronden …, ons kleine hart zou barsten van vreugde. Deze binnenste kern, het hart van het geheim kunnen we schoorvoetend naderen, maar er blijft een afstand.
Dat ontdekken we, met eerbied en verwondering, als we de Christus en Zijn discipelen volgen naar Gethsemané. Ze zijn op weg gegaan, na de lofzang gezongen te hebben. Aangrijpend. Na de paasmaaltijd zongen zij, zoals eeuw in eeuw uit gebruikelijk was geweest, de lofzang. Deze werd besloten met de laatste woorden van Psalm 118: ‘Looft den Here, want Hij is goed, ja, Zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid’. Met deze woorden in Zijn hart en op Zijn lippen, gaat de Christus het donkerste deel van Zijn lijdensweg tegemoet. Leest u de meditatie in de laatste kerkbode nog eens na.
De discipelen gaan mee, met een onwankelbaar geloof in zichzelf: wij laten U nooit alleen!; wij blijven bij U, tot de dood ons scheiden zal. Deze woorden worden even later ontmaskerd als grootspraak. Wie nog enigszins op zichzelf vertrouwt, is niet geschikt voor het Koninkrijk van God. Alleen wie zichzelf zijn hebben en houden verloren heeft, die zal het behouden.
Het lijden van Christus is een geheim dat je alleen maar verteld en uitgelegd kan worden door een ander. Ondertussen moet jij je mond houden en vooral niet hoog van de toren blazen. De val wordt dan alleen maar groter.
‘En zij gingen naar een plaats, genaamd Gethsemané’. Op dit kleine stukje aarde klopte de binnenste kern, het hart van het geheim van de Christus. Geen mens die dit geheim kan doorgronden. Wat hier gebeurde, blijft voor ons verborgen. We kunnen het alleen maar bij benadering, op een afstand zeggen. Wie hier zelfverzekerd meegaat, valt onherroepelijk door de mand, wordt gezift door de satan en tuimelt in een duizelingwekkende afgrond, maar ook daar blijken de handen van de Christus te zijn. Dat ontdekken we uit het vervolg van deze aangrijpende geschiedenis in Gethsemané.   
‘En Hij zeide tot Zijn discipelen: Blijf hier zitten, terwijl Ik bid’. Telkens zocht Jezus de eenzaamheid om te bidden. Om op adem te komen te midden van een wereld vol onbegrip, misverstand en vijandschap. Bidden is: zichzelf uit handen geven; worstelen met God, zodat we ten slotte eenswillend worden met Hem, alleen nog maar willen wat Hij wil. Misschien ligt hier een belangrijke oorzaak, waardoor het geloof van velen bloedarmoede lijdt. De Christus zocht de eenzaamheid om te bidden, maar de christenen hebben geen plaats om alleen te zijn en geen tijd om te bidden.
‘En Hij nam Petrus en Jacobus en Johannes mede’. De drie discipelen die ook meegingen naar de berg der verheerlijking, werden nog een stapje verder binnengeleid in het geheim van de Christus.
Op die hoge berg werden zij destijds vervuld van vrees en onbegrip vanwege het helle licht. Dat verblindde hen.
Op deze plaats, in Gethsemené werden zij vervuld van vrees en verdriet vanwege de diepe duisternis. Dat bezwaarde hun ogen, zodat zij in slaap vielen.
De Christus gaat Zijn weg in een steeds grotere eenzaamheid. ‘En Hij begon zeer ontsteld en beangst te worden en zei tot hen: Mijn ziel is zeer bedroefd, tot stervens toe, blijft hier en waakt! Verder kunnen jullie niet meegaan. De binnenste kern van het geheim gaat jullie macht te boven. Maar blijf hier, op een afstand, dicht bij Mij en waakt!
Dat is het minste, wat jullie doen kunnen. Jullie hebben beloofd met Mij te willen sterven. Dat vraag Ik niet. Ik vraag alleen maar, dat jullie blijven waken, op een afstand.
Christus op Zijn lijdensweg. ‘Mijn ziel is zeer bedroefd, tot stervens toe’. Het is weer aangrijpend, wat hier geschreven staat. We moeten oppassen dat we deze geschiedenis niet met onze menselijke woorden vermoorden. Wie kan het verdriet van een mens peilen? Woorden kunnen dan ongelooflijk pijn doen. Wij moeten altijd zo nodig iets zeggen en we kunnen zo moeilijk zwijgen. De vrienden van Job waren, ondanks al hun fouten, menselijker: zij zaten bij hem op de grond, zeven dagen en zeven nachten; niemand sprak tot hem een woord, want zij zagen dat zijn smart zeer groot was.
Wie zal dan het verdriet van de Christus peilen? Ontsteld, beangst, in de oorspronkelijke taal – het Grieks – woorden die een overstelpende, onpeilbare droefheid uitdrukken. Er zijn geen sterkere woorden te bedenken. Maar misschien mogen we – schuchter en bescheiden – een paar woorden zeggen, om dit verdriet enigszins te benaderen. Let wel: benaderen, dat is niet: verklaren. Het eerste dat we dan naar voren brengen, is dit: hoe menselijk wordt dit alles beschreven. Jezus, de Christus, is in doodsangst. Het Evangelie toont ons niet een wijze die het alles tot op de bodem doorgrondt; niet een held die zich onverschrokken in de afgrond en de wanhoop stort; niet een wijsgeer die onbewogen en met een glimlach alle slagen van het lot en alle verschrikkingen van het leven ondergaat. Wat wij soms huiverend vermoeden en enigszins beseffen: de gescheurdheid, de gebrokenheid van een zuchtende, kreunende schepping, dat wordt hier duidelijk uitgesproken.  Niet van de eerste de beste, maar van Jezus, de Christus, de Middelaar tussen God en de mensen.
‘Tijdens Zijn dagen in het vlees heeft Hij gebeden en smekingen onder sterk geroep en tranen geofferd aan Hem, die Hem uit de dood kon redden…!’ ‘Wij hebben geen Hogepriester, die niet kan meevoelen met onze zwakheden…!’
Hoe menselijk wordt dit alles beschreven! Het tweede dat we naar voren willen brengen, is dit: vanwaar dit peilloze verdriet? Vanwaar deze angst? Hier raken we nog dichter aan het geheim. Het is geen angst voor het lijden op zichzelf of voor de dood op zichzelf, hoe verschrikkelijk deze ook mogen zijn. Maar het is een angst voor de toorn van God, die in dit lijden, in deze dood zal worden gedragen. Het is geen toeval, geen noodlot, maar zo moet alles geschieden. Het is de drinkbeker vol goddelijke toorn over de zonde, de schuld van de wereld. Jezus, de Christus, gaat hier de last en het leed, de schuld en de schande van een in zichzelf verloren wereld dragen. Plaatsvervangend, als de Middelaar.
Voor deze ondragelijke last deinst Hij ontsteld en beangst terug: ‘Abba, Vader, alles is U mogelijk, neem deze beker van Mij weg. Doch niet wat Ik wil, maar wat Gij wilt’. Zo worstelt de Christus in Gethsemané. Ten dode bedroefd, bidt Hij. In het Lucasevangelie staat zelfs: ‘en Zijn zweet werd als bloeddruppels, die op de aarde vielen’.
Bidden is eenswillend worden met God, ten slotte alleen maar willen wat Hij wil. Zo gaat de Christus Zijn weg, in een steeds grotere eenzaamheid, uitlopend op de verlatenheid aan een kruis: ‘Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?’
Hier wordt de binnenste kern van het geheim onthuld, maar het gaat ons begrip, onze macht te boven. Deze afgrond is te diep voor ons. Geen mens kan dat bewust meemaken. Zelfs de discipelen niet, die het meest vertrouwd met Hem waren.
De Christus had gezegd: ‘Blijft hier, op een afstand, en waakt!’ Maar Hij vond hen, tot drie keren toe, slapende! Want hun ogen waren zeer bezwaard. Even tevoren hadden zij nog gezegd: wij zullen dit!; wij zullen dat! Maar het eigenlijke geheim, het offer van de verzoening, ontgaat hen en ons.
Toen de drie slapende discipelen wakker geroepen werden, weer tot bewustzijn kwamen, wisten zij niet wat zij zeggen moesten. Hun mond werd pas later opengebroken, door de Heilige Geest, opdat zij zouden weten en doorvertellen ‘wat hun door God, in genade geschonken’.
Op de adem van deze Geest staat ook de gemeente van Christus in deze wereld. Rondom het geheim van het offer van de verzoening. Dit offer draagt de wereld. Hoe dat precies is, zullen wij wel nooit kunnen zeggen. Maar wij kunnen er wel, als belijdende gemeente, van zingen, dat wij het leven vinden in zijn dood en dat wij ons voor altijd geborgen weten in zijn offer. Hij alleen heeft het bestaan in zijn volle verlorenheid gekend en aanvaard en daardoor draagt hij het. Dat hoeven wij niet meer te doen en dat kunnen wij ook niet. Wij kunnen nu om Christus’ wil dit leven, deze aarde alleen maar liefhebben. Wij leven niet meer voor eigen rekening, wij sterven niet meer voor eigen rekening. Hetzij we leven, hetzij we sterven, we zijn het eigendom des Heren, die ons draagt en verdraagt in een liefde, die ons verstand te boven gaat, maar ons hart mateloos verheugt.

===   ===   ===

Marcus 15:15 (1)
Gehouden op:
*Zondag 15 april 1973, 9.30 uur te Oosthem (Bevestiging nieuwe lidmaten)

Bijbellezing: Marcus 15: 6 – 15
*Zondag 31 maart 1996, 10.00 uur te Beekbergen (Bevestiging nieuwe lidmaten)
Bijbellezing: Marcus 15: 16 – 21

De oude Romeinen kenden een spreekwoord dat luidde: ‘Vox populi, vox Dei’. Dat wil zeggen: De stem van het volk is de stem van God. Wat het volk zegt en beslist, heeft goddelijk gezag, is onherroepelijk. Daar is geen verhaal op mogelijk, laat staan vraagtekens of kritiek. Wie deze stem tegensprak, werd als verrader van het volk beschouwd. Dat was de ergste misdaad die iemand kon bedrijven.
Dit spreekwoord is verdwenen, maar de grondgedachte leeft voort. Het is zelfs een van de bouwstenen waarvan de regeringsvorm van vele volkeren rust. Die vorm is de democratie, waarvan de letterlijke betekenis is: het volk regeert. Het volk is de hoogste instantie die beslissingen neemt. Wie daartegen ingaat, wordt als een verrader beschouwd. Wie hierop inspeelt, dekt zich bij voorbaat met het hoogste gezag. Vandaar dat er zoveel groepen zijn die in hun vaandel leuzen schrijven als: volksfront, volkspartij enzovoort.
Ik wil geen kwaad woord over de democratie zeggen. Zij is de best mogelijke regeringsvorm. Maar wij moeten wel weten dat zij allerlei gevaren in zich draagt, die plotseling naar buiten kunnen komen. De stem van het volk kan ook de stem van de duivel worden. Het volk kan zo beïnvloed, gestuurd, behandeld worden dat het heilloze, boosaardige beslissingen gaat nemen. Een waarschuwend voorbeeld dat nog steeds brandend actueel is, hebben we vanmorgen gelezen. Al lezend zullen we ontdekken hoezeer de gelaatstrekken en geluiden van de mensen toen, zich weerspiegelen en weerkaatsen in de trekken en geluiden van de mensen nu. Het volk Israël stroomt samen voor een heidense rechter. Pilatus leefde bij: ‘vox populi, vox Dei’. Maar het volk Israël was geleerd om andersom te denken en te handelen. Niet zijn eigen stem was doorslaggevend, maar de stem van God. ‘Vox Dei, vox populi’. De stem van God behoort de stem van het volk te zijn, want God regeert! Vandaar de geloofsbelijdenis: ‘Hoor Israël, de Here is onze God! De Here is één, is uniek!’
Maar hoe moeilijk is het om dit geloof zo te belijden dat het stem krijgt, niet alleen op zondag, maar ook op maandag, niet alleen in de kerk, maar ook in de staat. Zonder gehoorzaamheid aan God kan de stem van het volk overgaan in de stem van de duivel. Een heidense rechter wast dan zijn handen in onschuld, want hij is neutraal. Maar onder tussen….!
De schare kwam naar voren en begon te eisen dat hij hun deed, zoals hij gewoon was. Bij grote feesten werd aan een gevangene gratie verleend. Nu was het Paasfeest aanstaande en de schare herinnerde Pilatus aan zijn gewoonte. Twee mensen kwamen in aanmerking: Jezus en Barabbas. Beiden gevangen gezet op beschuldiging van politieke agitatie, staatsgevaarlijke activiteiten. Jezus omdat Hij de koning des Joden zou zijn en Barabbas omdat hij bij een oproer betrokken was geweest.
Wij zijn gewend om deze Barabbas heel zwart af te schilderen, zodat de keuze van het volk totaal onbegrijpelijk wordt. Maar dan moeten we wel op een paar dingen letten. Barabbas was een verzetsman, iemand van de ondergrondse. Tenminste, dat lijkt erg waarschijnlijk. Hij had de Romeinse bezetter dwars gezeten en was op een kwade dag opgepakt. Zulke mensen worden doorgaans door het volk vereerd en bezongen als een vrijheidsheld. Dat is begrijpelijk. Zij spreken openlijk de gevoelens uit, die verborgen onder het volk leven. Zij doen dingen die anderen alleen maar denken. Daarom zijn zulke vrijheidsstrijders zeer geliefd bij het volk. Denk maar aan Jan Palach uit Tsjecho-Slowakije. Hij stak zichzelf in brand, als een wanhopig protest tegen de Russische overheersing. Denk maar aan de Griekse dichter, zanger Theodorakis, die zich schrijvend en zingend verzet tegen het kolonelsregime. Denk ook maar, om dichter bij huis te blijven, aan de bezetting van Nederland door de Duitsers.
Barabbas, de vrijheidsstrijder, de held. En naast hem Jezus. Ook hij was kort tevoren binnengehaald als een volksheld, als een bevrijder: ‘Gezegend Hij, die komt in de Naam des Heren!’ En aan het begin had Zijn heraut Johannes de Doper gevraagd: ‘Bent u nu werkelijk degene, die komen zou? Of moeten wij nog langer wachten?’ Er gebeuren zo weinig wereldschokkende dingen! Waar blijft de bijl, die aan de wortel van de boom zou liggen? Waar de wan, waarmee al het kaf gezift zou worden?
Twee vrijheidsstrijders, Barabbas en Jezus. Beiden wilden zij de aarde schoonvegen van alle uitbuiting, onrecht, haat, onmenselijkheid. Barabbas deed dat op een zichtbare manier, waarbij je direct al enig resultaat kon zien. Hij had zijn mond geopend, zijn vuisten gebald en erop ingehakt. Maar van het resultaat van Jezus’ werk zag je zo weinig. Goed, een paar blinden ziende geworden; een paar lammen lopende; een paar melaatsen gereinigd; zelfs een paar doden opgewekt; een paar geknechte, geteisterde zielen bevrijd. Fijn voor die mensen, maar verder…! Echt schokkende, wereldhistorische gevolgen had het niet. Hij liet Zijn vuisten nooit zien. En voor Pilatus zei Hij zelfs geen woord. Hij zweeg in alle talen. Barabbas had eigenlijk veel meer koninklijke trekken dan Jezus. Geen woorden, maar daden! Geen weerloze verschijning, maar een krachtfiguur.
Twee vrijheidsstrijders, Barabbas en Jezus. Ook hun namen lijken een beetje op elkaar. Barabbas betekent letterlijk: zoon van de vader. Jezus was en is de Zoon van de Vader, met twee hoofdletters.
Wilt gij dat ik u de koning der Joden loslaat? Nee, wij willen Barabbas. Barabbas is onze man. Wat moet ik dan doen met Hem, die gij koning der Joden noemt? En zij schreeuwden: ‘Kruisig Hem!’ Wat heeft Hij dan voor kwaad gedaan? Zij schreeuwden des te meer: ‘Kruisig Hem!’
Wie geen argumenten meer heeft, gaat des te harder schreeuwen, maar het is een teken van zwakheid. Zij schreeuwden des te meer…! Zo kan de stem van het volk de stem van de duivel worden! Het volk koos Barabbas. Dat is eigenlijk wel te begrijpen. Barabbas had alles wat men graag ziet. Lef, moed, kracht. Jezus miste alles wat men belangrijk vindt. Hij timmerde niet aan de weg. Hij verhief Zijn stem niet op de straten. Hij had geen grote mond. Hij zweeg in alle talen. Kruisig Hem! Niemand koos meer Zijn kant. Niemand durfde openlijk partij voor Hem te kiezen. Zelfs Zijn meest vertrouwde discipelen lieten Hem in de steek. Zo ging Hij alleen Zijn weg, ten dode toe aan een kruis.
En toch zijn er later mensen gekomen die voor Hem gekozen hebben. Die Hem, in al Zijn zwakheid en weerloosheid, als Koning beleden. Die hun hoop en vertrouwen op Hem gesteld hebben, ondanks alles wat men zei, men dacht. Zulke mensen zijn er geweest en zijn er – Goddank – nog steeds. Er is een gemeente van Christus in deze wereld, waar sommige mensen zich bij willen scharen. Ook vandaag zijn er mensen die ja zeggen tegen deze Koning die aan een kruis geslagen werd.
Hoe is dat mogelijk? Hoe komen mensen daartoe? Mag ik een poging wagen? Sommige mensen hebben het geheim van deze Koning ontdekt. Tot hun stomme verbazing, tot hun onuitsprekelijke vreugde. Wat de mensen smalend en scheldend zeiden, is eeuwig waar: Hij is de Koning! Hij heerst niet met dwang en geweld, maar met een grondeloze liefde. Hij heerst vanaf het kruis. Hij laat Zich uitlachen, bespotten, uitschreeuwen. Hij zwijgt in alle schande en schuld, alle haat en hoon van ten dode gedoemde mensen, van een ten dode opgeschreven wereld. Zo draagt Hij het weg, verzoent Hij het in Zijn grondeloze liefde. Aan het kruis wordt zichtbaar hoezeer de mensen worden bemind. Door het offer van deze vreemde Koning zegt God ja tegen verfomfaaide, gedeukte mensen, zegt Hij ja tegen een gebroken, geschonden wereld. Dit ja blijft eeuwig gelden. Toen niemand meer aan de kant van deze Jezus wilde staan en Hij naar het kruis verwezen werd, toen bleek dat God wel aan Zijn kant stond. Hij wekte Hem op uit de doden en verhief Hem tot Heer en Koning over het ganse heelal. Deze Knecht is de Koning. Deze Minste is de Meeste. Deze Zwakste is de Sterkste. Zo worden mensen aanvaard en bemind. Zo worden mensen in de vrijheid gebracht, want alleen onder de heerschappij van deze Koning is er vrijheid, vrede en hoop. Wat kunnen mensen dan anders doen dan ja zeggen tegen deze Koning? Het is een stamelend en aarzelend antwoord op het grote Ja dat Hij eerst tot hen heeft gezegd.
Ten slotte nog een opmerking. Geloven in deze Koning raakt niet alleen het persoonlijke, maar ook het politieke leven. De papieren van Barabbas stijgen in onze tijd. Men wil iets zien, men wil vertoon van kracht, men wil direct resultaat. De kring rondom Jezus wordt steeds kleiner. De stem van het volk verwijst Hem niet meer naar het kruis. Daar is onze tijd te beschaafd voor. Hij wordt beschouwd als een achtenswaardig, sympathiek persoon. Maar waar Hij niet wordt erkend als de koning tot in de uithoeken van het leven en van de samenleving, daar wordt Hij opnieuw vermoord.
Als de stem van het volk doorslaggevend is en niet meer gebonden is aan de stem van God, wat zal er dan van onze democratie, onze vrijheid, onze menselijkheid terecht komen? Ik houd mijn hart vast. Maar ik blijf ademhalen en op de been, omdat ik vastgehouden word. Want te midden van alle mensen en machten blijft het eeuwig waar: ‘De Heer regeert! Zijn Koninkrijk staat vast!’

===   ===   ===

Marcus 15: 15
Gehouden op
*Zondag 6 april 2003, 10.00 uur Beekbergen.

Bijbellezing: Marcus 15: 6 – 15; Exod. 12: 29 – 33.

Hij heette Ali Jaafar al-Noamani. Hij woonde in Najaf, een stad ten zuiden van Bagdad. Ruim een week geleden kwam hij in het nieuws vanwege zijn zelfmoordactie. Als taxichauffeur had hij ogenschijnlijk autopech. Een viertal Amerikaanse soldaten schoot hem te hulp. Toen blies hij zichzelf op en sleurde die Amerikaanse jongens mee de dood in. Sindsdien wordt deze man Ali Jaafar al-Noamani in Irak als een held vereerd. Een martelaar voor de goede, zelfs voor gods zaak. De autoriteiten hebben aan zijn familie ruim 31.000 Euro als smartengeld toegezegd.
Ik vrees dat we barre tijden tegemoet gaan. Zulke zelfmoordacties zullen vaker en kunnen overal plaatsvinden, ook hier in Nederland. Waarom ik deze tot dusver onbekende man hier noem? Een vrijheidsstrijder, eventueel een martelaar, is bij zijn achterban altijd razend populier. Zo’n mens is doorgaans boven elke vorm van kritiek verheven. Hij heeft de status van een heilige gekregen. Een redelijk gesprek over goed en kwaad is onmogelijk geworden. Wie dat probeert, wordt uitgemaakt, misschien wel afgemaakt als een verrader.
In het Evangelie komen ook vrijheidsstrijders in beeld. Een behoorde zelfs tot de naaste kring van de discipelen: Simon de Zeloot. Zeloten – dat wil zeggen: ijveraars – vormden een extreme groep binnen het Joodse volk, bereid om alles in het werk te stellen teneinde de Romeinse bezetter te verjagen. Onder hun wijde opperkleed droegen de Zeloten altijd een dolk en dat was meer dan een souvenir.
Barabbas was ook een vrijheidsstrijder, die –  zo vertelt de evangelist Marcus – in het oproer een moord begaan had. Waar en wanneer weten we niet, maar aanslagen waren ook toen aan de orde van de dag. Van Pilatus, de stadhouder, wordt verteld: ‘En bij elk feest liet hij hun een gevangene los, voor wie zij dit vroegen’. Het lijkt een vaste traditie te zijn als een gebaar van welwillendheid. We weten er verder niets van, maar de evangelisten hebben ongetwijfeld redenen om zo te schrijven.
Twee mensen komen in aanmerking om gratie – dat is: genade – te ontvangen: Jezus en Barabbas. Beiden gevangen gezet op beschuldiging van politieke agitatie, staatsgevaarlijke activiteiten. Jezus omdat Hij – naar men zegt – de koning der Joden zou zijn en Barabbas omdat hij – zoals gezegd – bij een oproer betrokken was geweest. Beiden min of meer populair.
Wonderlijk woord is dat. Populair komt uit het Latijn, de taal van de Romeinen, en hangt samen met ‘populus’, dat is: volk. Wie populair is, wordt door het volk, ‘populus’, op handen gedragen. De Romeinen kenden ook een spreekwoord, hiermee en ook met dit verhaal uit het Evangelie verbonden: ‘vox populi, vox Dei’, dat is: de stem van het volk is de stem van God. Buitengewoon spannend en ook riskant. De stem van het volk, hoe ontstaat dat geluid, hoe weet en meet je dat?
Barabbas en Jezus. Ik probeer die twee in beeld te krijgen. Daarachter en daaromheen zie ik zoveel gezichten, ook het gezicht van mijzelf; ik zie ook zoveel godsdienstige en politieke groeperingen, aangeduid met trefwoorden als: licht – zwaar, conservatief – progressief, links – rechts, orthodox – liberaal. En dan te bedenken hoeveel schakeringen, stromingen er tussen die uitersten zijn. Twee vrijheidsstrijders. Beiden wilden zij de aarde schoonvegen van alle uitbuiting, onrecht, onmenselijkheid, ellende …. Barabbas deed dat op een zichtbare manier, waarbij je direct al enig resultaat kon zien. Hij had z’n mond opengedaan, z’n vuisten gebald, een wapen opgenomen en erop ingehakt. Je kunt na verloop van tijd de balans opmaken en vertellen hoe de zaak ervoor staat. Hoewel… eerlijke objectieve informatie is een moeilijke kwestie. De propaganda bewerkt en kleurt de feiten. Ook hier geldt die vraag van Pilatus: ‘Wat is waarheid?’ 
Hoe dit ook zij, van het resultaat van Jezus’ werk zag je weinig of niets. Goed, een paar blinden ziende geworden; een paar lammen weer op de been; een stel melaatsen gereinigd; zelfs een paar doden opgewekt; hier en daar geknechte, verfomfaaide zielen bevrijd. Fijn voor die mensen, maar verder… Echt schokkende, wereldhistorische gevolgen had het niet.
Deze Jezus liet Zijn vuisten nooit zien. En voor Pilatus zei Hij zelfs geen woord. Daar werd zijn zaak niet beter op. Het laatste vers, voor deze gebeurtenis, vertelt: ‘Doch Jezus gaf hem niets meer ten antwoord, zodat Pilatus zich verwonderde’ (15: 5).
Jezus zweeg in alle talen. Barabbas spreekt eigenlijk veel meer tot de verbeelding, heeft ook meer koninklijke trekken dan Jezus. Geen woorden, maar daden! Geen weerloze verschijning, maar een krachtfiguur.
Nog eens: Barabbas en Jezus. Twee vrijheidsstrijders. Merkwaardig is ook dat hun namen op elkaar lijken. Barabbas betekent letterlijk: zoon van de vader. Met andere woorden: zo vader, zo zoon; de ene generatie gaat, de andere komt, maar onze kring, onze stam, onze familie blijft bestaan. Van Jezus wordt ook verhaald dat Hij Zoon van de Vader is. Zo Vader, zo Zoon, twee keer met een hoofdletter.
In het Evangelie komt die erenaam, Zoon, op beslissende momenten, op de kruispunten naar voren. Aan het begin, bij de doop in de Jordaan: ‘Gij zijt Mijn Zoon, de Geliefde; in U heb ik Mijn welbehagen’ (1: 11). In het midden, bij de verheerlijking op de berg: ‘Deze is Mijn Zoon, de Geliefde, hoort naar Hem’ (9: 7). En dan aan het eind, rondom het kruis, als een Romeinse hoofdman, kapitein in het leger, de woorden zegt: ‘Waarlijk, deze mens was een Zoon Gods’ (15: 39).
Het verloop van dit gebeuren voor Pilatus is eigenlijk voorspelbaar. Ik zei u al: een redelijk gesprek is vrijwel onmogelijk. Wanneer de leuzen de overhand krijgen, staat de waarheid altijd onder druk, op de tocht. ‘Wilt ge dat ik de Koning der Joden loslaat?’ Gratie voor Hem, een en al genade en waarheid. Nee, wij willen Barabbas. Barabbas is onze man! ‘Wat moet ik dan doen met Hem, die gij de Koning der Joden noemt? Zij schreeuwden des te meer: Kruisig Hem!’ Er wordt luider en luider geschreeuwd. Dat gaat vrijwel altijd ten koste van de waarheid. Wie overtuigd is van de waarheid hoeft niet te schreeuwen. De waarheid bewijst zichzelf. ‘Vox populi vox Dei’? Het kan zomaar omslaan in ‘vox diaboli’, de stem van de duivel. Daar is echt niet zoveel voor nodig.
De kring rondom Jezus werd kleiner en kleiner, totdat er niemand overbleef. En toch zijn er later mensen gekomen die ondanks alles voor Hem kozen, bij Hem wilden horen. Dat grijpt diep in. Het is een heel gevecht. De mentaliteit van Barabbas zit ons in het bloed. Kun je voor deze Koning Jezus kiezen en in de praktijk op de toer van Barabbas gaan? Ik bedoel niet zozeer die extreme vorm van een zelfmoordactie als wel de vraag: Kun je dat maken om als christen, onderdaan van deze Koning, geweld te gebruiken? Zo ja, wanneer dan en waarom? Als je het vanzelfsprekend vindt om te leven, te doen en te laten op de wijze van: lik op stuk!; goed maar niet gek!; wij zijn goed en zij zijn slecht!, wat is dan per saldo het verschil tussen Jezus en Barabbas?
Hoe komen mensen er trouwens toe om bij deze Koning te willen horen? Als ik een poging mag wagen – en dan praat ik ook helemaal voor mijzelf -: sommige mensen hebben met vallen en opstaan iets van het geheim van deze Koning ontwaard. Wat anderen smalend en spottend zeiden, is eeuwig waar: Hij is de Koning der Joden en zo – want het heil is en blijft uit de Joden! – de Koning van alle volkeren, de Koning van de kosmos.
Hij heerst niet met dwang en geweld, maar met een grondeloze liefde Hij heerst vanaf het kruis. Hij laat Zich uitlachen, bespotten, toetakelen. Hij zwijgt in alle talen en zo predikt Hij in alle talen Zijn liefde. Hij draagt en verdraagt alle schuld en schande, alle haat en hoon, alle last en leed van ten dode gedoemde mensen, van een ten dode opgeschreven wereld. Zo draagt Hij het weg, verzoent Hij het in Zijn grondeloze liefde.
Ik ben mij ervan bewust dat ik sta te stotteren, omdat het een geheim is dat ik niet bevat maar dat mij genadig omvat. Iemand zei ooit: ‘Tegen de tijd dat je ’t echt kunt weten, ben je versleten.’ We zingen daar ook van: ‘Leer Mij, o Heer, Uw lijden recht betrachten, in deze zee verzinken mijn gedachten …’. Door het offer van deze vreemde Koning zegt God ‘ja’ tegen een gebroken, geschonden wereld, die uit duizend wonden bloedt. Dit ‘Ja’ blijft eeuwig gelden. Toen niemand meer aan de kant van deze Jezus wilde staan, toen bleek dat God niet van Zijn zijde was geweken. Hij wekte Hem op uit de doden en verhief Hem tot Heer en Koning over het ganse heelal.
Deze Knecht is de Koning. Deze Minste is de Meeste. Deze zwakste is de sterkste. Alleen via dit kruis gloort het licht van Pasen. Alleen zo worden mensen aanvaard en bemind. Alleen zo wordt vrijheid, vrede, vreugde geschonken en gevonden, wereldwijd, levenslang en zelfs nog verder.
Ten slotte nog één opmerking. Geloven in deze Koning raakt niet alleen het persoonlijke, maar ook het politieke leven. De aarde is van de Here God en daarom is politiek een heilige zaak. Mij dunkt: de papieren van Barabbas staan onverminderd hoog genoteerd. De kring rondom Jezus wordt steeds kleiner, althans in Europa en Noord-Amerika. Zal het geweld alleen maar toenemen? Ik denk het wel, want ieder komt op voor de eigen belangen en die botsen onderling. Als de stem van het volk doorslaggevend is, misschien geldt als de stem van ‘God’, wat gebeurt er dan met de samenleving? En hoe kun je als kring rondom deze Koning de stem van God, de Levende, inbrengen in de stem van het volk? Het is een weg van geduld, van volharding, van moed, vooral van geloof. Ik ben tamelijk somber over de nabije toekomst. Maar ik blijf ademhalen omdat ik beademd, geïnspireerd wordt door deze God, door Zijn Woord en Geest. Ik blijf op de been omdat ik van Hogerhand vastgehouden wordt. Want te midden van het oorverdovend lawaai dat mensen en machten produceren, klinkt een lied dat, hoezeer ook overstemd, de toekomst heeft: de Heer regeert! Zijn Koninkrijk staat vast!

===   ===   ===

Marcus 15: 16 – 21
Gehouden op:
*Palmzondag 16 april 2000, om 10.00 uur in de Ned. Kerk te Beekbergen (Bevestiging nieuw lid)

Bijbellezing: Jesaja 52: 7 – 10; Marcus 15: 16 – 21

Koningschap! Daarover is vandaag-de-dag heel veel te doen. Dat vuurtje smeult al tijden lang. Soms wordt het opgestookt en dan komen de vlammen tevoorschijn. Wat gebeurt er als Willem Alexander, de kroonprins, trouwt met meisje uit Argentinië, Maximá, wier vader nauw betrokken was bij een ‘smerige oorlog’, die zoveel onschuldige mensen het leven heeft gekost? Raakt het koningschap in Nederland dan niet in opspraak, ondanks alles? Het laatste woord is er nog niet over gezegd.
En nu, sinds ruim een week, weer vuur, een verhit debat, vanwege de opmerkingen van mijnheer Thom de Graaf, politiek leider van D66, die de macht van het staatshoofd strikt en streng aan banden wil leggen. Die macht, die invloed is het heetste hangijzer. Koningschap en macht.
De koning van Noorwegen klaagde een kleine honderd jaar geleden: ‘Mijn zakdoek is ongeveer het enige waar ik mijn neus mag insteken zonder dat iemand zich ermee bemoeit’.
Hoe liggen die koninklijke en onze democratische kaarten in deze lage landen bij de zee, in Nederland? Stof, ook brandstof genoeg voor Binnenhof en Buitenhof, voor Tweede, Eerste en binnenkamer, voor mensen die allergisch zijn voor macht, die allemaal willen meeroeren en vooral: meedelen in de gezamenlijke pot.
Koningschap van God! Hoe zit dat eigenlijk? Het speelt in onze gesprekken op het platte vlak nauwelijks een rol, terwijl het misschien de hamvraag is. Als geboren Nederlander heb je sowieso, van nature, door je ogen en je oren open te houden, weet van het koningschap, toevertrouwd – door wie eigenlijk?; alleen door mensen?; een kwestie van meeste stemmen gelden? – toevertrouwd aan het huis van Oranje.
Er zijn ook mensen die weten, willen weten van het Koningschap van God. Komt dat van nature, zomaar bij je op? Het is genadekennis. Het wordt je eigen, niet door geboorte, maar door zo’n ingrijpend gebeuren dat de Bijbel daarvoor het woordje wedergeboorte gebruikt. Het is de vrucht van het Woord – met een hoofdletter! – dat gelezen, bediend, verkondigd wordt – en van de Geest – weer met een hoofdletter – die dat Woord in jouw leven doet landen, uitzaait en vruchtbaar maakt.
Dat koningschap van God is ook verweven met macht, met invloed. Wij, mensen, willen die macht, die invloed aan banden leggen, inperken, zo mogelijk tot nul of vrijwel nul terugbrengen. De Bijbel gebruikt daar weer een woord voor: zonde! Dat is: je doel missen, je bestemming kwijtraken. Dan komen de machten los, die onheil stichten, verderf zaaien. In de tijd van Jesaja bijvoorbeeld, de profeet. Het volk ging eigen wegen en raakte gaandeweg verstrikt en verstikt in de wurgende handen van de wereldmacht, toentertijd van Babel, die over alles en allen heen walste.
In al die ontreddering en verbijstering, klinkt de boodschap van vrede, van heil: ‘Uw God is Koning!’ Hij laat het er niet bij zitten als mensen zichzelf en elkaar kapot maken. Dat kan en zal het einde niet zijn. Op dit kruispunt, in deze tunnel waar niet te leven is, klinkt de belofte: ‘De Here heeft zijn heilige arm ontbloot voor de ogen van alle volken en alle einden der aarde zullen zien het heil van onder God!’
Als je verder leest bij Jesaja, de profeet, wordt je verteld hoe dat heil, die vrede tot stand komt. Niet met vliegende vaandels en slaande trommels, niet met opzwepende marsmuziek, maar door middel van een Knecht, die het werk van God op de aarde doet. Zonder enige macht, naar ons besef, en zonder enige invloed. Het is een lijdende Knecht, die als een Lam ter slachting wordt geleid. Hebben alle einden der aarde gezien dat dit en zo het heil van onze God is? Nee, het was maar een klein volkje, een schare die nauwelijks meetelt, maar dit visioen bleef branden: het werk, het Koningschap van God is zo vast en zeker, dat dit als enige toekomst heeft. De tijd komt onherroepelijk dat alle einder der aarde het zullen zien.
Het Koningschap van God! Een Koning die de gestalte aanneemt van een Knecht. Door deze diepten heen wordt de vrede gesticht, het heil verankerd. Dat lezen we ook in het Nieuwe Testament. De wereldgeschiedenis is een lange worsteling van God om duidelijk te maken dat en hoe Hij Koning is. Weer wordt Evangelie, Goede Tijding verkondigd: ‘Uw God is Koning!’ En wat zie je? Een mens, uitgedost als een clown, van hot naar haar gesleept, ten slotte aan een kruis geslagen. Een aantal mensen bewijst Hem, zogenaamd, hulde, spottend en smalend: ‘Wees gegroet, gij Koning der Joden!’ Ze sloegen Hem met een rietstok op het hoofd, bespuwden Hem, vielen op de knie-en. Ze lachten zich dood, heel letterlijk! Heeft iemand in Hem, door Hem heen het Koningschap van God gezien? Anders gezegd, met die vraag die de negers zingen in hun lied: Was jij er echt bij, had jij in de gaten wat er gebeurde, toen ze de Heer, mijn Heer kruisigden?
Een paar mensen voegden zich, voetje voor voetje, in de kring om deze Koning. Simon van Cyrene, die toevallig van het land kwam, die toevallig geprest werd om de dwarsbalk van het kruis te dragen. Dwang is een slechte manier om tot geloof te komen. Dat werkt bijna altijd averechts. Wat er verder met die Simon is gebeurd, weet ik niet. Maar in al die toevalligheden is hij toegevallen aan deze Koning. Daarom staat er in het Evangelie: ‘Simon, de vader van Alexander en Rufus’. Die jongens waren bekend in de kring om de Koning. Blijkbaar is die vader, Simon, tot geloof gekomen en is hij zijn jongens voorgegaan op deze weg.
Nog later komt er een Romeinse hoofdman bij, die bij het kruis dienst heeft, ziet wat er gebeurt en dan zegt: waarlijk, het kan niet missen, deze mens had alles met God te maken, was Zoon van God.
Later is de kring groter geworden. Die kring rondom de Koning wordt kerk genoemd. Zo’n kring is er altijd gebleven, de eeuwen door. Onderweg is er heel veel gebeurd. Dingen die hartverwarmend, maar ook dingen die hartverscheurend zijn. Zodra die kerk macht en invloed wilde, anders dan de macht, de invloed van de Koning, ging en gaat het faliekant mis. Dan wordt het een werelds bedrijf, waar mensen zichzelf en elkaar stuk maken, ook al hebben ze de Bijbel in de hand.
De macht van de Koning is de Macht van een Knecht, die zich laat uitlachen, die zich laat overstemmen door allerlei blikken geschreeuw. Hij laat het gebeuren omdat Zijn Zaak zeker is, geen geweld nodig heeft, geen slimme slagzinnen, geen uitgekookte propaganda. De Waarheid bewijst zichzelf. Ze heeft het niet gemakkelijk in deze kromme, krankzinnige wereld, maar toch … de langste adem, het laatste woord.
Bij die kring, rondom deze Koning, mogen we horen. Geen kwestie om hoog van de toren te blazen. Hoe stiller en bescheidener, hoe beter. Vandaag zegt weer iemand ‘ja’. En wij zeggen dat samen: ‘ja, ik wil!’
Een kleine kring? Ja, in West-Europa wordt het er niet beter op. Doe maar wat in je vermogen is. Met hart en ziel, met hoofd en handen, en laat de rest aan de Koning over. De kring om Hem heen, of die nou hervormd of gereformeerd of hoe dan ook heet, de kring om Hem heen, werkelijk geraakt door Zijn heil door Zijn vrede, heeft als enige kring op deze aarde toekomst. Want het blijft, ondanks alles, waar: ‘Alle einden der aarde zullen zien het heil van onze God!’

===   ===   ===

Marcus 15: 16 – 22
Gehouden op
*Zondag 19 maart 1989 8.30 en 10.00 uur te Hellendoorn

Bijbellezing: Marcus 15: 16  – 22

Het lezen van een boek kan uitermate spannend zijn. Je kunt er haast niet los van komen. Soms lees je het – zoals dat heet – in één adem uit. Vanwaar die spanning, dat geboeid zijn? Als ik een poging mag wagen: een boek raakt je, als je jezelf – met een deftig woord – kunt identificeren, vereenzelvigen met de beschreven personen. Al lezend heb je het idee dat je geen buitenstaander meer bent, maar dat je zelf een rol speelt in de gang van het verhaal. Je zit er dan helemaal in!
Een soortgelijke ervaring kun je ook hebben bij het lezen van de Bijbel. Bepaalde personen worden je zo eigen dat je de verrassingen en teleurstellingen, het geloof en de twijfel, het licht en het donker uit je eigen leven in dat van die ander, eeuwen geleden, herkent. Ineens word je tijdgenoten en bondgenoten van elkaar.
Neem nou als voorbeeld die ene man, Simon van Cyrene, die een rol speelt in het drama van Jezus, veroordeeld door Zijn tegenstanders, verloochend door Zijn vrienden, op weg naar de plaats van executie, Golgotha. Simon speelt geen hoofdrol. Hij is eerder een figurant. Maar zulke mensen aan de rand, in de schaduw, zijn doorgaans buitengewoon boeiend.
Je kunt over Simon gaan fantaseren, wegdromen, maar houd je nou eerst eens aan de paar dingen die van hem verteld worden. Dat weinige is genoeg om hem helder in beeld te krijgen. En wie weet, als je heel aandachtig kijkt, zie je ook de contouren, de trekken van jezelf…
Waar komt-ie vandaan? Ja, van het land, want dat staat er. Ook de moeite waard om over na te denken. Dat is voor straks. Eerst staat er: van Cyrene. Dat lag vroeger aan de noordkust van Afrika, tegen de Middellandse Zee, ongeveer waar nu Libië ligt, het land waar kolonel Gadaffi de scepter zwaait. Hij is dus ver van huis. Nou, dat wil zeggen… In de oudheid, omstreeks het begin van onze jaartelling, woonden er duizenden Joden verstrooid rondom de Middellandse Zee. Maar hun hart klopte elders, in het heilige land, en vooral in Jeruzalem. Daarom zeiden en zeggen de Joden, waar ook ter wereld, als ze het Paasfeest het feest van de bevrijding uit Egypte, vieren: volgend jaar in Jeruzalem!
Als ze het betalen, konden keerden heel veel Joden op hun oude dag naar het oude land terug. Ze lieten zich bij voorkeur begraven tegen de helling van de Olijfberg, want daar zou, volgens de profetie van Zacharia, de Messias verschijnen, om triomferend naar de tempel te trekken. Wie te ruste was gelegd tegen de Olijfberg aan, zou als eerste uit de slaap van de dood geroepen worden om de Messias, de langverwachte, te vergezellen…. 
Simon van Cyrene. Boeiende man! Bent u ook niet op zoek naar een plaats van geborgenheid, van intense gemeenschap met anderen, een plek waar het donker, ook het laatste donker van de dood ietwat doorlicht wordt? Ik zie in die vreemde Simon van Cyrene toch wel iets van mezelf….
Waar komt je nu vandaan, op die dramatisch dag? Van het land, weet u nog? Jeruzalem is heuvelachtig en rotsachtig. Bouwgrond, om zo te zeggen: voor de sla en de spinazie, is nogal schaars. Wellicht heeft Simon, na lang wachten, eindelijk een volkstuintje gekregen, want de hele dag bij huis rondhangen, is ook niet alles. Misschien heeft-ie tegen z’n vrouw gezegd: ik ga vandaag maar wat vroeg op pad, want het wordt warm en ’t is voor de Pasen verschrikkelijk druk. ’l Ben om een uur of elf weer thuis. Als jij dan de koffie klaar hebt, zijn we weer helemaal gelukkig.
Daar komt-ie aan. Een beetje moe, want hij is geen veertig meer. De schop op z’n schouder, want er zijn altijd mensen die vinden dat zij er meer recht op hebben dan jij. De gedachte aan de koffie doet hem sneller lopen, maar …. wat zullen we nou hebben? Hij wordt geprest, doodgewoon gedwongen, om het kruis van een veroordeelde te dragen. Hij heeft niets met de hele zaak te maken, maar ineens heeft-ie geen schop meer op z’n rug, maar een kruis. Hij heeft vast niet gezegd: heren, ik ben tot uw dienst! Ik denk dat hij in het Cyrenisch of in het Aramees behoorlijk gescholden heeft, misschien ook wel onbehoorlijk. Toen-ie later thuis kwam, z’n vrouw ongerust en van de zenuwen ook wel wat katterig misschien, hebben ze nog een tijd zitten foeteren: verdraaid-nog-aan-toe, het moest toch niet gekker worden, dat je als fatsoenlijk mens zo maar opgepakt, van de weg geplukt werd, om daar een beetje voor gek te lopen met zo’n last op je rug….
Simon van Cyrene, die van het land kwam, geprest en ook wel gepest om het kruis te dragen. Kruisdrager tegen wil en dank. En toch is er iets met Simon gebeurd. Later is hij over dat kruisdragen toch anders gaan denken. Hoe ik dat weet? Lees maar wat er staat: ‘Simon van Cyrene …. de vader van Alexander en Rufus’. De namen van die jongens zeggen ons niet zoveel. Voor mensen uit die tijd waren ze blijkbaar bekend. Ze hadden, om zo te zeggen, een zekere reputatie in de oude kerk: Alexander en Rufus, je weet wel, nou, hun vader, dat was die Simon van Cyrene, van het land gekomen, schop op z’n schouder, maar even later een kruis … Kruisdrager tegen wil en dank, maar je moet hieruit opmaken dat hij er ook dankbaar voor is geweest. Hij is tot geloof gekomen, en z’n beide jongens hebben die fakkel van hem overgenomen.
Simon heeft, vast en zeker, nog vaak moeten denken over dat andere woord van Jezus: ‘Indien iemand achter Mij wil lomen, die verloochene zichzelf, neme zijn kruis op en volge Mij; want ieder, die zijn leven zal willen behouden, die zal het verliezen, maar ieder die zijn leven verliezen zal om Mijnentwil en omwille van het Evangelie, die zal het behouden’.

Simon heeft in deze vreemde man, veroordeeld tot de kruisdood, de Messias herkend, de Heiland van de wereld, die Zijn leven gaf als losprijs voor velen. Anders gezegd, met de woorden van een oude profeet, Jesaja: de Knecht, die zelf wel werd gebroken en uitgedoofd, om het geknakte riet en de walmende vlaspit – beelden van uw en mijn bestaan – te bewaren en te beschermen. Of, met de woorden van een apostel, Paulus: het dwaze van God, uitlopend op een kruis, is wijzer dan de mensen, en het zwakke van God (wie is er nu weerlozer dan een Gekruisigde?) is sterker dan de mensen….
Simon van Cyrene, kruisdrager tegen wil en dank, en toch…. Het boeiende van dit verhaal is dat je jezelf in deze man herkent. Want hoe bent u, hoe ben ik tot geloof gekomen? Wat is er met u, met mij gebeurd? Ik kan wel een paar dingen vertellen: M’n moeder die me een gebedje leerde voor het slapen gaan; die een held was en is in de gewone dingen; die op de vroege maandagmorgen bij de wastobbe een liedje zong van en voor de Heer; M’n vader, die in alles wat groeit en bloeit een wonder van God zag en ziet; die me eens zei, toen ik een handvol preiplantjes had en niet meer wist waar ik ze moest laten, zei: niet weggooien, jongen, het leeft! Mijnheer Stuy op de H.B.S. en mijnheer Van Eck, van wie je voelde: als zij over het geloof in God praten, dan komt het onder uit hun teen…. Zo zal het ook u wel vergaan. Een hele serie van schijnbare toevalligheden. Maar in en door die toevalligheden zijn we toegevallen aan God, die aan het kruis z’n diepste Woord gesproken heeft. Zonder Hem heeft het leven geen enkele zin. Daarom volgen we Hem op z’n kruisweg. De weg van het kruis is de weg van het licht.

===   ===   ===

Marcus 15: 21
*Zondag 09 april 2000, 19.00 uur te Zwartsluis

Bijbellezing: Jesaja 52: 7 – 10; Marcus 15: 16 – 21
*Zondag 24 maart 2002, 17.00 uur te Ermelo
Bijbellezing: Jesaja 52: 7 – 10; Marcus 15: 16 – 21
*Zondag 25 maart 2007, 10.00 uur te Amersfoort
Bijbellezing: Johannes 19: 9-16
*Zondag 24 maart 2013, 19.00 uur te Hellendoorn.
Bijbellezing: Jesaja 52: 7 – 10; Marcus 15: 16 – 21

Van Pilatus, waar het vonnis is geveld, naar Golgotha, waar het vonnis wordt voltrokken. De weg daartussen heet met een Latijnse naam: ‘via dololosa’, dat is: weg vol smart. Deze kruisweg heeft de eeuwen door tot de verbeelding van de mensen gesproken. Schrijvers, schilders, dichters, musici en andere kunstenaars hebben in deze ‘via dolorora’ een bron van inspiratie gevonden; hem beschreven, bezongen, uitgebeeld.
Al doende is het sobere verhaal van de evangelisten ook met allerlei legenden verweven. De Here Jezus zou, uitgeput, een ogenblik geleund hebben tegen de deurpost van een huis, ergens langs de ‘via dolorosa’. De huisbaas zou hem bars en bruut weggeduwd hebben. Sindsdien zwerft deze man, in allerlei gestalten, rusteloos over de aarde, eeuw in eeuw uit. Hij is de wandelende jood, op velerlei wijzen beschreven.
Er zou ook een vrouw geweest zijn die de Here Jezus een doek gaf om Zijn besmeurde gezicht af te drogen. Toen zij de doek terug kreeg, bleken de trekken van Zijn gelaat erin achtergebleven te zijn, onuitwisbaar. Dit is bekend gebleven als de doek van Veronica.
En, om nog een voorbeeld te noemen: in de meeste, oude, rooms-katholieke kerken zijn de zogenaamde statiën, de rustpunten op de ‘via dolorosa’ in glas-en-lood uitgebeeld aan de zijkanten van het kerkgebouw.
Maar …. laten we ons houden aan het korte relaas van de evangelist. In de omgeving van deze merkwaardige gestalte, Jezus, uitgedost als een clown, komen verschillende groepen mensen ter sprake. We zullen bij het einde beginnen om bij Simon, genoemd in het eerste vers, wat langer stil te staan.
Er werden ook nog twee misdadigers weggeleid. Jezus is in hun gezelschap. Is dat toevallig? Of is het een onderstreping van wat eigenlijk al bekend diende te zijn? Blijkens het Evangelie heeft Jezus telkens het uitschot, het schorrie-morrie gezocht. Hij hangt straks in hun midden. Is dat, ondanks alles, niet een samenvatting van het Evangelie, aanschouwelijk voorgesteld, met de dood bekrachtigd? In Zijn eigen woorden: ‘Ik ben gekomen om het verlorene te zoeken en te redden’.
Verder komen er vrouwen ter sprake, klaagvrouwen uit Jeruzalem. Met veel misbaar begeleiden zij Jezus op de ‘via dolorosa’. Zij doen iets goeds, dienen een goede zaak, naar ons besef. Deze geluiden lijken een gouden stem te zijn, vergeleken met dat ijselijke gekrijs, dat blikken geschreeuw bij Pilatus. Maar Jezus zegt andere dingen dan wij denken. Hij wil niet beklaagd, alleen geloofd worden. Hij is niet een martelaar over wie men meewarig het hoofd kan schudden, maar de Heiland voor wie men het hoofd dient te buigen. Daarom klinken de woorden: ‘Dochters van Jeruzalem, weent niet over Mij, maar weent over u-zelf en over uw kinderen …’. Dat wil zeggen: Mijn dood voor u is minder beklagenswaardig dan Uw leven zonder Mij. Blijkbaar moeten we ook het huilen leren, op de juiste tijd en op de juiste plaats over de juiste dingen.
En dan, ten slotte, maar hij staat in het verhaal voorop, die vreemde vogel, die zwerfsteen, die toevallige voorganger Simon van Cyrene.
Ik probeer hem wat scherper in beeld te krijgen. Niet om over hem te fantaseren maar om hem te herkennen als een mens, zoals wij. Hij komt uit Cyrene, ergens in Noord-Afrika, het tegenwoordige Libië, waar kolonel Gadaffi, Jodenhater bij uitstek, de scepter zwaait. Vroeger was er een grote Joodse gemeenschap. Cyrene wordt ook in het Pinksterverhaal genoemd, samen met al die andere moeilijke namen als: Pontus, Asia, Trigie, Pamfylie….
Deze Simon was wellicht als rentenier naar Jeruzalem gekomen om daar zijn laatste jaren in vrede te leven, om daar begraven te worden en om eens, op Gods tijd, vooraan te staan bij de komst van de Messias. Simon van Cyrene.
Hij heeft een volkstuintje buiten de stad. Op die dag heeft hij misschien en stukje gespit of een bedje gezaaid. Hij gaat vroeg naar huis, voordat de zon heet wordt. Het sneetje brood en de geur van de koffie doet hem sneller gaan. Ineens kruist zijn levenspaadje de ‘via dolorosa’. Hij wordt gesommeerd, geprest om mee te gaan in dit merkwaardige gezelschap, om de dwarsbalk van het kruis te dragen. Met al dat gedoe wilde hij eigenlijk niets te maken hebben, maar ineens loopt hij achter Jezus aan. Hij is discipel tegen wil en dank. Zonder dat hij het wil of beseft maakt hij een woord van Jezus zichtbaar: ‘Wie niet zijn kruis draagt en achter Mij komt, kan mijn discipel niet zijn’.
Dat heeft Simon toen niet geweten. Wellicht is hij mokkend en mopperend de ‘via dolorosa’ gegaan. Bij de heuvel Golgotha heeft hij zijn last gauw neergelegd en zich ijlings uit de voeten gemaakt en misschien heeft hij nog lange tijd gezegd dat het eigenlijk schande was om een fatsoenlijk mens zo te pressen, zo te pesten…
Niemand wist op dat moment wat er eigenlijk gebeurde. Overal ging het leven gewoon door, in Jeruzalem, in Rome en in onze streken waarde Batavieren woonden. Er werd gehandeld op de markten, de kinderen speelden, de zieken zuchtten; er werd gelachen, gekust, gevochten. Dat dit alles te maken had met de man die daar eenzaam ging sterven, had niemand door. Daarom zingen de negers, vragenderwijs, in een onvergetelijk lied: ‘Were you there, when they crucified my Lord?’ Was jij er echt bij toen zij de Heer kruisigden….?
Simon was erbij, maar: noodgedwongen, toevallig, tegen wil en dank. Zulke randfiguren in het Evangelie zijn uitermate boeiend. Wat is er verder met deze Simon gebeurd? Ik weet het niet precies. Bij Marcus heet hij: een zekere Simon, de vader van Alexander en Rufus. Dat geeft te denken. Die beide jongens waren blijkbaar in brede kring bekend binnen de gemeente van Christus. Kennelijk heeft deze gedwongen gang van Simon vrucht gedragen en is hij, langs een weg van allerlei toevalligheden, tot geloof gekomen. Zodoende wordt deze Simon mij, ons, nog dierbaarder, nog veel meer vertrouwd dan hij op grond van dit ene vers van de evangelist al was. 
Hoe ben jij, hoe ben ik tot geloof gekomen. Voor zover je dat bij stukjes en beetjes kunt nasporen, moet je zeggen: een hele serie toevalligheden. Mij werd een kindergebed geleerd, avond aan avond opgezegd … Ik hoorde iemand zingen… Ik had met iemand een gesprek… Ik moest naar zondagsschool, naar catechisatie.
Achteraf wordt mij dat allemaal, of een deel daarvan, meer bewust. In die serie toevalligheden ben ik toegevallen aan God. En nu ga ik, zonder veel ophef, maar: vrijwillig en van harte met Hem mee. Dat is het geheim van deze dag, het geheim van jullie die geloofsbelijdenis doen, het geheim van ons allen, samen als gemeente.
Indien iemand achter Mij wil komen, in het gezelschap van allerlei wonderlijke wezens, snaken, snijbonen, schoffies … indien iemand achter Mij wil komen, die verloochene zichzelf, neme zijn kruis op en volge Mij.
Kruisdragen. Laten wij daar niet al te plechtig of gewichtig over doen. Anderen ervaren het aan den lijve, zoals aartsbisschop Romero en zijnen in San Salvador, zoals die broeders en zusters in velerlei landen, aan wie we een Paasgroet sturen. Kruisdragen – voorzichtig, zuinig zijn met grote woorden! – betekent: de consequenties van je geloof blijmoedig aanvaarden. Blijmoedig! In het oude doopformulier staat een gebed: ‘opdat zij hun kruis, Hem dagelijks navolgende, vrolijk dragen mogen…!’ En in een van de belijdenisvragen heet het: ‘uw Heiland volgen in leven en in sterven … en met blijdschap arbeiden  in Zijn Koninkrijk’. Dat heeft niets te maken met wat platweg genoemd wordt: van de nood een deugd maken of met een moeilijk woord: masochisme. Alleen de weg van het kruis is de weg van het licht. De ‘via dolorosa’ is de ‘via gloriosa’. Of, met de woorden van een oude broeder Thomas a Kempis, in zijn boekje: ‘Navolging van Christus’: ‘Draagt gij het kruis gewillig, het zal ook u dragen!’

===   ===   ===

Marcus 15: 22 – 32
Gehouden op
*Zondag 4 april 1982 te Ellecom / De Steeg

Bijbellezing: Marcus 15: 11: 1 – 10 ; 22 – 32

We zijn nu al enkele maanden in de leer bij Marcus. Ik hoop dat we gaandeweg, al luisterend, vertrouwd met hem zijn geraakt, goede verstaanders zijn geworden. Een paar typerende trekken wil ik nog eens noemen. Mij dunkt: u zult ze wel herkennen. Marcus valt als het ware met de deur in huis, zonder inleiding, zonder voorgeschiedenis.
De eerste woorden zijn: ‘Begin van het Evangelie van Jezus Christus …’ Daarna steekt Marcus direct van wal. Met een zekere haast, ietwat gejaagd. Opvallend is het kleine woordje ‘terstond’, dat vooral in de eerste hoofdstukken veelvuldig voorkomt. Het heeft de klank van: en toen … en toen …
Dr. Oepke Noordmans heeft terecht gezegd: Marcus vertelt als een kind dat op straat iets heel bijzonders heeft beleefd, naar binnen stormt om het, struikelend over de woorden, in ademnood, te vertellen: en terstond…, en terstond, dat wil zeggen: en toen… en toen.
In de laatste hoofdstukken van zijn Evangelie komt dit merkwaardige woordje: terstond nauwelijks meer voor. Marcus is, als je dat beeld van een kind nog even mag doortrekken, op adem gekomen en vertelt met een zekere rust, kort en bondig, wat er nu werkelijk aan de hand is.
Opvallend is hoe sober een en ander verteld wordt, op het zakelijke af. Met name in deze laatste hoofdstukken, in en om Jeruzalem, zijn we op heilige grond, raken we het hart van de Zaak tussen God en de mensen. Maar de evangelist Marcus, die zijn informatie uit de eerste hand, van Petrus, gekregen heeft, onthoudt zich van commentaar. Hij zet vrijwel nergens een uitroepteken, nergens een verklarende, zo men wil: stichtelijke opmerking.
Als Jezus, de Zoon bij uitstek, wordt overgeleverd ten dode – en dit offer, deze verzoening heeft toch kosmische gevolgen, is qua diepgang en strekking ongekend, ongehoord – als dit gebeurt, dan schrijft Marcus deze sobere, schamele woorden: ‘En zij brachten Hem op de plaats Golgotha (….) en zij gaven Hem wijn (….) en zij kruisigden Hem’.
Waarom zo sober, broeder? Als ik een vermoeden mag uitspreken: Marcus had de gave van de wijsheid. Hij was zich van zijn grenzen bewust. Later zou de Eeuwig-Trouwe wel anderen roepen om de inhoud, de gevolgen van dit gebeuren, zo bondig beschreven, te verwoorden. Daar hebben we nu al eeuwen lang onze hoofden, harten, handen aan vol.
En toch….ook deze evangelist is een gedrevene, een dichter, een zanger. Het geheim, de muziek van God ruist door de zakelijke beschrijving, de afgemeten woorden heen. Ik zie Marcus glimlachen in al zijn ernst, ook in al het erge dat hij beschrijft. Ik zie hem een kripoogje geven naar zijn lezers om daarmee te beduiden: de goede verstaander heeft maar een half woord nodig.
Mag ik dat duidelijk maken, althans een poging daartoe wagen, aan de hand van de laatste verzen die we lazen? Al luisterend leg ik de vinger bij drie plaatsen: het opschrift: de koning der Joden; de lotgenoten: twee misdadigers, aan weerszijden een; de voorbijgangers met hun spottende opmerking: anderen heeft Hij gered, Zichzelf kan Hij niet redden.
Eerst het opschrift: de Koning der Joden. Uit welke bronnen is dit opgeweld? Als we daarnaar vragen en zoeken, dan graven, graaien we in de modder, de smurrie van harten en hoofden van mensen, lieden van laag allooi. Het volk, een bonte schare, had deze beschuldiging aangereikt om een veroordeling te bewerkstelligen. De soldaten hadden er de spot mee gedreven, de zogenaamde koning uitgedost als een clown en zich dood gelachen. Pilatus heeft de aanklacht, waar hij aanvankelijk wat verlegen mee was, in het absurde doorgevoerd en als opschrift boven het kruis laten bevestigen. Een stille, veelzeggende wraak: de koning van de Joden aan een kruis. Zo’n koning! Het volk kan dan ook niet veel anders, niet beter zijn. Wat een smurrie, wat een modder!
Deze woorden: ‘de koning der Joden’ komen van een heidense rechter, die een sluwe zet doet op het politieke schaakbord om dat roerige volkje, dat hem en de Romeinen al zoveel kopzorgen en hartzeer gegeven had, in het hart te treffen. Die woorden puilen uit van sarcasme, spot, haat, hoon. Maar… om op het geheim, de muziek van God, de glimlach, het knipoogje van Marcus terug te komen: dit smerige opschrift is tegelijkertijd de zuiverste belijdenis. In deze paar woorden is inderdaad alles gezegd. ‘De Koning der Joden’.
De glimlach van Marcus is een weerkaatsing van de lach van God, waarover in de tweede Psalm geschreven staat: ‘De koningen der aarde scharen zich in slagorde en de machthebbers spannen samen tegen de Here en Zijn gezalfde; Die in de hemel zetelt lacht, de Here spot met hen; dan spreekt Hij tot hen in Zijn toorn en verschrikt hen in Zijn gramschap: Ik heb immers Mijn Koning gesteld over Sion, Mijn heilige berg!’
Hoe ontzagwekkend is de gang, de weg, het geheim van de Hoog-Heilige. Met behulp van allerhande onontwarbare knopen en draden weeft Hij het patroon van Zijn heilzaam plan. Met behulp van al het geraas en getier, de spot en de hoon, zingt Hij Zijn liefdeslied. Met behulp van de stenen die de mensen gooien, bouwt Hij, met de woorden van een andere Psalm – 89 – het vaste gebouw van Zijn gunstbewijzen. Als dit geen dodelijke humor is, te midden van de dodelijke, bittere ernst van mensen!
Zo wordt deze Jezus gemaakt tot wat Hij is: de Koning der Joden, de Heer van de wereld. Dit is Zijn werkelijke inhuldiging. Want deze Koning wil niet anders heersen dan vanaf het kruis, in de duisternis van de Godverlatenheid, te midden van Zijn vijanden. Zo worstelt Hij met alle machten om ze aan Zijn voeten te onderwerpen. Zo brengt Hij het offer van de verzoening, waardoor het volk en de volkeren voor God kunnen bestaan. ‘Vreemde Koning van de Joden, die ten spot verheven zijt, vorstelijk hebt Gij geleden om de vrede voor altijd …’.
Wij zouden de vinger leggen bij nog twee plaatsen. Hier hebben we nogal uitvoerig bij stil gestaan, omdat dit hart ook doorwerkt naar en in het vervolg. Daarom leggen we de vinger maar even bij de andere twee plaatsen en maken we een paar opmerkingen, vrucht van zorgvuldig luisteren. De Koning te midden van de misdadigers, aan weerszijden één. Van de nood mogen we niet eigenmachtig een deugd maken, maar toch is de vraag ter zake en terecht: is dit alleen maar verbijsterend, alleen maar duisternis? Of is dit, ondanks alles, een stukje aanschouwelijk onderwijs, het Evangelie in een notendop? In wier gezelschap verkeerde deze Jezus doorgaans? Toch meer in dat van de mislukten dan van de geslaagden, meer in dat van hen die ten einde raad, ontheemd, ontredderd waren dan van hen die alles zo goed wisten en alles kant en klaar hadden?
Nogmaals: dit is geen verheerlijking van de zonde, geen verontschuldiging van de zondaren maar een verheerlijking van Hem, die in Zijn leven zei en in Zijn dood bevestigde: ‘Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar zondaars tot bekering’.
Nog een punt: de omstanders en voorbijgangers sneren en spotten: ‘Anderen heeft Hij gered, Zichzelf kan Hij niet redden’. Toen Jezus indertijd voorbijging zag Hij de mensen en werd Hij met ontferming bewogen. Nu gaan de mensen aan Hem voorbij, zien Hem, schudden het hoofd, lachen koud en kil. Zijn liefde keert als hoon tot Hem terug.
Maar ….is ook deze lasterlijke, liederlijke taal niet tegelijk een verwoording van het geheim? Zou die sobere, zakelijke Marcus ook hier niet geglimlacht hebben, een knipoogje geven naar zijn lezers? Zichzelf kan Hij niet redden, wil Hij niet redden, omdat Hij alleen maar anderen wil redden. Zo is, zo blijft Hij de Koning, die van het kruis regeert.
Ten slotte, lieve gemeente, op de grens van de Stille, de Goede Week: welk leven is de vrucht van deze leer? Anders, gezegd, met de woorden van de oude catechismus: wat nut u te weten dat…?
Mag ik een paar dingen nog eens noemen? Het Koningschap van de Heer is ook in onze dagen verborgen en soms denken we: het is voorgoed verdwenen. Het wordt in elk geval overstemd, overschreeuwd, overweldigd. Dat kan een blijvende aanvechting zijn. Maar mogen, moeten we ook niet zeggen, en als het kan: zingen: deze verborgenheid, deze aanvechting is niet een toevallige bijkomstigheid, maar wezenlijk voor de Zaak, het geheim, de gang van God. In deze laatste dagen leven we van het offer, dat altijd in het verborgene wordt gebracht, van de verzoening, die zelden in de schijnwerpers treedt, van de liefde, die Zichzelf niet opdringt en aanprijst. Wij teren op de rechtvaardiging en wachten op de verheerlijking. Tot dan zoeken we gezelschap, oefenen we gemeenschap. Met wie? Met de minste broeders en zusters. De Heer verkeerde immers te midden van deze schare, ten slotte geflankeerd door twee moordenaars. Wie zich daar te goed, te hoog voor acht, plaatst zichzelf buiten de kring, het geheim, het offer der verzoening, buiten het eeuwige leven.
Wat we zo samen te zeggen, te zingen hebben, is een verwijzing naar deze Koning, een variatie op dit ene thema: ‘Anderen heeft Hij gered, Zichzelf kan Hij niet redden’. Dat heeft de Eeuwig-Trouwe gedaan die ons in Hem rechtvaardigt, bemint, bewaart, een leven en een dood lang, en nog verder.

===   ===   ===

Marcus 15: 26
Gehouden op
*Goede Vrijdag 20 april 1973, 9.30 uur te Oosthem

Bijbellezing: Marcus 15: 6 – 15; 22 – 32

Achter het glas van een winkeldeur zien we soms een papiertje aangeplakt, met daarop de woorden: ‘Wegens sterfgeval gesloten’. Het werk ligt stil. De zaak is dicht en de familie zit zwijgend bij elkaar. Wanneer er enkele dagen verstreken zijn, wordt het papiertje weggehaald en de zaak weer geopend. Het gewone leven gaat verder, ondanks het gemis, ondanks de lege plaats.
Vandaag gedenken wij het sterven van onze Here Jezus Christus. Op deze dag is de kerk wegens sterfgeval geopend. Dat is geen toeval, geen bijkomstigheid, want dit geopend-zijn raakt het hart van het Evangelie. We mogen zelfs zeggen: de kerk is, de eeuwen door, alleen maar geopend wegens dit sterfgeval. Als dit niet gebeurd was, dan zou er nooit een geopende kerk geweest zijn, waarin Jan en Alleman kan binnenlopen. De kerk is wegens sterfgeval geopend. Want deze dood is ons leven. Deze ondergang is ons behoud. Deze verlatenheid is onze geborgenheid. Daarom is deze verschrikkelijke vrijdag een goede vrijdag. Dat proberen we te ontdekken, al luisterend naar het Evangelie.
De evangelist Marcus vertelt wat er gebeurt. De hele weg van Jezus, de Christus, is een geheim. Maar sinds Gethsemané zijn we genaderd tot de binnenste kern, het hart van het geheim. Dat hart klopt op Golgotha, waar het offer van de verzoening gebracht wordt. Krachtens dit offer bestaan de mensen en bestaat de wereld voort. De apostel Paulus heeft later over dit binnenste geheim van de kruisdood gesproken en geschreven. Met eerbied en verwondering. Vergeleken met hem gaat de evangelist Marcus anders te werk. Hij beschrijft alleen maar wat er gebeurde, kort en bondig, op het zakelijke af. Dat is hoogst merkwaardig. Uit de Oudheid zijn andere geschriften bewaard gebleven, waarin verteld wordt onder welke omstandigheden sommige veroordeelden de kruisdood stierven. We lezen dan een uitgebreid verslag, met ruime aandacht voor de wijze waarop de veroordeelde alles onderging. Marcus schrijft anders. Dat is des te merkwaardiger, omdat de christelijke kerk van het begin af aan verstaan en beleden heeft, dat in de kruisdood van Jezus het volle heil aan de wereld gegeven is, omdat het het offer der verzoening is. Maar Marcus doet geen poging om te verklaren of om de betekenis uit te diepen, hij beschrijft alleen maar. Het geheim dat de hemel en de aarde beweegt, wordt samengeperst in het korte regeltje: ‘En zij kruisigden Hem!’ Daar en daar, op die en die tijd. Verder vertelt hij wat de omstanders en voorbijgangers zeiden de deden. Van de Here Jezus wordt alleen een kruiswoord vermeld. De kreet: ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten’. Verder moet alles meegedacht worden in dat korte regeltje: ‘En zij kruisigden Hem!’

Waarom schrijft Marcus op deze wijze? Mag ik een vermoeden uitspreken? Hij weet dat het geheim niet doorgrond kan worden. Het is niet afhankelijk van zijn verklarende opmerkingen. Zijn taak is voorlopig deze: kort en bondig, waarheidsgetrouw weergeven wat er gebeurde. Later zou God aan anderen woorden in de mond geven om de betekenis, de gevolgen uit te spreken en te zingen en naar vermogen op te schrijven.
En toch straalt het geheim door deze korte, bondige beschrijving heen. Het licht even op in een paar woorden. Wie het vatten kan, die vatte het. Een goed verstaander heeft maar een half woord nodig. Ik denk vooral aan het opschrift, dat boven het hoofd van Jezus aan het kruis was bevestigd: ‘De koning der Joden!’ Al schrijvend moet Marcus gedacht hebben: inderdaad, deze woorden bevatten de diepste waarheid. Hij is de Koning der Joden en via de Joden – want het heil is uit de Joden – de Koning der wereld.
Het geheim straalt en klinkt door deze woorden heen. Maar de ogen en de oren van de mensen moeten daarvoor wel geopend zijn. Want in deze woorden spelen ook heel andere gedachten mee. Immers, hoe kwam Pilatus ertoe om dit neer te schrijven? Het kwam niet voort uit eerbied, vroomheid, maar uit gevoelens van spot, haat en wraak. De Joden hadden Jezus bij hem gebracht met de beschuldiging dat Hij zich koning noemde en daardoor een gevaar betekende voor de Romeinse staat. Pilatus had deze beschuldiging onderzocht en was tot de conclusie gekomen dat zij op niets berustte. Toch hadden de Joden doorgezet. Ten slotte had Pilatus gedaan wat zij wilden. De soldaten hadden Jezus uitgedost als een clown en bulderend van het lachen geroepen: ‘Wees gegroet, gij koning der Joden!’ Die spot was door Pilatus opgenomen. Hij liet een opschrift maken met de woorden: ‘De Koning der Joden’.  Wie het laatst lacht, lacht het best. Hij raakte daarmee ook het Joodse volk in zijn diepste gevoelens. Maar ze hadden er zelf om gevraagd. De Koning van de Joden hangt aan het kruis. Daarmee werd ook openlijk de spot gedreven met het hele Joodse volk. Zo’n Koning! Wat moet het gewone volk dan wel niet zijn!
In deze woorden, die als opschrift geschreven waren, speelt een wereld van gedachten mee die alleen maar stinken en druipen van bedrog en spot. Gedachten van het volk, van de soldaten, van Pilatus en – zoals later blijkt – ook van voorbijgangers. Want Marcus schrijft even verder: ‘De voorbijgangers spraken lasterlijke taal tegen Jezus, schudden hun hoofd en zeiden: Anderen heeft Hij gered, Zichzelf kan Hij niet redden. Laat de Christus, de Koning van Israël, nu afkomen van het kruis, dat wij het zien en geloven’.
Toen Jezus indertijd voorbijging zag Hij de mensen en werd met ontferming bewogen. Nu gaan de mensen aan Hem voorbij, zien Hem, schudden het hoofd en lachen koud en kil. Zijn liefde keert als hoon tot Hem terug. En weer klinkt een echo van het geheim in deze woorden door. Lasterlijke taal, schrijft Marcus. Zichzelf kon Hij de redden, omdat Hij alleen maar anderen wilde redden. Zo was en is Hij de Koning. Dan is het godslastering om deze Koning te bespotten. Maar nogmaals: daarvoor moeten menselijke oren en ogen van Hogerhand geopend zijn. Want zo te zien en zo te horen, drijft dit opschrift: de Koning der Joden op een stinkende poel van leugen en spot. Het is afkomstig van een heidense rechter, die zijn gezicht niet wil verliezen. Hij doet wat van hem gevraagd wordt, maar ondertussen doet hij een slimme, handige zet doet op het politieke schaakbord, die de Joden nog lang zal heugen. Deze woorden zijn verder boordevol onwaarachtigheid en sarcasme, ze puilen uit van spot haat en hoon. Het is een lachertje voor de voorbijgangers.
Al deze gedachten en gevoelens klinken in dit opschrift: de koning der Joden mee. Dat alles heeft de evangelist Marcus kort en bondig, eerlijk en zakelijk ook bedacht toen hij deze woorden neerschreef. Maar deze woorden, hoe ze dan ook bedoeld zijn door de mensen, raken het geheim. In deze paar woorden is inderdaad alles gezegd: ‘Jezus is de Koning der Joden’.
Misschien heeft Marcus al schrijvend geglimlacht, omdat hij de lach van God hoorde: ‘Waarom woelen de volken en zinnen de natiën op ijdelheid? De koningen der aarde scharen zich in slagorde en de machthebbers spannen samen tegen de Here en Zijn Gezalfde. Die in de hemel zetelt, lacht; de Here spot met hen. Dan spreekt Hij tot hen in Zijn toorn en verschrikt hen in Zijn gramschap: Ik heb immers Mijn Koning gesteld over Sion, Mijn heilige berg!’
Deze gekruisigde Jezus is de Koning. Het Koninkrijk van God staat gegrond in het offer der verzoening, gebracht op Golgotha. Het lijden en sterven van Christus is geen toeval, geen noodlot, maar zo moet alles geschieden. Alleen langs deze weg wordt een in zichzelf verloren wereld gedragen, verdragen en zo behouden. Met behulp van alle onontwarbare knopen en draden weeft God het patroon van Zijn heilsplan. Met behulp van al het geraas en getier, de spot en de hoon, zingt God Zijn liefdeslied. Met behulp van al het menselijke puin bouwt Hij Zijn Koninkrijk. God schakelt de mensen tot het uiterste in Zijn eigen handelen in. Volkomen vrijwillig. Kijk maar naar de kruisiging van Jezus. De mensen razen en tieren, maar zo dragen zij hun steentje bij tot het onwankelbaar gebouw van Gods gunstbewijzen. Wat zij juist willen vermijden, dat bereiken zij. Dat is een stuk goddelijke humor te midden van de dodelijke, bittere ernst van mensen. Zij maken Jezus tot wat Hij is: de Koning der Joden, de Heer van de wereld. Doordat Hij aan het kruis geslagen wordt, bestijgt Hij Zijn troon. Alle woede, sarcasme, haat en hoon van de mensen is in wezen de inhuldiging van de Koning. Want deze Koning wil niet anders heersen dan vanaf het kruis, in de duisternis der Godverlatenheid, te midden van Zijn vijanden. Zo worstelt Hij met alle machten om ze aan Zijn voeten te onderwerpen. Zo brengt Hij het offer der verzoening, krachtens welke de mensen en de wereld voor God kunnen bestaan.
Hoe geducht is het handelen van deze God! Hij schenkt Zijn heil voor de ogen van de mensen, zonder dat zij het te merken. Hij gebruikt onze handen, zonder dat wij weten wat we eigenlijk doen. Hij gebruikt onze stem, wat we dan ook zeggen, maar alles smelt samen tot eer van Hem, tot heil van de mens. Hij gebruikt onze gedachten, zoals Hij deed met de gedachten van het volk, de soldaten, Pilatus en de voorbijgangers. Wat zij bedachten, hoe dan ook, gebruikte Hij om Zijn Waarheid onder woorden te brengen: de is de Koning der Joden en via de Joden de Koning der wereld. In Hem ligt al het heil besloten.
De kerk is vandaag wegens dit sterfgeval geopend. Het is geen dag van geklaag, maar – ziende op deze Koning – een dag van gejuich. Zijn dood is ons leven. Zijn ondergang is ons behoud. Zijn verlatenheid is onze geborgenheid. Daarom is deze Vrijdag een Goede Vrijdag. Zo goed, dat we nu juichen en zingen en vanavond feest vieren aan de tafel van deze Koning. Hij voedt ons met brood en wijn, zodat we ons gekend, bemind en geborgen weten, een leven en een dood lang.

===   ===   ===

Marcus 15: 29 – 32
Gehouden op
*Goede Vrijdag 21 april 2000, 19.30 uur te Beekbergen.

Bijbellezing: Marcus 15: 29 – 32.

Mijnheer Stuy, onze oude leraar wiskunde op de H.B.S. in Doorn – ik zal die man en die school nooit meer vergeten – leerde ons het bewijs uit het ongerijmde. Sommige vraagstukken kun je alleen maar op die manier oplossen. Je zet alle mogelijkheden op een rijtje. Bij nader inzien blijven er maar twee over. Stel nu dat die ene mogelijkheid waar is. Wat gebeurt er dan? Door goed en grondig na te denken, probeer je die weg van stap tot stap, tot het einde toe, te gaan. Het kan zijn dat je gaandeweg hopeloos vastloopt, in allerlei ongerijmdheden terecht komt, die gewoon niet waar kunnen zijn. Dan blijft alleen die andere mogelijkheid over. Dat noemen we het bewijs uit het ongerijmde.
Het Evangelie is geen wiskundige opgave, maar toch….! Stel dat het waar is wat de voorbijgangers, de overpriesters, de Schriftgeleerden zeggen met het oog op de Ene, gekruisigd tussen twee anderen in. Wat gebeurt er dan? Er wordt onder meer gezegd: ‘Laat de Christus, de Koning van Israël, nu afkomen van het kruis, dat wij het zien en geloven!’ Stel dat dit waar is. Wat zou je dan zien, wat zou je dan geloven?
Je zou iemand zien, zoals in een film van James Bond, die net nog even sterker, net nog even slimmer is dan z’n tegenstanders. Zou je in zo iemand geloven? Dat wil zeggen: zou je je hele leven in zo iemand investeren? Zouden daarvoor de gelovigen, in de tijden van de vervolgingen, hun leven hebben gegeven? Zou de apostel Paulus daarom en daarvoor op reis zijn gegaan om het Evangelie te verkondigen? Zou je je dan echt thuis voelen in een kring, waarbij je eerste maatjes, je oudste bondgenoten mensen zijn die hooghartig en minachtend, spottend en smalend allerlei dingen zeggen? Werkt jouw familie aanstekelijk, als je zo’n stamboom hebt? Je vervalt van de ene ongerijmdheid in de andere. Het kan dus niet waar zijn!
Alleen de andere mogelijkheid blijft over. Die moet, ondanks de schijn van het tegendeel, wel waar zijn. Omdat Hij alleen maar anderen wil redden, kan Hij Zichzelf niet redden. Omdat hij de Christus, de Messias, de door God gezalfde is voor een heel bijzondere taak, omdat Hij de Koning van Israël is, blijft Hij waar Hij is. Hij wacht op Gods tijd, op Zijn antwoord.
Dat geeft te denken en bij nader inzien nog meer te danken. Deze Ene gaat de weg van het Lam, dat de zonde der wereld wegdraagt. Hij geeft Zichzelf ten offer om te laten zien dat de liefde van God tot het einde, door de dood heen gaan. Voortaan weten we, om nooit meer te vergeten, wat die drie woorden ‘God is liefde’ ten diepste betekenen. Hij is de Koning van Israël, de Koning van de wereld, die vanaf het kruis regeert. Dit alles moet wel waar zijn, ook al kunnen we het niet doorgronden. De diepste dingen van het leven gaan ons verstand te boven. Met de onvergetelijke woorden van Pascal, een denker zonder weerga uit de zeventiende eeuw: Het hart heeft z’n redenen die de rede niet kent.
Als het nou toch over zien en geloven gaat …. wat zien we dan? Wat, in wie geloven we? We zien een teken, een zegel: brood en wijn! We zien een kring van mensen, die aanschuift rondom een tafel. Alle verschillen vallen in het niet bij wat we samen delen. We zijn bedelaars bij de gratie Gods. In deze Drie-enige God, Vader, Zoon en Heilige Geest, geloven wij. Met al ons hebben en houden met al onze vreugde en al ons verdriet, met al onze zwarte en blauwe plekken zijn we in Hem verankerd, in Hem geborgen, een leven en een dood lang, en nog verder!

===   ===   ===

Marcus 15: 33 – 41
Gehouden op
*Witte Donderdag / Goede Vrijdag, 8/9 april 1982 (Woorden der inzetting Dienstboek; Viering Heilig Avonmaal.)

Bijbellezing: Gen. 44: 32 – 45: 2; Marcus 15: 33 – 41

Wat doet God op dit kruispunt van de geschiedenis? Een vraag waar we op z’n minst verlegen mee zijn. Wat de mensen doen, wordt min of meer uitvoerig verteld. Er wordt gedobbeld om een kleed. Er worden smalende opmerkingen gemaakt. Er wordt gehuild. Zo is er nog wel meer te noemen als antwoord op de vraag: wat doen de mensen?
Maar die eerste vraag blijft staan: wat doet God op dit beslissende ogenblik? Het is de toon die de muziek maakt. Dat geldt ook voor de klank van deze vraag. Als er ergens sprake mag zijn van heilige grond, van ontzagwekkend geheim, dan wel hier. Wie hier vrijpostig, nieuwgierig vragen stelt, ontheiligt de grond, ontluistert het geheim, sluit de ogen, oren, harten hermetisch af. Maar in de vreze des Heren, in de eerbiedige omgang met de Hoog-Heilige, staat en maakt vragen vrij.
Een broeder heeft me op het spoor gebracht: Dr. Oepke Noordmans. Er zijn gevallen, schrijft Noordmans, waarin een woord de aangesprokene overmant en in verlegenheid brengt. Bijvoorbeeld: toen Jozef Benjamin in Egypte wilde achterhouden; Juda bood zich als borg, als middelaar aan, in de plaats van Benjamin; daarvan had Jozef niet terug; hij liet iedereen weggaan en huilde zich uit.
Of Mozes, na het drama van het gouden kalf, pleitend voor zijn volk: ‘Vergeef toch hun zonde, Eeuwig-Trouwe, maar indien dit onmogelijk is, wis Mij dan uit het boek dat Gij geschreven hebt!’ Ook God heeft hiervan niet terug! Dergelijke woorden brengen Hem in verlegenheid, in heilige ontroering.
Dan schrijft Noordmans dit ene regeltje, dat in mij is blijven haken en de weg heeft gewezen voor deze overdenking bij het Heilig Avondmaal: Jozef trok zich terug, huilde zich uit.
‘Wat heeft de Vader gedaan, toen Hij drie uren lang Zijn aangezicht met duisternis omhulde?’ Als je zoiets leest en overdenkt, dan is de dag, dan zijn de dagen goed.
‘En toen het zesde uur’ – dat wil zeggen: het heetste van de dag, twaalf uur, tellend vanaf zes uur ’s morgens – en toen het zesde uur ‘aangebroken was, kwam er duisternis over het gehele land tot het negende uur’. Op klaarlichte dag, van twaalf tot drie, duisternis?! Wat wil dit toch zeggen? Wat mag dit beduiden? Wordt hier aanschouwelijk voorgesteld, indringend getoond wat ons rest als het licht der wereld wordt gedoofd? Als dit Gods laatste woord is, dan is dit onze naaste en laatste  toekomst: duisternis. Zoals Jesaja, de profeet schrijft: ‘Wij wachten op licht en zie, er is duisternis; (.. (…) wij tasten als blinden langs de wand…; wij struikelen op de middag als in de schemering, wij zijn in de kracht van ons leven aan doden gelijk (…); want onze overtredingen zijn talrijk voor U en onze zonden getuigen tegen ons (….)’ (Jesaja 59: 9vv).
Maar misschien is er nog meer te zeggen over deze duisternis. Naar de kant van God, de Eeuwig-Trouwe. In deze richting mogen de gedachten zich toch vermenigvuldigen, totdat de troost van het Evangelie er opnieuw uitkomt?! De Vader trekt Zich terug, omdat de ontroering Hem te machtig wordt. Hij huilt, Hij hult Zich in duisternis. Hij raakt in een heilige verlegenheid vanwege Zijn eigen beloften. Alles wat Hij gezegd, gezongen, beloofd heeft, komt Hem tegemoet op de kruispunt van de geschiedenis. Nog een regel van Noordmans: ‘De woorden van een Middelaar, een Plaatsbekleder, zijn de meest aangrijpende, die wij kennen. Zij zijn ook God te sterk en brengen bij Hem die heilige verlegenheid teweeg, waardoor de Zaak der wereld, de Zaak van Zijn volk wordt beslist’.
Drie uren lang duurde de duisternis. Toen klonk de roep, een laatste appèl op Zijn beloften: ‘Mijn God, Mijn God waarom hebt Gij Mij verlaten?’ Drie dagen duurde het voordat de Vader kon antwoorden: de Paasmorgen! In die drie dagen werd een oud profetenwoord opnieuw werkelijkheid, zodat het sindsdien als een Paasjubel wordt doorgegeven: ‘Mijn hart is in Mij omgekeerd, al Mijn erbarming opgewekt; Ik zal Mijn brandende toorn niet ten uitvoer brengen, want … Ik ben God en geen mens, heilig in Uw midden’ (Hosea 11: 8 vv).
Deze duisternis is toch licht. Zelfs deze nacht licht als de dag. Daarom vieren we feest, rondom deze tafel, gedenkend en verwachtend, voorsmaak van de voleindigde vreugde. En weer krijgen oude woorden een nieuwe betekenis, zozeer dat ze ons nieuw maken. Zoals die van de profeet Jesaja, die we met vervoering en ontroering beamen: ‘Voorwaar, Gij zijt en God die Zich verborgen houdt, de God van Israël, een Verlosser’ (45: 15).

===   ===   ===

Marcus 15:39
Gehouden op
*Goede Vrijdag, 10 april 2009, 19.30 uur te Beekbergen. (Woorden van de inzetting. Nodiging en Viering Heilig Avondmaal.

Bijbellezing: Marcus 15: 33 – 39.

Die Romeinse officier valt uit de toon. Rondom het kruis worden lasterlijke praatjes en spottende opmerkingen gemaakt. Ook de twee lotgenoten, aan weerszijden van Jezus, voegen zich in dit smalende koor. Des te opvallender is de reactie van die man uit het buitenland, waar dan ook vandaan. Hij spreekt de taal niet, heeft van huis uit andere gewoonten en gebruiken, heeft waarschijnlijk ook niets met de godsdienstige overtuiging van de Joden. Hij doet z’n werk, heeft dienst. Toch zegt hij iets, dat uit de toon valt, maar dat het hart van dit gebeuren raakt: ‘Waarlijk, deze mens was een Zoon Gods’.
Heeft hij zelf de draagwijdte, de diepgang van zijn woorden beseft? Die vraag kun je stellen bij allerlei uitspraken die verder gaan dan het platte vlak alleen. Weet je wel wat je zegt, wat je woorden oproepen en uithalen? Hij zegt dit na een angstwekkende duisternis, midden op de dag, drie uur lang. Die Ene, in het midden, roept met luider stem een woord uit de Psalmen, dat hem als buitenstander vreemd is: ‘Eloi, Eloi, lama sabachthani’, Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten? Daarna doet iemand nog iets om Hem te laten drinken, maar het einde is daar: ‘een luide kreet, Hij geeft de geest’.
In de tempel gebeurt iets wonderlijks: het voorhangsel, op de grens van het heilige der heiligen, scheurt van boven naar beneden, maar dat onttrekt zich aan zijn gezicht. Dit heengaan van deze mens doet hem zeggen: ‘Waarlijk, deze was een Zoon Gods!’
Misschien heeft die Romeinse officier niet meer bedoeld dan: een heel bijzonder, uitzonderlijk mens! In de Romeinse wereld werden allerlei mensen aangeduid als ‘godenzonen’. Ze hadden, hoe dan ook, een speciale band met God, wie Hij ook moge zijn. Een mens die ver boven de anderen uitsteekt, die iets van, iets met God heeft.
Ik denk dat Marcus, de evangelist, deze woorden heeft opgeschreven met een knipoog met een glimlach, ondanks alles. In en door die woorden rinkelen de Paasklokken in en over het doodsgebied. Aan het begin van het Evangelie, bij de doop van Jezus, klinkt iets soortgelijks, van Hogerhand: ‘Gij zijt mijn Zoon, de Geliefde; in U heb Ik Mijn welbehagen’. Halverwege, bij de verheerlijking op de berg, klinkt het opnieuw. Een stem uit de wolk: ‘Deze is mijn Zoon, de Geliefde, hoort naar Hem’. Nu klinkt het uit de mond van een mens. Het is een belijdenis. Ook als die man zich daarvan niet bewust was, blijft het staan, is het eeuwig van kracht. Daartoe is deze Ene gekomen, dat mensen Hem zouden herkennen en erkennen als Zoon van God, sprekend Hem, die licht ontsteekt in de duisternis, die Zijn leven ten offer geeft. Zo voltrekt zich het geheimenis van de verzoening. Zo wordt de dood overwonnen. Dit is het wonder boven wonder. In Zijn stervensnood hebben wij Gods diepste woord vernomen. Dit Evangelie is bestemd voor Joden en niet-Joden. Het gaat de eeuwen en de landen door.
Die Romeinse officier is, zonder het te weten, een eersteling. De oogst staat te komen. Miljoenen mensen die deze Ene belijden als de Heiland der wereld, de Goede Herder, die Zijn leven geeft voor de schapen. Daarom heet deze vreselijke dag Goede Vrijdag. Het is goed, goed gemaakt tussen God en ons. Zo goed dat het nooit meer stuk kan gaan. Theo Coenraads schreef een gedicht, dat dichter bij het geheim brengt:

‘hier heeft U / ons pleit beslecht / hier gaf U vol erbarmen / uw hartenbloed / dood waar is uw prikkel / dood waar is uw overwinning / wij gaan / veilig in Jezus’ armen / veilig aan Jezus’ hart / de Vader tegemoet’.

===   ===   ===