Marchal


2003-02-23 Verloren, gevonden

Verloren, gevonden

O.T. Jesaja 55: 6 – 11; N.T. Lucas 15: 11 – 24, 32  

Gehouden op:
*Zondagavond 23 februari 2003 in de Grote Kerk in Apeldoorn

 

Verloren zoon… Indrukwekkend verhaal. Ook overbekend, met alle risico’s van dien. Je hoort er niet meer van op, je gelooft het wel. Dan is het verhaal in feite dood, omdat je zelf alles al weet. Stel je voor dat het niet alleen over de verloren zoon, de aan lager wal geraakte mens gaat, maar ook over de verloren, ontheemde God….

Bij televisieopnamen gebruikt men verschillende camera’s. Nu eens zoemt de ene in, dan weer de andere. Al doende komt dat ene gebeuren helder in beeld. Eerst zoemen we in op die zoon, weg van huis, om te ontdekken: wat is er met God gebeurd? Overbekend allemaal? Hoe dan ook, het is en blijft indrukwekkend nieuws. 
Daar gaan we dan, met het oog op de zoon die het vaderhuis vaarwel zegt. Die zoon is een spiegel voor Jan-en-alleman, voor Marie-en-allevrouw. Wat is er met de mens, met mij gebeurd? De Bijbel noemt in dit verband een hele serie woorden:
*schepping – gewild dus, en niet geworpen in een zinloos bestaan; 
*zondeval – verantwoordelijk dus, en niet een marionet; anders gezegd; ik heb het verkeerde nummer gedraaid, in plaats van: ik ben verkeerd verbonden; 
*verkiezing van één ter wille van allen; 
*verzoening, verlossing – er zijn dus dingen grondig mis. 
Kun je deze woorden zó verwerken – zoals een schilder met z’n verfbakjes doet – dat je het portret van de mens, dus ook je zelfportret, nog scherper ziet? 
Blaise Pascal – wereldberoemd geworden, als filosoof, maar ook als wis- en natuurkundige – schreef ruim driehonderdvijftig jaar geleden: ‘Glorie en uitvaagsel van het heelal’. Dat ligt heel dicht bij een woord dat dit Bijbelverhaal aanreikt: verloren. 
Wonderlijk woord. Het is het tegenovergestelde van waardeloos of hopeloos. Als iets verloren wordt genoemd, betekenhet dat het waardevol is. Niemand denkt toch met schrik: Ik heb een pepermuntje verloren of een spijker…! Als zoiets weg is, heb je daar geen slapeloze nacht van. Verloren, dat wil zeggen: de moeite van het zoeken waard.

Wat is er met de mens gebeurd? Verloren, zegt dit bijbelverhaal, en ik herken m’n eigen portret. Van de plaats geraakt waar je thuishoort en terechtgekomen in een zwijnenstal. Kom, kom, niet zo somber, Marchal….  

Je kunt de zaak natuurlijk opvrolijken, maar ik ben wantrouwend geworden ten opzichte van al die verhalen. Ze zijn te mooi om waar te zijn. Als je een beetje zelfkennis en mensenkennis hebt, vooral ook Godskennis – daarover straks meer – dan is de aanduiding ‘zwijnenstal’ zo gek nog niet. Wat maken we ervan in de omgang met elkaar? Wat bieden we de jongeren aan en wat voor wereld laten we hun na? Wat gebeurt er in de omgang met de dieren en de dingen? Als de zaak op scherp komt te staan, doen we elkaar een oorlog aan, de zoveelste in de geschiedenis. Het is niet zo dat de tegenstanders alleen maar zwart en slecht zijn, wij daarentegen wit en goed. Zo simpel is de werkelijkheid niet. De apostel Paulus kon gelijk hebben toen hij schreef: Allen hebben gezondigd en derven de heerlijkheid van God. 

Ik houd het daarom bij het Evangelie, een verhaal, te waar mooi te zijn. Mens, kind… een zwijnenstal! Nee, je komt niet achter de tralies, je bent een achtenswaardig burger. Maar wat gebeurt er met je zelfbeeld, je ego zogezegd, als je het kamertje van je leven opruimt, eventueel: uitmest? Is het dan ver bezijden de waarheid: eigenlijk een zwijnenstal? 

Wat is er met de mens gebeurd? Zijn we ook verloren, dat is: waardevol, van de bestemde plaats geraakt, de moeite van het zoeken waard? Dat ontdek je pas als je inzoemt op die andere vraag: wat is er met God gebeurd?   

Een vreemde, misschien ook wel ietwat vrijpostige vraag. Wij hebben, voor zover wij iets met God hebben, veelal een Godsbeeld dat nogal statisch is, vast staat. In de Nederlandse Geloofsbelijdenis, uit 1561, staan onder meer deze aanduidingen voor het hoogste wezen, God: onvatbaar, onzichtbaar, onveranderlijk, oneindig, almachtig…. Ik neem m’n pet af voor deze woorden, vooral als ik erbij bedenk in welke benarde omstandigheden ze geboren zijn. Mensen met de dood voor ogen kletsen niet. Dat is zonde van de tijd. En toch vraag ik mij af of deze woorden niet te star, te statisch zijn. Ze sturen onze gedachten omhoog  naar Iemand, die een soort super-chef is, tot in de hoogste macht verheven. Dit Bijbelverhaal, deze gelijkenis zet ons andere sloren. Hij reageert op de zwijnenboel die wij ervan maken. al doende gebeurt er ook iets met Hem. Hij wordt niet iemand anders, maar toch…. Net als een ouder die met z’n kind door allerlei diepe dalen en lange tunnels heen gaat. Dat gaat je om zo te zeggen, niet in de koude kleren zitten. 

De almacht van de Vader verhindert niet dat Hij de zoon laat gaan, ook als Hij weet dat die jongen naar de kelder, naar in zwijnen gaat. Liefde is de kunst van het loslaten. De ander niet in een harnas persen, niet tot een marionet maken, maar loslaten zodat hij tot zichzelf komt, met alle risico’s van dien. 

Dat Hij, de Vader, onveranderlijk is, betekent niet dat het Hem onbewogen laat. Als de zoon verloren is, er een zwijnenboel van maakt, dan kan de Vader niet anders doen dan wat Zijn hart hem ingeeft. Hij staat, met al z’n verdriet, ontredderd, met vrees en beven, op de uitkijk. 

De verloren zoon maakt de Vader in zekere zin ook tot een verloren Vader. In een liefdesverhouding, vooral als de zaak op scherp komt te staan, gebeurt er iets, over en weer. De Vader lijdt aan de vermeende vrijheid van zo’n kind, want – weer die gouden regel – liefde is de kunst van het loslaten. Het is een kruis voor Hem. Is dat niet het geheim van het Evangelie? Een God die zo bewogen is met ons, mensen, dat Hij er zelf stuk aan gaat. Van zo’n unieke God kun je houden. Aan zo’n God kun je je toevertrouwen. 
Kunt u mij zeggen wie God is? Het wordt er vooral niet gemakkelijker op. Ik durf niet te zeggen dat het mij allemaal glashelder is, maar ik vind het zo’n spannend avontuur om op deze manier gelovige, ook Schiftleerling, te mogen zijn, anno Domini 2013. Alles serieus nemen wat er vandaag-de-dag gebeurt. Nergens met een boogje omheen lopen. Niets toedekken met wat stoplappen of dooddoeners, hoe goed dan bedoeld. Met ons, mensen, is een heleboel gebeurd. In en met dat alles zijn we op zoek naar God, de Levende, de Enige die echt deugt. De kerkvader Augustinus schreef lang geleden, ongeveer 400 jaar na Christus, in zijn Belijdenissen; ‘Ik zou U niet zoeken, als U mij niet allang gevonden had’. In dit alles zijn we aangewezen op deze unieke God, die zich ook verloren voelt in het Vaderhuis, zolang wij in de vreemde zijn en vreemd gaan. Maar soms zijn er momenten, als in een flits, van thuiskomen, van omhelzen, elkaar in de armen vallen. Dan is het feest, als een voorproefje van het uiteindelijke feest, als we voorgoed thuis zijn. Tot dan zijn we op zoek, met vallen en opstaan, en laten we ons gezeggen door de oude woorden van de profeet Jesaja: 
       ‘Zoekt de Here, terwijl Hij zich laat vinden; roept Hem aan terwijl 
        Hij nabij is. De goddeloze verlate zijn weg en de onrechtvaardige 
        zijn gedachten en bekere zich tot de Here, dan zal Hij zich over 
        hem ontfermen  – en tot onze God, want Hij vergeeft veelvuldig’. 
2003-03-30  Blijven of weggaan
Blijven of weggaan
O.T. Jozua 24:14-16; N.T. Johannes 6: 60-71
Blijven of weggaan…? Het lijkt alsof je die keuze zelf in de hand hebt. Dat is lang niet altijd het geval. Ik zal een paar voorbeelden noemen: 
Ik ben krijgsgevangene in Irak. Het maakt even niet uit of ik Irakees, Brit of Amerikaan ben. De tegenstander heeft mij hoe dan ook te pakken gekregen. Blijven is het wachtwoord. Weggaan is niet aan de orde. Ik probeer mij voor te stellen hoe dat voelt. Of hoe het voelt als – nog erger –  een van mijn kinderen daar bij zou zijn: overgeleverd aan de vijand, misschien wel getoond op de televisie. Om gek van te worden…! 
Een ander voorbeeld blijft iets dichter bij huis: Ik heb een baan bij een bedrijf dat alom de wind tegen heeft omdat de markt oververzadigd is. Als ik wegga, sta ik zeker op straat, met alle risico’s van dien. 
Laatste voorbeeld: ik ben gehandicapt en dus aangewezen op dure, intensieve zorg. Weggaan? Hoe dan? En waarheen? 
Onze keuzevrijheid is bij nader inzien nogal beperkt. Je bent meer gebonden  dan je vaak waar wilt hebben. 
Met het geloof en met de kerk ligt het misschien wat gemakkelijker. Het is een soort extraatje dat je eventueel ook wel kunt missen. Net als een blinde darm. Als die weggaat, is je leven er doorgaans niet mee gemoeid. Laten we die vraag – blijven of weggaan? – eens testen aan de hand van verhalen uit de Bijbel. 
We lezen het slot van Johannes 6. Blijkens het begin van dit hoofdstuk heeft en doet Jezus iets met mensen. De belangstelling is overweldigend: vijfduizend mannen. Tel daar nog eens de vrouwen en de kinderen bij. Dan heb je een enorme club. 
Wat heeft al die mensen op de been, in beweging gebracht? Die ene mens, Jezus, die zulke aparte dingen zegt en doet. Hij deelt tussen de bedrijven door ook brood en vis uit. In en door Zijn handen wordt het vermenigvuldigd. Er is genoeg voor allen en nog ruimschoots over. De mensen vermoeden terecht dat dit, dat Hij iets met God te maken heeft.  
Maar als Jezus dat gebeuren van het brood en van de vis gaat uitleggen, dan loopt het mis. Het enthousiasme zakt als een pudding in elkaar, slaat ook om in ergernis. Wat Ik deed en gaf, zegt Hij, wijst heen naar mezelf. Het is geen hocus pocus, geen show, geen publiekstrekker. Zoals dit brood gebroken wordt, zo laat Ik mijzelf breken ter wille van de mensen, wereldwijd. Wat de wereld, met alles wat d’r op en d’r an zit, draagt en bewaart, is niet een grote mond, ook niet een dikke vuist, evenmin een volle portemonnee, maar een offer. En dat niet zomaar, het is een offer van Gods kant. 
Dat is een zwaar woord: offer. Je loopt erom heen en je probeert er dichter bij te komen. Bijvoorbeeld door te zeggen: offeren is geven in de hoogte graad. Anders gezegd: leven dat leeft, steunt op leven dat sterft. Het blijft stamelen en stotteren. Iemand zei: ‘Tegen de tijd dat je ’t kunt weten, ben je versleten.’ Of met de woorden van een lied: ‘Leer Mij, o Heer, Uw lijden recht betrachten, in deze zee verzinken mijn gedachten.’
‘Ik ben het brood des levens’, zegt Hij. Brood voor de wereld. Dat is óf de hoogste waanzin óf de diepste waarheid. De meeste mensen, daar en toen, vonden het waanzin, in elk geval: onzin, prietpraat. Ze gaan weg, voelen zich niet meer betrokken. Misschien al mopperend: ze bekijken het maar! Misschien geruisloos: weer een teleurstelling, een kaarsje gedoofd. ’t Lijkt wel een beetje op kerkverlating. Een beetje, want de kerk, al heet ze dan ook lichaam van Christus, is niet gelijk aan Jezus zelf. De kerk vaarwel zeggen betekent niet altijd breken met het geloof. Daarom zei ik: ’t lijkt een beetje op kerkverlating. Sommige mensen zeggen duidelijk: mij niet meer gezien. Er zijn ook bosjes mensen die geruisloos verdwijnen, weggaan zonder groeten.
Van ruim vijfduizend naar een handjevol. Dat is een aderlating! Jezus ziet ze gaan en zegt dan, met het oog op de twaalf discipelen: ‘Jullie willen toch ook niet weggaan?’  Wonderlijke vraag. Het is de toon die de muziek maakt. Als je die vraag uit het verband haalt, kun je er allerlei geluiden in horen. Onverschilligheid. Op de wijze van: ’t zal mij een zorg zijn! 
Dat klopt niet met de rest van het Evangelie. Het laat Jezus alles behalve koud wat mensen zeggen en doen. We lezen – om een voorbeeld te noemen – dat Hij huilde over Jeruzalem en zei: hoe vaak heb Ik u naar mij toe geroepen zoals een kloek doet met haar kuikens? 
Is het dan angst misschien? Zo van: als jullie ook weggaan, dan ben Ik nergens meer! Ook dat kan het niet zijn. Er wordt in het Evangelie wel verteld dat Jezus angst had. Vooral in de hof van Gethsemane. Niet zozeer vanwege de discipelen die allemaal op de loop gingen, maar vanwege het offer dat niemand met Hem kon delen. Geen onverschilligheid dus. Ook geen angst. Wat dan wel? Een afgezaagd woordje, maar wel het hart van de zaak: liefde. Liefde is ook de kunst van het loslaten. Je helpt de ander om bewust een keus te maken en elkaar zo, van harte, nabij te zijn. 
Blijven of weggaan? Er is er één in de kring, die reageert. Heel echt, puur, en daarom zegt het zoveel: ‘Here, tot wie zullen we heengaan?  U heeft woorden van eeuwig leven.’ Deze reactie komt van Simon, ook wel Petrus genoemd. Later sloeg hij plank nog vaak mis, zei hij dingen die niet helemaal of helemaal niet in de roos waren. Over deze man staan minder fraaie dingen in het Evangelie, maar wat hij hier zegt is goud waard, zelfs meer dan dat. Tot wie zullen we heengaan? 
Ik herken mijzelf in deze vraag die iets heeft van een verzuchting. Er wordt zoveel gezegd, beloofd, geshowd, getrokken, gepeuterd aan mensen. Het is nooit anders geweest. In het groot en in het klein. In het groot zijn er hele systemen bedacht en in werking gezet om mensen een betere toekomst te bieden: socialisme, communisme, liberalisme, kapitalisme, idealisme. Is het er beter op geworden? Mensen zijn allergisch geworden voor grote woorden. Ook op kleinere schaal is en wordt zoveel beloofd. Met bijbedoelingen, maar vaak ook heel oprecht. Soms wordt het wat, soms blijkt het niks te zijn. 
Tot wie zullen we heengaan? Vooral als het spannend wordt, als de zaak op scherp komt te staan. U hebt woorden van eeuwig leven. Woorden die niet stuk te krijgen zijn! Onze woorden zijn vaak zo kort van duur en klein van kracht. Net als bij de verzekering. Als het echt gaat spannen, zijn er allerlei kleine lettertjes waardoor de grote woorden niet meer gelden. Zo gaat ook met ons geloof. Het is soms, vaak, zomaar weg. 
Dat heeft diezelfde Simon Petrus aan den lijve ervaren. Hij overschatte zichzelf met zijn: ‘Ik zal dit, ik zal dat!’ Het spatte als een zeepbel uit elkaar. Geloven betekent ook: afzien van jezelf, opzien, uitzien naar Hem, die als enige woorden van eeuwig leven heeft. 
Ik kom nog even terug op dat woordje kerkverlating. De kerk valt niet samen met Jezus Christus, die de Heer is. Niet de kerk heeft woorden van eeuwig leven. Het is wel de plaats bij uitstek waar die woorden bewaard worden. Niet opgesloten als in een kluis, maar bewaard om ernaar te luisteren en er iets mee te doen. De kerk heeft alleen toekomst als ze die woorden van eeuwig leven eerbiedig en zorgvuldig doorgeeft en voorleeft. 
Zo’n plek, zo’n plaats van licht en hoop, waar iedereen welkom is, is broodnodig in deze wereld. Ik weet wat er gaande is in en om de kerk. Ik word er lang niet altijd vrolijk van. Maar als die Ene, Jezus Christus, in het midden staat, het hart van de kring is, dan kom je telkens weer op verhaal, dan schep je moed. Dan weet je opnieuw: wat Hij zegt en doet, ook naar mij toe, dat kan nooit meer stuk.