Marchal


Lucas 2: 10
Gehouden op:
*Eerste Kerstdag 1974, 9.30 uur te Oosthem
Bijbellezing: Lucas 2: 1 – 14.

Ik begin met een kort verhaal, dat ik al eens eerder verteld heb. Ik wil niet in herhaling vallen, maar ik denk dat dit verhaal ons een dienst kan bewijzen om onze ogen en oren te scherpen voor het wonder van het Kerstfeest.
Professor Albert Einstein was een van de grootste natuurkundigen die onze eeuw tot nu toe gekend heeft. Van heinde en ver stroomden studenten naar hem toe om onderwezen te worden door deze grote leermeester. Een van de regels die de professor zijn studenten telkens voorhield was deze: Als je met proeven bezig bent in het laboratorium en je vindt iets wat niet in je systeem past, dan moet je al je aandacht richten op deze nieuwe, vreemde vondst. Misschien valt het oude systeem wel helemaal in duigen, maar dat hindert niets. Dit nieuwe gezichtspunt kan je misschien verder op weg helpen om de wonderen van de natuur des te beter te verstaan.
Deze raad van professor Einstein geldt niet alleen op het gebied van de natuurkunde, maar ook op dat van het Evangelie. Wij gaan vandaag, voor de zoveelste keer in ons leven, op ontdekkingstocht door het Kerstevangelie. Het klinkt op het eerste gehoor overbekend. We kennen het vrijwel vers voor vers uit ons hoofd. En toch, als we aandachtig lezen en luisteren, vinden we allerlei punten en lijnen die niet in ons vertrouwde, van ouds bekende, systeem passen. Daar kunnen we natuurlijk overheen lezen, maar dan doen we het Kerstevangelie en onszelf te kort. We moeten al onze aandacht richten op datgene wat ons vreemd in de oren klinkt. Dan valt ons oude systeem, het beeld dat wij ons van het Keestfeest gevormd hebben, misschien in elkaar, maar dat hindert niets. Dit verlies kan winst zijn. Aan de hand van dit vreemde, dit onbekende, worden we misschien voortgeholpen om het wonder van het Evangelie des te beter te verstaan.
In het Kerstevangelie is sprake van vrees. Van enkele herders, die er het dichtst bij betrokken zijn, wordt gezegd: ‘en zij vreesden met grote vreze’. Met andere woorden: zij werden doodsbenauwd.
Eerlijk is eerlijk: dit element past niet in ons systeem; deze vondst strookt niet met onze wijze van Kerstfeest vieren, met alles wat wij erbij denken en ervan gemaakt hebben.
Niet dat we nooit bevreesd zijn, integendeel. In ons gewone doen stuiten we, bijna dagelijks, op ervaringen en berichten, die ons bang maken. De voorbeelden liggen voor het grijpen en zijn doorgaans overbekend. Maar op het Kerstfeest proberen we de vrees zo ver mogelijk van ons af te zetten, want Kerst is een feest van blijdschap. Gedachtig aan de raad van professor Einstein richten we onze aandacht op deze vreemde vondst, gaan we dit vreemde spoor eens verder volgen. Misschien doen we geweldige ontdekkingen.
De psychologie, de zielkunde, leert ons: als de vrees wordt verdrongen, weggedrukt, dan komt ze vroeg of laat met hernieuwde kracht naar boven, met alle kwalijke gevolgen vandien; maar als de vrees serieus wordt genomen, onder ogen wordt gezien, dan staat de weg naar genezing en bevrijding open. Het kan zijn dat zij die op het Kerstfeest bevreesd worden er voortaan voorgoed van bevrijd worden en alle dagen leven in een diepe blijdschap. Een hoopvol vermoeden dat, zoals we al lezend en luisterend zullen ontdekken, alleen maar bevestigd wordt.
Er waren herders in de omgeving van Bethlehem. Mensen die niet voor een kleintje vervaard waren. Herder zijn was in die dagen een hard en rauw beroep. Soms mensen van twaalf ambachten en dertien ongelukken. Zij hielden ’s nachts om beurten de wacht over de kudde schapen. Wilde dieren kennen wij alleen maar van plaatjes en uit de dierentuin, maar daar en toen vormden zij een levensgroot gevaar.
‘En opeens stond een engel des Heren bij hen en de heerlijkheid des Heren omstraalde hen’. Hun reactie is: vrees, ontzetting; ‘en zij vreesden met grote vreze’. Wij zijn geneigd om dit vreemde spoor van de vrees weer te verlaten en op de oude voet verder te gaan. Want dit element van de vrees kunnen we wel thuisbrengen, dat is niet zo vreemd als het lijkt.
Een engel, de heerlijkheid des Heren en dit alles zo angstig dichtbij, dat is een uitzonderlijke gebeurtenis, die vandaag de dag zelden of nooit meer voorkomt. Dat moeten we toch maar niet te gauw en te vlot zeggen, want de Schrift leert ons anders. Een engel is een boodschapper, een gezant van God. Hoe hij eruitziet, doet weinig ter zake, maar wat hij zegt zoveel te meer. Op gezag van God brengt hij een boodschap over, zodat de menselijke werkelijkheid in het licht van God wordt gezet. Overal waar de goddelijke Boodschap overkomt, daar verschijnt de heerlijkheid des Heren.
Nu gaan we een stap verder. Het is veelzeggend dat de Schrift vanaf het Pinksterfeest zelden nog over engelen spreekt. Beademd, bezield door de Heilige Geest worden gewone mensen toegerust tot een buitengewone taak: gezant, boodschapper van God zijn. Overal waar, altijd wanneer dit in eenvoud en eerbied geschiedt, het Woord van God bediend wordt, gebeurt hetzelfde wonder dat eens in de omgeving van Bethlehem plaatsvond. De heerlijkheid des Heen verschijnt. Alles wordt beschenen door Zijn licht. Alles wordt beschenen door Zijn licht. Allen worden binnen Zijn lichtkring getrokken. In dit licht vallen onze maskers af, worden we doorgelicht tot op de bodem van ons hart. Dat gebeurt zondag aan zondag, wanneer mensen verzameld zijn rondom het Woord en bidden om de verlichting van de Heilige Geest.
De levende God, de Enige, de Eeuwige, is immers niet een verre toeschouwer, die Zijn handen aftrekt van de mens en van de wereld, maar de God van het verbond, die van Zich laat horen, die Zijn tegenwoordigheid laat oplichten. Onder de bediening van Zijn Woord, dat Hij telkens weer laat klinken door de mond van Zijn dienaren, gaat het licht van Zijn aanwezigheid op. In deze ontmoeting, in deze confrontatie, moet ieder mens zijn ogen neerslaan, voelt ieder de grond onder zijn voeten wegzakken. De heerlijkheid des Heren ontmaskert ons als zondaren, die het licht van God niet kunnen verdragen. In dit licht worden we weggeschroeid, weggebrand. Als Hij ons zo nabij komt, kan Hij dan anders komen dan als Rechter? Kan deze heerlijkheid iets anders betekenen dan onze ondergang?
‘Er waren herders in de omgeving van Bethlehem die de wacht hielden over hun kudde. En opeens stond een engel des Heren bij hen en de heerlijkheid des Heren omstraalde hen. En zij vreesden met grote vreze’. Dat is geen uitzonderlijke gebeurtenis. Als wij enigszins besef hebben van de levende God, van Zijn heiligheid en majesteit, dan wordt de vrees van de herders ook de onze. Wie kan het licht van Gods heerlijkheid, dat ons omstraalt, verdragen?
Hier stoten we wellicht op de diepste wortel van alle vreesachtigheid, die ons vaak bekruipen kan. Er is vrees voor ziekte, voor eenzaamheid, voor leed; er is vrees voor de toekomst, vrees voor de dood. Maar al deze vormen van vrees zijn verschijnselen van een kwaal die in wezen dieper ligt. De wortel van alles is de vrees of ons menselijk bestaan, heen en weer geslingerd in de maalstroom van het leven, gedeukt aan alle kanten, of dit allegaartje ten overstaan van God uiteindelijk verloren is of behouden, vervloekt of gezegend, ten dode gedoemd of ten leven bestemd. Daarom kon de oude professor Gunning eens schrijven: ‘op de bodem aller vragen ligt der wereld zondeschuld’. Dat is geen zwartgalligheid, maar de enige peiling van ons menselijk bestaan die ter zake en grondig is.
Maar het ongehoorde van het Evangelie is dit: deze kwaal wordt bij de wortel genezen; deze diepste vrees wordt uitgebannen. Dat zullen alleen zij verstaan die, evenals de herders, bevreesd zijn vanwege de heerlijkheid des Heren. Tot hen, tot ons, wordt op gezag van God gezegd: ‘Weest niet bevreesd’. De heerlijkheid des Heren is voor allen die hun ogen neerslaan en hun knieën buigen, niet oordelend, maar vrijsprekend, niet verwoestend, maar heelmakend. Hij, de Here, ‘komt nabij om hen te beschijnen die gezeten zijn in duisternis en schaduw van de dood om hun voeten te richten op de weg van de vrede’.
‘Want zie, ik verkondig u grote blijdschap, die heel het volk zal ten deel vallen: U is heden de Heiland geboren, namelijk Christus de Here in de stad van David. Dit zij u het teken: een kind, in doeken gewikkeld en liggend in een kribbe’. De heerlijkheid des Heren heeft Zich samengebald in een mens van vlees en bloed, een broeder die ons lot deelt en onze schuld draagt. Zonder luister, zonder heerlijkheid. Maar wiens ogen geopend zijn voor dit ongehoorde wonder – God die onze broeder is – zegt verbaasd met de apostel Johannes: ‘Het Woord is vlees geworden en het heeft onder ons gewoond; wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, vol van genade en waarheid’.
‘U is heden de Heiland geboren!’ De vrees wordt uitgedreven en in plaats daarvan komt een mateloze blijdschap. Dankzij deze genade en deze waarheid, vlees en bloed geworden in dit Kind van Bethlehem, de Man van Smarten, de Vorst van Pasen, weten mensen dat hun bestaan niet verloren is, maar behouden, niet vervloekt, maar gezegend, niet ten dode gedoemd, maar ten leven bestemd. Deze blijdschap zal alle vormen van vrees overwinnen. Als we het toch te kwaad krijgen met alles wat ons benauwt, dan worden we van Godswege weer tot de orde geroepen. Daarom lezen we in de Schrift telkens weer: ‘Weest niet bevreesd! Ik ben met u alle dagen tot aan de voleinding der wereld. Wees niet bevreesd, Ik ben de eerste en de laatste en de levende; Ik ben dood geweest en zie, Ik ben levend tot in alle eeuwigheden en Ik heb de sleutels van de dood en het dodenrijk’. Waarom zouden we dan nog bang zijn? In leven en in dood worden we vastgehouden door Hem die onze Heiland is. Dan zijn de diepste tonen van ons leven, al onze dagen, blijdschap en vrolijkheid.
Professor Einstein zei tegen zijn studenten: als iets niet in je systeem past, wees dan op je uiterste, richt al je aandacht daarop! Misschien valt het oude systeem in elkaar, maar dit verlies kan winst zijn. In het Kerstevangelie stuiten we tot onze verbazing op een element dat ons niet vertrouwd is, de vrees! Die hebben we op deze dagen weggedrukt, verdrongen, maar straks steekt ze opnieuw de kop op. Dan zijn we de blijdschap weer kwijt. Maar het Evangelie leert ons dat het anders kan, anders moet. Een nieuw feest dat ons nieuw maakt! Dat uit zorgen, nood en angst nieuw geloof, nieuwe hoop, nieuwe liefde geboren doet worden. Wie op het Kerstfeest leert te vrezen voor de heerlijkheid des Heren, wordt er voorgoed van bevrijd en leeft voortaan in blijdschap.
‘Weest niet bevreesd! U is heden de Heiland geboren!’ Ga in deze verwondering naar huis! Wees blij! Maak het gezellig, omdat deze God in Christus onze Metgezel is. Amen.

===   ===   ===

Lukas 2: 1 – 14
Gehouden op:
*Dinsdag Eerste Kerstdag 1979, Ellecom / De Steeg
Bijbellezing: Lukas 2: 1 – 14

Ik ga iets vertellen over een keizer. Je kunt wel raden hoe die keizer heet …. Ja, Augustus, want zijn naam wordt in het Kerstverhaal genoemd: ‘En het geschiedde in die dagen dat er een bevel uitging vanwege keizer Augustus…’.
Als je keizer bent, ben je verschrikkelijk machtig. Als je dan ook nog keizer bent van het grote Romeinse Rijk, nou ja, dan ben je zo allerverschrikkelijkst machtig, dat je het bijna niet meer kunt zeggen. Want, je moet weten, het Romeinse Rijk was toen-der-tijd eigenlijk alles, bijna zo groot als de hele wereld. Wat buiten dit Rijk lag, wie niet tot dit Rijk behoorde, telde helemaal niet mee. De keizer, in het Kerstverhaal genoemd, voelde zich ook heel hoog en verheven. Daarom had hij zijn naam veranderd. Hij was soldaat geweest en opgeklommen tot generaal in het leger. Toen heette hij Octavianus. Maar toen hij keizer werd, koos hij de naam Augustus en dat woord betekent: de hoge, de verhevene. Dat was nog niet mooi genoeg, want na verloop van tijd moest je er nog een klein woordje voor zetten: ‘divus’, en dat betekent: goddelijk.
‘Divus Augustus’, keizer van het Romeinse Rijk. Hoger, machtiger kan het eigenlijk niet. Of…. misschien toch wel? Ja, er is iemand nog hoger en machtiger dan deze ‘divus Augustus’, maar over Hem praten we straks verder.
Op een dag vaardigde de keizer vanuit Rome – want daar woonde hij – een bevel uit, dat al zijn onderdanen zich moesten laten inschrijven. Een inschrijving, een volkstelling … Waarom dan? Ja, dan wist hij precies hoeveel onderdanen hij had. En het moest ook vanwege de belasting. Kijk, als ze in Arnhem of in Den Haag niet weten wie je bent en waar je woont, dan krijg je nooit een aanslag voor de belasting. Er zijn natuurlijk heel wat dingen veranderd in de loop der tijd, maar zo was het eigenlijk toen-der-tijd, in het grote Romeinse Rijk, ook. Een bevel tot inschrijving voor iedereen.
Dat kwam de meeste mensen helemaal niet gelegen. Er waren mensen die eigenlijk helemaal geen tijd hadden; er waren mensen die juist in die tijd zouden trouwen; er waren mensen die heel moeilijk of helemaal niet konden reizen vanwege ouderdom, ziekte, gebrek.
Stel je voordat wij ineens bevel kregen om heel binnenkort op reis te gaan naar de plaats waar je voorouders woonden: de een naar Zwolle, de ander naar Ameland, een derde naar Middelburg en dan zonder auto, bus, trein, fiets, want die waren er toen niet.
Je begrijpt dat zo’n bevel een heleboel opschudding, zorg en narigheid teweegbracht. Maar ja, je kon denken of doen wat je wilde, maar het moest, want de keizer, Augustus, de Verhevene – zo verheven dat er nog iets bij moest, ‘divus’, goddelijk – deze keizer had het beslist. En…. zijn wil was wet!
Nu maken we een heel grote sprong en het lijkt zelfs een diepe val. We gaan van de keizer naar een kind. Ergens in het grote Romeinse Rijk, eigenlijk in een uithoek, in Judea, wordt een kind geboren. Twee mensen, Jozef en Maria, zijn op reis naar Bethlehem om zich te laten inschrijven. Voor die twee kwam het bevel van de keizer verschrikkelijk ongelegen. Toen ze daar waren, in een vreemde omgeving, te midden, van vreemde mensen, toen kreeg Maria een Kind, een Zoon, en zij wikkelde Hem in doeken, legde Hem in de kribbe, omdat voor hen geen plaats was in de herberg.
Ik denk – nou, ik weet wel zeker – dat de keizer in Rome niet van deze geboorte geweten heeft. Er werden zoveel kinderen in zijn Rijk geboren en dat kon hij niet allemaal bijhouden, want hij had belangrijker dingen aan zijn hoofd.
Een keizer, Augustus, zelfs nog mooier: ‘divus Augustus’, in een paleis in Rome, en een Kind, Jezus, geboren in een stal, ergens bij Bethlehem. Het verschil is wel erg groot, haast hemelsbreed. Dat is vast en zeker, maar … het verschil is anders dan wij denken. Dit kleine Kind, Jezus, is groter dan de verheven keizer. Aan de keizer wordt niet meer gedacht. Zijn naam leeft voort in de maand, die naar hem genoemd is; zelf is hij vergeten. Aan Jezus wordt nog steeds gedacht, van Hem wordt verteld en gezongen tot op de dag van vandaag. En het Romeinse Rijk heeft vijf eeuwen bestaan; daarna is het in verval geraakt, uitgehold en versnipperd; maar het Rijk van Jezus bestaat voor eeuwig.
Dit kleine Kind is groter dan de verheven keizer. Het is ons al zo vaak verteld dat we er niet meer van opkijken, maar eigenlijk is het een gekke, dwaze boodschap. We zouden het ook niet geloven als het ons niet op gezag van God verteld werd. Zo hebben herders het gehoord die de wacht hielden bij hun kudde. Hun werd verteld door engelen, loop- en loofjongens van God: ‘U is heden de Heiland geboren, Christus, de Here, in de stad van David’. Zo is het ook gegaan in het verdere leven van Jezus, toen Hij groter werd. Er was weinig of niets aan Hem te zien, waardoor je op het idee zou komen dat Hij sterker was dan de grote keizer. Hij zei en deed wel merkwaardige dingen. Hij was meestal in het gezelschap van zieken en misdeelden, mensen die verkreukeld waren als een stukje papier dat wacht op de prullenmand. Zijn weg op aarde liep uit op een kruis. Is dit Kind, deze mens, deze Gekruisigde, groter dan de hoogste keizer? Als het ons niet door God Zelf wordt uitgelegd, dan blijft het een gekke, dwaze boodschap. ‘Want ieder blijft Gods woorden vreemd, behalve wie ze van Hem Zelf verneemt’.
Als dat gebeurt, als God Zelf het uitlegt door de mond van Zijn boodschappers, dan gaan we er iets van begrijpen: voor u, voor mij is de Heiland geboren; arm geworden om ons rijk te maken; gestorven om ons te laten leven; de minste van de mensen zodat ieder mag weten dat niemand te min voor Hem is. Alleen Hij verdient de naam ‘Augustus’, de Verhevene, en zelfs het woordje ‘divus’, goddelijk.
Kerstfeest 1979. Vandaag wil de Here Jezus opnieuw geboren worden, komen en wonen in jullie en mijn hart. Er is veel veranderd sinds de dagen van Augustus, maar er is nog meer gelijk gebleven. Er wordt gesproken en geschreven over de wereldmachten, die doen wat ze willen. Amerika, Rusland, China, de macht van de oliestaten, volken en godsdiensten in beweging. Wat zullen de wereldmachten doen? Zoveel mensen, met klinkende namen: president, premier, sjeik, ayatolla …., wat zullen ze bedenken?
Maar, weet je, de wereldmachten zijn tijdelijk, al kunnen ze nog zoveel angst en leed, bloed en tranen teweegbrengen. Na verloop van tijd zijn al de namen van al die mensen, die we nu iedere dag horen en lezen, vergeten op de aarde, net zoals die van Augustus, eens de keizer van het Romeinse Rijk. Maar de macht, het Koninkrijk van Jezus eeuwig.
Waar kun je dat aan zien? Nou, eigenlijk nergens aan. Op de weg van het Evangelie, van het geloven is eigenlijk weinig of niets te zien. Soms een teken, zoals dat van de Doop of dat van het Avondmaal. Als het niet uitgelegd wordt zegt het eigenlijk niets. Maar wie een beetje thuis is geraakt in de wonderen, de geheimen van God stemt in met het lied van de engelen en raakt dit loflied nooit meer kwijt:
‘Ere zij God in den hoge en vrede op aarde bij mensen van het welbehagen’. Amen.

===   ===   ===

Lucas 2: 1 – 20
Gehouden op:
*Donderdag Eerste Kerstdag 1980; Ellecom / De Steeg.
Bijbellezing: Lucas 2: 1 – 20.

Het al-oude verhaal uit Lucas 2. Opnieuw gelezen. Voor de hoeveelste keer in deze dagen? Opnieuw gehoord. Voor de hoeveelste keer in uw leven? Laten we op deze Kerstmorgen een deel belichten, in de hoop dat we al doende hart krijgen en houden voor het geheel.
In het kerstevangelie komt driemaal de uitdrukking voor: ‘En het geschiedde’. Eerst aan het begin, vanwege dat bevel van keizer Augustus. Dan halverwege, als de dagen vervuld zijn en Maria het kind ter wereld brengt. En dan, na verloop van tijd, als de engelen uitgezongen zijn, in verband met de herders die sprakeloos gaan en luid terugkomen. Telkens die woorden: ‘En het geschiedde..’. Dat kan niet toevallig zijn. Wat wil dit toch zeggen? Hier wordt ingescherpt en onderstreept dat het Kerstgebeuren geen sprookje is, geen denkbeeldig verhaal op de wijze van: ‘Er was eens…’, maar geschiedenis. Dit Kind, deze Jezus heeft zich gevoegd naar onze orde, is ingetreden in onze geschiedenis.
Geschiedenis. Ja, daar noem je een woord dat een wereld van gedachten oproept. Wat gebeurt er eigenlijk, dat werkelijk standhoudt? Is er een oorsprong? Is er een zin in het gebeuren, is er een doel? Sommigen, beter gezegd: de meesten zijn uiterst somber. Er wordt gezegd – en er is stof genoeg om deze bewering hard te maken – : de geschiedenis lijkt op het verhaal, verteld door een dwaas. Een verward, onsamenhangend geheel, zonder kop of staart. Of, met een ander beeld: de geschiedenis van de mens en van de wereld is een wirwar van draden, zonder dat zich een patroon aftekent.
Met deze vragen en verlegenheden gaan we luisteren naar wat er in die dagen gebeurde, met de bede van Psalm 90 op onze lippen: ‘Leer ons zo onze dagen tellen, dat wij een wijs hart bekomen’.
‘En het geschiedde in die dagen, dat er een bevel uitging vanwege keizer Augustus’. Als er een, in die dagen, de loop der gebeurtenissen bepaalde, geschiedenis maakte, dan wel deze keizer Augustus, hoofd van het Romeinse Rijk, tronend in de eeuwige stad Rome. Eén bevel en het hele rijk raakt in rep en roer. Duizenden mensen komen in beweging, van huis en haard vertrokken naar de voorvaderlijke grond.
In dit grote gebeuren is de gebeurtenis in Bethlehem maar een heel klein incident. Het wordt ook ingeluid met: ‘En het geschiedde…’, maar dit is toch van veel kleinere omvang en draagwijdte. Bethlehem is, in vergelijking met Rome, een gehucht, een uithoek. En wat is een kind, geboren op een nederige plaats, vergeleken met een verheven keizer? Toch klopt hier, in dit vergeten oord, de slagader van wat geschiedenis heet; hier ritselt het geheim, dat de donkere weg tussen de schepping en de voleinding verlicht.
‘En het geschiedde, toen zij daar waren, dat de dagen vervuld werden ….’. Weer is sprake van dagen, zoals in het begin: ‘en het geschiedde in die dagen ….’, maar hier horen we van dagen, die vervuld zijn. Welke dagen? Van Maria? Jazeker! Dat blijkt ook uit het vervolg. Maar Maria is niet zomaar iemand. Dat kun je wel van Augustus zeggen. Hij is in het leger opgeklommen, van soldaat tot generaal en trok toen, met behulp van trawanten en intriges, de keizerlijke, later uitgebreid met de goddelijke waardigheid aan zich. Zo kwam zijn ster op, blonk een poosje en verzond in het niet. Maar Maria is niet zonder voorgeschiedenis en achtergrond. Men leze het eerste hoofdstuk van het Evangelie naar Lucas. Zij staat in de traditie van een volk, dat staat en gaat bij de gratie Gods. Een volk dat bestookt is met beloften, opdat het een licht zou zijn voor alle volkeren. In deze bescheiden gestalte, Maria, zijn ook de dagen van het volk Israël vervuld. Met de woorden van Dr. Oepke Noordmans: ‘Dingen die eeuwen geleden voorspeld waren komen nu uit. Beloften die aan vroegere geslachten gedaan waren, worden nu vervuld. Wat in tal van ceremoniën was afgebeeld, wordt nu werkelijkheid. Profetieën, psalmen, spreuken lopen te hoop en verdringen elkaar om aan de beurt te komen. Er valt geen tijd te verliezen; de ‘volheid des tijds’ is gekomen’. ‘En het geschiedde, toen de dagen vervuld werden ….’. Hier, op dit eindpunt van een verleden, dit vertrekpunt naar een nieuwe toekomst, hier wordt geschiedenis gemaakt. Hier wordt een patroon van heil geweven. Het klinkt ongerijmd, het is onwaarschijnlijk. Het Evangelie is niet de bevestiging van alles wat we altijd al gedacht en gevoeld hadden. Het staat er haaks, beter nog: kruislings op. Ook onze beste momenten zijn in het licht van God nog verstikkende duisternis. Het Evangelie, zo schrijft de apostel, is niet naar de mens; het is de Joden een ergernis, de Grieken een dwaasheid. Maar het is eeuwig waar: hier ruist de hartslag van de geschiedenis. Augustus is van het toneel verdwenen. Zijn naam leeft alleen nog voort in de maand die naar hem genoemd is. En het Romeinse Rijk, dat eeuwig leek te zijn, is te gronde gegaan na verloop van enkele eeuwen. Maar dit Kind, deze Jezus, is de zin van alles, de zegen voor allen. Van Hem zegt, zingt de geloofsbelijdenis van Nicea terecht en ter zake: ‘wiens Rijk geen einde zal hebben’.
Ja, dat beamen wij, na zoveel eeuwen. Maar hoe komen wij aan deze wijsheid? En wat kost het ons aan zelfverloochening, verbrijzeling, schuldbelijdenis? We zijn geen haar beter dan de anderen. Aanvankelijk heeft niemand deze hartslag gehoord, niemand dit geheim onderkend. Daarom zongen de engelen, loopjongens, loofjongens van God. De grote daden van God kunnen immers niet zonder dankbaar commentaar blijven? Bij gebrek aan mensen zongen engelen. Dat is telkens het geval in de Schrift: op het Kerstfeest, het Paasfeest, bij de Hemelvaart en dan …. op het Pinksterfeest gaan de harten en de monden van mensen eindelijk open. Voordien is de Geest ook al onvermoeibaar bezig om dorre, doodse mensenzielen in vuur en vlam te zetten. En kijk, hier en daar, af en toe, springt de vond over, voegen mensen hun leven naar het patroon van God. Zoals die herders, met wie iets gebeurt, op wie het lied van de engelen aanstekelijk gaat werken. Het wordt weer ingeleid, ingeluid met de woorden: ‘en het geschiedde…’.
‘En het geschiedde, toen de engelen van hen heengevaren waren naar de hemel, dat de herders tot elkander spraken: laten wij dan naar Bethlehemgaan om te zien hetgeen geschied is en ons door de Here is bekendgemaakt’. Ze gingen sprakeloos op weg en keerden luidruchtig terug, want ze vertelden aan ieder die maar horen wilde wat tot hen gesproken was over dit Kind.
Het Kerstfeest is een uniek, onherhaalbaar gebeuren. Het wordt jaarlijks gevierd om het spoor, het patroon van Gods heil niet bijster te raken, om wegwijs gemaakt te worden in de wirwar van de geschiedenis. Ook in onze dagen geschiedt ongehoord veel. Het bevel van keizer Augustus heeft plaatsgemaakt voor andere verordeningen en ontwikkelingen. Het resultaat van een en ander is nog steeds, wellicht erger dan toen-der-tijd, dat de wereld in rep en roer is. Het probleem van de werkloosheid brengt zoveel mensen niet alleen financieel, maar ook geestelijk en zedelijk aan lagerwal; de rechten en de plichten van onvervangbare mensen worden met voeten getreden; de leegte van het heden, de angst voor de toekomst is voor tallozen een nachtmerrie. Wat is wezenlijk, wat houdt stand, wat heeft eeuwigheidswaarde? In dit tumult, in deze razernij van de geschiedenis, schrijft God Zijn geheim, weeft Hij Zijn patroon, hoopvol en heilzaam. Wat Hij zegt en doet, is pas echt geschiedenis. Zijn Geest werkt onvermoeibaar om het heil, in Christus geschonken, geloof te doen vinden en aldus leven te doen ontluiken. Als mensen zich laten gezeggen, zich laten zegenen, dan ontwaren ze dit geheim, dit patroon en gaan ze met vertrouwen verder, wetend dat de laatste toekomst aan Hem is, die oorsprong zin en doel van al het zijnde is. Het gebeurt met vallen en opstaan, zeker! Tussen twijfel en geloof, hoe anders? Met vrees en beven, stellig! Dat wordt op aangrijpende wijze verwoord in het laatste Bijbelboek, Openbaring 5. Er wordt een boekrol getoond, beschreven vanbinnen en van buiten, welverzegeld met zeven zegels. Deze rol verbeeldt de wereldgeschiedenis. Er wordt gevraagd: ‘Wie is waardig de boekrol te openen en haar zegels te verbreken?’ Doodse stilte. ‘En ik weende zeer, omdat niemand waardig was gebleken de boekrol te openen of die in te zien.’ Maar er werd ook gezegd: ‘Ween niet, zie, de Leeuw uit de stam Juda, de wortel Davids, heeft overwinnen om de boekrol en haar zeven zegels te openen’. Het einde is een loflied, dat wij hier, met horten en stoten, oefenen:
‘Het Lam dat geslacht is, is waardig te ontvangen de macht en de rijkdom, de wijsheid en de sterkte de eer en de heerlijkheid en de lof’. Amen.

===   ===   ===

Lucas 2: 15 – 20
Gehouden op:
*Zondag 29 december 1974, 9.30 uur te Abbega
Bijbellezing: Lukas 2: 15 – 20.

Drie dagen na het Kerstfeest. Inmiddels vat ieder de gewone draad weer op, herneemt alles zijn gewone gang. Vandaag is het zondag en straks komen er nog enkele bijzondere dagen, maar dan gaat alles weer in het oude spoor verder. Ouderen gaan naar hun werk, kinderen gaan straks naar school, op elk gebied moet het bijzondere plaats maken voor het gewone. Ik weet niet hoe u deze overgang ervaart. Wel kan ik een vermoeden uitspreken op grond van wat ik beleef, zie en hoor.
Voor sommige mensen is deze overgang een verademing. Ze schakelen vlot en vrolijk over op het gewone dagelijkse leven In hun gewone doen voelen zij zich het beste thuis. Voor anderen, en ik denk dat deze groep groter is, is deze overgang nogal moeilijk. Zij leven ‘op’ in zulke bijzondere dagen. Zij voelen zich in hun element wanneer de gewone gang van zaken onderbroken wordt. Veel mensen kijken al lange tijd van tevoren uit naar de feestdagen. Zij hebben het gevoel dat ze een hoogtepunt tegemoet gaan. Maar als de top bereikt is, dan duurt het maar eventjes, of ze moeten weer met de afdaling beginnen. Dat kost hun moeite. Ze voelen zich een beetje onwennig, een beetje ‘mankeliik’. Ze troosten zich met de gedachte dat er gauw weer iets bijzonders zal komen: een uitje, een verjaardag, een jubileum.
Een groot aantal mensen leeft voortdurend naar een top, een hoogtepunt toe. Het gewone leven dat daartussen ligt is kleurloos en krijgt alleen vanuit het bijzondere, het buitengewone een beetje glans.
Drie dagen na het Kerstfeest. Op weg naar ons gewone doen luisteren we naar enkele mensen die het Kerstgebeuren van heel dichtbij hebben meegemaakt. Na deze geweldige gebeurtenis zijn zij verder gegaan. Hoe hebben zij deze overgang ervaren? Het Evangelie is geen psychologisch verslag van wat mensen gedacht en gevoeld hebben. Maar wel lezen we een paar aanduidingen die in hun kortheid veelzeggend zijn.
In de eerste plaats ontmoeten we de gestalte van Maria. We zouden haar bijna vergeten, maar zij staat in het Evangelie ook enigszins op de achtergrond. Zij komt maar enkele keren ter sprake. Van Maria kan hetzelfde gezegd worden als van Johannes de Doper: zij is het licht niet, maar zij staat in het Evangelie om van het licht te getuigen. Te grote verering voor haar verduistert het Kind, dat het licht is. Maar verwaarlozing van haar berooft ons van een getuigenis.
Voor het Kerstfeest wordt zij genoemd als Adventsfiguur. Zij laat zich inschakelen n de heilzame plannen van God. Vrijwillig, van harte: ‘Zie, de dienstmaagd des Heren, mij geschiede naar Uw Woord!’ Zo is zij een levend getuigenis, dat aanstekelijk wil werken. Nog steeds nodigt God mensen uit om met Hem mee te doen, om Zijn plannen ter harte en ter hand te nemen. Hij eist niet met geweld, maar Hij vraagt vriendelijk. Hij is een fatsoenlijke minnaar die Zijn beminden, de mensen, niet aanrandt, niet overweldigt, maar ten huwelijk vraagt: doe je mee? wil je wel? Nog steeds mogen mensen vrijwillig instemmen met het getuigenis van Maria: ‘Tot Uw dienst, Heer, mij geschiede naar Uw Woord!’
Op het feest is Maria er ook, maar daar gebeuren zoveel adembenemende dingen, dat zij in de schaduw komt te staan. Alle aandacht valt op het Kind. Over Hem spreken en zingen de engelen. Herders worden opgeschrikt. Zij komen hals over kop naar het Kind en struikelen over hun woorden. In de schaduw, op de achtergrond staat Maria. Van haar wordt alleen gezegd dat de herders haar, Jozef en het Kind vonden. Er wordt niet verteld wat ze zei, wat ze dacht, wat ze deed.
Na het hoogtepunt van het feest komt zij weer even naar voren. Zij heeft alles van nabij, zelfs lijfelijk meegemaakt; zij heeft alles gehoord, gezien, in zich opgenomen. Wat doen zij daarna? Hoe heeft zij de overgang gemaakt van dit buitengewone, naar het gewone? Weer is zij een levend getuigenis, dat aanstekelijk wil werken. De evangelist Mattheus vertelt als enige dat het gezin een reis ondernam naar Egypte. Maar daarna ontmoeten wij hen weer in Nazareth, ergens in het Noorden, in de provincie Galilea. Daar vinden Maria en Jozef de gewone dingen terug, die zij voor de reis hadden achtergelaten. Alles herneemt zijn gewone gang; zij nemen de gewone draad weer op. Jozef in de werkplaats, Maria in de huishouding. Er staat nergens in het Evangelie dat zij spectaculaire, schokkende dingen deden. Zij trokken zich iet uit de wereld terug op een eenzaam plaatsje. Evenmin verkochten zij hun huis en bezit om een grote evangelisatiecampagne te beginnen. Niet dat dit een verkeerde zaak is. Integendeel! Sommige mensen worden van Godswege geroepen tot iets buitengewoons, dat de aandacht trekt. Ik noem een voorbeeld dat op velen diepe indruk heeft gemaakt. Een meisje, Betty Smit, liet alles achter en ging op weg naar onbekende streken in Brazilië om aan mensen daar het Evangelie te verkondigen, met hart en mond en handen. Dat gebeurt – Gods zij dank! – nog steeds.
Tegenover zulke geweldige mensen bekruipt ons een gevoel van minderwaardigheid. Bij hen vergeleken steekt ons bestaan schraal en schriel af. En toch, de Schrift leert ons anders. Doorgaans worden mensen geroepen, niet tot het buitengewone, maar tot het gewone. Zoals Maria en Jozef. Hij neemt de hamer, de zaag, een stuk hout, want er moet brood op de plank komen. Heel gewoon. Zij gaat de was doen, neemt stof af, klopt de matten uit, stopt de sokken, verstelt de overall; zij zeemt de ramen, ze kookt het eten, ze brengt de kinderen naar bed, ze gaat zorgvuldig met het geld om, om de eindjes aan elkaar te knopen. Kortom, ze doen na het Kerstfeest al die gewone huis-tuin-en-keuken dingen, die niet in de krant komen, die niet als een nieuwtje van mond tot mond gaan.
Heeft het Kerstfeest dan niets voor hen betekend? Heeft het dan geen enkel spoor achtergelaten? Jazeker! Aan het einde van het Kerstverhaal lezen we van Maria: ‘zij bewaarde al deze woorden, die overwegende in haar hart’. Ik vind dat een heerlijk regeltje, waardoor het gewone, dagelijkse leven heerlijk wordt. Bewaren en overwegen, in het gewone werk.
Over dat woordje ‘bewaren’ moet ik een paar dingen zeggen, want het is een sleutelwoord in de Bijbel. Iets bewaren heeft bij ons de klank, de betekenis van: iets opbergen op een veilige plaats, desnoods in een kluis, en het tevoorschijn halen wanneer het te pas komt, in tijd van nood. Dat is een wijze van bewaren die ook op godsdienstig gebied vaak wordt toegepast. Veel mensen bewaren hun geloof, bewaren het Evangelie, bewaren God op een veilig plaatsje, in een zorgvuldig gesloten kluisje van hun hart. Het komt niet tevoorschijn, behalve wanneer het zo te pas komt, in tijd van nood. Dan hebben ze het bewaarde achter de hand, bij de hand.
Bewaren betekent in de Schrift iets anders dan: opbergen, wegstoppen als een appeltje voor de dorst, als een laatste hulp bij ongelukken. Er wordt regelmatig gesproken over de geboden bewaren, het verbond bewaren. ‘Alle paden des Heren zijn goedertierenheid en trouw voor wie Zijn verbond bewaren’. ‘Indien iemand Mij liefheeft, zegt Jezus, zal hij Mijn geboden bewaren’. Bewaren betekent: het levend houden, ermee omgaan als een kostbaar geschenk, er zo mee bezig zijn – met aandacht en zorg – dat het een bron van vreugde en hoop blijft.
In haar gewone doen bewaarde Maria al deze woorden. Ze keerde de woorden om en om, als een kostbare parel waar je niet op uitgekeken raakt. ‘De Heiland geboren! Ere zijn God! Vrede op aarde! Mensen van het welbehagen!’ Wat wil dit toch zeggen? Welke zijn de gevolgen? Ze worstelde met de woorden om erdoor gezegend te worden! Het is geen veilig, onaantastbaar bezit. Het wordt meegedragen in het gewone leven en daar moet het telkens weer zijn waarde bewijzen. Het wordt soms aangevochten en aangevreten. Bijvoorbeeld toen de Here Jezus twaalf jaar was geworden en zijn ouders Hem kwijtraakten in Jeruzalem. ‘Wist gij niet dat Ik bezig moet zijn in de dingen van Mijn Vader?’ En weer lezen we: ‘Maria bewaarde al deze woorden in haar hart’.
Ten slotte stond Maria ook bij een kruis. Ook daar moest Maria al deze woorden bewaren, er zo mee bezig zijn dat ze haar gewone leven fundament, stuur en uitzicht konden geven. Het Evangelie wil gewone mensen doortintelen en doortrekken, zodat het gewone leven heerlijk wordt vanwege de Heiland die ons in Zijn hand en in Zijn hart draagt, omdat Hij een welbehagen in ons heeft.
Er wordt nog een groep mensen genoemd die het Kerstgebeuren van heel dichtbij hebben meegemaakt: de herders! Wat doen zij daarna? Van de herders lezen wij: ‘Zij keerden terug!’ Kennelijk naar hun kudde, naar hun gewone, dagelijkse werk. Zij worden geen evangelist. Zij laten hun oude werk niet in de steek om zich te laten omscholen tot een geestelijk ambt. Het komt voor dat mensen alles opgeven in dienst van de Here Jezus. Zoals die vissers bij het meer: ‘En zij trokken de schepen op het land, lieten alles achter en volgden Hem!’ Doorgaans worden mensen geroepen, niet tot het buitengewone, maar tot het gewone. Jozef in de werkplaats; Maria in de huishouding; de herders bij hun kudde. De herders keerden terug, maar het gewone was anders geworden. Al werkend loofden en prezen zij God vanwege alles wat zij gehoord en geien hadden. Het gewone leven was hun heerlijk geworden. Ze hadden heus nog wel tegenslag, teleurstellingen, de ene dag was de andere niet. Zij foeterden misschien weleens onder het werk omdat een schaap niet wilde zoals zij wilden, omdat iemand een stekelige opmerking maakte, omdat de baas geen gemakkelijk karakter had en noem maar op. Maar toch was de diepste toon van hun leven een lofprijzing: deze God, deze Heiland! Hij houdt van ons!
Mensen in Oosthem, Abbega en Folsgare hebben straks de feestdagen achter de rug en gaan weer aan de slag. In huis: in een werkplaats, op een kantoor, op school, in en om de boerderij, in een huis voor bejaarden, voor zieken. Lang niet altijd een pretje. Christenen lopen niet de hele dag met een hemelse blik, evenmin met een tandpasta-glimlach. Maar daar, in ons gewone leven, worden we geroepen om bezig te zijn, om onze best te doen, om onze verantwoordelijkheid te dragen. Dit alles mogen we doen in dankbaarheid voor elke dag die God ons schenkt, met een lofprijzing diep in ons hart, die soms naar buiten komt in een liedje dat we zingen, neuriën of fluiten. Sinds het Kerstfeest is het gewone leven ons heerlijk geworden vanwege de heerlijkheid van God die ons kleine, menselijke bestaan draagt, omvat, doortrekt en beschermt. Hem zij de glorie, vandaag en altijd, amen.

===   ===   ===

Lucas 2: 29
Gehouden op:
*Oudejaarsavond, zaterdag 31 december 2005, 19.30 uur in Beekbergen.
Bijbellezing: Lucas 2: 22 – 32

Ik zou zo graag, al was het maar een kwartiertje, nog eens met mijn vader, mijn (schoon)moeder, mijn schoonvader willen praten. Net als vroeger, toen het allemaal zo gewoon leek, met een kop koffie aan de keukentafel. Als ik hierover nadenk, komt de vraag ook op: waarover zou ik het vooral willen hebben? Dat is een gewetensvraag. Ik zou vertellen over mijn respect, mijn bewondering voor hen. Daar zouden ze kort en goed op reageren: het was onze plicht en het gebeurde van harte. Ik heb nog wel meer in petto voor zo’n ontmoeting, maar dat laat ik hier nu rusten.
Ik zou zo graag…. Ida Gerhardt schreef ooit gedicht met het oog op een gestorven geliefde: ‘Zeven maal om de aarde te gaan, / als het zou moeten op handen en voeten; / zeven maal, om die ene te groeten; (….)  / Zeven maal over de zee-en te gaan, / schraal in de kleren, wat zou het mij deren, / kon uit de dood ik die ene doen keren’.
Ik zou zo graag eens met Simeon willen praten. Vooral in deze dagen na Kerst, op deze oudejaarsavond. Ik kan mij voorstellen dat Rembrandt, die in het komende jaar vaak genoemd zal worden, levenslang geboeid is door de gestalte van Simeon. Het laatste onvoltooide schilderij dat hij maakte, houdt er zich ook mee bezig. Dan is Simeon een bijkans blinde aartsvader die bevend het Kind draagt, het gelaat verrukt, verlicht omdat hij schouwt in Gods toekomst. Wat zou ik Simeon willen vragen? Het heeft te maken met de woorden die van hem gezegd worden, de woorden die hij zelf zingt. Ik kan mij geen groter geschenk indenken dan dat ik mij deze woorden toe-eigen en zo het nieuwe jaar tegemoet ga.
Ik kan niet in de schaduw van Rembrandt staan, maar ik doe een poging om het portret, het profiel van Simeon te schetsen. Al doende wordt ook duidelijker waarom ik zo graag eens met hem zou willen praten. Van Simeon wordt verteld: ‘Hij was rechtvaardig en vroom en hij verwachtte de vertroosting van Israël’. Was dat alleen een kwestie van karakter, hem meegegeven met de genen? Psychologie is belangrijk, maar er is meer. Van Simeon wordt verteld dat de Heilige Geest op hem, in hem was. Een man met een uitstraling dus, beademd door God, doorzichtig naar Hem toe. Kent u zulke mensen in uw naaste omgeving? Ik heb altijd moeite met zulke retorische vragen, maar ik stel de vraag ook aan mijzelf. Daarom geef ik zelf een antwoord. Goddank, ik ken zulke mensen. Iemand, aan lager wal geraakt, maar in contact gekomen met de oude professor Gunning, vertelde ooit aan Gunning Junior: ‘Als ik uw vader zag, dan moest ik wel aan God denken’.
Er komen allerlei mensen in mijn gedachten, die ik ontmoet in mijn pastorale werk. Je probeert iets te geven, maar je krijgt, zonder dat zij het zelf beseffen, veel meer van hen terug en mee naar huis. Rechtvaardig en vroom. Mensen die weet hebben van, zoals meermalen in het Oude Testament geschreven staat, ‘de vreze des Heren’, de eerbiedige omgang met de Hoog-Heilige. Zonder lawaai, zonder enig vertoon, zonder plechtstatig gedoe, maar puur, echt, met een deftig woord: authentiek. Zulke mensen staan in de vrijheid, zijn van Godswege in ruimte gezet, hebben een royaliteit die vrijwel onbegrensd.is.
Zo ook Simeon: ‘hij verwachtte de vertroosting van Israël!’ Onvergetelijke mensen! Er staat niet: hij verwachtte het eeuwige leven of de hemelse zaligheid. Niet dat die verwachting verkeerd is, maar het kan zo gauw een privé-aangelegenheid worden. Ik vergelijk Simeon met anderen die zich inzetten voor een betere wereld. Wouter Bos, de voorman van de Partij van de Arbeid, naar eigen zeggen rijp voor het premierschap, schreef onlangs een boek: ‘Nederland verdient beter’. Ik ga niet katterig, ook niet miezerig doen. Een preekstoel is de laatste plaats waar mensen onderuitgehaald worden, vooral mensen die niet aanwezig zijn. Een preekstoel is het tegenovergestelde van een schietstoel. Wel mag ik zeggen dat ik moe en ook moedeloos word van al dat oppositiegepraat. Is Nederland nu echt beter geworden door rood, groen, paars of welke politieke kleur dan ook? Is de wereld in de loop van de geschiedenis beter geworden? Zo ja, hoe weet, hoe meet je dat? Zo nee, houd je dan aan de feiten en ga vooral niet zweefvliegen.
Simeon verwachtte de vertroosting van Israël en dus ook van de volkeren. Aan het slot van zijn lofzang komt de wijde wereld met nadruk in beeld: ‘Licht tot openbaring voor de volken en heerlijkheid voor uw volk Israël’. Vertroosting! Allerlei oude woorden, oude beloften gaan opnieuw klinken. Vooral uit de profetieën van Jesaja: ‘Troost, troost mijn volk, zegt uw God!’ (40: 1); ‘Jubelt, gij hemelen, en juich, gij aarde, breekt uit in gejubel, gij bergen, want de Here heeft zijn volk getroost en Zich over zijn ellendigen ontfermd’ (49: 13). Vertroosting gaat hand in hand met ontferming, bevrijding, hoopvolle, zinvolle toekomst. Die verwachting hield Simeon op de been. Het was hem van Hogerhand gezegd en sindsdien in zijn bloed opgenomen.
Hoe dat precies gegaan is, weet ik niet. Het Evangelie vertelt: ‘Hem was door de Heilige Geest een godsspraak gegeven dat hij de dood niet zou zien eer hij de beloofde Messias met eigen ogen aanschouwd zou hebben’. Het fijne van die communicatie blijft een geheim tussen God en hem. Voor Simeon was deze verwachting niet een van de vele dingen waarnaar hij ook nog uitzag, maar dit ene bepaalde, doorgloeide zijn leven.
Ik zou zo graag eens willen praten met Simeon, want ik wel zoveel meer weten. Je verwachtte toch ook andere dingen? Was je getrouwd? Had je kinderen, misschien ook wel kleinkinderen? Volgens de traditie was je op hoge leeftijd, maar daarover weten we niets met zekerheid. Je had ongetwijfeld zorgen over de naaste toekomst: hoe zou het verder gaan, met je naaste kring – het hemd is toch altijd nader dan de rok? – en met alle anderen, in een land dat bezet werd door de Romeinen? Wat betekende dat voor de werkgelegenheid, voor de kwaliteit van leven? Simeon, allemaal vragen die o zo herkenbaar zijn, ook voor ons, tweeduizend jaar later, op de grens van 2005 en 2006. Ook wij maken ons zorgen over de tijd die komt. We nemen onszelf mee, het nieuwe jaar in. Jij was toch niet wereldvreemd, Simeon? Je verwachtte niet zo weinig, je verwachtte de vertroosting van Israël en daarom heen van alle volkeren. Was dat de kern misschien, waarin al het andere en waarin alle anderen was samengevat? Anders gezegd, Simeon, met een beeld uit onze digitale wereld: is het op wijze van mijn memory-stick in de computer, waarop alle bestanden zijn opgeslagen? Ik zou wel willen, Simeon, dat ook wij zo’n royale, zelfs wereldwijde verwachting zouden hebben, want de hoop, in klein en in groot verband, wordt zo vaak uitgedoofd. Wat zou Simeon zeggen? Ik houd mij aan de heilige tekst. Anders is het gevaar levensgroot dat ik Simeon laat buikspreken. Hij zou ongetwijfeld zeggen: bid om de Heilige Geest. Daar staat en valt alles mee. ‘De Heilige Geest was op hem; en hem was door de Heilige Geest een sprake van God gegeven; en hij kwam door de Geest in de tempel’.
Zonder de Geest, dat is: Gods verrassende aanwezigheid, de bezielende adem van God, zal er niets gebeuren. Ik moet denken aan een beeld van de grote reformator Johannes Calvijn, overleden in 1564. Hij schrijft ergens: ‘de natuurlijke mens’ – los van het netwerk, zo u wilt: het internet waarmee de Here God hem wil omgeven – ‘de natuurlijke mens lijkt op een ezel, die gedachteloos staat te balken bij de mooiste symfonie’.
Kom, Schepper, Heilige Geest, open mijn oren opdat ik werkelijk hore, open mijn ogen opdat ik waarlijk kan zien. De weg leidt naar de tempel, het huis van de Levende, waar mensen, wereldwijd, kind aan huis mogen zijn. Anders gezegd, met de onvergetelijke woorden van dr. Jan Koopmans: ‘De plaats waar Christus met zondaren wil samenkomen en samenwonen’.
In die tempel ziet Simeon de ouders, Maria en Jozef, die met het Kind Jezus doen overeenkomstig de gewoonte van de wet: een offer brengen. Het leven is immers van God. We krijgen het uit Zijn hand en we wijden het Hem toe, we geven het in zekere zin terug.
In het offer geven we onszelf uit handen en krijgen we onszelf opnieuw terug. Daarom is offeren ‘geven in de hoogste graad’. Als Simeon het Kind ziet, springt er een vonk van herkenning over: deze is het, de lang Beloofde, de Christus, de Messias. Daarom zingt Simeon, met het Kind in Zijn armen: ‘Nu laat Gij, Here, Uw dienstknecht gaan, in vrede, naar Uw Woord, want mijn ogen hebben Uw heil gezien’. Weer heb ik de neiging om te zeggen: Simeon, ik wil eens met u praten. Wat heb je nou gezien? Een kind, zoals al die andere kinderen. Zonder stralenkrans om het hoofd. Waarom dan die grote woorden? Je moet een zingende man niet storen in zijn lied. Ook hier geldt: zonder de verlichting van de Heilige Geest blijf je een buitenstaander. Dan ga je het Kind optuigen met je eigen gedachten en ideeën en je blijft echt in het donker staan, je wordt niet aangestoken door het visioen dat de Heilige Geest je te zien geeft. Dit kwetsbare Kind, later: deze Man van Smarten, uitgelachen, weggehoond, aan een kruis genageld, dit Kind is de Heiland der wereld, God Zelf in ons midden, die alles en in allen laat staan en gaan in het licht van Zijn verzoenede liefde, van Zijn overwinnende trouw.
In de ontmoeting met deze Simeon vergaat mij allengs de lust om met hem te willen praten. Ik zou een boom opzetten over dat heengaan in vrede, het nieuwe jaar in, eventueel het leven uit. Want we gaan, hoe je het ook wendt dit keert, heen. De hamvraag is dan: waarheen? Weer komt een lawine van woorden, zoals in geuren en kleuren vermeld in de krant, in plaatprogramma’s voor de televisie. Je doet zelf ook een duit in het zakje, want je denkt en praat over jezelf en over de anderen. Als ik Simeon goed versta, en ik weet wel zeker dat ik midden in de roos zit, dan zou hij zeggen: aan het gepraat komt geen einde; aan die vlijt gaat de wereld ten onder.
‘Heengaan in vrede…’. Als je het leven uitgaat, zing dan een Paaslied of laat het je voorzingen. Dat is meer dan duizend gesprekken, vergaderingen conferenties. Als je het nieuwe jaar ingaat, zing dan een lied. Je mag mijn woorden gebruiken. Ze zijn niet van mijzelf. Geen gedoe dus over auteursrechten. De eigenlijke auteur is de Heilige Geest, die zich niet stoort aan de grenspalen van de jaren, ook niet aan de grenspalen van het leven. Er is geen grenspaal op de weg van het licht, op de weg van God, de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Amen.

===   ===   ===

Lukas 2: 29 – 30
Gehouden op:
*Oudejaarsavond 1972 te Oosthem
Bijbellezing: Lucas 2: 22 – 33

Ik begin met een voorbeeld dat niet ter aanmoediging is bedoeld, maar ter verduidelijking. Wie een aantal borrels heeft gedronken, verliest zijn helderheid van geest. De indrukken van buitenaf worden wazig, nevelachtig, troebel. Ons reactievermogen wordt minder, met alle gevaren vandien. Denk maar aan het verkeer, waarin iedereen scherp moet opletten en snel moet reageren. Het duurt enige tijd voordat iemand uit deze roes terugkeert en de helderheid van geest terugkrijgt. Dat moet z’n tijd hebben. Dit proces kan versneld worden, bijvoorbeeld door sterke, zwarte koffie. Het lijkt wel alsof in deze dingen uit ervaring zeg, maar dat is niet zo.
Op deze laatste avond van het jaar zijn we samen in de kerk gekomen. U bent van harte welkom, maar dat heb ik, namens de Here God, aan het begin van deze dienst al gezegd. Het gevaar is niet denkbeeldig dat we op dagen als deze, ook ietwat beneveld zijn en de dingen niet meer scherp zien. We zijn ietwat somber en ‘mankeliik’. We voelen ons als een kurk, die door de stroom van de tijd wordt voortgedreven. We denken met gemengde gevoelens terug aan het afgelopen jaar. Met heimwee, met dankbaarheid, met verdriet. U moet mij goed begrijpen. Ik zeg daar geen kwaad woord van, want wie ben ik? Alleen: we moeten wel oppassen, dat we de helderheid van geest niet verliezen. Het Evangelie is een scheut sterke, zwarte koffie die ons opwekt, om te midden van allerlei gevoelens en gedachten, scherp en duidelijk te zien.
De eerste scheut koffie heeft al een merkwaardige uitwerking. Het opent onze ogen voor een punt dat heel helder naar voren komt. Een punt dat we in onze Oudejaarsgedachten en Oudejaarsgevoelens zomaar over het hoofd zien. Deze dienst op Oudejaarsavond is, kerkelijk gezien, een beetje moeilijk te plaatsen. Want ons kerkelijk en ons burgerlijk jaar vallen niet met elkaar samen. Dat is eigenlijk vreemd. U herinnert zich nog wel: de laatste zondag van het kerkelijk jaar hebben we in Abbega gevierd op 26 november, de zogenaamde Dodenzondag. Daarom, bij de eerste Adventszondag, begint het nieuwe kerkelijke jaar.
We staan dus volgens het burgerlijk jaar, de gewone kalender, op een punt dat we volgens het kerkelijk jaar, de kerkelijke kalender, al achter de rug hebben. Waarom rekent de kerk dan zo tegen de draad in? Is dat een flauwe grap, om de zaak nodeloos moeilijk te maken?
Nee, dit heeft direct met het Evangelie te maken. Het is een poging om de grote daden van God uit te drukken. We kijken anders tegen het einde aan. Het einde van het jaar, het einde van ons leven, het einde van de wereld is anders geworden. Toen alles op een einde liep, heeft God een nieuw begin gemaakt. Dit nieuwe straalt door al het oude heen. Wij staren ons blind op het einde. We zitten stilletjes te mijmeren, we laten ons wiegen op de golven van onze gevoelens: een beetje somber, een beetje weemoedig, een beetje ‘mankeliik’. Maar het Evangelie geeft ons een scheut zwarte, sterke koffie om ons wakker te schudden uit ons weemoedig gemijmer. Open uw ogen en uw harten! Het einde is anders geworden, want God heeft al een nieuw begin gemaakt.
Deze koffie smaakt naar meer en heeft een heilzame werking. Daarom gaan we eens verder proeven. Lange tijd geleden heeft een broeder, een mensenkind zoals wij, Simeon, ervan gedronken en hij reikt ons de pot over. We gaan eens even naast hem zitten, met open oren, open harten en open mond.
Simeon wordt meestal als een stokoude man voorgesteld. Misschien is dat juist, maar het wordt niet met zoveel woorden gezegd. Wel van de profetes Anna, van wie geschreven staat: ‘zij was op hoge leeftijd gekomen’. Hoe dit ook zij: er worden een paar dingen over Simeon verteld, waardoor zijn gestalte duidelijker voor ons oprijst.
Hij was rechtvaardig en vroom, dat wil zeggen: hij hield zich aan de spelregels, die in het verbond tussen God en mensen gelden. Hij speelde niet gemeen, geen vals spel. Daarom verwachtte hij ook iets, want geloof in God en verwachting, hoop, zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Wie in God gelooft, kan weleens moedeloos en terneergeslagen worden, de vlam van de hoop kan weleens flakkeren in het razen van de storm, maar ze dooft nooit uit, omdat God de vlam brandende houdt.
‘Simeon verwachtte de vertroosting van Israël’, ondanks alles wat hij zag, hoorde en in zichzelf voelde. Want God had het beloofd, bij monde van Zijn profeten: ‘Troost, troost Mijn volk, zegt uw God! Ik, uw God, Ik ben het die u troost. Waarom dan zo bang? Breekt uit in gejubel, juicht eenparig, puinhopen van Jeruzalem, want de Here heeft Zijn volk getroost’.
Als je God niet meer op Zijn Woord zou kunnen geloven, mijn hemel, wie dan wel? Als God de Zaak niet zal zetten, de knopen niet zal ontwarren, de mond van de leugen niet zal stoppen, de macht van de dood niet zal breken, dan blijft er geen greintje hoop, geen vleugje verwachting in een mensenhart over. Als Gods beloften niet standhouden, dan hebben alle pessimisten en zwartkijkers nog niet genoeg gewanhoopt.
Simeon verwachtte de vertroosting van Israël en daarom ook de vertroosting van de volkeren, die door middel van Israël gezegend zouden worden. Ook dit had God beloofd: ‘Ik stel u tot een licht der volkeren, opdat Mijn heil reike tot het einde der aarde’.
Hoe lang Simeon gewacht heeft, weten we niet. Misschien volgden de jaren elkaar op, misschien liep ook zijn leven spoedig ten einde. Maar een ding is zeker: hoop doet leven! Hij werd staande gehouden door de belofte van God. Hem was door de Heilige Geest een godsspraak gegeven, dat hij de dood niet zou zien, voordat hij de Christus des Heren gezien had. Hij zou niet sterven, voordat hij met eigen ogen gezien had dat Gods beloften, werkelijkheid, vlees en bloed zijn. En dan is eindelijk het ogenblik aangebroken, waarop de belofte in vervulling gaat. De ouders, Jozef en Maria, gaan met het kind Jezus naar de tempel, om te doen wat in de wet des Heren voorgeschreven is.
Dat is een regeltje, waar we even bij stil staan, want er ligt een wereld van gedachten achter. De wet wordt niet afgeschaft, niet als een verouderd stuk ter zijde geschoven. Want Jezus, de Messias, komt om de wet en de profeten te vervullen, om hun diepste bedoelingen bloot te leggen. Als we dit ernstig nemen, dan blijken veel gedachten en theorieën over het oude Testament levensgevaarlijke ketterijen te zijn. Levensgevaarlijk, want zo kon Adolf Hitler zijn gang gaan en zo konden de Olympische Spelen in München doorgaan, zonder dat de kerk in haar geheel sprak, zonder dat onze christelijke regering sprak. Ik zeg dit met pijn, maar zo brandend actueel is de Schrift. Dit laten we nu verder rusten, maar het moest wel even genoemd worden, want het raakt het hart van het Evangelie.
In de tempel neemt Simeon het Kind Jezus, de Messias, de Vertroosting Israëls, in de armen. En voor het oor van God en Zijn kleine gemeente, die daar bijeen is – Jozef, Maria en de profetes Anna – spreekt Simeon zijn belijdenis uit, blij en verrukt: ‘Nu laat Gij, Here, uw dienstknecht gaan in vrede, naar Uw Woord, want Mijn ogen hebben Uw heil gezien’.
Heengaan. Het einde is nabij. Het einde van mijn leven, van mijn volk, het einde van de wereld, want met de komst van Christus is de bel voor de laatste ronde gegaan, is het laatst der dagen ingeluid. Heengaan in vrede. Geen weemoedige, geen ‘mankeliike’ gedachten. Want het einde heeft niets vreselijks meer. Het angstaanjagende, de angel is eruit gehaald. Het einde is geen blinde muur, waartegen we te pletter slaan. Want God is opnieuw begonnen, heeft een nieuw begin gemaakt. Daarom is het einde, waar wij ons blind op staren, anders geworden.
Heengaan in vrede. Simeon heeft de Zoon gekust, die het licht der wereld is. De vrede van God is in zijn armen en in zijn hart. Verzoend is de schuld van Simeon, de schuld van Israël, de schuld der wereld. En daarom zal het einde vrede zijn!
Zo staat daar een kleine gemeente van vier mensen, rondom de Heiland, rondom de Zaligmaker. Deze mensen doen belijdenis van hun geloof, te midden van een stervende wereld. Dat is de zwarte, sterke koffie die wij op deze Oudejaarsavond uit het Evangelie drinken. Dit is geen uur van weemoed, geen uur van somberheid en mijmering, al kunnen wij dat moeilijk laten. Dat is ook niet erg, zoals het niet erg is om een borrel te drinken, als we maar helder blijven, en de dingen scherp zien. Dan is ook dit uur een belijdenis. Het jaar loopt ten einde, maar God heeft een nieuw begin gemaakt door Zijn Advent, Zijn komst in deze wereld. Ons leven loopt ten einde, maar het einde is door Christus geen nederlaag, maar een overwinning. En deze wereld loopt ten einde, maar wij verwachten naar Gods beloften een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Het einde zal vrede zijn.
‘Nu laat Gij, Here, uw dienstknecht heengaan in vrede, naar Uw Woord, want mijn ogen hebben Uw heil gezien’. Ten slotte nog een punt. Ook dit punt raakt het hart van het Evangelie. Wat heeft Simeon gezien? Een heel gewoon kind, zoals ieder ander. Zonder stralenkransje, zonder hemels gezicht. Waarom zegt hij dan: ‘mijn ogen hebben uw heil gezien?’ Hoe wist hij dat dit kind de Heiland is? Nou, er wordt niet voor niets drie keer over de Heilige Geest gesproken. Hoort u maar: ‘De Heilige Geest was op hem.’ ‘Door de Heilige Geest was hem een godsspraak gegeven.’ ‘En hij kwam door de Geest in de tempel’.
Wie is dat, de Heilige Geest? Hij is God in actie. Hij is de bezielende adem van God, die mensen opricht uit hun moedeloosheid en ze aanraakt met de toverstok van Zijn liefde. Hij opent onze mond, onze ogen en ons hart. Daarom sprak Simeon zijn belijdenis. Daarom werden zijn ogen geopend: dit Kind is de Heiland der wereld. Daarom werd zijn hart vervuld met vrede.
Deze Heilige Geest werkt nog steeds, onvermoeibaar, rusteloos. Hij brengt het Evangelie over, zodat het een levende werkelijkheid wordt, hier en nu. Wanneer wij, mensen, op deze Oudejaarsavond 1972, de woorden van Simeon stamelend nazeggen en nazingen, dan is dat een wonder, een geschenk van de Heilige Geest. Hij is, met eerbied gesproken, de kelner die de sterke, zwarte koffie uitdeelt, zodat we opstaan uit onze weemoedige gedachten en met hart en ziel belijden: ‘Nu kunnen we heengaan in vrede, onze ogen hebben uw heil gezien. Gij, o God, hebt een nieuw begin gemaakt, daarom zal het einde vrede zijn’. Amen.

===   ===   ===

Lucas 4: 22.
Gehouden op:
*Zondag 16 jan. 1994, 19.00 uur te Gereformeerde Kerk Hellendoorn
Bijbellezing: Lucas 4: 14 – 30; Jesaja 61: 1 – 3

Een dienst, waarin de Bijbel zo wordt uitgelegd, dat de voorganger wordt achterna gezeten door de kerkgangers, en ternauwernood het vege lijf kan redden. Waar gebeurt dat nog? Ik zou het niet weten.
Moet je dan naar zo’n tijd, waarin alles op scherp staat, terugverlangen? Ik ga ook liever op m’n fiets naar huis terug, rustig door de Dorpsstraat, dan dat ik hals over kop door achtertuinen en langs sluipwegen weer thuis kan komen.
Hoe komt het toch dat we veel gematigder, o zo rustig, reageren, op de wijze van: ‘Och, ’t was wel goed!’ Of: ‘’t Zei me niet zoveel!’ Of: ‘De dominee heeft ’t goed gezegd, dat kon die of die in z’n zak steken’?
Ligt het aan de voorganger? Ligt het aan onszelf, dat we zoveel beschaafder zijn geworden en ons niet zo gauw laten gaan? Daar geloof ik niets van. De beelden op de televisie spreken een andere taal. Waarom is zoiets, daar en toen in Nazareth, eigenlijk ondenkbaar hier en nu? We hebben de godsdienst naar de rand geschoven; het is een soort vrijetijdsbesteding geworden, een strikte priveaangelegenheid. Daar wind je je niet zo gauw over op. Bovendien wordt er ook zoveel gezegd en geschreven, tegen elkaar in en door elkaar heen, dat je gemakshalve reageert met: <oet kunnen! Of gelaten, met een stuk vermoeidheid: Ze zoeken het maar uit….
Nog eens: ik verlang niet naar zo’n stormachtige, explosieve tijd, maar die enorme rust maakt me ook benauwd. Geloven in God is net zoiets als verliefdheid: het raakt je tot in je tenen; het heeft te maken met je hele bestaan; ook al praat je er niet altijd over, het is er toch, en hoe…
We gaan nog eens lezen. Op een goeie dag komt Jezus in Nazareth, waar Hij opgegroeid is. Het gerucht gaat dat Hij zieken geneest, melaatsen reinigt en nog veel meer wonderlijke dingen doet. In dichte drommen trekken de mensen op de sabbat naar de synagoge, want als er iets van en met Hem te beleven is, dan daar. De dienst begint. Anders dan wij gewend zijn. Een beetje rommelig en rumoerig. ’t Is helemaal niet gek als je eens even opstaat, heen en weer loopt, en met iemand een praatje maakt. Vandaar onze zegswijze, als het ergens niet zo stil is: ’t lijkt hier wel een Jodenkerk. Maar als de hoofddienst begint, dan is iedereen erbij. Vooral wanneer de heilige rol, met de lezing van deze sabbat, onder eerbiedig gezang, uit de ark, een rijkversierde kast, wordt gehaald en op de leestafel, midden in de synagoge, wordt neergelegd.
Iemand, dat wil zeggen: volwassen, zoon der wet, ten minste 12 of 13 jaar, wordt uitgenodigd om de lezing te verzorgen. Dat gebeurt staande. Als iemand een paar opmerkingen wil maken over het gelezene, dan kan dat, maar daarbij ga je zitten. Jouw woorden staan niet op hetzelfde niveau als de woorden van de Eeuwige.
Zo ook hier, in de synagoge van Nazareth. Jezus wordt uitgenodigd om naar voren te komen. De synagoge is bomvol. Toendertijd kwamen alle lijnen, ook de politieke en de sociale, samen in die ene centrale meld- en regelkamer van het geloof in deze unieke God. Iedereen luistert ademloos naar de oude woorden van de profeet Jesaja, die volgens het rooster aan de orde zijn: ‘de Geest des Heren is op Mij, omdat Hij Mij gezalfd heeft om aan armen het Evangelie te brengen … om te verkondigen het aangename jaar des Heren’. Hij sluit de boekrol, geeft het aan de dienaar terug om het weer op te bergen in de ark, en gaat zitten.
Het wordt nog stiller in de synagoge. De spanning is te snijden, want nu komt het. Wie weet, een stormvlaag van de Geest, een beweging vanuit de hemel, met als klap op de vuurpijl een wonder, uit de losse hand. Wat Hij allemaal gezegd heeft weten we niet, maar het komt hierop neer: ‘Heden is dit Schriftwoord voor uw oren vervuld’. Als je oppervlakkig luistert, met je gedachten bij de tv zogezegd, kijk je er niet van op. Dan denk je: Nou ja, ’t zal wel waar zijn, maar ’t doet me niks… Maar als dit echt waar is, dan verandert de wereld en word je zelf een ander mens.
In de synagoge komt wat weerwoord. De mensen knikken bij wijze van instemming, hoewel…. er blijft toch een vraag hangen: is Hij wel orthodox, recht in de leer? Jesaja heeft het over het welbehagen van de Here voor Zijn volk, maar ook over een dag der wrake voor de heidenen. Dat is logisch en duidelijk. Als het scheef zit in de samenleving, als het leven van de een gaat ten koste van dat van de ander, dan is bevrijding goed voor de een, het slachtoffer, en slecht voor de ander, de onderdrukker. Je kunt in een boze wereld niet ieder een te vriend houden, vooral niet wanneer de onderste steen boven komt. Als je onder een bezettende macht leeft, spreken je zulke woorden – welbehagen en wraak – dubbel aan. Eindelijk orde op zaken. Niet meer, zoals in Sarajewo, dat je naar school of naar je werk gaat, en in het park ligt zomaar een dode, oude vrouw, midden op het pad. Hebt u die foto gezien in de krant? ’t Is toch het einde van alle menselijkheid, als je dat gewoon gaat vinden?
Welbehagen en wraak, dat zegt Jesaja, maar hij, in de synagoge, laat dat laatste weg. Is dat opzet? Is het toeval? ‘En zij verwonderden zich over de woorden van genade die van zijn lippen kwamen’.
Verwondering is een dubbeltje op z’n kant. Het kan twee kanten uitrollen, kruis of munt. Verwondering kan uitmonden in enorme vreugde, maar ook in bittere ergernis. Ik moet u eerlijk zeggen dat die bittere ergernis mij, op het eerste gehoor en gezicht, beter ligt dan die enorme vreugde. Ik snap heel goed wat er verder in en om de synagoge gebeurt. Jezus weigert een teken te doen om daadwerkelijk te bewijzen dat Hij de Gezalfde, de Messias is. Hij stelt zich op een lijn met de heilige profeten zoals Elia en Elisa en Hij suggereert dat heidenen, mensen die van toeten noch blazen weten, tollenaars en zondaars, ons voorgaan in het Koninkrijk van God. Dat kan toch niet? Is er dan geen verschil meer? Die Romeinen moet je toch opknopen aan de hoogste galg? En die schurken in en om Sarajewo, die de voedseltransporten blokkeren, mensen laten creperen, zo’n oude vrouw in het park gewoon laten sterven, die roepen toch om wraak? En weer zegt de NAVO dat er eerst gepraat en gestudeerd moet worden. Als je zoiets zegt, zoals Hij in de synagoge van Nazareth, dan ben je toch een …. een gevaarlijke gek?
En dan eindigt deze geschiedenis met die wonderlijke woorden, die je ook zoveel te denken geven, die in al die dodelijke ernst ook een spoor van humor trekken: ‘Hij ging midden tussen hen door en vertrok…’.
Ik snap er echt niet alles van, evenmin als ik snap wat er nu gebeurt met zoveel mensen, die bij honderden afgeslacht worden, terwijl de beschaafde wereld toekijkt en afwacht. Je kunt meer actie verwachten voor het behoud van de zeehonden in de Waddenzee of, dichter bij huis met het oog op de rondweg om Nijverdal, voor het behoud van Doktersbos en de Noetselerberg, dan voor het behoud van mensen in Sarajewo, kinderen in Brazilie en Argentinie, vrouwen op de Filippijnen.
Ik denk dat je er niet aan ontkomt om op democratische wijze, beveiligd door het recht, ook de wraak ter hand te nemen, om geweld te gebruiken, teneinde nog meer geweld te voorkomen. Dat zijn afschuwelijke keuzes, maar het leven, de samenleving is vaak afschuwelijk moeilijk. We bidden veel te weinig voor allerlei mensen, ministers en rechters en zoveel anderen, die knopen moeten doorhakken….
En toch….deze woorden blijven klinken over Israël en de heidenen, dat zijn: de niet-Joden, over de goeien en de slechten, over de schurken en over de heiligen: ‘heden is dit Schriftwoord voor uw oren vervuld!’ Heden! Dat geldt ook nu, omdat Hij, die daar en toen sprak, de Levende is. Hij is de Messias, door God gezalfd om aan armen het Evangelie te brengen, om te verkondigen het aangename jaar des Heren. Een jubeljaar, waarin de schuld wordt uitgewist, de rollen worden omgekeerd, zodat de mensen aan de onderkant, die geen leven hebben, in het licht van Gods liefde worden gezet.
Wat is daarvan te merken, lieve gemeente, hier en nu, anno 1994? Wat zie je ervan? Niet zo bar veel. Dat is een bron van aanvechting. Soms kan het je wanhopig maken, zodat je vertwijfeld denkt: Is het wel waar? Snijdt het wel hout? De theologie is meestal veel te triomfantelijk en drukt de echte vragen weg. Ik heb het verlossende woord niet bij de hand, maar ik maak wel een paar opmerkingen, vrucht van eerbiedig lezen. Er staat: ‘Heden is dit Schriftwoord voor uw oren vervuld’. Uw oren, niet: uw ogen. Is dat nou weer een theologische truc om de zaak mooier voor te spiegelen dan ze in werkelijkheid is? Het Evangelie is, tot de dag van Jezus’ wederkomst, een Boodschap die gehoord wil worden om er, met vallen en opstaan, iets mee te doen. Te zien is er weinig. Soms een flits, een glimp, een glans, maar vaak ook niks. Heeft dat ook te maken met onze schuld, die een waas van donkerheid over alles heen trekt? Misschien ook met de grondigheid van Gods werk, dat ons te hoog, liever nog: te diep gaat? Ik weet het niet. Wel weet ik: het zien staat nog uit totdat alles, Gods arbeid waarin wij mogen delen, voltooid is. Tot dan en met het oog daarop vraagt het Evangelie gehoor.
En dan nog iets. Die dag der wrake, waar is die gebleven? Over die dag lezen we in het vervolg van het Evangelie. Dan zijn we in de omgeving van het kruis. Dit betekent het aangename jaar des Heren: dat Hij het oordeel aan Zichzelf voltrekt, dat de leeuw eerst komt als het Lam, dat de Rechter Zelf eerst in de beklaagdenbank gaat zitten. Dat heet genade!
Maar de Bijbel spreekt toch ook over een laatste oordeel? Jazeker! Het is een onderstreping van de ernst van het Evangelie, een appel om ons levens wil. Want er is geen leven dan alleen op de hartslag van deze liefde, in het krachtenveld van deze verzoening, op de bodem van deze genade.
‘Nu is het de dag van het heil. Verhardt u niet’, maar laat u leiden door Hem, die voor u geleden heeft. Amen.

===   ===   ===

Lucas 4: 1 – 13
Gehouden op:
*Zondag 24 febr. 1980, te uur Ellecom / De Steeg
Bijbellezing: Lucas 4: 1 – 13; Deut. 8: 1 – 3.

Als God nu liefde is, waarom moet een jongen, in de bloei van zijn leven, dan verongelukken? En waarom moet een mens, die eigenlijk onmisbaar is, dan door kanker gesloopt worden? Als God nu almachtig is, waarom duurt de chaos in Cambodja en in zoveel andere landen dan onverminderd voort?
Een mens moet van zijn hart geen moordkuil maken, ook – beter nog: vooral niet –  in de kerk. Met andere woorden: vragen staat en maakt vrij. Dit geluid, deze regel heb ik, op deze plaats, meermalen laten horen. Ik zal het misschien nog weleens zeggen, maar met meer aarzeling, veel behoedzamer.
Ook wat de vragen betreft moeten we in de leer gaan bij de Heilige Schrift. Anders raken we steeds verder van huis, meer en meer verstrikt in het garen van de duivel. Ik denk dat dit ook het geval is met de zeer menselijke vragen waarmee we begonnen. Wie de Eeuwige God aan eigen, menselijke voorwaarden bindt, naar menselijke maat wil snijden, is bezig met een afgod en de duivel lacht, want: deze dood is zijn brood.
Dit en nog veel meer leer ik uit het Schriftgedeelte dat vandaag aan de orde is. ‘Als Gij Gods Zoon zijt’, dan …. ligt het voor de hand dat u…. Het klinkt uiterst aannemelijk, maar het is de logica van de duivel. Hij verkoopt zelden onzin, ook geen klinkende ketterijen; doorgaans spreekt hij woorden die erg overtuigend, zelfs vroom klinken. Zoon van God zijn en waanzinnige honger hebben, dat is toch volmaakt ongerijmd, dat sluit elkaar toch volkomen uit? Maar als dit nu juist het geheim van de Zoon van de waarheid is van het Evangelie God, dan wordt hier duidelijk waarom de duivel elders in de Schrift vader der leugen wordt genoemd. ‘Als Gij Gods Zoon zijt…’. Deze aanduiding ‘Zoon van God’ komt verscheidene keren in het Evangelie voor en wel op beslissende momenten. Helemaal aan het begin, in het bericht aan Maria: ‘de Heilige Geest zal over u komen …. en daarom zal het heilige dat verwekt wordt Zoon van God genoemd worden’. Daarna bij de doop in de Jordaan. Ongerijmd, onmogelijk gebeuren, naar ons besef. Dopen betekent toch ondergaan in het gericht, het Heilige Geest als een duif op Hem neerdaalt, klinkt een stem uit de hemel: ‘Gij zijn Mijn Zoon, de Geliefde, in U heb Ik Mijn welbehagen’. In deze vernedering, op deze laagste plaats, in deze verbondenheid, met mensen, ten-einde-toe, zal duidelijk worden wie en wat dat is: Zoon-van-God-zijn. Dat is voor Hem zelf een weg van strijd en lijden geweest. Hoe zou het voor ons dan ooit vanzelfsprekend kunnen zijn?
Wat Hemzelf betreft: na de doop en na de vermelding van het geslachtsregister dat tot op Adam teruggaat – de Zoon van God wil Zoon des Mensen zijn – vertelt de Evangelist: ‘Jezus nu, vol van de Heilige Geest, keerde terug van de Jordaan en werd door de Geest geleid in de woestijn, waar Hij veertig dagen verzocht werd door de duivel’.
Deze regel staat vol merkwaardigheden die we alleen maar aanstippen, ter verdere overdenking aangeboden. Met nadruk wordt de Geest genoemd, zelfs tweemaal in deze ene regel. De Geest brengt hier in contact met de duivel. Is dat niet vreemd? De Geest die in alle waarheid leidt, voert hier de vader der leugen tegemoet. De verzoeking, de strijd, het lijden is blijkbaar niet een toevallige bijkomstigheid, maar behoort wezenlijk tot het geheim dat in de weg van het Evangelie wordt onthuld. De woestijn, oord van eenzaamheid, waar elke stut en steun van mensen wegvalt, waar de demonen schijnbaar vrij spel hebben. Zo had Israël de woestijn leren kennen en Elia onderweg naar Horeb, maar tegelijk een plaats om het liefdeslied opnieuw te leren zingen. In het oord van de dood sloeg het uur der minne. Daarom sprak de Eeuwige, bij monde van Hosea, in een tijd van verwarring en verwording: ‘Zie, Ik zal haar lokken en haar leiden in de woestijn en spreken tot haar hart. Dan zal zij – bedoeld is het volk Israël – dan zal zij daar zingen als in de dagen van haar jeugd’.
De Geest…. De woestijn…. En dan: veertig dagen. Israël veertig jaar in de woestijn…; Mozes veertig dagen op de berg Sinaï; Elia veertig dagen onderweg, totdat hij bij het gebergte Gods kwam … En wij, anno 1980, op de eerste zondag in de veertig-dagen-tijd, de vastentijd, lijdentijd voor Pasen…. Veertig veronderstelt, verwacht een nog duidelijker onthulling van Gods geheim, van Gods trouw.
‘En Hij at niets in die dagen en toen zij voorbij waren kreeg Hij honger’. Ik heb het nooit aan den lijve ervaren, maar ik weet dat honger een mens waanzinnig kan maken. Ik herinner mij het verhaal van een Joodse gevangene die door S.S.-soldaten uitgehongerd werd en alleen een brokje brood kreeg wanneer hij blafte als een hond. Deze mens in wie zichtbaar werd het woord van Pascal: ‘Jezus is in doodsstrijd tot aan het einde der wereld’ – deze mens werd ten slotte tot zo’n graad van waanzin gebracht dat hij in al zijn doen en laten een hond gelijk werd. ‘Indien Gij Gods Zoon zijt…’. Hier wordt een voorwaarde gesteld waaraan Hij, als Zoon van God, dient te voldoen, wat zeker van Hem verwacht mag worden.
Het klinkt, aan het begin werd het al genoemd, logisch, overtuigend en, zoals in het vervolg, Bijbelbewust en vroom, maar hier dreigt de diepste waarheid van God te kantelen en te verkeren in de grofste leugen. ‘Indien Gij Gods Zoon zijt, zeg dan tot deze steen dat hij brood worde’. Als Hij, de Zoon van God, hieraan toegegeven had, dan weet ik niet wat er van Hem geworden was, maar wel wat er voor ons overbleef. Hij was dan geen Zoon des mensen meer, op leven en dood, met huid en haar met ons verbonden, en wij waren met onze schuld en schande, met alle last en leed alleen gebleven. Er zou geen sprake meer zijn van Immanuel, God-met-ons, alleen van: God-boven-ons, welwillend en vriendelijk misschien, maar Een die ons op de beslissende momenten aan ons lot over, in ons leed alleen zou laten.
Maar Hij beriep zich op het Woord van God: ‘Er staat geschreven: niet alleen van brood zal de mens leven’. Wat hier gebeurt, wat dit betekent, kunnen we wellicht het beste zeggen met de woorden van de Hebreeënbrief: ‘Tijdens Zijn dagen in het vlees heeft Hij gebeden en smekingen onder geroep en tranen geofferd aan Hem, die Hem uit de dood kon redden en Hij is verhoord uit Zijn angst, en zo heeft Hij, hoewel Hij de Zoon was, de gehoorzaamheid geleerd uit hetgeen Hij heeft geleden en toen Hij het einde had bereikt is Hij voor allen, die Hem gehoorzamen, een oorzaak van eeuwig heil geworden…’.
‘Toen Hij het einde bereikt had…’, schrijft deze apostel. De evangelist wijst daar ook heen, wat hij besluit deze geschiedenis op deze wijze: ‘En toen de duivel alle verzoekingen ten einde had gebracht, week hij van Hem tot een bestemde tijd’. Dit was het begin. Later kwam hij terug, in velerlei gestalten en op velerlei wijzen. Op de berg der verheerlijking bijvoorbeeld, toen weer de stem klonk: ‘Deze is Mijn Zoon, de uitverkorene, hoort naar Hem’, naar Hem die onderweg is naar Jeruzalem, waar een kruis Hem wacht. Maar een van de discipelen zei: ‘Het is goed dat we hier zijn, laten we de tenten openhartig om te blijven’. En later zei dezelfde discipel, toen Jezus openhartig over Zijn lijden sprak: ‘Dat verhoede God, dat zal u geenszins geschieden’. Dezelfde duivel, die zich ter sprake bracht bij monde van een enthousiaste discipel. Het antwoord was daarom ongehoord fel: ‘Ga weg, achter Mij, satan, ge zijt niet bedacht op de dingen van God, maar op die der mensen’.
En tegen het einde opnieuw een poging in de verscheurende stilte van Gethsermané: ‘Indien het mogelijk is, Vader, laat deze drinkbeker aan Mij voorbijgaan…’. Toen hield de duivel de adem in, gereed om in lachen uit te barsten en daardoor ook alles en allen te laten barsten, maar het gebed mondde uit in: ‘Niet Mijn wil, doch Uw wil geschiede…’.
En ten slotte, aan de voet van het kruis, klonk de stem van de duivel, smalend en spottend: ‘Indien Gij Gods Zoon zijt, red Uzelf en kom of van het kruis. Anderen heeft Hij gered, zichzelf kan Hij niet redden…’.
In het krachtenveld van de Geest heeft de kerk allengs verstaan dat deze schampere taal raakte aan de schoonste belijdenis: juist omdat Hij anderen wilde redden, kon Hij Zichzelf niet redden. Of, nog even, met de woorden van de Hebreeënbrief: ‘Zo is Hij een oorzaak van eeuwig heil geworden’.
In deze weken voor het Paasfeest, vasthoudend naar Pasen toe, proberen we het spoor van Hem, zoon van God en Zoon des mensen, te volgen vooraf als het gaat door plaatsen van duisternis, lijden, dood. Zo leren we, te midden van alle raadsels, pijn en bitterheid van onze dagen, opnieuw welke God Zich met ons verbonden heeft. Dat is een hoopvolle, heilzame weg. Alle andere wegen, ook waarop wij God aan onze voorwaarden binden: als God nou liefde, almachtig is, waarom…..lopen dood, omdat het uitgangspunt niet deugt en dan voert iedere stap, iedere consequentie naar de duivel. Amen.

===   ===   ===

Lucas 4: 14 – 21
Gehouden op:
*Zondag 21 januari 2001, 10.oo uur in de hervormde kerk te Beekbergen (doopdienst)
Bijbellezing: Lucas 4: 14 – 21

Goede tijden…. Ik weet wat je nu denkt: ‘Dat is nog maar de helft, dominee’. De andere helft die er gewoon bij hoort is: slechte tijden. Zo heet het programma op de televisie ook: ‘Goede tijden – Slechte tijden’. Het houdt nooit meer op en mensen kijken er eindeloos naar. Waarom gaat het maar door en waarom blijft het mensen boeien? Omdat het in jouw en mijn leven eigenlijk net zo is.
Er zijn ‘goede’ tijden, waarin je lekker in je vel zit: ’t gaat goed op school, thuis is het fijn, je hebt een stel vrienden die er altijd voor je zijn en zoveel goeie dingen meer.
Er zijn ook ‘wel slechte’ tijden. De zon schijnt niet altijd in je leven. Soms is er zoveel mist, dat je niet weet hoe het verder moet en het is ook weleens zo donker dat je geen hand voor ogen ziet.
Ik heb in de afgelopen week heel nare dingen meegemaakt. Slechte tijden dus. Mensen gesproken van wie ik echt houd, die van de dokter te horen kregen: u bent zwaar ziek, u moet gaan aftellen. Anderen die ook zoveel mooie plannen hadden, maar ineens komt er de klad in: wat je zo graag wilde, gaat niet door. En toch geloof ik, ondanks alles, in de ‘goede’ tijden. Niet omdat ik naar de televisie kijk. Dat doe ik zelden en als het gebeurt, word ik er meestal niet vrolijk van. Nee, ik geloof in de goede tijden omdat ik de Bijbel lees, waarin en waardoor God tot mij spreekt. En ik geloof Hem op Zijn Woord, nog meer dan dat ik mijn beste vriend vertrouw.
Ik ga terug naar het stukje dat we gelezen hebben. Jezus is in de synagoge, dat is een soort kerk van de Joden, in Nazareth. In een synagoge gaan sommige dingen wel anders dan bij ons. In het midden staat een grote tafel op een verhoging. Daar wordt de Bijbelrol – boeken waren er toen nog niet – op gelegd. Iemand wordt gevraagd een stukje te lezen. Als er een bijzondere gast is, dan wordt het hem gevraagd. Na dat lezen, mag je er ook een paar woorden over zeggen. Jezus is in Nazareth, in zijn vaderstad. Hij is nogal in het nieuws om alles wat Hij zegt en doet. Het verhaal gaat dat Hij ook wonderen kan doen: zieken genezen en nog meer bijzondere dingen. Hij is in de synagoge. Dit wordt een heel bijzondere dienst, denken de mensen, echt een happening. Hij wordt natuurlijk gevraagd voor de Bijbellezing. Volgens het rooster is op die dag een stukje van de profeet Jesaja aan de beurt. Hoor eens wat-ie leest: ‘De Geest van de Here God is op Mij; Hij heeft Mij gezalfd, uitgekozen en kracht gegeven om aan armen het Evangelie te brengen, loslating voor gevangenen, blinden ziende, mensen in de kreukels weer vrij, om te verkondigen het aangename jaar, de goede tijden van God…’.
De mensen kennen die woorden. Ze hebben met – zoals dat heet – het jubeljaar te maken, eens in de vijftig jaar. Dan begint er een nieuw hoofdstuk, waarvan vooral de mensen die het slecht hebben, er slecht aan toe zijn, profiteren….
De mensen kijken elkaar veelbetekenend aan. Het is duidelijk wat ze allemaal denken en voelen: het jubeljaar, ja… dat zijn goede tijden: maar ja, dat is eens in de zoveel tijd.
Eens luisteren wat Hij nu gaat zeggen. Misschien komt er wel een stukje vuurwerk, misschien wel een wonder, zomaar, uit de losse hand: een stoel laten zweven of die oude man daar, die al zolang tobt met z’n gezondheid, eventjes genezen. Wat zegt-ie nou? ‘Heden is dit Schriftwoord, dit woord uit de Bijbel, voor uw oren vervuld…’. Een korte preek. Beter dan al die eindeloze verhalen, waar je niks mee kunt, maar….is dit nou alles?
‘Voor uw oren vervuld…’. Maar we willen ook graag wat zien….
Enfin, hoe het verder is gegaan in die synagoge in Nazareth kun je lezen in het Bijbelverhaal. De stemming slaat helemaal om. Iedereen wordt des duivels. Het verhaal eindigt met die wonderlijke woorden: ‘Hij, Jezus, ging midden tussen hen door en vertrok…’.
Wat gebeurt hier eigenlijk? Jezus probeert duidelijk te maken: die goede tijden van God zijn echt aangebroken. Je hoort het met je oren en je kunt het zien aan Mij.
Zien…. hoe dan? Nou moet je ook de rest van het Evangelie ernaast leggen. Deze Jezus laat zien wie God is en wat Hij met mensen voorheeft. Hij staat stil bij mensen die niet verder kunnen. Hij noemt mensen bij hun naam en zegt: Jij mag er zijn! God kent jou door en door, Hij houdt eindeloos veel van jou. Hij geeft Zichzelf weg tot in de dood om daarmee te zeggen en te laten zien: jouw zonden zijn vergeven, de dood is niet het einde….
Ik weet best: het zijn allemaal grote woorden. Ik kan ze hier niet in een keer zeggen. Om er dichterbij te komen, moet je telkens in de Bijbel lezen. We komen samen, zondag aan zondag, met jongeren en ouderen, om ons in deze dingen van God, van Zijn Woord te oefenen. Dat kost inspanning. Maar weet je een ding te noemen dat echt belangrijk is en dat je zonder inspanning kunt bereiken? Ik zou het echt niet weten….
Goede tijden…. Het is eigenlijk altijd jubeljaar. Niet omdat het leven zo lollig is. Niet als zouden er geen slechte tijden zijn. Daarover heb ik aan het begin van de preek al een en ander verteld. Er zitten hier zoveel mensen die ik ken, die heel veel ellende hebben meegemaakt. Zij zouden hun verhaal kunnen vertellen over al die slechte tijden. Ze doen het niet, want je loopt er niet mee te koop. Je deelt het met mensen met wie je iets hebt, met God met Wie je iets mag hebben, Die eindeloos veel met ons heeft.
Hij laat het Evangelie nog steeds vertellen. Het Verhaal van Zijn trouw en liefde naar mensen toe. Dat Verhaal is nog steeds en blijft altijd van kracht. Omdat deze Jezus niet iemand is uit een boekje, zelfs niet alleen uit dit grote boek dat Bijbel heet. Hij is de levende Heer, Die mensen niet in de steek laat, niet in hun leven en niet in hun dood. Omdat Hij er is, omdat Hij de Heiland van de wereld is, de Goede Herder die Zijn leven geeft voor de schapen, daarom zeggen we, misschien wel door onze tranen heen: goede tijden, want onze God is goed!
Dit Evangelie, deze Goede Tijding, wordt verteld. Soms wordt het uitgetekend en bezegeld. Zoals vanmorgen gebeurde, toen Thomasz, Myrthe, Olga, Esmay en Marije werden gedoopt. Goede tijden, ondanks alles, dankzij God. Amen.

===   ===   ===

Lucas 5: 1 – 11
Gehouden op:
*Zondag 28 juli 1974, 13.30 uur te Folsgare
Bijbellezing: Lucas 5: 1 – 11

Er wordt veel geschreven, alom geklaagd over de ontwaarding van het geld. Welke de oorzaken precies zijn, gaat mij boven de pet. Daar moet je haast een econoom voor zijn. Maar de gevolgen zijn voor ieder merkbaar en heel eenvoudig: voor een gulden kun je steeds minder kopen. Dit proces van de geldontwaarding gaat helaas nog steeds verder. Er wordt aan gesleuteld en gedokterd, maar de kwaal is moeilijk te genezen. Wat de gulden over een jaar waard zal zijn, weet niemand. Je kunt alleen wat vermoedens uitspreken. Deze zijn doorgaans niet zo rooskleurig.
Behalve ten aanzien van het geld is er ook een ontwaarding gaande op het gebied van de taal, de woorden die mensen tot elkaar spreken. De gevolgen van deze taalontwaarding, deze woordvervuiling springen niet zo gauw in het oog, zijn moeilijk meetbaar. Toch denk ik dat deze kwaal ernstiger is dan die van de geldontwaarding. Als de woorden, die gezegd worden, steeds minder waarde krijgen, dan vervreemden mensen van elkaar, dan verziekt de samenleving. Steeds meer woorden klinken, die weinig of geen waarde hebben. Loze leuzen, vage kreten, misschien mooi van klank, maar vanbinnen hol en leeg. Woorden krijgen helaas pas waarde, wanneer ze aan alle kanten gesteund, bekrachtigd worden door middel van garanties, bewijsbriefjes, bepalingen, sancties enzovoort.
Zo zwak is het woord van mensen geworden, dat het op zichzelf niet voldoende meer is. Dat je geld niet kunt vertrouwen is lastig, vervelend. Dat je woorden van mensen steeds minder kunt vertrouwen, is veel erger. Dat is beangstigend. Want de taal, het spraakvermogen is wellicht de grootste gave, aan mensen geschonken. Het bederf van het beste wordt het slechtste.
Toch komt het voor dat mensen elkaar verbonden zijn. Als eronder en tussen hen een basis van vertrouwen, of nog hechter: een band van liefde. Hoe hechter deze band, hoe steviger deze basis, des te minder garanties. Mensen die elkaar op hun woord geloven, leggen hun maskers en pantsers af, treden elkaar tegemoet met open vizier. Dit betekent ook dat zij zich kwetsbaar opstellen; ze aanvaarden risico’s, maar die nemen ze op de koop toe. Dit vertrouwen ‘kan’ beschaamd worden. Als dat gebeurt, dan wordt een wond geslagen, die uiterst moeilijk heelt. Wie eenmaal het vertrouwen verloren heeft, moet een lange weg gaan om het terug te winnen. Toch komt het voor dat mensen elkaar op hun woord geloven. We gaan nog een stapje verder. Misschien moeilijker, misschien ook wel gemakkelijker. Het komt voor dat mensen niet alleen elkaar, maar ook en vooral God op Zijn Woord geloven. Zonder garantie, zonder tastbaar bewijs. Waarom doen mensen dit? Ik kan het niet van a tot z verklaren. De band, de liefde tussen mensen is al een geheim. Laat staan de band, de liefde tussen mensen en God. Wel kan ik aanduidenderwijs een paar dingen noemen. Dat doe ik aan de hand van het verhaal over de schare en de vissers langs en ophet meer Gennésareth, ergens in het Noorden van Israël.
Aan de oever is een grote schare, die naar Jezus luistert. Zijn woorden raken hen. Ze komen zo onder Zijn beslag dat we aan het slot van hoofdstuk 4 lezen: ‘Zij trachtten Hem tegen te houden, opdat Hij niet van hen zou heengaan’. Hier is kennelijk iemand aan het woord, die werkelijk iets te zeggen heeft. Niet een reclameman , niet een stuntmaker, niet een mooi-weer-prater, maar iemand die in alle eenvoud en met groot gezag woorden spreekt, die wijs zijn en die winnen; een gouden stem in plaats van al het blikken geschreeuw; een betrouwbare gids in de doolhof van leuzen, kreten, slagzinnen en kletspraat. Later zouden de mensen het geheim van deze Jezus, de bron van Zijn gezag beter, dieper verstaan: God Zelf sprak en handelde door Hem. Zo kwetsbaar durfde God te zijn dat Hij in de gestalte van deze mens Jezus onder de mensen is gekomen als een broeder.
Er gebeurt nog meer, daar bij het meer Gennésareth. De Here Jezus gaat in een schip en zegt tot ene Simon, visser van professie: Daarheen! Zet je netten uit om te vissen! Merkwaardige opdracht. Overdag viste men niet. Dat was tegen alle regels van de visserij. En bovendien: het was een slechte nacht geweest. Als het ’s nachts al niet wilde, dan overdag helemaal niet. Vragende blikken. Aarzelende opmerkingen: ‘Meester, de hele nacht, hard gewerkt, niets gevangen’. En toch…, het vertrouwen in Hem, in deze vreemde Meester, deze man met gezag, wint het van alle aarzelingen en twijfels. ‘Op Uw Woord zal ik de netten uitzetten’. Waarom reageert deze Simon zo? Hier tasten we rondom het geheim van het geloof. Mensen laten zich door deze Baas, deze Meester, gezeggen. Er spoken echt allerlei gedachten door hun hoofd en door hun hart, op de wijze van: ik snap het niet, het lijkt me zus en zo, ik zie het allemaal niet zo zitten. Deze aarzelingen, deze twijfels, deze tegenwerpingen blijven bestaan. Maar in alles en ondanks alles zeggen mensen: ik geloof U op Uw Woord! Zonder garantie, zonder bewijs, maar ze kunnen het niet laten; ze houden het met deze Baas; het vertrouwen in Hem wint het van alles wat ze zien, denken, voelen. ‘Op Uw Woord zal ik de netten uitzetten’. Het zal blijken dat deze Baas niemand voor de gek houdt. Hij leutert niet, Hij spreekt geen praatjes voor de vaak. Dat hebben Simon en zijn makkers ondervonden. Ze haalden een grote menigte vissen binnen, zodat hun netten dreigden te scheuren. Verbazing, vrees!
Ze beseften iets van het ongehoorde geheim van deze Jezus. Daarom zegt Simon; ‘Ga uit van mij, want ik ben een zondig mens’. Ik kan lang niet in uw schaduw staan. U bent te veel voor mij. Maar uitgerekend deze Simon en zijn makkers, geen geestelijke krachtpatsers, geen godsdienstige hoogvliegers werden geroepen om hun oude beroep op nieuwe wijze uit te oefenen: ‘Volg Mij! Wees niet bang, van nu aan zult u mensen vangen. En zij trokken de schepen op het land, lieten alles achter en volgden Hem’. Zonder garantie; zonder tastbaar bewijs. ‘Op Uw Woord!’
Dit geloof werd aangevochten en aangevreten. Ze kwamen op plaatsen die hen tegenstonden en bang maakten. Maar het vertrouwen werd niet beschaamd. Later zijn Simon en zijn maten op gezag van Jezus, de Meester, de wereld ingetrokken. Deze goede boodschap, dit Evangelie van een God die onze broeder wil zijn, is van mond tot mond, van hart tot hart gegaan. Het wordt doorverteld tot op de dag van vandaag. Niet met show en bravour, niet met kunst en vliegwerk, maar met gebrekkige woorden van onvolmaakte mensen. Wanneer mensen zich zo in dienst laten nemen, dan kan het wonder gebeuren dat de stem van deze Meester, die de Meeste is, de Heer van hemel en aarde, gehoord en verstaan wordt. Zo, dat mensen onder Zijn beslag komen, het niet kunnen laten om aan deze Stem gehoor te geven. Ondanks al het blikken geschreeuw, het oorverdovend en hartverkillend lawaai dat mensen produceren, horen ze Gods liefdesmuziek. Daarom komt het – Goddank! – nog steeds voor dat mensen Hem op Zijn Woord geloven. Met vallen en opstaan; zeker! Met aarzelingen en twijfels; ja! Met tegenwerpingen en vragen; ongetwijfeld! Kijk maar naar Simon. Hij dacht en zei: Daarheen? Hoe kan dat nou? Moet het echt zo? Misschien zag hij een glimlach op het gezicht van zijn makkers; misschien hoorde hij hen denken: onbegonnen werk. Dit alles heeft zich later, op de weg achter Jezus aan, steeds herhaald. Geloven in Hem is een aanvechtbare en aangevochten zaak.
Ik kijk naar mezelf. Een brokje onrust. Ook nu: als een speelbal heen en weer geslingerd in de maalstroom van het leven. Ik doe mijn werk. Maar wat haalt het in wezen uit. Straks ben ik vergeten. Maar het Evangelie laat me niet los. Daarom zeg ik in alles, ondanks alles: op Uw Woord zal ik gaan. In vertrouwen op U. Wat kan me dan gebeuren? Dankzij U zal ik nooit en nergens beschaamd uitkomen.
Ik kijk naar de anderen. Allemaal mensen, elk met hun eigen geschiedenis. Vreugde, verdriet; hoogte- en dieptepunten; vrede en angst. Waar gaan ze heen? Is er een hand die ze leidt, een hart dat ze bemint? Het Evangelie laat me niet los. Ik geloof deze Heer op Zijn Woord. Hij verliest niemand uit het oog, niemand uit het hart.
Ik kijk naar de wereld, waarin ik leef. Een doolhof, een heksenketel. Mensen buiten elkaar uit, slaan elkaar de hersens in. Zoveel onvrede, onrecht, zoveel scheuren, zoveel deuken. Waar moet het heen? Maar het Evangelie laat me niet los. Ik geloof deze Heer op Zijn Woord! Hij zal Zijn Schepping, hoe gedeukt en gehavend dan ook, te plek, thuisbrengen.
Hem op Zijn Woord geloven. Ik denk dat deze wijze van leven, kwetsbaar en riskant, de enige weg is die niet doodloopt; de enige weg waarop de warmte straalt, de vreugde klinkt, de hoop brandt. Dat zullen zij ervaren die met Hem in zee gaan, op weg gaan. Hij is betrouwbaar. Alleen Zijn Zaak heeft toekomst. In Zijn spoor zullen we het beleven dat Hij alles zo zal maken, dat we ons verwonderen moeten. Amen.

===   ===   ===

Lucas 5: 1 – 11
*Gehouden op: Zondag 4 februari 2001, 10.00 uur te Beekbergen. (Bediening Heilig Avondmaal)
Bijbellezing: Lucas 5: 1 – 11

De schare aan de oever van het meer…. Ik zie dat voor mij en het raakt me diep. Hoe langer ik kijk, hoe duidelijker ik de gezichten zie. Ik zie het gezicht van Wimmy Fransen, uitgemergeld en tot bijna niets teruggebracht. Ik zie het gezicht van Lammert Reuvekamp, die alleen nog maar met z’n ene hand praten kan. Ik zie het gezicht van Ali en Maryan en dat van hun beide jongens: gevlucht, maar niet vergeten, althans niet door onze kring. Ik zie nog veel meer gezichten, van ouderen en van jongeren. Sommige hebben een glans, lichtjes in hun ogen. Andere hebben diepe rimpels, ogen die verstard, hol en leeg zijn. Al die mensen, daar en toen, aan de oever van het meer, die ik niet ken, worden als door een magneet aangetrokken door die Ene, die het woord van God uitlegt en uitdeelt. Hij zelf staat aan de oever van het meer. Op een gewone dag in de week. Hij gebruikt de gewone dingen, een boot, een net, vissen in het water, om aan te geven wie God is en wat Hij met mensen voorheeft.
Deze Ene, Jezus de Christus, is niet meer lijfelijk aanwezig. De schare is er wel: mensen met een gezicht – zoals ik net probeerde aan te geven – , mensen met een verhaal. Wat gebeurt er met die schare? Het is een schrijnende vraag. Een antwoord dat er heel dichtbij komt, ontleen ik aan een andere plaats in het Evangelie: ‘voortgejaagd en afgemat als schapen die geen herder hebben’. Ik denk dat dit pijnlijk waar is. We leven in een herderloze cultuur. Een manager denkt in cijfers, in klinkende munt, in omzet en afzet. Een herder hoort een hart, denkt aan mensen, niet zozeer aan welvaart, maar vooral aan welzijn. Ons is het woord van God toevertrouwd.
We zijn dat Woord niet, zoals die Ene, maar we mogen ermee werken. Het gebeurt helaas niet dat de schare aandringt, als door een magneet aangetrokken, om het Woord van God te horen. Misschien is het onwil. Ik denk dat het element van onmacht veel sterker is. Met dat woord van God is al zoveel gehannest en gehaspeld, dat het onherkenbaar, ongeloofwaardig is geworden. Onlangs las ik een indrukwekkend boek van een collega uit Huizen, dominee Geluk, die met hart en ziel wil staan en gaan in de gereformeerde traditie, in het spoor van Calvijn. Hij schrijft: ‘De leegte slaat in wilde baren ook over onze gereformeerde levens heen. Of misschien moeten we meer we meer aan een glijbaan denken: we zijn zonder erg het (post)moderne zwembad ingegleden’. In die holte en in die leegte zijn we aangewezen op het Woord van God, enige troost, enige hoop voor ontredderde, ontwortelde mensen. Naar eer en geweten, in alle eenvoud, met alle eerbied, zonder allerlei toeters en bellen, lawaai en tamtam, zullen we dat Woord vertalen en vertolken. Dan kan het wonder opnieuw gebeuren dat Hij, de Heer, de Levende, zelf in ons midden komt. Hij maakt ons vertrouwd met Zijn geheim. Misschien raken we dat geheim het allermeest in de tekenen van brood en wijn. Op de wijze van de Emmaüsgangers, aan het slot van dit Evangelie naar Lucas: ‘Toen het brood gebroken werd werden’ – zo lezen we – ‘hun ogen geopend en zij herkenden Hem’. Toen verdween Hij uit hun midden, maar ze wisten genoeg, omdat Hij, de Levende, genoeg is, een leven en een dood lang en nog verder! Amen.

===   ===   ===

Lucas 5: 28
Gehouden op:
*Zondag 5 aug. 1973, 9.30 uur te Folsgare.
Bijbellezing: Lucas 5: 27 – 32; Ezech. 33: 30 – 33.

Er kan op een dag heel wat gebeuren. Als je ’s morgens knorrig of opgewekt uit bed stapt, weet je niet welke verrassingen of teleurstellingen de nieuwe dag zal brengen. Er zijn mensen die thuis opstaan en in een ziekenhuis gaan slapen. Er zijn er die opstaan als krantenjongen en naar bed gaan als miljonair. Er zijn er die opstaan om feest te vieren en ’s avonds alle reden hebben om te huilen.
De Bijbel vertelt over iemand die ’s morgens uit bed stapt als een hoge belastingambtenaar, en er ’s avonds weer instapt als een arme sloeber. Dat komt meer voor. Maar het wonderlijke bij deze man is: toen hij opstond en z’n mooie pak aantrok, keek hij zo zuur als een augurk en hield hij z’n lippen stijf op elkaar; en toen hij ’s avonds doodmoe op z’n bed viel en de volgende avonden soms zelfs onder de blote hemel moest slapen, toen was er een glans in zijn ogen en stond zijn mond een eindje open van blijde verbazing.
Wat was er met die man gebeurd? ’s Morgens was hij gewoon opgestaan, zoals iedere dag. Wassen, scheren, kopje thee, stukje brood, vluchtig het Galilese ochtendblad doorkijken, tas inpakken, jas aan, naar kantoor. Daar haalde hij zijn paperassen voor de dag.
Mijnheer Levi, want zo heette hij, zit achter zijn bureau. Voor hem liggen de tabellen van de belasting. Hij rekent en hij schrijft kwitanties. Honderd, honderdvijftig, tweehonderd gulden. Een deel van de opbrengst is voor de Romeinen, die de baas spelen in Palestina, maar van ieder bedrag zijn toch wel een paar tientjes voor hem. Hij is goeie vriendjes met de Romeinen, maar de Joden kunnen hem niet luchten of zien. Want zijn kwitanties zijn altijd hoger dan het vastgestelde bedrag, maar als Jood heb je niets te vertellen. Achter de belastingtabellen ziet mijnheer Levi zijn bankrekening groeien. De zin van zijn leven is: geld verdienen. En als hij geld verdiend heeft, wat dan? Dan nog een paar duizend erbij. En dan? Nog meer! En dan… dan zou hij op een kwade dag doodgaan en aan al z’n geld niets meer hebben … Zover liet hij zichzelf niet doordenken. En als die gedachte even bij hem opkwam, dan zei hij gauw tot zichzelf: kom, kom, niet zo somber! En hij nam gauw een slokje koffie om die nare smaak weg te spoelen.
Mijnheer Levi is net met een grote optelsom bezig en hij weet niet meer of hij er zes of zeven moet onthouden, want hij wordt gestoord door rumoer op straat. Er moet iets aan de hand zijn.
‘Jezus van Nazareth’, zegt zijn secretaresse. Dat is interessant, dat die Profeet, over wie de kranten zoveel schrijven, vandaag hierlangs komt. Nu kan hij vanmiddag onder het diner aan zijn zakenrelatie vertellen dat hij Hem ook eens heeft gezien. Wie weet, misschien doet Hij nog een wonder ook! Dat zou interessante gespreksstof zijn, want je moet toch op de hoogte zijn van mensen die in het nieuws zijn en invloed op het volk uitoefenen.
Jezus van Nazareth loopt tussen de mensen door, regelrecht naar de deur, met het bordje: ‘Levi, alle belastingzaken’. Dat wordt interessant, denkt Levi, maar hij wordt eigenlijk een beetje zenuwachtig. Dat wordt….vreemd, dat wordt….gevaarlijk. Wat moet die man in mijn kantoor doen? Er valt niets aan Hem te verdienen. Want Hij is zonder vaste woon- verblijfplaats.
’t Is wel aardig om zo eens naar Jezus van Nazareth te kijken, als Hij langskomt, maar als Hij zo regelrecht op je afkomt…! ’t Is wel aardig om eens bij Jezus op visite te gaan en met Hem te debatteren over theologische onderwerpen. ’t Is wel aardig om eens naar Hem te gaan luisteren, als Hij preekt in de synagoge, en dan na afkoop onder het genot van een kop koffie te zeggen: niet slecht, goed gevonden, aardig bedacht. Maar het is niet leuk meer als Hij bij ons visite komt, in ons kantoor of huis, in onze alledaagse bezigheden. Dat wordt opdringerig. Met ons privéleven heeft Hij toch niets te maken?
Al deze gedachten gaan als een flits door mijnheer Levi heen, terwijl hij zijn paperassen wat recht schuift en met een ietwat onzekere stem ‘Binnen!’ roept, wanneer er geklopt wordt. De deur gaat open. Jezus van Nazareth in het kantoor, het heiligdom van mijnheer Levi. Mijnheer Levi wijst al naar een stoel, maar wat staat die man bij de deur toch te kijken? Het lijkt wel of z’n ogen dwars door je heen gaan. Hij opent Zijn mond, en wat zegt Hij nu? Maar twee woorden! ‘Volg Mij!’
En Levi, hij staat zowaar op. Met een bons slaat hij de deur van zijn kantoor dicht, zodat de papieren door de war raken en op de grond vallen, maar hij ziet het niet meer. Hij laat alles achter en volgt Jezus.
Een merkwaardig verhaal. Dat is toch wel erg sterk dat je zomaar je zaken in de steek laat, en zonder een cent op zak met iemand meegaat die zelf ook geen geld bezit. Ach, zou ons van Jezus van Nazareth nog iets moeten verbazen? Hij heeft maar twee woorden nodig om menselijke onmogelijkheden te doorbreken. Niet omdat Hij een tovenaar is, die adembenemende kunstjes uithaalt, maar omdat Hij de Heer is, door Wiens mond God tot mensen spreekt, door Wiens daden ‘God-met-mensen handelt.
Maar twee woorden! ‘Sta op!’ zegt Hij bij een sterfbed en de dode keert terug tot het leven. ‘Kom uit’ roept Hij bij het graf van Lazarus, en Lazarus komt naar buiten! ‘Volg Mij!’ zegt Hij tot ene mijnheer Levi, en hij volgt Hem. Dat is een even groot wonder als de opwekking van Lazarus. Want ook mijnheer Levi was eigenlijk een levend lijk, omdat hij zich had begraven in zijn geld.
Jezus en Levi wandelen samen naar buiten. Daar staat een groepje mensen te wachten. Want dit kan spannend worden. Jezus op bezoek bij zo’n uitzuiger, zo’n akelige vent, wiens bloed zij wel kunnen drinken. Heulen met de Romeinen en het laatste dubbeltje naar boven halen. Misschien gooit Jezus zijn bureau wel onderste boven om hem bij z’n kraag te pakken en op straat te zetten. De mensen verkneukelen zich al, maar hun mond valt open van verbazing als Jezus en Levi naar buiten komen en even later het huis van Levi binnengaan. Daar wordt een maaltijd aangericht, waar Levi zijn vrienden en kennissen uitnodigt.
Dit kan niet, dit gaat te ver, zeggen de mensen die het gezien en gehoord hebben. De dominees roepen Jezus ter verantwoording. Waarom geeft u zich af met zo’n stelletje mislukkelingen?
Zulke vragen breken Zijn hart! Hebben die fatsoenlijke, die zelfgenoegzame mensen er dan niets van begrepen? Met pijn in Zijn hart en in Zijn stem antwoordt Jezus: ‘Zij die gezond zijn hebben geen dokter nodig, maar zij die ziek zijn’. Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen tot Mij te roepen, want die komen toch niet, omdat zij het zelf zo goed weten en daarom zo hand zijn als een steen, zo koud als ijs. Ik ben gekomen voor zondaars, voor vastgelopen en mislukte mensen.
Bij deze woorden komt er weer een beetje vreugde in Zijn hart, want één heeft het in ieder geval begrepen: Levi, die nu geen cent meer bezit, maar rijker is dan toen hij ’s morgens opstond.
Deze Jezus is niet iemand uit een geschiedenisboekje, dat je al of niet interessant kunt vinden. Want deze Jezus leeft en Hij komt nog steeds bij mensen binnenlopen. Hij spreekt telkens met twee woorden: ‘Volg Mij!’ Ga in het spoor lopen, waar Ik voorga. Achter Mij ben je veilig, want over de diepste kloven heb Ik al een brug geslagen. Als je Mij volgt, valt de last van je verleden van je schouders af, omdat Ik die al heb gedragen.
‘Volg Mij!’ Als je Mij volgt, ga je zien dat de liefde ijs doet smelten en bergen verzet. In Mijn spoor zie je dat de hoop gaat gloren door alle wanhoop heen; ga je toekomst zien, omdat God het laatste woord heeft en niet wereldmacht X of legermacht Y.
‘Volg Mij!’ Als je Mij volgt, ga je glimlachen door je tranen heen, omdat zou de laatste kloof – van de dood – is overbrugd. Dan tuimel je niet in een duizelingwekkende leegte, omdat Ik Mijn hand onder Uw lichaam houd.
Overal waar in eenvoud en eerbied het Evangelie wordt verkondigd, klinken deze twee woorden van Jezus door het menselijk gehakkel en gestamel heen. Telkens wanneer de Bijbel wordt gelezen en overpeinsd, niet met een eigenwijs hoofd maar met een hunkerend hart wijst de vinger van Jezus ons aan en spreekt Hij de bevrijdende woorden: ‘Volg Mij!’
Er zijn mensen die opstaan, zoals Levi. Er zijn er ook die liever blijven zitten. Ze zitten vastgekleefd aan hun centen, vastgeroest aan hun zonden of hun zelfvoldane vroomheid, en laten zich daar niet van aftrekken.
Er zijn er ook, die zeggen: ‘Goed, Jezus, ik zal een eindje met U oplopen’. Dan kijkt Jezus om en zegt nog eens: ‘Volg Mij’, en ze schrikken, want ze begrijpen dan dat dat iets anders is dan even meelopen.
Er zijn er ook, die zeggen: ik wil wel, maar kunnen we eerst even praten over de uitverkiezing of over de opstanding. En als er nog tijd over is, graag ook nog even over al die andere godsdiensten. Want, ziet u, daar pieker ik nogal eens over. Maar Jezus zegt: ‘Volg Mij!’. Onderweg praten we wel verder. Anderen zeggen: U volgen? Goed, maar heeft u even geduld? Ik zou graag mijn spaarpot meenemen. Gaat u even hier zitten, dan haal ik hem op. Maar als ze terugkomen, is Jezus weg.
‘Volg Mij!’ Nou, vandaag komt het wat moeilijk uit. Kunt u misschien eens terugkomen?
‘Volg Mij!’. Er zijn er ook die net zo reageren als de mensen in de tijd van Ezechiël. Nee maar, prachtige preek, hoor! Schitterend! Zelden zo mooi gehoord! Maar ze handelen er niet naar. Ze blijven toeschouwers, klappen in hun handen, maar blijven stokstijf zitten en verroeren zich niet.
‘Volg Mij!’. Betekent dat, dat we alles in de steek moeten laten, zoals Levi? Niet te gauw zeggen: ‘Nou, dat zal wel niet. Het ‘kan’ gebeuren’. Het ‘moet’ gebeuren, overal waar iets het volgen van Jezus afremt of tegenhoudt. We moeten zo gaan leven met ons geld, met ons bezit, met alles wat we hebben, dat het ondergeschikt is aan Jezus. We moeten er zo mee omgaan dat we het op ieder moment achter kunnen laten, zonder pijn, zonder hartzeer. Dan krijgen we een heilige onbezorgdheid, en gaan we dat andere woord van Jezus verstaan: ‘Zoekt eerst Mijn Koninkrijk, al het andere wat je echt nodig hebt komt dan vanzelf wel’. Dan zeg je nooit meer: dat is van mij; maar je zegt: het is van u, en ik mag het zolang gebruiken.
Jezus komt nog steeds bij mensen binnenlopen. ‘Volg Mij!’. Als Hij bij ons komt, en Hij staat niemand over, wat zullen wij dan zeggen, wat zullen wij dan doen? Amen.

===   ===   ===

Lucas 6: 46
Gehouden op:
*Zondag 20 oktober 1974, 13.30 uur te Folsgare.
Bijbellezing: Lucas 6: 46 – 49

Ik begin met een verhaal dat u misschien bekend is, misschien ook niet. Hoe dit ook zij, het kan ons een dienst bewijzen om het Evangelie des te beter te verstaan. Het is echt gebeurd. Wanneer en waar, weet ik niet, maar dat doet weinig ter zake.
In een stad kwam een groot circus. Het was lang van tevoren aangekondigd en iedereen zag ernaar uit. Eindelijk was het zover. Er werd een geweldig grote tent opgezet om de toeschouwers een plaats te bieden. Toen de eerste voorstelling gegeven werd, was de tent uitverkocht, tot op de laatste plaats. Allerlei nummers werden opgevoerd en uitgevoerd om de mensen te vermaken. Zoals bij ieder circus was ook hier een clown. Na de pauze kwam hij plotseling achter de coulissen vandaan, hij rende het toneel op en schreeuwde zo hard hij kon: ‘Brand! Brand!’
Even werd het ademloos stil in de tent. Toen barstten de mensen in lachen uit. Aller ogen waren gericht op dat ene figuurtje, de kleine clown op het toneel, die met een wanhopige uitdrukking op zijn gezicht steeds harder begon te schreeuwen, maar de mensen gingen des te harder lachen en applaudisseren. Ze dachten dat het bij de voorstelling hoorde, maar er was werkelijk brand.
Hoe het afgelopen is, weet ik niet precies, maar dit verhaal is me bijgebleven. De mensen vonden dat de clown het zo echt kon zeggen. Ze vonden hem leuk, aardig, vriendelijk, maar ze weigerden zijn woorden, serieus te nemen, want het hoorde volgens hen bij de voorstelling. Ze weigerden de consequenties uit zijn woorden te trekken, met alle pijnlijke en wellicht zelfs dodelijke gevolgen van dien. Begrijpt u mij goed: ik wil de Here Jezus niet met een clown vergelijken. Maar, mij dunkt: het gevoel dat deze wanhopig roepende clown, daar op het toneel, gehad moet hebben, is Hem niet onbekend. De Here Jezus verscheen op het toneel van de wereld, niet om de mensen aangenaam bezig te houden, niet om de dagelijkse sleur van eten, werken, slapen even te onderbreken, maar Hij kwam om de mensen te wijzen op en te bevrijden van dodelijke gevaren.
Maar hoe werd en wordt Hij ontvangen? Het lijkt angstig veel op die clown in de tent. Lees het Evangelie er maar op na en zie hoe de woorden ontvangen worden. De mensen hingen – in het begin althans – aan de lippen van de Here Jezus. De evangelist Mattheüs beschrijft dezelfde verzen die we zopas bij Lucas gelezen hebben, maar hij, Mattheüs, voegt nog een slotvers toe: ‘En het geschiedde, toen Jezus deze woorden voleindigd had, dat de scharen versteld stonden over Zijn leer’.
Dat wil zeggen: de mensen vonden het prachtig. Ze dachten bij zichzelf en zeiden tot elkaar: De Here Jezus kan het zo echt zeggen. Er klonk instemmend gemompel; hier en daar werd zelfs voorzichtig geapplaudiseerd. Maar toch: zij namen Zijn woorden niet serieus; zij weigerden de consequenties uit Zijn woorden te trekken. Zij dachten dat de oproep tot bekering, tot een andere manier van leven, bij de voorstelling hoorde. Dergelijke dingen worden nu eenmaal gezegd als de godsdienst ter sprake komt: bekering, vergeving, verzoening, liefde, hoop enzovoort. Maar het werd allemaal voor kennisgeving aangenomen: aardig, leuk, vast en zeker, rechtzinnig tot en met, Bijbels door en door, maar het had geen praktische, daadwerkelijke gevolgen; het werd niet ter harte en ter hand genomen; het werd niet doorvertaald in het doen en laten, in het gewone, dagelijkse leven. Daarom zegt de Here Jezus, hard en scherp, maar de ondertoon is vol verdriet: ‘Wat noemt gij Mij Here, Here en doet niet wat Ik zeg?’
‘Here, Here’, dat is een belijdenis, een uiting van geloof. Maar geloven en gehoorzamen hangen onlosmakelijk met elkaar samen. Wie de ene helft wegsnijdt, houdt niet de andere helft, maar niets over. Men kan immers ook geen mens in tweeën snijden? Een halve mens is geen levend wezen meer, maar een dode massa. Zo vormen ook geloven en gehoorzamen een levend geheel. Wie ten overstaan van Jezus de belijdenis uitspreekt: ‘Here, Here’, die stelt Zich onder Zijn gezag, die laat zich door Hem gezeggen, die wordt een slaaf van Christus en deze slavernij is, wonder boven wonder, de hoogste mate van vrijheid. ‘Wat noemt gij Mij: Here, Here!’ Deze belijdenis heeft verstrekkende gevolgen. Zo niet, dan is het een praatje voor de vaak, een slag in de lucht. Weet u, de oudste christelijke belijdenis bestond vrijwel zeker uit maar twee woorden. In het Grieks: ‘Iesous Kurios’, hetgeen vertaald betekent: Jezus Heer! Deze twee woorden deden het Romeinse wereldrijk op zijn grondvesten trillen, zo zeer dat het verbrokkelde en tenslotte verdween. Niet door een geweldige legermacht, maar door een handjevol christenen die deze minimale belijdenis maximaal beleefden: ‘Iesous Kurios, Iesous Heer’.
‘Wat noemt gij Mij Here, Here en doet niet wat Ik zeg?’ Is de overeenkomst met de clown niet frappant? De mensen, in de tent verzameld, bevonden zich in een levensgevaarlijke positie. Er was werkelijk brand. De mensen rondom Jezus bevinden zich eveneens in levensgevaar. Daarom juist, om de mensen te behouden is Hij op het toneel van de wereld verschenen. Wie zijn woorden niet serieus neemt, loopt Zijn dood tegemoet. ‘Wie Mijn woorden hoort en ze niet doet is gelijk aan iemand, die een huis op de grond bouwt, zonder fundament. Toen de stroom daar tegenaan sloeg stortte het terstond in het huis werd een grote bouwval’.
Nog steeds wordt dit Evangelie verkondigd, ook in onze dorpen Oosthem, Abbega en Folsgare. Het gebeurt stamelend en gebrekkig. Ik zal de laatste zijn om dat te ontkennen. Maar hoe dan ook, de Heilige Geest schakelt onvolmaakte mensen, zoals u en ik, in om de bevrijdende klanken van het Evangelie te laten horen. De Naam des Heren wordt beleden, We kennen de Bijbel door en door. We kunnen de grenslijn tussen rechtzinnig en vrijzinnig haarscherp uittekenen. Maar heeft deze belijdenis: Here, Here ook praktische, daadwerkelijke gevolgen? Ik ga niet op de rechterstoel van God zitten, want ik sta zelf ook onder de tucht van het Evangelie. Maar wel wordt van mij gevraagd om het Evangelie te vertellen en te vertalen met het oog op onze eigen situatie. Als ik dat niet doe, dan word ik een mooi-weer-prater en pleeg ik verraad aan het Evangelie. Het is beter om in de gunst van God te staan dan in de gunst van de mensen.
‘Wat noemt gij mij Here, Here en doet niet wat Ik zeg?’ Waarom trekken we de laatste consequenties niet uit onze belijdenis, zodat we hartstochtelijk bidden om en zoeken naar de eenheid van de beide kerken in onze dorpen? Misschien verzucht iemand nu: Daar heb je hem ook weer; hij gaat weer een van zijn stokpaardjes berijden. Alsof de eenheid van Christus’ gemeente, Zijn lichaam, een hobby, een aardigheidje is. De waarheid mag toch wel gezegd worden: wij kunnen in onze dorpen over alles praten en alles samen-doen. Maar zodra het geloof, de kerk ter sprake komt – en daar ligt toch de diepste eenheid, die denkbaar is – dan rijzen wantrouwen en vooroordelen als paddenstoelen uit de grond. Mij wordt verweten dat ik veel te hard van stapel loop. Maar kun je dan ooit te snel zijn om een duidelijk, eenvoudig gebod van Christus op te volgen? We zeggen toch ook niet tot een dief of een vloeker: niet te snel veranderen! kalmpjes aan!
‘Wat noemt gij Mij Here, Here en doet niet wat Ik zeg?’ Als Christus in onze huizen komt, zal Hij dan Zijn volgelingen herkennen, die Zijn Naam belijden? Zal Hij dan merken dat het geloven en het gehoorzamen in elkaar overvloeien? Wordt het zichtbaar in de wijze waarop wij met onze vrouw, onze man, met onze kinderen omgaan? Werkt de belijdenis door in de wijze waarom we met andermans vrouw, man en kinderen omgaan? Of is dit een gebied waarover de Heer geen zeggenschap heeft? Geldt hier soms ook, wat ministers zo mooi kunnen zeggen: een inmenging in de binnenlandse aangelegenheden? Dat kan toch niemand, op grond van de Bijbel, volhouden?
‘Wat noemt gij Mij Here, Here en doet niet wat Ik zeg?’ Als Christus op onze feesten komt, zal Hij dan Zijn volgelingen herkennen, die Zijn Naam belijden? Als Hij in de nacht onze dorpshuizen binnenkomt, wat zal Hij dan zeggen? Zal Hij boos worden, of zal Hij huilen? Ik denk het laatste. Zoveel jaren het Evangelie gehoord, zoveel malen de belijdenis uitgesproken, maar dit heeft het uitgehaald. Hij zal huilen over Oosthem, Abbega en Folsgare, zoals Hij eens deed over Jeruzalem: ‘En toen Hij nog dichterbij gekomen was, weende Hij en zei: Och, of gij ook op deze dag verstondt wat tot uw vrede dient!’
Ik heb in deze preek het achterste van mijn tong laten zien, beter nog: mijn hart uitgestort. Ik heb gebeden dat mijn tong en mijn hart in overeenstemming mochten blijven met het Evangelie. Dit Evangelie houdt mij op de been en behoedt mij om wanhopig te worden. Maar de vraag laat mij niet los: Als de Zoon des Mensen terugkomt op de aarde, ook in Oosthem, Abbega en Folsgare, zal Hij dan geloof vinden? Amen.

2003-02-23 Verloren, gevonden

Verloren, gevonden

O.T. Jesaja 55: 6 – 11; N.T. Lucas 15: 11 – 24, 32  

Gehouden op:
*Zondagavond 23 februari 2003 in de Grote Kerk in Apeldoorn

Verloren zoon… Indrukwekkend verhaal. Ook overbekend, met alle risico’s van dien. Je hoort er niet meer van op, je gelooft het wel. Dan is het verhaal in feite dood, omdat je zelf alles al weet. Stel je voor dat het niet alleen over de verloren zoon, de aan lager wal geraakte mens gaat, maar ook over de verloren, ontheemde God….

Bij televisieopnamen gebruikt men verschillende camera’s. Nu eens zoemt de ene in, dan weer de andere. Al doende komt dat ene gebeuren helder in beeld. Eerst zoemen we in op die zoon, weg van huis, om te ontdekken: wat is er met God gebeurd? Overbekend allemaal? Hoe dan ook, het is en blijft indrukwekkend nieuws. 
Daar gaan we dan, met het oog op de zoon die het vaderhuis vaarwel zegt. Die zoon is een spiegel voor Jan-en-alleman, voor Marie-en-allevrouw. Wat is er met de mens, met mij gebeurd? De Bijbel noemt in dit verband een hele serie woorden:
*schepping – gewild dus, en niet geworpen in een zinloos bestaan; 
*zondeval – verantwoordelijk dus, en niet een marionet; anders gezegd; ik heb het verkeerde nummer gedraaid, in plaats van: ik ben verkeerd verbonden; 
*verkiezing van één ter wille van allen; 
*verzoening, verlossing – er zijn dus dingen grondig mis. 
Kun je deze woorden zó verwerken – zoals een schilder met z’n verfbakjes doet – dat je het portret van de mens, dus ook je zelfportret, nog scherper ziet? 
Blaise Pascal – wereldberoemd geworden, als filosoof, maar ook als wis- en natuurkundige – schreef ruim driehonderdvijftig jaar geleden: ‘Glorie en uitvaagsel van het heelal’. Dat ligt heel dicht bij een woord dat dit Bijbelverhaal aanreikt: verloren. 
Wonderlijk woord. Het is het tegenovergestelde van waardeloos of hopeloos. Als iets verloren wordt genoemd, betekenhet dat het waardevol is. Niemand denkt toch met schrik: Ik heb een pepermuntje verloren of een spijker…! Als zoiets weg is, heb je daar geen slapeloze nacht van. Verloren, dat wil zeggen: de moeite van het zoeken waard.

Wat is er met de mens gebeurd? Verloren, zegt dit bijbelverhaal, en ik herken m’n eigen portret. Van de plaats geraakt waar je thuishoort en terechtgekomen in een zwijnenstal. Kom, kom, niet zo somber, Marchal….  

Je kunt de zaak natuurlijk opvrolijken, maar ik ben wantrouwend geworden ten opzichte van al die verhalen. Ze zijn te mooi om waar te zijn. Als je een beetje zelfkennis en mensenkennis hebt, vooral ook Godskennis – daarover straks meer – dan is de aanduiding ‘zwijnenstal’ zo gek nog niet. Wat maken we ervan in de omgang met elkaar? Wat bieden we de jongeren aan en wat voor wereld laten we hun na? Wat gebeurt er in de omgang met de dieren en de dingen? Als de zaak op scherp komt te staan, doen we elkaar een oorlog aan, de zoveelste in de geschiedenis. Het is niet zo dat de tegenstanders alleen maar zwart en slecht zijn, wij daarentegen wit en goed. Zo simpel is de werkelijkheid niet. De apostel Paulus kon gelijk hebben toen hij schreef: Allen hebben gezondigd en derven de heerlijkheid van God. 

Ik houd het daarom bij het Evangelie, een verhaal, te waar mooi te zijn. Mens, kind… een zwijnenstal! Nee, je komt niet achter de tralies, je bent een achtenswaardig burger. Maar wat gebeurt er met je zelfbeeld, je ego zogezegd, als je het kamertje van je leven opruimt, eventueel: uitmest? Is het dan ver bezijden de waarheid: eigenlijk een zwijnenstal? 

Wat is er met de mens gebeurd? Zijn we ook verloren, dat is: waardevol, van de bestemde plaats geraakt, de moeite van het zoeken waard? Dat ontdek je pas als je inzoemt op die andere vraag: wat is er met God gebeurd?   

Een vreemde, misschien ook wel ietwat vrijpostige vraag. Wij hebben, voor zover wij iets met God hebben, veelal een Godsbeeld dat nogal statisch is, vast staat. In de Nederlandse Geloofsbelijdenis, uit 1561, staan onder meer deze aanduidingen voor het hoogste wezen, God: onvatbaar, onzichtbaar, onveranderlijk, oneindig, almachtig…. Ik neem m’n pet af voor deze woorden, vooral als ik erbij bedenk in welke benarde omstandigheden ze geboren zijn. Mensen met de dood voor ogen kletsen niet. Dat is zonde van de tijd. En toch vraag ik mij af of deze woorden niet te star, te statisch zijn. Ze sturen onze gedachten omhoog  naar Iemand, die een soort super-chef is, tot in de hoogste macht verheven. Dit Bijbelverhaal, deze gelijkenis zet ons andere sloren. Hij reageert op de zwijnenboel die wij ervan maken. al doende gebeurt er ook iets met Hem. Hij wordt niet iemand anders, maar toch…. Net als een ouder die met z’n kind door allerlei diepe dalen en lange tunnels heen gaat. Dat gaat je om zo te zeggen, niet in de koude kleren zitten. 

De almacht van de Vader verhindert niet dat Hij de zoon laat gaan, ook als Hij weet dat die jongen naar de kelder, naar in zwijnen gaat. Liefde is de kunst van het loslaten. De ander niet in een harnas persen, niet tot een marionet maken, maar loslaten zodat hij tot zichzelf komt, met alle risico’s van dien. 

Dat Hij, de Vader, onveranderlijk is, betekent niet dat het Hem onbewogen laat. Als de zoon verloren is, er een zwijnenboel van maakt, dan kan de Vader niet anders doen dan wat Zijn hart hem ingeeft. Hij staat, met al z’n verdriet, ontredderd, met vrees en beven, op de uitkijk. 

De verloren zoon maakt de Vader in zekere zin ook tot een verloren Vader. In een liefdesverhouding, vooral als de zaak op scherp komt te staan, gebeurt er iets, over en weer. De Vader lijdt aan de vermeende vrijheid van zo’n kind, want – weer die gouden regel – liefde is de kunst van het loslaten. Het is een kruis voor Hem. Is dat niet het geheim van het Evangelie? Een God die zo bewogen is met ons, mensen, dat Hij er zelf stuk aan gaat. Van zo’n unieke God kun je houden. Aan zo’n God kun je je toevertrouwen. 
Kunt u mij zeggen wie God is? Het wordt er vooral niet gemakkelijker op. Ik durf niet te zeggen dat het mij allemaal glashelder is, maar ik vind het zo’n spannend avontuur om op deze manier gelovige, ook Schiftleerling, te mogen zijn, anno Domini 2013. Alles serieus nemen wat er vandaag-de-dag gebeurt. Nergens met een boogje omheen lopen. Niets toedekken met wat stoplappen of dooddoeners, hoe goed dan bedoeld. Met ons, mensen, is een heleboel gebeurd. In en met dat alles zijn we op zoek naar God, de Levende, de Enige die echt deugt. De kerkvader Augustinus schreef lang geleden, ongeveer 400 jaar na Christus, in zijn Belijdenissen; ‘Ik zou U niet zoeken, als U mij niet allang gevonden had’. In dit alles zijn we aangewezen op deze unieke God, die zich ook verloren voelt in het Vaderhuis, zolang wij in de vreemde zijn en vreemd gaan. Maar soms zijn er momenten, als in een flits, van thuiskomen, van omhelzen, elkaar in de armen vallen. Dan is het feest, als een voorproefje van het uiteindelijke feest, als we voorgoed thuis zijn. Tot dan zijn we op zoek, met vallen en opstaan, en laten we ons gezeggen door de oude woorden van de profeet Jesaja: 
       ‘Zoekt de Here, terwijl Hij zich laat vinden; roept Hem aan terwijl 
        Hij nabij is. De goddeloze verlate zijn weg en de onrechtvaardige 
        zijn gedachten en bekere zich tot de Here, dan zal Hij zich over 
        hem ontfermen  – en tot onze God, want Hij vergeeft veelvuldig’. 
2003-03-30  Blijven of weggaan
Blijven of weggaan
O.T. Jozua 24:14-16; N.T. Johannes 6: 60-71
Blijven of weggaan…? Het lijkt alsof je die keuze zelf in de hand hebt. Dat is lang niet altijd het geval. Ik zal een paar voorbeelden noemen: 
Ik ben krijgsgevangene in Irak. Het maakt even niet uit of ik Irakees, Brit of Amerikaan ben. De tegenstander heeft mij hoe dan ook te pakken gekregen. Blijven is het wachtwoord. Weggaan is niet aan de orde. Ik probeer mij voor te stellen hoe dat voelt. Of hoe het voelt als – nog erger –  een van mijn kinderen daar bij zou zijn: overgeleverd aan de vijand, misschien wel getoond op de televisie. Om gek van te worden…! 
Een ander voorbeeld blijft iets dichter bij huis: Ik heb een baan bij een bedrijf dat alom de wind tegen heeft omdat de markt oververzadigd is. Als ik wegga, sta ik zeker op straat, met alle risico’s van dien. 
Laatste voorbeeld: ik ben gehandicapt en dus aangewezen op dure, intensieve zorg. Weggaan? Hoe dan? En waarheen? 
Onze keuzevrijheid is bij nader inzien nogal beperkt. Je bent meer gebonden  dan je vaak waar wilt hebben. 
Met het geloof en met de kerk ligt het misschien wat gemakkelijker. Het is een soort extraatje dat je eventueel ook wel kunt missen. Net als een blinde darm. Als die weggaat, is je leven er doorgaans niet mee gemoeid. Laten we die vraag – blijven of weggaan? – eens testen aan de hand van verhalen uit de Bijbel. 
We lezen het slot van Johannes 6. Blijkens het begin van dit hoofdstuk heeft en doet Jezus iets met mensen. De belangstelling is overweldigend: vijfduizend mannen. Tel daar nog eens de vrouwen en de kinderen bij. Dan heb je een enorme club. 
Wat heeft al die mensen op de been, in beweging gebracht? Die ene mens, Jezus, die zulke aparte dingen zegt en doet. Hij deelt tussen de bedrijven door ook brood en vis uit. In en door Zijn handen wordt het vermenigvuldigd. Er is genoeg voor allen en nog ruimschoots over. De mensen vermoeden terecht dat dit, dat Hij iets met God te maken heeft.  
Maar als Jezus dat gebeuren van het brood en van de vis gaat uitleggen, dan loopt het mis. Het enthousiasme zakt als een pudding in elkaar, slaat ook om in ergernis. Wat Ik deed en gaf, zegt Hij, wijst heen naar mezelf. Het is geen hocus pocus, geen show, geen publiekstrekker. Zoals dit brood gebroken wordt, zo laat Ik mijzelf breken ter wille van de mensen, wereldwijd. Wat de wereld, met alles wat d’r op en d’r an zit, draagt en bewaart, is niet een grote mond, ook niet een dikke vuist, evenmin een volle portemonnee, maar een offer. En dat niet zomaar, het is een offer van Gods kant. 
Dat is een zwaar woord: offer. Je loopt erom heen en je probeert er dichter bij te komen. Bijvoorbeeld door te zeggen: offeren is geven in de hoogte graad. Anders gezegd: leven dat leeft, steunt op leven dat sterft. Het blijft stamelen en stotteren. Iemand zei: ‘Tegen de tijd dat je ’t kunt weten, ben je versleten.’ Of met de woorden van een lied: ‘Leer Mij, o Heer, Uw lijden recht betrachten, in deze zee verzinken mijn gedachten.’
‘Ik ben het brood des levens’, zegt Hij. Brood voor de wereld. Dat is óf de hoogste waanzin óf de diepste waarheid. De meeste mensen, daar en toen, vonden het waanzin, in elk geval: onzin, prietpraat. Ze gaan weg, voelen zich niet meer betrokken. Misschien al mopperend: ze bekijken het maar! Misschien geruisloos: weer een teleurstelling, een kaarsje gedoofd. ’t Lijkt wel een beetje op kerkverlating. Een beetje, want de kerk, al heet ze dan ook lichaam van Christus, is niet gelijk aan Jezus zelf. De kerk vaarwel zeggen betekent niet altijd breken met het geloof. Daarom zei ik: ’t lijkt een beetje op kerkverlating. Sommige mensen zeggen duidelijk: mij niet meer gezien. Er zijn ook bosjes mensen die geruisloos verdwijnen, weggaan zonder groeten.
Van ruim vijfduizend naar een handjevol. Dat is een aderlating! Jezus ziet ze gaan en zegt dan, met het oog op de twaalf discipelen: ‘Jullie willen toch ook niet weggaan?’  Wonderlijke vraag. Het is de toon die de muziek maakt. Als je die vraag uit het verband haalt, kun je er allerlei geluiden in horen. Onverschilligheid. Op de wijze van: ’t zal mij een zorg zijn! 
Dat klopt niet met de rest van het Evangelie. Het laat Jezus alles behalve koud wat mensen zeggen en doen. We lezen – om een voorbeeld te noemen – dat Hij huilde over Jeruzalem en zei: hoe vaak heb Ik u naar mij toe geroepen zoals een kloek doet met haar kuikens? 
Is het dan angst misschien? Zo van: als jullie ook weggaan, dan ben Ik nergens meer! Ook dat kan het niet zijn. Er wordt in het Evangelie wel verteld dat Jezus angst had. Vooral in de hof van Gethsemane. Niet zozeer vanwege de discipelen die allemaal op de loop gingen, maar vanwege het offer dat niemand met Hem kon delen. Geen onverschilligheid dus. Ook geen angst. Wat dan wel? Een afgezaagd woordje, maar wel het hart van de zaak: liefde. Liefde is ook de kunst van het loslaten. Je helpt de ander om bewust een keus te maken en elkaar zo, van harte, nabij te zijn. 
Blijven of weggaan? Er is er één in de kring, die reageert. Heel echt, puur, en daarom zegt het zoveel: ‘Here, tot wie zullen we heengaan?  U heeft woorden van eeuwig leven.’ Deze reactie komt van Simon, ook wel Petrus genoemd. Later sloeg hij plank nog vaak mis, zei hij dingen die niet helemaal of helemaal niet in de roos waren. Over deze man staan minder fraaie dingen in het Evangelie, maar wat hij hier zegt is goud waard, zelfs meer dan dat. Tot wie zullen we heengaan? 
Ik herken mijzelf in deze vraag die iets heeft van een verzuchting. Er wordt zoveel gezegd, beloofd, geshowd, getrokken, gepeuterd aan mensen. Het is nooit anders geweest. In het groot en in het klein. In het groot zijn er hele systemen bedacht en in werking gezet om mensen een betere toekomst te bieden: socialisme, communisme, liberalisme, kapitalisme, idealisme. Is het er beter op geworden? Mensen zijn allergisch geworden voor grote woorden. Ook op kleinere schaal is en wordt zoveel beloofd. Met bijbedoelingen, maar vaak ook heel oprecht. Soms wordt het wat, soms blijkt het niks te zijn. 
Tot wie zullen we heengaan? Vooral als het spannend wordt, als de zaak op scherp komt te staan. U hebt woorden van eeuwig leven. Woorden die niet stuk te krijgen zijn! Onze woorden zijn vaak zo kort van duur en klein van kracht. Net als bij de verzekering. Als het echt gaat spannen, zijn er allerlei kleine lettertjes waardoor de grote woorden niet meer gelden. Zo gaat ook met ons geloof. Het is soms, vaak, zomaar weg. 
Dat heeft diezelfde Simon Petrus aan den lijve ervaren. Hij overschatte zichzelf met zijn: ‘Ik zal dit, ik zal dat!’ Het spatte als een zeepbel uit elkaar. Geloven betekent ook: afzien van jezelf, opzien, uitzien naar Hem, die als enige woorden van eeuwig leven heeft. 
Ik kom nog even terug op dat woordje kerkverlating. De kerk valt niet samen met Jezus Christus, die de Heer is. Niet de kerk heeft woorden van eeuwig leven. Het is wel de plaats bij uitstek waar die woorden bewaard worden. Niet opgesloten als in een kluis, maar bewaard om ernaar te luisteren en er iets mee te doen. De kerk heeft alleen toekomst als ze die woorden van eeuwig leven eerbiedig en zorgvuldig doorgeeft en voorleeft. 
Zo’n plek, zo’n plaats van licht en hoop, waar iedereen welkom is, is broodnodig in deze wereld. Ik weet wat er gaande is in en om de kerk. Ik word er lang niet altijd vrolijk van. Maar als die Ene, Jezus Christus, in het midden staat, het hart van de kring is, dan kom je telkens weer op verhaal, dan schep je moed. Dan weet je opnieuw: wat Hij zegt en doet, ook naar mij toe, dat kan nooit meer stuk.