Marchal


Lucas 2: 10
Gehouden op:
*Eerste Kerstdag 1974, 9.30 uur te Oosthem
Bijbellezing: Lucas 2: 1 – 14.

Ik begin met een kort verhaal, dat ik al eens eerder verteld heb. Ik wil niet in herhaling vallen, maar ik denk dat dit verhaal ons een dienst kan bewijzen om onze ogen en oren te scherpen voor het wonder van het Kerstfeest.
Professor Albert Einstein was een van de grootste natuurkundigen die onze eeuw tot nu toe gekend heeft. Van heinde en ver stroomden studenten naar hem toe om onderwezen te worden door deze grote leermeester. Een van de regels die de professor zijn studenten telkens voorhield was deze: Als je met proeven bezig bent in het laboratorium en je vindt iets wat niet in je systeem past, dan moet je al je aandacht richten op deze nieuwe, vreemde vondst. Misschien valt het oude systeem wel helemaal in duigen, maar dat hindert niets. Dit nieuwe gezichtspunt kan je misschien verder op weg helpen om de wonderen van de natuur des te beter te verstaan.
Deze raad van professor Einstein geldt niet alleen op het gebied van de natuurkunde, maar ook op dat van het Evangelie. Wij gaan vandaag, voor de zoveelste keer in ons leven, op ontdekkingstocht door het Kerstevangelie. Het klinkt op het eerste gehoor overbekend. We kennen het vrijwel vers voor vers uit ons hoofd. En toch, als we aandachtig lezen en luisteren, vinden we allerlei punten en lijnen die niet in ons vertrouwde, van ouds bekende, systeem passen. Daar kunnen we natuurlijk overheen lezen, maar dan doen we het Kerstevangelie en onszelf te kort. We moeten al onze aandacht richten op datgene wat ons vreemd in de oren klinkt. Dan valt ons oude systeem, het beeld dat wij ons van het Keestfeest gevormd hebben, misschien in elkaar, maar dat hindert niets. Dit verlies kan winst zijn. Aan de hand van dit vreemde, dit onbekende, worden we misschien voortgeholpen om het wonder van het Evangelie des te beter te verstaan.
In het Kerstevangelie is sprake van vrees. Van enkele herders, die er het dichtst bij betrokken zijn, wordt gezegd: ‘en zij vreesden met grote vreze’. Met andere woorden: zij werden doodsbenauwd.
Eerlijk is eerlijk: dit element past niet in ons systeem; deze vondst strookt niet met onze wijze van Kerstfeest vieren, met alles wat wij erbij denken en ervan gemaakt hebben.
Niet dat we nooit bevreesd zijn, integendeel. In ons gewone doen stuiten we, bijna dagelijks, op ervaringen en berichten, die ons bang maken. De voorbeelden liggen voor het grijpen en zijn doorgaans overbekend. Maar op het Kerstfeest proberen we de vrees zo ver mogelijk van ons af te zetten, want Kerst is een feest van blijdschap. Gedachtig aan de raad van professor Einstein richten we onze aandacht op deze vreemde vondst, gaan we dit vreemde spoor eens verder volgen. Misschien doen we geweldige ontdekkingen.
De psychologie, de zielkunde, leert ons: als de vrees wordt verdrongen, weggedrukt, dan komt ze vroeg of laat met hernieuwde kracht naar boven, met alle kwalijke gevolgen vandien; maar als de vrees serieus wordt genomen, onder ogen wordt gezien, dan staat de weg naar genezing en bevrijding open. Het kan zijn dat zij die op het Kerstfeest bevreesd worden er voortaan voorgoed van bevrijd worden en alle dagen leven in een diepe blijdschap. Een hoopvol vermoeden dat, zoals we al lezend en luisterend zullen ontdekken, alleen maar bevestigd wordt.
Er waren herders in de omgeving van Bethlehem. Mensen die niet voor een kleintje vervaard waren. Herder zijn was in die dagen een hard en rauw beroep. Soms mensen van twaalf ambachten en dertien ongelukken. Zij hielden ’s nachts om beurten de wacht over de kudde schapen. Wilde dieren kennen wij alleen maar van plaatjes en uit de dierentuin, maar daar en toen vormden zij een levensgroot gevaar.
‘En opeens stond een engel des Heren bij hen en de heerlijkheid des Heren omstraalde hen’. Hun reactie is: vrees, ontzetting; ‘en zij vreesden met grote vreze’. Wij zijn geneigd om dit vreemde spoor van de vrees weer te verlaten en op de oude voet verder te gaan. Want dit element van de vrees kunnen we wel thuisbrengen, dat is niet zo vreemd als het lijkt.
Een engel, de heerlijkheid des Heren en dit alles zo angstig dichtbij, dat is een uitzonderlijke gebeurtenis, die vandaag de dag zelden of nooit meer voorkomt. Dat moeten we toch maar niet te gauw en te vlot zeggen, want de Schrift leert ons anders. Een engel is een boodschapper, een gezant van God. Hoe hij eruitziet, doet weinig ter zake, maar wat hij zegt zoveel te meer. Op gezag van God brengt hij een boodschap over, zodat de menselijke werkelijkheid in het licht van God wordt gezet. Overal waar de goddelijke Boodschap overkomt, daar verschijnt de heerlijkheid des Heren.
Nu gaan we een stap verder. Het is veelzeggend dat de Schrift vanaf het Pinksterfeest zelden nog over engelen spreekt. Beademd, bezield door de Heilige Geest worden gewone mensen toegerust tot een buitengewone taak: gezant, boodschapper van God zijn. Overal waar, altijd wanneer dit in eenvoud en eerbied geschiedt, het Woord van God bediend wordt, gebeurt hetzelfde wonder dat eens in de omgeving van Bethlehem plaatsvond. De heerlijkheid des Heen verschijnt. Alles wordt beschenen door Zijn licht. Alles wordt beschenen door Zijn licht. Allen worden binnen Zijn lichtkring getrokken. In dit licht vallen onze maskers af, worden we doorgelicht tot op de bodem van ons hart. Dat gebeurt zondag aan zondag, wanneer mensen verzameld zijn rondom het Woord en bidden om de verlichting van de Heilige Geest.
De levende God, de Enige, de Eeuwige, is immers niet een verre toeschouwer, die Zijn handen aftrekt van de mens en van de wereld, maar de God van het verbond, die van Zich laat horen, die Zijn tegenwoordigheid laat oplichten. Onder de bediening van Zijn Woord, dat Hij telkens weer laat klinken door de mond van Zijn dienaren, gaat het licht van Zijn aanwezigheid op. In deze ontmoeting, in deze confrontatie, moet ieder mens zijn ogen neerslaan, voelt ieder de grond onder zijn voeten wegzakken. De heerlijkheid des Heren ontmaskert ons als zondaren, die het licht van God niet kunnen verdragen. In dit licht worden we weggeschroeid, weggebrand. Als Hij ons zo nabij komt, kan Hij dan anders komen dan als Rechter? Kan deze heerlijkheid iets anders betekenen dan onze ondergang?
‘Er waren herders in de omgeving van Bethlehem die de wacht hielden over hun kudde. En opeens stond een engel des Heren bij hen en de heerlijkheid des Heren omstraalde hen. En zij vreesden met grote vreze’. Dat is geen uitzonderlijke gebeurtenis. Als wij enigszins besef hebben van de levende God, van Zijn heiligheid en majesteit, dan wordt de vrees van de herders ook de onze. Wie kan het licht van Gods heerlijkheid, dat ons omstraalt, verdragen?
Hier stoten we wellicht op de diepste wortel van alle vreesachtigheid, die ons vaak bekruipen kan. Er is vrees voor ziekte, voor eenzaamheid, voor leed; er is vrees voor de toekomst, vrees voor de dood. Maar al deze vormen van vrees zijn verschijnselen van een kwaal die in wezen dieper ligt. De wortel van alles is de vrees of ons menselijk bestaan, heen en weer geslingerd in de maalstroom van het leven, gedeukt aan alle kanten, of dit allegaartje ten overstaan van God uiteindelijk verloren is of behouden, vervloekt of gezegend, ten dode gedoemd of ten leven bestemd. Daarom kon de oude professor Gunning eens schrijven: ‘op de bodem aller vragen ligt der wereld zondeschuld’. Dat is geen zwartgalligheid, maar de enige peiling van ons menselijk bestaan die ter zake en grondig is.
Maar het ongehoorde van het Evangelie is dit: deze kwaal wordt bij de wortel genezen; deze diepste vrees wordt uitgebannen. Dat zullen alleen zij verstaan die, evenals de herders, bevreesd zijn vanwege de heerlijkheid des Heren. Tot hen, tot ons, wordt op gezag van God gezegd: ‘Weest niet bevreesd’. De heerlijkheid des Heren is voor allen die hun ogen neerslaan en hun knieën buigen, niet oordelend, maar vrijsprekend, niet verwoestend, maar heelmakend. Hij, de Here, ‘komt nabij om hen te beschijnen die gezeten zijn in duisternis en schaduw van de dood om hun voeten te richten op de weg van de vrede’.
‘Want zie, ik verkondig u grote blijdschap, die heel het volk zal ten deel vallen: U is heden de Heiland geboren, namelijk Christus de Here in de stad van David. Dit zij u het teken: een kind, in doeken gewikkeld en liggend in een kribbe’. De heerlijkheid des Heren heeft Zich samengebald in een mens van vlees en bloed, een broeder die ons lot deelt en onze schuld draagt. Zonder luister, zonder heerlijkheid. Maar wiens ogen geopend zijn voor dit ongehoorde wonder – God die onze broeder is – zegt verbaasd met de apostel Johannes: ‘Het Woord is vlees geworden en het heeft onder ons gewoond; wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, vol van genade en waarheid’.
‘U is heden de Heiland geboren!’ De vrees wordt uitgedreven en in plaats daarvan komt een mateloze blijdschap. Dankzij deze genade en deze waarheid, vlees en bloed geworden in dit Kind van Bethlehem, de Man van Smarten, de Vorst van Pasen, weten mensen dat hun bestaan niet verloren is, maar behouden, niet vervloekt, maar gezegend, niet ten dode gedoemd, maar ten leven bestemd. Deze blijdschap zal alle vormen van vrees overwinnen. Als we het toch te kwaad krijgen met alles wat ons benauwt, dan worden we van Godswege weer tot de orde geroepen. Daarom lezen we in de Schrift telkens weer: ‘Weest niet bevreesd! Ik ben met u alle dagen tot aan de voleinding der wereld. Wees niet bevreesd, Ik ben de eerste en de laatste en de levende; Ik ben dood geweest en zie, Ik ben levend tot in alle eeuwigheden en Ik heb de sleutels van de dood en het dodenrijk’. Waarom zouden we dan nog bang zijn? In leven en in dood worden we vastgehouden door Hem die onze Heiland is. Dan zijn de diepste tonen van ons leven, al onze dagen, blijdschap en vrolijkheid.
Professor Einstein zei tegen zijn studenten: als iets niet in je systeem past, wees dan op je uiterste, richt al je aandacht daarop! Misschien valt het oude systeem in elkaar, maar dit verlies kan winst zijn. In het Kerstevangelie stuiten we tot onze verbazing op een element dat ons niet vertrouwd is, de vrees! Die hebben we op deze dagen weggedrukt, verdrongen, maar straks steekt ze opnieuw de kop op. Dan zijn we de blijdschap weer kwijt. Maar het Evangelie leert ons dat het anders kan, anders moet. Een nieuw feest dat ons nieuw maakt! Dat uit zorgen, nood en angst nieuw geloof, nieuwe hoop, nieuwe liefde geboren doet worden. Wie op het Kerstfeest leert te vrezen voor de heerlijkheid des Heren, wordt er voorgoed van bevrijd en leeft voortaan in blijdschap.
‘Weest niet bevreesd! U is heden de Heiland geboren!’ Ga in deze verwondering naar huis! Wees blij! Maak het gezellig, omdat deze God in Christus onze Metgezel is. Amen.

===   ===   ===

Lukas 2: 1 – 14
Gehouden op:
*Dinsdag Eerste Kerstdag 1979, Ellecom / De Steeg
Bijbellezing: Lukas 2: 1 – 14

Ik ga iets vertellen over een keizer. Je kunt wel raden hoe die keizer heet …. Ja, Augustus, want zijn naam wordt in het Kerstverhaal genoemd: ‘En het geschiedde in die dagen dat er een bevel uitging vanwege keizer Augustus…’.
Als je keizer bent, ben je verschrikkelijk machtig. Als je dan ook nog keizer bent van het grote Romeinse Rijk, nou ja, dan ben je zo allerverschrikkelijkst machtig, dat je het bijna niet meer kunt zeggen. Want, je moet weten, het Romeinse Rijk was toen-der-tijd eigenlijk alles, bijna zo groot als de hele wereld. Wat buiten dit Rijk lag, wie niet tot dit Rijk behoorde, telde helemaal niet mee. De keizer, in het Kerstverhaal genoemd, voelde zich ook heel hoog en verheven. Daarom had hij zijn naam veranderd. Hij was soldaat geweest en opgeklommen tot generaal in het leger. Toen heette hij Octavianus. Maar toen hij keizer werd, koos hij de naam Augustus en dat woord betekent: de hoge, de verhevene. Dat was nog niet mooi genoeg, want na verloop van tijd moest je er nog een klein woordje voor zetten: ‘divus’, en dat betekent: goddelijk.
‘Divus Augustus’, keizer van het Romeinse Rijk. Hoger, machtiger kan het eigenlijk niet. Of…. misschien toch wel? Ja, er is iemand nog hoger en machtiger dan deze ‘divus Augustus’, maar over Hem praten we straks verder.
Op een dag vaardigde de keizer vanuit Rome – want daar woonde hij – een bevel uit, dat al zijn onderdanen zich moesten laten inschrijven. Een inschrijving, een volkstelling … Waarom dan? Ja, dan wist hij precies hoeveel onderdanen hij had. En het moest ook vanwege de belasting. Kijk, als ze in Arnhem of in Den Haag niet weten wie je bent en waar je woont, dan krijg je nooit een aanslag voor de belasting. Er zijn natuurlijk heel wat dingen veranderd in de loop der tijd, maar zo was het eigenlijk toen-der-tijd, in het grote Romeinse Rijk, ook. Een bevel tot inschrijving voor iedereen.
Dat kwam de meeste mensen helemaal niet gelegen. Er waren mensen die eigenlijk helemaal geen tijd hadden; er waren mensen die juist in die tijd zouden trouwen; er waren mensen die heel moeilijk of helemaal niet konden reizen vanwege ouderdom, ziekte, gebrek.
Stel je voordat wij ineens bevel kregen om heel binnenkort op reis te gaan naar de plaats waar je voorouders woonden: de een naar Zwolle, de ander naar Ameland, een derde naar Middelburg en dan zonder auto, bus, trein, fiets, want die waren er toen niet.
Je begrijpt dat zo’n bevel een heleboel opschudding, zorg en narigheid teweegbracht. Maar ja, je kon denken of doen wat je wilde, maar het moest, want de keizer, Augustus, de Verhevene – zo verheven dat er nog iets bij moest, ‘divus’, goddelijk – deze keizer had het beslist. En…. zijn wil was wet!
Nu maken we een heel grote sprong en het lijkt zelfs een diepe val. We gaan van de keizer naar een kind. Ergens in het grote Romeinse Rijk, eigenlijk in een uithoek, in Judea, wordt een kind geboren. Twee mensen, Jozef en Maria, zijn op reis naar Bethlehem om zich te laten inschrijven. Voor die twee kwam het bevel van de keizer verschrikkelijk ongelegen. Toen ze daar waren, in een vreemde omgeving, te midden, van vreemde mensen, toen kreeg Maria een Kind, een Zoon, en zij wikkelde Hem in doeken, legde Hem in de kribbe, omdat voor hen geen plaats was in de herberg.
Ik denk – nou, ik weet wel zeker – dat de keizer in Rome niet van deze geboorte geweten heeft. Er werden zoveel kinderen in zijn Rijk geboren en dat kon hij niet allemaal bijhouden, want hij had belangrijker dingen aan zijn hoofd.
Een keizer, Augustus, zelfs nog mooier: ‘divus Augustus’, in een paleis in Rome, en een Kind, Jezus, geboren in een stal, ergens bij Bethlehem. Het verschil is wel erg groot, haast hemelsbreed. Dat is vast en zeker, maar … het verschil is anders dan wij denken. Dit kleine Kind, Jezus, is groter dan de verheven keizer. Aan de keizer wordt niet meer gedacht. Zijn naam leeft voort in de maand, die naar hem genoemd is; zelf is hij vergeten. Aan Jezus wordt nog steeds gedacht, van Hem wordt verteld en gezongen tot op de dag van vandaag. En het Romeinse Rijk heeft vijf eeuwen bestaan; daarna is het in verval geraakt, uitgehold en versnipperd; maar het Rijk van Jezus bestaat voor eeuwig.
Dit kleine Kind is groter dan de verheven keizer. Het is ons al zo vaak verteld dat we er niet meer van opkijken, maar eigenlijk is het een gekke, dwaze boodschap. We zouden het ook niet geloven als het ons niet op gezag van God verteld werd. Zo hebben herders het gehoord die de wacht hielden bij hun kudde. Hun werd verteld door engelen, loop- en loofjongens van God: ‘U is heden de Heiland geboren, Christus, de Here, in de stad van David’. Zo is het ook gegaan in het verdere leven van Jezus, toen Hij groter werd. Er was weinig of niets aan Hem te zien, waardoor je op het idee zou komen dat Hij sterker was dan de grote keizer. Hij zei en deed wel merkwaardige dingen. Hij was meestal in het gezelschap van zieken en misdeelden, mensen die verkreukeld waren als een stukje papier dat wacht op de prullenmand. Zijn weg op aarde liep uit op een kruis. Is dit Kind, deze mens, deze Gekruisigde, groter dan de hoogste keizer? Als het ons niet door God Zelf wordt uitgelegd, dan blijft het een gekke, dwaze boodschap. ‘Want ieder blijft Gods woorden vreemd, behalve wie ze van Hem Zelf verneemt’.
Als dat gebeurt, als God Zelf het uitlegt door de mond van Zijn boodschappers, dan gaan we er iets van begrijpen: voor u, voor mij is de Heiland geboren; arm geworden om ons rijk te maken; gestorven om ons te laten leven; de minste van de mensen zodat ieder mag weten dat niemand te min voor Hem is. Alleen Hij verdient de naam ‘Augustus’, de Verhevene, en zelfs het woordje ‘divus’, goddelijk.
Kerstfeest 1979. Vandaag wil de Here Jezus opnieuw geboren worden, komen en wonen in jullie en mijn hart. Er is veel veranderd sinds de dagen van Augustus, maar er is nog meer gelijk gebleven. Er wordt gesproken en geschreven over de wereldmachten, die doen wat ze willen. Amerika, Rusland, China, de macht van de oliestaten, volken en godsdiensten in beweging. Wat zullen de wereldmachten doen? Zoveel mensen, met klinkende namen: president, premier, sjeik, ayatolla …., wat zullen ze bedenken?
Maar, weet je, de wereldmachten zijn tijdelijk, al kunnen ze nog zoveel angst en leed, bloed en tranen teweegbrengen. Na verloop van tijd zijn al de namen van al die mensen, die we nu iedere dag horen en lezen, vergeten op de aarde, net zoals die van Augustus, eens de keizer van het Romeinse Rijk. Maar de macht, het Koninkrijk van Jezus eeuwig.
Waar kun je dat aan zien? Nou, eigenlijk nergens aan. Op de weg van het Evangelie, van het geloven is eigenlijk weinig of niets te zien. Soms een teken, zoals dat van de Doop of dat van het Avondmaal. Als het niet uitgelegd wordt zegt het eigenlijk niets. Maar wie een beetje thuis is geraakt in de wonderen, de geheimen van God stemt in met het lied van de engelen en raakt dit loflied nooit meer kwijt:
‘Ere zij God in den hoge en vrede op aarde bij mensen van het welbehagen’. Amen.

===   ===   ===

Lucas 2: 1 – 20
Gehouden op:
*Donderdag Eerste Kerstdag 1980; Ellecom / De Steeg.
Bijbellezing: Lucas 2: 1 – 20.

Het al-oude verhaal uit Lucas 2. Opnieuw gelezen. Voor de hoeveelste keer in deze dagen? Opnieuw gehoord. Voor de hoeveelste keer in uw leven? Laten we op deze Kerstmorgen een deel belichten, in de hoop dat we al doende hart krijgen en houden voor het geheel.
In het kerstevangelie komt driemaal de uitdrukking voor: ‘En het geschiedde’. Eerst aan het begin, vanwege dat bevel van keizer Augustus. Dan halverwege, als de dagen vervuld zijn en Maria het kind ter wereld brengt. En dan, na verloop van tijd, als de engelen uitgezongen zijn, in verband met de herders die sprakeloos gaan en luid terugkomen. Telkens die woorden: ‘En het geschiedde..’. Dat kan niet toevallig zijn. Wat wil dit toch zeggen? Hier wordt ingescherpt en onderstreept dat het Kerstgebeuren geen sprookje is, geen denkbeeldig verhaal op de wijze van: ‘Er was eens…’, maar geschiedenis. Dit Kind, deze Jezus heeft zich gevoegd naar onze orde, is ingetreden in onze geschiedenis.
Geschiedenis. Ja, daar noem je een woord dat een wereld van gedachten oproept. Wat gebeurt er eigenlijk, dat werkelijk standhoudt? Is er een oorsprong? Is er een zin in het gebeuren, is er een doel? Sommigen, beter gezegd: de meesten zijn uiterst somber. Er wordt gezegd – en er is stof genoeg om deze bewering hard te maken – : de geschiedenis lijkt op het verhaal, verteld door een dwaas. Een verward, onsamenhangend geheel, zonder kop of staart. Of, met een ander beeld: de geschiedenis van de mens en van de wereld is een wirwar van draden, zonder dat zich een patroon aftekent.
Met deze vragen en verlegenheden gaan we luisteren naar wat er in die dagen gebeurde, met de bede van Psalm 90 op onze lippen: ‘Leer ons zo onze dagen tellen, dat wij een wijs hart bekomen’.
‘En het geschiedde in die dagen, dat er een bevel uitging vanwege keizer Augustus’. Als er een, in die dagen, de loop der gebeurtenissen bepaalde, geschiedenis maakte, dan wel deze keizer Augustus, hoofd van het Romeinse Rijk, tronend in de eeuwige stad Rome. Eén bevel en het hele rijk raakt in rep en roer. Duizenden mensen komen in beweging, van huis en haard vertrokken naar de voorvaderlijke grond.
In dit grote gebeuren is de gebeurtenis in Bethlehem maar een heel klein incident. Het wordt ook ingeluid met: ‘En het geschiedde…’, maar dit is toch van veel kleinere omvang en draagwijdte. Bethlehem is, in vergelijking met Rome, een gehucht, een uithoek. En wat is een kind, geboren op een nederige plaats, vergeleken met een verheven keizer? Toch klopt hier, in dit vergeten oord, de slagader van wat geschiedenis heet; hier ritselt het geheim, dat de donkere weg tussen de schepping en de voleinding verlicht.
‘En het geschiedde, toen zij daar waren, dat de dagen vervuld werden ….’. Weer is sprake van dagen, zoals in het begin: ‘en het geschiedde in die dagen ….’, maar hier horen we van dagen, die vervuld zijn. Welke dagen? Van Maria? Jazeker! Dat blijkt ook uit het vervolg. Maar Maria is niet zomaar iemand. Dat kun je wel van Augustus zeggen. Hij is in het leger opgeklommen, van soldaat tot generaal en trok toen, met behulp van trawanten en intriges, de keizerlijke, later uitgebreid met de goddelijke waardigheid aan zich. Zo kwam zijn ster op, blonk een poosje en verzond in het niet. Maar Maria is niet zonder voorgeschiedenis en achtergrond. Men leze het eerste hoofdstuk van het Evangelie naar Lucas. Zij staat in de traditie van een volk, dat staat en gaat bij de gratie Gods. Een volk dat bestookt is met beloften, opdat het een licht zou zijn voor alle volkeren. In deze bescheiden gestalte, Maria, zijn ook de dagen van het volk Israël vervuld. Met de woorden van Dr. Oepke Noordmans: ‘Dingen die eeuwen geleden voorspeld waren komen nu uit. Beloften die aan vroegere geslachten gedaan waren, worden nu vervuld. Wat in tal van ceremoniën was afgebeeld, wordt nu werkelijkheid. Profetieën, psalmen, spreuken lopen te hoop en verdringen elkaar om aan de beurt te komen. Er valt geen tijd te verliezen; de ‘volheid des tijds’ is gekomen’. ‘En het geschiedde, toen de dagen vervuld werden ….’. Hier, op dit eindpunt van een verleden, dit vertrekpunt naar een nieuwe toekomst, hier wordt geschiedenis gemaakt. Hier wordt een patroon van heil geweven. Het klinkt ongerijmd, het is onwaarschijnlijk. Het Evangelie is niet de bevestiging van alles wat we altijd al gedacht en gevoeld hadden. Het staat er haaks, beter nog: kruislings op. Ook onze beste momenten zijn in het licht van God nog verstikkende duisternis. Het Evangelie, zo schrijft de apostel, is niet naar de mens; het is de Joden een ergernis, de Grieken een dwaasheid. Maar het is eeuwig waar: hier ruist de hartslag van de geschiedenis. Augustus is van het toneel verdwenen. Zijn naam leeft alleen nog voort in de maand die naar hem genoemd is. En het Romeinse Rijk, dat eeuwig leek te zijn, is te gronde gegaan na verloop van enkele eeuwen. Maar dit Kind, deze Jezus, is de zin van alles, de zegen voor allen. Van Hem zegt, zingt de geloofsbelijdenis van Nicea terecht en ter zake: ‘wiens Rijk geen einde zal hebben’.
Ja, dat beamen wij, na zoveel eeuwen. Maar hoe komen wij aan deze wijsheid? En wat kost het ons aan zelfverloochening, verbrijzeling, schuldbelijdenis? We zijn geen haar beter dan de anderen. Aanvankelijk heeft niemand deze hartslag gehoord, niemand dit geheim onderkend. Daarom zongen de engelen, loopjongens, loofjongens van God. De grote daden van God kunnen immers niet zonder dankbaar commentaar blijven? Bij gebrek aan mensen zongen engelen. Dat is telkens het geval in de Schrift: op het Kerstfeest, het Paasfeest, bij de Hemelvaart en dan …. op het Pinksterfeest gaan de harten en de monden van mensen eindelijk open. Voordien is de Geest ook al onvermoeibaar bezig om dorre, doodse mensenzielen in vuur en vlam te zetten. En kijk, hier en daar, af en toe, springt de vond over, voegen mensen hun leven naar het patroon van God. Zoals die herders, met wie iets gebeurt, op wie het lied van de engelen aanstekelijk gaat werken. Het wordt weer ingeleid, ingeluid met de woorden: ‘en het geschiedde…’.
‘En het geschiedde, toen de engelen van hen heengevaren waren naar de hemel, dat de herders tot elkander spraken: laten wij dan naar Bethlehemgaan om te zien hetgeen geschied is en ons door de Here is bekendgemaakt’. Ze gingen sprakeloos op weg en keerden luidruchtig terug, want ze vertelden aan ieder die maar horen wilde wat tot hen gesproken was over dit Kind.
Het Kerstfeest is een uniek, onherhaalbaar gebeuren. Het wordt jaarlijks gevierd om het spoor, het patroon van Gods heil niet bijster te raken, om wegwijs gemaakt te worden in de wirwar van de geschiedenis. Ook in onze dagen geschiedt ongehoord veel. Het bevel van keizer Augustus heeft plaatsgemaakt voor andere verordeningen en ontwikkelingen. Het resultaat van een en ander is nog steeds, wellicht erger dan toen-der-tijd, dat de wereld in rep en roer is. Het probleem van de werkloosheid brengt zoveel mensen niet alleen financieel, maar ook geestelijk en zedelijk aan lagerwal; de rechten en de plichten van onvervangbare mensen worden met voeten getreden; de leegte van het heden, de angst voor de toekomst is voor tallozen een nachtmerrie. Wat is wezenlijk, wat houdt stand, wat heeft eeuwigheidswaarde? In dit tumult, in deze razernij van de geschiedenis, schrijft God Zijn geheim, weeft Hij Zijn patroon, hoopvol en heilzaam. Wat Hij zegt en doet, is pas echt geschiedenis. Zijn Geest werkt onvermoeibaar om het heil, in Christus geschonken, geloof te doen vinden en aldus leven te doen ontluiken. Als mensen zich laten gezeggen, zich laten zegenen, dan ontwaren ze dit geheim, dit patroon en gaan ze met vertrouwen verder, wetend dat de laatste toekomst aan Hem is, die oorsprong zin en doel van al het zijnde is. Het gebeurt met vallen en opstaan, zeker! Tussen twijfel en geloof, hoe anders? Met vrees en beven, stellig! Dat wordt op aangrijpende wijze verwoord in het laatste Bijbelboek, Openbaring 5. Er wordt een boekrol getoond, beschreven vanbinnen en van buiten, welverzegeld met zeven zegels. Deze rol verbeeldt de wereldgeschiedenis. Er wordt gevraagd: ‘Wie is waardig de boekrol te openen en haar zegels te verbreken?’ Doodse stilte. ‘En ik weende zeer, omdat niemand waardig was gebleken de boekrol te openen of die in te zien.’ Maar er werd ook gezegd: ‘Ween niet, zie, de Leeuw uit de stam Juda, de wortel Davids, heeft overwinnen om de boekrol en haar zeven zegels te openen’. Het einde is een loflied, dat wij hier, met horten en stoten, oefenen:
‘Het Lam dat geslacht is, is waardig te ontvangen de macht en de rijkdom, de wijsheid en de sterkte de eer en de heerlijkheid en de lof’. Amen.

===   ===   ===

Lucas 2: 15 – 20
Gehouden op:
*Zondag 29 december 1974, 9.30 uur te Abbega
Bijbellezing: Lukas 2: 15 – 20.

Drie dagen na het Kerstfeest. Inmiddels vat ieder de gewone draad weer op, herneemt alles zijn gewone gang. Vandaag is het zondag en straks komen er nog enkele bijzondere dagen, maar dan gaat alles weer in het oude spoor verder. Ouderen gaan naar hun werk, kinderen gaan straks naar school, op elk gebied moet het bijzondere plaats maken voor het gewone. Ik weet niet hoe u deze overgang ervaart. Wel kan ik een vermoeden uitspreken op grond van wat ik beleef, zie en hoor.
Voor sommige mensen is deze overgang een verademing. Ze schakelen vlot en vrolijk over op het gewone dagelijkse leven In hun gewone doen voelen zij zich het beste thuis. Voor anderen, en ik denk dat deze groep groter is, is deze overgang nogal moeilijk. Zij leven ‘op’ in zulke bijzondere dagen. Zij voelen zich in hun element wanneer de gewone gang van zaken onderbroken wordt. Veel mensen kijken al lange tijd van tevoren uit naar de feestdagen. Zij hebben het gevoel dat ze een hoogtepunt tegemoet gaan. Maar als de top bereikt is, dan duurt het maar eventjes, of ze moeten weer met de afdaling beginnen. Dat kost hun moeite. Ze voelen zich een beetje onwennig, een beetje ‘mankeliik’. Ze troosten zich met de gedachte dat er gauw weer iets bijzonders zal komen: een uitje, een verjaardag, een jubileum.
Een groot aantal mensen leeft voortdurend naar een top, een hoogtepunt toe. Het gewone leven dat daartussen ligt is kleurloos en krijgt alleen vanuit het bijzondere, het buitengewone een beetje glans.
Drie dagen na het Kerstfeest. Op weg naar ons gewone doen luisteren we naar enkele mensen die het Kerstgebeuren van heel dichtbij hebben meegemaakt. Na deze geweldige gebeurtenis zijn zij verder gegaan. Hoe hebben zij deze overgang ervaren? Het Evangelie is geen psychologisch verslag van wat mensen gedacht en gevoeld hebben. Maar wel lezen we een paar aanduidingen die in hun kortheid veelzeggend zijn.
In de eerste plaats ontmoeten we de gestalte van Maria. We zouden haar bijna vergeten, maar zij staat in het Evangelie ook enigszins op de achtergrond. Zij komt maar enkele keren ter sprake. Van Maria kan hetzelfde gezegd worden als van Johannes de Doper: zij is het licht niet, maar zij staat in het Evangelie om van het licht te getuigen. Te grote verering voor haar verduistert het Kind, dat het licht is. Maar verwaarlozing van haar berooft ons van een getuigenis.
Voor het Kerstfeest wordt zij genoemd als Adventsfiguur. Zij laat zich inschakelen n de heilzame plannen van God. Vrijwillig, van harte: ‘Zie, de dienstmaagd des Heren, mij geschiede naar Uw Woord!’ Zo is zij een levend getuigenis, dat aanstekelijk wil werken. Nog steeds nodigt God mensen uit om met Hem mee te doen, om Zijn plannen ter harte en ter hand te nemen. Hij eist niet met geweld, maar Hij vraagt vriendelijk. Hij is een fatsoenlijke minnaar die Zijn beminden, de mensen, niet aanrandt, niet overweldigt, maar ten huwelijk vraagt: doe je mee? wil je wel? Nog steeds mogen mensen vrijwillig instemmen met het getuigenis van Maria: ‘Tot Uw dienst, Heer, mij geschiede naar Uw Woord!’
Op het feest is Maria er ook, maar daar gebeuren zoveel adembenemende dingen, dat zij in de schaduw komt te staan. Alle aandacht valt op het Kind. Over Hem spreken en zingen de engelen. Herders worden opgeschrikt. Zij komen hals over kop naar het Kind en struikelen over hun woorden. In de schaduw, op de achtergrond staat Maria. Van haar wordt alleen gezegd dat de herders haar, Jozef en het Kind vonden. Er wordt niet verteld wat ze zei, wat ze dacht, wat ze deed.
Na het hoogtepunt van het feest komt zij weer even naar voren. Zij heeft alles van nabij, zelfs lijfelijk meegemaakt; zij heeft alles gehoord, gezien, in zich opgenomen. Wat doen zij daarna? Hoe heeft zij de overgang gemaakt van dit buitengewone, naar het gewone? Weer is zij een levend getuigenis, dat aanstekelijk wil werken. De evangelist Mattheus vertelt als enige dat het gezin een reis ondernam naar Egypte. Maar daarna ontmoeten wij hen weer in Nazareth, ergens in het Noorden, in de provincie Galilea. Daar vinden Maria en Jozef de gewone dingen terug, die zij voor de reis hadden achtergelaten. Alles herneemt zijn gewone gang; zij nemen de gewone draad weer op. Jozef in de werkplaats, Maria in de huishouding. Er staat nergens in het Evangelie dat zij spectaculaire, schokkende dingen deden. Zij trokken zich iet uit de wereld terug op een eenzaam plaatsje. Evenmin verkochten zij hun huis en bezit om een grote evangelisatiecampagne te beginnen. Niet dat dit een verkeerde zaak is. Integendeel! Sommige mensen worden van Godswege geroepen tot iets buitengewoons, dat de aandacht trekt. Ik noem een voorbeeld dat op velen diepe indruk heeft gemaakt. Een meisje, Betty Smit, liet alles achter en ging op weg naar onbekende streken in Brazilië om aan mensen daar het Evangelie te verkondigen, met hart en mond en handen. Dat gebeurt – Gods zij dank! – nog steeds.
Tegenover zulke geweldige mensen bekruipt ons een gevoel van minderwaardigheid. Bij hen vergeleken steekt ons bestaan schraal en schriel af. En toch, de Schrift leert ons anders. Doorgaans worden mensen geroepen, niet tot het buitengewone, maar tot het gewone. Zoals Maria en Jozef. Hij neemt de hamer, de zaag, een stuk hout, want er moet brood op de plank komen. Heel gewoon. Zij gaat de was doen, neemt stof af, klopt de matten uit, stopt de sokken, verstelt de overall; zij zeemt de ramen, ze kookt het eten, ze brengt de kinderen naar bed, ze gaat zorgvuldig met het geld om, om de eindjes aan elkaar te knopen. Kortom, ze doen na het Kerstfeest al die gewone huis-tuin-en-keuken dingen, die niet in de krant komen, die niet als een nieuwtje van mond tot mond gaan.
Heeft het Kerstfeest dan niets voor hen betekend? Heeft het dan geen enkel spoor achtergelaten? Jazeker! Aan het einde van het Kerstverhaal lezen we van Maria: ‘zij bewaarde al deze woorden, die overwegende in haar hart’. Ik vind dat een heerlijk regeltje, waardoor het gewone, dagelijkse leven heerlijk wordt. Bewaren en overwegen, in het gewone werk.
Over dat woordje ‘bewaren’ moet ik een paar dingen zeggen, want het is een sleutelwoord in de Bijbel. Iets bewaren heeft bij ons de klank, de betekenis van: iets opbergen op een veilige plaats, desnoods in een kluis, en het tevoorschijn halen wanneer het te pas komt, in tijd van nood. Dat is een wijze van bewaren die ook op godsdienstig gebied vaak wordt toegepast. Veel mensen bewaren hun geloof, bewaren het Evangelie, bewaren God op een veilig plaatsje, in een zorgvuldig gesloten kluisje van hun hart. Het komt niet tevoorschijn, behalve wanneer het zo te pas komt, in tijd van nood. Dan hebben ze het bewaarde achter de hand, bij de hand.
Bewaren betekent in de Schrift iets anders dan: opbergen, wegstoppen als een appeltje voor de dorst, als een laatste hulp bij ongelukken. Er wordt regelmatig gesproken over de geboden bewaren, het verbond bewaren. ‘Alle paden des Heren zijn goedertierenheid en trouw voor wie Zijn verbond bewaren’. ‘Indien iemand Mij liefheeft, zegt Jezus, zal hij Mijn geboden bewaren’. Bewaren betekent: het levend houden, ermee omgaan als een kostbaar geschenk, er zo mee bezig zijn – met aandacht en zorg – dat het een bron van vreugde en hoop blijft.
In haar gewone doen bewaarde Maria al deze woorden. Ze keerde de woorden om en om, als een kostbare parel waar je niet op uitgekeken raakt. ‘De Heiland geboren! Ere zijn God! Vrede op aarde! Mensen van het welbehagen!’ Wat wil dit toch zeggen? Welke zijn de gevolgen? Ze worstelde met de woorden om erdoor gezegend te worden! Het is geen veilig, onaantastbaar bezit. Het wordt meegedragen in het gewone leven en daar moet het telkens weer zijn waarde bewijzen. Het wordt soms aangevochten en aangevreten. Bijvoorbeeld toen de Here Jezus twaalf jaar was geworden en zijn ouders Hem kwijtraakten in Jeruzalem. ‘Wist gij niet dat Ik bezig moet zijn in de dingen van Mijn Vader?’ En weer lezen we: ‘Maria bewaarde al deze woorden in haar hart’.
Ten slotte stond Maria ook bij een kruis. Ook daar moest Maria al deze woorden bewaren, er zo mee bezig zijn dat ze haar gewone leven fundament, stuur en uitzicht konden geven. Het Evangelie wil gewone mensen doortintelen en doortrekken, zodat het gewone leven heerlijk wordt vanwege de Heiland die ons in Zijn hand en in Zijn hart draagt, omdat Hij een welbehagen in ons heeft.
Er wordt nog een groep mensen genoemd die het Kerstgebeuren van heel dichtbij hebben meegemaakt: de herders! Wat doen zij daarna? Van de herders lezen wij: ‘Zij keerden terug!’ Kennelijk naar hun kudde, naar hun gewone, dagelijkse werk. Zij worden geen evangelist. Zij laten hun oude werk niet in de steek om zich te laten omscholen tot een geestelijk ambt. Het komt voor dat mensen alles opgeven in dienst van de Here Jezus. Zoals die vissers bij het meer: ‘En zij trokken de schepen op het land, lieten alles achter en volgden Hem!’ Doorgaans worden mensen geroepen, niet tot het buitengewone, maar tot het gewone. Jozef in de werkplaats; Maria in de huishouding; de herders bij hun kudde. De herders keerden terug, maar het gewone was anders geworden. Al werkend loofden en prezen zij God vanwege alles wat zij gehoord en geien hadden. Het gewone leven was hun heerlijk geworden. Ze hadden heus nog wel tegenslag, teleurstellingen, de ene dag was de andere niet. Zij foeterden misschien weleens onder het werk omdat een schaap niet wilde zoals zij wilden, omdat iemand een stekelige opmerking maakte, omdat de baas geen gemakkelijk karakter had en noem maar op. Maar toch was de diepste toon van hun leven een lofprijzing: deze God, deze Heiland! Hij houdt van ons!
Mensen in Oosthem, Abbega en Folsgare hebben straks de feestdagen achter de rug en gaan weer aan de slag. In huis: in een werkplaats, op een kantoor, op school, in en om de boerderij, in een huis voor bejaarden, voor zieken. Lang niet altijd een pretje. Christenen lopen niet de hele dag met een hemelse blik, evenmin met een tandpasta-glimlach. Maar daar, in ons gewone leven, worden we geroepen om bezig te zijn, om onze best te doen, om onze verantwoordelijkheid te dragen. Dit alles mogen we doen in dankbaarheid voor elke dag die God ons schenkt, met een lofprijzing diep in ons hart, die soms naar buiten komt in een liedje dat we zingen, neuriën of fluiten. Sinds het Kerstfeest is het gewone leven ons heerlijk geworden vanwege de heerlijkheid van God die ons kleine, menselijke bestaan draagt, omvat, doortrekt en beschermt. Hem zij de glorie, vandaag en altijd, amen.

===   ===   ===

Lucas 2: 29
Gehouden op:
*Oudejaarsavond, zaterdag 31 december 2005, 19.30 uur in Beekbergen.
Bijbellezing: Lucas 2: 22 – 32

Ik zou zo graag, al was het maar een kwartiertje, nog eens met mijn vader, mijn (schoon)moeder, mijn schoonvader willen praten. Net als vroeger, toen het allemaal zo gewoon leek, met een kop koffie aan de keukentafel. Als ik hierover nadenk, komt de vraag ook op: waarover zou ik het vooral willen hebben? Dat is een gewetensvraag. Ik zou vertellen over mijn respect, mijn bewondering voor hen. Daar zouden ze kort en goed op reageren: het was onze plicht en het gebeurde van harte. Ik heb nog wel meer in petto voor zo’n ontmoeting, maar dat laat ik hier nu rusten.
Ik zou zo graag…. Ida Gerhardt schreef ooit gedicht met het oog op een gestorven geliefde: ‘Zeven maal om de aarde te gaan, / als het zou moeten op handen en voeten; / zeven maal, om die ene te groeten; (….)  / Zeven maal over de zee-en te gaan, / schraal in de kleren, wat zou het mij deren, / kon uit de dood ik die ene doen keren’.
Ik zou zo graag eens met Simeon willen praten. Vooral in deze dagen na Kerst, op deze oudejaarsavond. Ik kan mij voorstellen dat Rembrandt, die in het komende jaar vaak genoemd zal worden, levenslang geboeid is door de gestalte van Simeon. Het laatste onvoltooide schilderij dat hij maakte, houdt er zich ook mee bezig. Dan is Simeon een bijkans blinde aartsvader die bevend het Kind draagt, het gelaat verrukt, verlicht omdat hij schouwt in Gods toekomst. Wat zou ik Simeon willen vragen? Het heeft te maken met de woorden die van hem gezegd worden, de woorden die hij zelf zingt. Ik kan mij geen groter geschenk indenken dan dat ik mij deze woorden toe-eigen en zo het nieuwe jaar tegemoet ga.
Ik kan niet in de schaduw van Rembrandt staan, maar ik doe een poging om het portret, het profiel van Simeon te schetsen. Al doende wordt ook duidelijker waarom ik zo graag eens met hem zou willen praten. Van Simeon wordt verteld: ‘Hij was rechtvaardig en vroom en hij verwachtte de vertroosting van Israël’. Was dat alleen een kwestie van karakter, hem meegegeven met de genen? Psychologie is belangrijk, maar er is meer. Van Simeon wordt verteld dat de Heilige Geest op hem, in hem was. Een man met een uitstraling dus, beademd door God, doorzichtig naar Hem toe. Kent u zulke mensen in uw naaste omgeving? Ik heb altijd moeite met zulke retorische vragen, maar ik stel de vraag ook aan mijzelf. Daarom geef ik zelf een antwoord. Goddank, ik ken zulke mensen. Iemand, aan lager wal geraakt, maar in contact gekomen met de oude professor Gunning, vertelde ooit aan Gunning Junior: ‘Als ik uw vader zag, dan moest ik wel aan God denken’.
Er komen allerlei mensen in mijn gedachten, die ik ontmoet in mijn pastorale werk. Je probeert iets te geven, maar je krijgt, zonder dat zij het zelf beseffen, veel meer van hen terug en mee naar huis. Rechtvaardig en vroom. Mensen die weet hebben van, zoals meermalen in het Oude Testament geschreven staat, ‘de vreze des Heren’, de eerbiedige omgang met de Hoog-Heilige. Zonder lawaai, zonder enig vertoon, zonder plechtstatig gedoe, maar puur, echt, met een deftig woord: authentiek. Zulke mensen staan in de vrijheid, zijn van Godswege in ruimte gezet, hebben een royaliteit die vrijwel onbegrensd.is.
Zo ook Simeon: ‘hij verwachtte de vertroosting van Israël!’ Onvergetelijke mensen! Er staat niet: hij verwachtte het eeuwige leven of de hemelse zaligheid. Niet dat die verwachting verkeerd is, maar het kan zo gauw een privé-aangelegenheid worden. Ik vergelijk Simeon met anderen die zich inzetten voor een betere wereld. Wouter Bos, de voorman van de Partij van de Arbeid, naar eigen zeggen rijp voor het premierschap, schreef onlangs een boek: ‘Nederland verdient beter’. Ik ga niet katterig, ook niet miezerig doen. Een preekstoel is de laatste plaats waar mensen onderuitgehaald worden, vooral mensen die niet aanwezig zijn. Een preekstoel is het tegenovergestelde van een schietstoel. Wel mag ik zeggen dat ik moe en ook moedeloos word van al dat oppositiegepraat. Is Nederland nu echt beter geworden door rood, groen, paars of welke politieke kleur dan ook? Is de wereld in de loop van de geschiedenis beter geworden? Zo ja, hoe weet, hoe meet je dat? Zo nee, houd je dan aan de feiten en ga vooral niet zweefvliegen.
Simeon verwachtte de vertroosting van Israël en dus ook van de volkeren. Aan het slot van zijn lofzang komt de wijde wereld met nadruk in beeld: ‘Licht tot openbaring voor de volken en heerlijkheid voor uw volk Israël’. Vertroosting! Allerlei oude woorden, oude beloften gaan opnieuw klinken. Vooral uit de profetieën van Jesaja: ‘Troost, troost mijn volk, zegt uw God!’ (40: 1); ‘Jubelt, gij hemelen, en juich, gij aarde, breekt uit in gejubel, gij bergen, want de Here heeft zijn volk getroost en Zich over zijn ellendigen ontfermd’ (49: 13). Vertroosting gaat hand in hand met ontferming, bevrijding, hoopvolle, zinvolle toekomst. Die verwachting hield Simeon op de been. Het was hem van Hogerhand gezegd en sindsdien in zijn bloed opgenomen.
Hoe dat precies gegaan is, weet ik niet. Het Evangelie vertelt: ‘Hem was door de Heilige Geest een godsspraak gegeven dat hij de dood niet zou zien eer hij de beloofde Messias met eigen ogen aanschouwd zou hebben’. Het fijne van die communicatie blijft een geheim tussen God en hem. Voor Simeon was deze verwachting niet een van de vele dingen waarnaar hij ook nog uitzag, maar dit ene bepaalde, doorgloeide zijn leven.
Ik zou zo graag eens willen praten met Simeon, want ik wel zoveel meer weten. Je verwachtte toch ook andere dingen? Was je getrouwd? Had je kinderen, misschien ook wel kleinkinderen? Volgens de traditie was je op hoge leeftijd, maar daarover weten we niets met zekerheid. Je had ongetwijfeld zorgen over de naaste toekomst: hoe zou het verder gaan, met je naaste kring – het hemd is toch altijd nader dan de rok? – en met alle anderen, in een land dat bezet werd door de Romeinen? Wat betekende dat voor de werkgelegenheid, voor de kwaliteit van leven? Simeon, allemaal vragen die o zo herkenbaar zijn, ook voor ons, tweeduizend jaar later, op de grens van 2005 en 2006. Ook wij maken ons zorgen over de tijd die komt. We nemen onszelf mee, het nieuwe jaar in. Jij was toch niet wereldvreemd, Simeon? Je verwachtte niet zo weinig, je verwachtte de vertroosting van Israël en daarom heen van alle volkeren. Was dat de kern misschien, waarin al het andere en waarin alle anderen was samengevat? Anders gezegd, Simeon, met een beeld uit onze digitale wereld: is het op wijze van mijn memory-stick in de computer, waarop alle bestanden zijn opgeslagen? Ik zou wel willen, Simeon, dat ook wij zo’n royale, zelfs wereldwijde verwachting zouden hebben, want de hoop, in klein en in groot verband, wordt zo vaak uitgedoofd. Wat zou Simeon zeggen? Ik houd mij aan de heilige tekst. Anders is het gevaar levensgroot dat ik Simeon laat buikspreken. Hij zou ongetwijfeld zeggen: bid om de Heilige Geest. Daar staat en valt alles mee. ‘De Heilige Geest was op hem; en hem was door de Heilige Geest een sprake van God gegeven; en hij kwam door de Geest in de tempel’.
Zonder de Geest, dat is: Gods verrassende aanwezigheid, de bezielende adem van God, zal er niets gebeuren. Ik moet denken aan een beeld van de grote reformator Johannes Calvijn, overleden in 1564. Hij schrijft ergens: ‘de natuurlijke mens’ – los van het netwerk, zo u wilt: het internet waarmee de Here God hem wil omgeven – ‘de natuurlijke mens lijkt op een ezel, die gedachteloos staat te balken bij de mooiste symfonie’.
Kom, Schepper, Heilige Geest, open mijn oren opdat ik werkelijk hore, open mijn ogen opdat ik waarlijk kan zien. De weg leidt naar de tempel, het huis van de Levende, waar mensen, wereldwijd, kind aan huis mogen zijn. Anders gezegd, met de onvergetelijke woorden van dr. Jan Koopmans: ‘De plaats waar Christus met zondaren wil samenkomen en samenwonen’.
In die tempel ziet Simeon de ouders, Maria en Jozef, die met het Kind Jezus doen overeenkomstig de gewoonte van de wet: een offer brengen. Het leven is immers van God. We krijgen het uit Zijn hand en we wijden het Hem toe, we geven het in zekere zin terug.
In het offer geven we onszelf uit handen en krijgen we onszelf opnieuw terug. Daarom is offeren ‘geven in de hoogste graad’. Als Simeon het Kind ziet, springt er een vonk van herkenning over: deze is het, de lang Beloofde, de Christus, de Messias. Daarom zingt Simeon, met het Kind in Zijn armen: ‘Nu laat Gij, Here, Uw dienstknecht gaan, in vrede, naar Uw Woord, want mijn ogen hebben Uw heil gezien’. Weer heb ik de neiging om te zeggen: Simeon, ik wil eens met u praten. Wat heb je nou gezien? Een kind, zoals al die andere kinderen. Zonder stralenkrans om het hoofd. Waarom dan die grote woorden? Je moet een zingende man niet storen in zijn lied. Ook hier geldt: zonder de verlichting van de Heilige Geest blijf je een buitenstaander. Dan ga je het Kind optuigen met je eigen gedachten en ideeën en je blijft echt in het donker staan, je wordt niet aangestoken door het visioen dat de Heilige Geest je te zien geeft. Dit kwetsbare Kind, later: deze Man van Smarten, uitgelachen, weggehoond, aan een kruis genageld, dit Kind is de Heiland der wereld, God Zelf in ons midden, die alles en in allen laat staan en gaan in het licht van Zijn verzoenede liefde, van Zijn overwinnende trouw.
In de ontmoeting met deze Simeon vergaat mij allengs de lust om met hem te willen praten. Ik zou een boom opzetten over dat heengaan in vrede, het nieuwe jaar in, eventueel het leven uit. Want we gaan, hoe je het ook wendt dit keert, heen. De hamvraag is dan: waarheen? Weer komt een lawine van woorden, zoals in geuren en kleuren vermeld in de krant, in plaatprogramma’s voor de televisie. Je doet zelf ook een duit in het zakje, want je denkt en praat over jezelf en over de anderen. Als ik Simeon goed versta, en ik weet wel zeker dat ik midden in de roos zit, dan zou hij zeggen: aan het gepraat komt geen einde; aan die vlijt gaat de wereld ten onder.
‘Heengaan in vrede…’. Als je het leven uitgaat, zing dan een Paaslied of laat het je voorzingen. Dat is meer dan duizend gesprekken, vergaderingen conferenties. Als je het nieuwe jaar ingaat, zing dan een lied. Je mag mijn woorden gebruiken. Ze zijn niet van mijzelf. Geen gedoe dus over auteursrechten. De eigenlijke auteur is de Heilige Geest, die zich niet stoort aan de grenspalen van de jaren, ook niet aan de grenspalen van het leven. Er is geen grenspaal op de weg van het licht, op de weg van God, de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Amen.

===   ===   ===

Lukas 2: 29 – 30
Gehouden op:
*Oudejaarsavond 1972 te Oosthem
Bijbellezing: Lucas 2: 22 – 33

Ik begin met een voorbeeld dat niet ter aanmoediging is bedoeld, maar ter verduidelijking. Wie een aantal borrels heeft gedronken, verliest zijn helderheid van geest. De indrukken van buitenaf worden wazig, nevelachtig, troebel. Ons reactievermogen wordt minder, met alle gevaren vandien. Denk maar aan het verkeer, waarin iedereen scherp moet opletten en snel moet reageren. Het duurt enige tijd voordat iemand uit deze roes terugkeert en de helderheid van geest terugkrijgt. Dat moet z’n tijd hebben. Dit proces kan versneld worden, bijvoorbeeld door sterke, zwarte koffie. Het lijkt wel alsof in deze dingen uit ervaring zeg, maar dat is niet zo.
Op deze laatste avond van het jaar zijn we samen in de kerk gekomen. U bent van harte welkom, maar dat heb ik, namens de Here God, aan het begin van deze dienst al gezegd. Het gevaar is niet denkbeeldig dat we op dagen als deze, ook ietwat beneveld zijn en de dingen niet meer scherp zien. We zijn ietwat somber en ‘mankeliik’. We voelen ons als een kurk, die door de stroom van de tijd wordt voortgedreven. We denken met gemengde gevoelens terug aan het afgelopen jaar. Met heimwee, met dankbaarheid, met verdriet. U moet mij goed begrijpen. Ik zeg daar geen kwaad woord van, want wie ben ik? Alleen: we moeten wel oppassen, dat we de helderheid van geest niet verliezen. Het Evangelie is een scheut sterke, zwarte koffie die ons opwekt, om te midden van allerlei gevoelens en gedachten, scherp en duidelijk te zien.
De eerste scheut koffie heeft al een merkwaardige uitwerking. Het opent onze ogen voor een punt dat heel helder naar voren komt. Een punt dat we in onze Oudejaarsgedachten en Oudejaarsgevoelens zomaar over het hoofd zien. Deze dienst op Oudejaarsavond is, kerkelijk gezien, een beetje moeilijk te plaatsen. Want ons kerkelijk en ons burgerlijk jaar vallen niet met elkaar samen. Dat is eigenlijk vreemd. U herinnert zich nog wel: de laatste zondag van het kerkelijk jaar hebben we in Abbega gevierd op 26 november, de zogenaamde Dodenzondag. Daarom, bij de eerste Adventszondag, begint het nieuwe kerkelijke jaar.
We staan dus volgens het burgerlijk jaar, de gewone kalender, op een punt dat we volgens het kerkelijk jaar, de kerkelijke kalender, al achter de rug hebben. Waarom rekent de kerk dan zo tegen de draad in? Is dat een flauwe grap, om de zaak nodeloos moeilijk te maken?
Nee, dit heeft direct met het Evangelie te maken. Het is een poging om de grote daden van God uit te drukken. We kijken anders tegen het einde aan. Het einde van het jaar, het einde van ons leven, het einde van de wereld is anders geworden. Toen alles op een einde liep, heeft God een nieuw begin gemaakt. Dit nieuwe straalt door al het oude heen. Wij staren ons blind op het einde. We zitten stilletjes te mijmeren, we laten ons wiegen op de golven van onze gevoelens: een beetje somber, een beetje weemoedig, een beetje ‘mankeliik’. Maar het Evangelie geeft ons een scheut zwarte, sterke koffie om ons wakker te schudden uit ons weemoedig gemijmer. Open uw ogen en uw harten! Het einde is anders geworden, want God heeft al een nieuw begin gemaakt.
Deze koffie smaakt naar meer en heeft een heilzame werking. Daarom gaan we eens verder proeven. Lange tijd geleden heeft een broeder, een mensenkind zoals wij, Simeon, ervan gedronken en hij reikt ons de pot over. We gaan eens even naast hem zitten, met open oren, open harten en open mond.
Simeon wordt meestal als een stokoude man voorgesteld. Misschien is dat juist, maar het wordt niet met zoveel woorden gezegd. Wel van de profetes Anna, van wie geschreven staat: ‘zij was op hoge leeftijd gekomen’. Hoe dit ook zij: er worden een paar dingen over Simeon verteld, waardoor zijn gestalte duidelijker voor ons oprijst.
Hij was rechtvaardig en vroom, dat wil zeggen: hij hield zich aan de spelregels, die in het verbond tussen God en mensen gelden. Hij speelde niet gemeen, geen vals spel. Daarom verwachtte hij ook iets, want geloof in God en verwachting, hoop, zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Wie in God gelooft, kan weleens moedeloos en terneergeslagen worden, de vlam van de hoop kan weleens flakkeren in het razen van de storm, maar ze dooft nooit uit, omdat God de vlam brandende houdt.
‘Simeon verwachtte de vertroosting van Israël’, ondanks alles wat hij zag, hoorde en in zichzelf voelde. Want God had het beloofd, bij monde van Zijn profeten: ‘Troost, troost Mijn volk, zegt uw God! Ik, uw God, Ik ben het die u troost. Waarom dan zo bang? Breekt uit in gejubel, juicht eenparig, puinhopen van Jeruzalem, want de Here heeft Zijn volk getroost’.
Als je God niet meer op Zijn Woord zou kunnen geloven, mijn hemel, wie dan wel? Als God de Zaak niet zal zetten, de knopen niet zal ontwarren, de mond van de leugen niet zal stoppen, de macht van de dood niet zal breken, dan blijft er geen greintje hoop, geen vleugje verwachting in een mensenhart over. Als Gods beloften niet standhouden, dan hebben alle pessimisten en zwartkijkers nog niet genoeg gewanhoopt.
Simeon verwachtte de vertroosting van Israël en daarom ook de vertroosting van de volkeren, die door middel van Israël gezegend zouden worden. Ook dit had God beloofd: ‘Ik stel u tot een licht der volkeren, opdat Mijn heil reike tot het einde der aarde’.
Hoe lang Simeon gewacht heeft, weten we niet. Misschien volgden de jaren elkaar op, misschien liep ook zijn leven spoedig ten einde. Maar een ding is zeker: hoop doet leven! Hij werd staande gehouden door de belofte van God. Hem was door de Heilige Geest een godsspraak gegeven, dat hij de dood niet zou zien, voordat hij de Christus des Heren gezien had. Hij zou niet sterven, voordat hij met eigen ogen gezien had dat Gods beloften, werkelijkheid, vlees en bloed zijn. En dan is eindelijk het ogenblik aangebroken, waarop de belofte in vervulling gaat. De ouders, Jozef en Maria, gaan met het kind Jezus naar de tempel, om te doen wat in de wet des Heren voorgeschreven is.
Dat is een regeltje, waar we even bij stil staan, want er ligt een wereld van gedachten achter. De wet wordt niet afgeschaft, niet als een verouderd stuk ter zijde geschoven. Want Jezus, de Messias, komt om de wet en de profeten te vervullen, om hun diepste bedoelingen bloot te leggen. Als we dit ernstig nemen, dan blijken veel gedachten en theorieën over het oude Testament levensgevaarlijke ketterijen te zijn. Levensgevaarlijk, want zo kon Adolf Hitler zijn gang gaan en zo konden de Olympische Spelen in München doorgaan, zonder dat de kerk in haar geheel sprak, zonder dat onze christelijke regering sprak. Ik zeg dit met pijn, maar zo brandend actueel is de Schrift. Dit laten we nu verder rusten, maar het moest wel even genoemd worden, want het raakt het hart van het Evangelie.
In de tempel neemt Simeon het Kind Jezus, de Messias, de Vertroosting Israëls, in de armen. En voor het oor van God en Zijn kleine gemeente, die daar bijeen is – Jozef, Maria en de profetes Anna – spreekt Simeon zijn belijdenis uit, blij en verrukt: ‘Nu laat Gij, Here, uw dienstknecht gaan in vrede, naar Uw Woord, want Mijn ogen hebben Uw heil gezien’.
Heengaan. Het einde is nabij. Het einde van mijn leven, van mijn volk, het einde van de wereld, want met de komst van Christus is de bel voor de laatste ronde gegaan, is het laatst der dagen ingeluid. Heengaan in vrede. Geen weemoedige, geen ‘mankeliike’ gedachten. Want het einde heeft niets vreselijks meer. Het angstaanjagende, de angel is eruit gehaald. Het einde is geen blinde muur, waartegen we te pletter slaan. Want God is opnieuw begonnen, heeft een nieuw begin gemaakt. Daarom is het einde, waar wij ons blind op staren, anders geworden.
Heengaan in vrede. Simeon heeft de Zoon gekust, die het licht der wereld is. De vrede van God is in zijn armen en in zijn hart. Verzoend is de schuld van Simeon, de schuld van Israël, de schuld der wereld. En daarom zal het einde vrede zijn!
Zo staat daar een kleine gemeente van vier mensen, rondom de Heiland, rondom de Zaligmaker. Deze mensen doen belijdenis van hun geloof, te midden van een stervende wereld. Dat is de zwarte, sterke koffie die wij op deze Oudejaarsavond uit het Evangelie drinken. Dit is geen uur van weemoed, geen uur van somberheid en mijmering, al kunnen wij dat moeilijk laten. Dat is ook niet erg, zoals het niet erg is om een borrel te drinken, als we maar helder blijven, en de dingen scherp zien. Dan is ook dit uur een belijdenis. Het jaar loopt ten einde, maar God heeft een nieuw begin gemaakt door Zijn Advent, Zijn komst in deze wereld. Ons leven loopt ten einde, maar het einde is door Christus geen nederlaag, maar een overwinning. En deze wereld loopt ten einde, maar wij verwachten naar Gods beloften een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Het einde zal vrede zijn.
‘Nu laat Gij, Here, uw dienstknecht heengaan in vrede, naar Uw Woord, want mijn ogen hebben Uw heil gezien’. Ten slotte nog een punt. Ook dit punt raakt het hart van het Evangelie. Wat heeft Simeon gezien? Een heel gewoon kind, zoals ieder ander. Zonder stralenkransje, zonder hemels gezicht. Waarom zegt hij dan: ‘mijn ogen hebben uw heil gezien?’ Hoe wist hij dat dit kind de Heiland is? Nou, er wordt niet voor niets drie keer over de Heilige Geest gesproken. Hoort u maar: ‘De Heilige Geest was op hem.’ ‘Door de Heilige Geest was hem een godsspraak gegeven.’ ‘En hij kwam door de Geest in de tempel’.
Wie is dat, de Heilige Geest? Hij is God in actie. Hij is de bezielende adem van God, die mensen opricht uit hun moedeloosheid en ze aanraakt met de toverstok van Zijn liefde. Hij opent onze mond, onze ogen en ons hart. Daarom sprak Simeon zijn belijdenis. Daarom werden zijn ogen geopend: dit Kind is de Heiland der wereld. Daarom werd zijn hart vervuld met vrede.
Deze Heilige Geest werkt nog steeds, onvermoeibaar, rusteloos. Hij brengt het Evangelie over, zodat het een levende werkelijkheid wordt, hier en nu. Wanneer wij, mensen, op deze Oudejaarsavond 1972, de woorden van Simeon stamelend nazeggen en nazingen, dan is dat een wonder, een geschenk van de Heilige Geest. Hij is, met eerbied gesproken, de kelner die de sterke, zwarte koffie uitdeelt, zodat we opstaan uit onze weemoedige gedachten en met hart en ziel belijden: ‘Nu kunnen we heengaan in vrede, onze ogen hebben uw heil gezien. Gij, o God, hebt een nieuw begin gemaakt, daarom zal het einde vrede zijn’. Amen.

===   ===   ===

2003-02-23 Verloren, gevonden

Verloren, gevonden

O.T. Jesaja 55: 6 – 11; N.T. Lucas 15: 11 – 24, 32  

Gehouden op:
*Zondagavond 23 februari 2003 in de Grote Kerk in Apeldoorn

Verloren zoon… Indrukwekkend verhaal. Ook overbekend, met alle risico’s van dien. Je hoort er niet meer van op, je gelooft het wel. Dan is het verhaal in feite dood, omdat je zelf alles al weet. Stel je voor dat het niet alleen over de verloren zoon, de aan lager wal geraakte mens gaat, maar ook over de verloren, ontheemde God….

Bij televisieopnamen gebruikt men verschillende camera’s. Nu eens zoemt de ene in, dan weer de andere. Al doende komt dat ene gebeuren helder in beeld. Eerst zoemen we in op die zoon, weg van huis, om te ontdekken: wat is er met God gebeurd? Overbekend allemaal? Hoe dan ook, het is en blijft indrukwekkend nieuws. 
Daar gaan we dan, met het oog op de zoon die het vaderhuis vaarwel zegt. Die zoon is een spiegel voor Jan-en-alleman, voor Marie-en-allevrouw. Wat is er met de mens, met mij gebeurd? De Bijbel noemt in dit verband een hele serie woorden:
*schepping – gewild dus, en niet geworpen in een zinloos bestaan; 
*zondeval – verantwoordelijk dus, en niet een marionet; anders gezegd; ik heb het verkeerde nummer gedraaid, in plaats van: ik ben verkeerd verbonden; 
*verkiezing van één ter wille van allen; 
*verzoening, verlossing – er zijn dus dingen grondig mis. 
Kun je deze woorden zó verwerken – zoals een schilder met z’n verfbakjes doet – dat je het portret van de mens, dus ook je zelfportret, nog scherper ziet? 
Blaise Pascal – wereldberoemd geworden, als filosoof, maar ook als wis- en natuurkundige – schreef ruim driehonderdvijftig jaar geleden: ‘Glorie en uitvaagsel van het heelal’. Dat ligt heel dicht bij een woord dat dit Bijbelverhaal aanreikt: verloren. 
Wonderlijk woord. Het is het tegenovergestelde van waardeloos of hopeloos. Als iets verloren wordt genoemd, betekenhet dat het waardevol is. Niemand denkt toch met schrik: Ik heb een pepermuntje verloren of een spijker…! Als zoiets weg is, heb je daar geen slapeloze nacht van. Verloren, dat wil zeggen: de moeite van het zoeken waard.

Wat is er met de mens gebeurd? Verloren, zegt dit bijbelverhaal, en ik herken m’n eigen portret. Van de plaats geraakt waar je thuishoort en terechtgekomen in een zwijnenstal. Kom, kom, niet zo somber, Marchal….  

Je kunt de zaak natuurlijk opvrolijken, maar ik ben wantrouwend geworden ten opzichte van al die verhalen. Ze zijn te mooi om waar te zijn. Als je een beetje zelfkennis en mensenkennis hebt, vooral ook Godskennis – daarover straks meer – dan is de aanduiding ‘zwijnenstal’ zo gek nog niet. Wat maken we ervan in de omgang met elkaar? Wat bieden we de jongeren aan en wat voor wereld laten we hun na? Wat gebeurt er in de omgang met de dieren en de dingen? Als de zaak op scherp komt te staan, doen we elkaar een oorlog aan, de zoveelste in de geschiedenis. Het is niet zo dat de tegenstanders alleen maar zwart en slecht zijn, wij daarentegen wit en goed. Zo simpel is de werkelijkheid niet. De apostel Paulus kon gelijk hebben toen hij schreef: Allen hebben gezondigd en derven de heerlijkheid van God. 

Ik houd het daarom bij het Evangelie, een verhaal, te waar mooi te zijn. Mens, kind… een zwijnenstal! Nee, je komt niet achter de tralies, je bent een achtenswaardig burger. Maar wat gebeurt er met je zelfbeeld, je ego zogezegd, als je het kamertje van je leven opruimt, eventueel: uitmest? Is het dan ver bezijden de waarheid: eigenlijk een zwijnenstal? 

Wat is er met de mens gebeurd? Zijn we ook verloren, dat is: waardevol, van de bestemde plaats geraakt, de moeite van het zoeken waard? Dat ontdek je pas als je inzoemt op die andere vraag: wat is er met God gebeurd?   

Een vreemde, misschien ook wel ietwat vrijpostige vraag. Wij hebben, voor zover wij iets met God hebben, veelal een Godsbeeld dat nogal statisch is, vast staat. In de Nederlandse Geloofsbelijdenis, uit 1561, staan onder meer deze aanduidingen voor het hoogste wezen, God: onvatbaar, onzichtbaar, onveranderlijk, oneindig, almachtig…. Ik neem m’n pet af voor deze woorden, vooral als ik erbij bedenk in welke benarde omstandigheden ze geboren zijn. Mensen met de dood voor ogen kletsen niet. Dat is zonde van de tijd. En toch vraag ik mij af of deze woorden niet te star, te statisch zijn. Ze sturen onze gedachten omhoog  naar Iemand, die een soort super-chef is, tot in de hoogste macht verheven. Dit Bijbelverhaal, deze gelijkenis zet ons andere sloren. Hij reageert op de zwijnenboel die wij ervan maken. al doende gebeurt er ook iets met Hem. Hij wordt niet iemand anders, maar toch…. Net als een ouder die met z’n kind door allerlei diepe dalen en lange tunnels heen gaat. Dat gaat je om zo te zeggen, niet in de koude kleren zitten. 

De almacht van de Vader verhindert niet dat Hij de zoon laat gaan, ook als Hij weet dat die jongen naar de kelder, naar in zwijnen gaat. Liefde is de kunst van het loslaten. De ander niet in een harnas persen, niet tot een marionet maken, maar loslaten zodat hij tot zichzelf komt, met alle risico’s van dien. 

Dat Hij, de Vader, onveranderlijk is, betekent niet dat het Hem onbewogen laat. Als de zoon verloren is, er een zwijnenboel van maakt, dan kan de Vader niet anders doen dan wat Zijn hart hem ingeeft. Hij staat, met al z’n verdriet, ontredderd, met vrees en beven, op de uitkijk. 

De verloren zoon maakt de Vader in zekere zin ook tot een verloren Vader. In een liefdesverhouding, vooral als de zaak op scherp komt te staan, gebeurt er iets, over en weer. De Vader lijdt aan de vermeende vrijheid van zo’n kind, want – weer die gouden regel – liefde is de kunst van het loslaten. Het is een kruis voor Hem. Is dat niet het geheim van het Evangelie? Een God die zo bewogen is met ons, mensen, dat Hij er zelf stuk aan gaat. Van zo’n unieke God kun je houden. Aan zo’n God kun je je toevertrouwen. 
Kunt u mij zeggen wie God is? Het wordt er vooral niet gemakkelijker op. Ik durf niet te zeggen dat het mij allemaal glashelder is, maar ik vind het zo’n spannend avontuur om op deze manier gelovige, ook Schiftleerling, te mogen zijn, anno Domini 2013. Alles serieus nemen wat er vandaag-de-dag gebeurt. Nergens met een boogje omheen lopen. Niets toedekken met wat stoplappen of dooddoeners, hoe goed dan bedoeld. Met ons, mensen, is een heleboel gebeurd. In en met dat alles zijn we op zoek naar God, de Levende, de Enige die echt deugt. De kerkvader Augustinus schreef lang geleden, ongeveer 400 jaar na Christus, in zijn Belijdenissen; ‘Ik zou U niet zoeken, als U mij niet allang gevonden had’. In dit alles zijn we aangewezen op deze unieke God, die zich ook verloren voelt in het Vaderhuis, zolang wij in de vreemde zijn en vreemd gaan. Maar soms zijn er momenten, als in een flits, van thuiskomen, van omhelzen, elkaar in de armen vallen. Dan is het feest, als een voorproefje van het uiteindelijke feest, als we voorgoed thuis zijn. Tot dan zijn we op zoek, met vallen en opstaan, en laten we ons gezeggen door de oude woorden van de profeet Jesaja: 
       ‘Zoekt de Here, terwijl Hij zich laat vinden; roept Hem aan terwijl 
        Hij nabij is. De goddeloze verlate zijn weg en de onrechtvaardige 
        zijn gedachten en bekere zich tot de Here, dan zal Hij zich over 
        hem ontfermen  – en tot onze God, want Hij vergeeft veelvuldig’. 
2003-03-30  Blijven of weggaan
Blijven of weggaan
O.T. Jozua 24:14-16; N.T. Johannes 6: 60-71
Blijven of weggaan…? Het lijkt alsof je die keuze zelf in de hand hebt. Dat is lang niet altijd het geval. Ik zal een paar voorbeelden noemen: 
Ik ben krijgsgevangene in Irak. Het maakt even niet uit of ik Irakees, Brit of Amerikaan ben. De tegenstander heeft mij hoe dan ook te pakken gekregen. Blijven is het wachtwoord. Weggaan is niet aan de orde. Ik probeer mij voor te stellen hoe dat voelt. Of hoe het voelt als – nog erger –  een van mijn kinderen daar bij zou zijn: overgeleverd aan de vijand, misschien wel getoond op de televisie. Om gek van te worden…! 
Een ander voorbeeld blijft iets dichter bij huis: Ik heb een baan bij een bedrijf dat alom de wind tegen heeft omdat de markt oververzadigd is. Als ik wegga, sta ik zeker op straat, met alle risico’s van dien. 
Laatste voorbeeld: ik ben gehandicapt en dus aangewezen op dure, intensieve zorg. Weggaan? Hoe dan? En waarheen? 
Onze keuzevrijheid is bij nader inzien nogal beperkt. Je bent meer gebonden  dan je vaak waar wilt hebben. 
Met het geloof en met de kerk ligt het misschien wat gemakkelijker. Het is een soort extraatje dat je eventueel ook wel kunt missen. Net als een blinde darm. Als die weggaat, is je leven er doorgaans niet mee gemoeid. Laten we die vraag – blijven of weggaan? – eens testen aan de hand van verhalen uit de Bijbel. 
We lezen het slot van Johannes 6. Blijkens het begin van dit hoofdstuk heeft en doet Jezus iets met mensen. De belangstelling is overweldigend: vijfduizend mannen. Tel daar nog eens de vrouwen en de kinderen bij. Dan heb je een enorme club. 
Wat heeft al die mensen op de been, in beweging gebracht? Die ene mens, Jezus, die zulke aparte dingen zegt en doet. Hij deelt tussen de bedrijven door ook brood en vis uit. In en door Zijn handen wordt het vermenigvuldigd. Er is genoeg voor allen en nog ruimschoots over. De mensen vermoeden terecht dat dit, dat Hij iets met God te maken heeft.  
Maar als Jezus dat gebeuren van het brood en van de vis gaat uitleggen, dan loopt het mis. Het enthousiasme zakt als een pudding in elkaar, slaat ook om in ergernis. Wat Ik deed en gaf, zegt Hij, wijst heen naar mezelf. Het is geen hocus pocus, geen show, geen publiekstrekker. Zoals dit brood gebroken wordt, zo laat Ik mijzelf breken ter wille van de mensen, wereldwijd. Wat de wereld, met alles wat d’r op en d’r an zit, draagt en bewaart, is niet een grote mond, ook niet een dikke vuist, evenmin een volle portemonnee, maar een offer. En dat niet zomaar, het is een offer van Gods kant. 
Dat is een zwaar woord: offer. Je loopt erom heen en je probeert er dichter bij te komen. Bijvoorbeeld door te zeggen: offeren is geven in de hoogte graad. Anders gezegd: leven dat leeft, steunt op leven dat sterft. Het blijft stamelen en stotteren. Iemand zei: ‘Tegen de tijd dat je ’t kunt weten, ben je versleten.’ Of met de woorden van een lied: ‘Leer Mij, o Heer, Uw lijden recht betrachten, in deze zee verzinken mijn gedachten.’
‘Ik ben het brood des levens’, zegt Hij. Brood voor de wereld. Dat is óf de hoogste waanzin óf de diepste waarheid. De meeste mensen, daar en toen, vonden het waanzin, in elk geval: onzin, prietpraat. Ze gaan weg, voelen zich niet meer betrokken. Misschien al mopperend: ze bekijken het maar! Misschien geruisloos: weer een teleurstelling, een kaarsje gedoofd. ’t Lijkt wel een beetje op kerkverlating. Een beetje, want de kerk, al heet ze dan ook lichaam van Christus, is niet gelijk aan Jezus zelf. De kerk vaarwel zeggen betekent niet altijd breken met het geloof. Daarom zei ik: ’t lijkt een beetje op kerkverlating. Sommige mensen zeggen duidelijk: mij niet meer gezien. Er zijn ook bosjes mensen die geruisloos verdwijnen, weggaan zonder groeten.
Van ruim vijfduizend naar een handjevol. Dat is een aderlating! Jezus ziet ze gaan en zegt dan, met het oog op de twaalf discipelen: ‘Jullie willen toch ook niet weggaan?’  Wonderlijke vraag. Het is de toon die de muziek maakt. Als je die vraag uit het verband haalt, kun je er allerlei geluiden in horen. Onverschilligheid. Op de wijze van: ’t zal mij een zorg zijn! 
Dat klopt niet met de rest van het Evangelie. Het laat Jezus alles behalve koud wat mensen zeggen en doen. We lezen – om een voorbeeld te noemen – dat Hij huilde over Jeruzalem en zei: hoe vaak heb Ik u naar mij toe geroepen zoals een kloek doet met haar kuikens? 
Is het dan angst misschien? Zo van: als jullie ook weggaan, dan ben Ik nergens meer! Ook dat kan het niet zijn. Er wordt in het Evangelie wel verteld dat Jezus angst had. Vooral in de hof van Gethsemane. Niet zozeer vanwege de discipelen die allemaal op de loop gingen, maar vanwege het offer dat niemand met Hem kon delen. Geen onverschilligheid dus. Ook geen angst. Wat dan wel? Een afgezaagd woordje, maar wel het hart van de zaak: liefde. Liefde is ook de kunst van het loslaten. Je helpt de ander om bewust een keus te maken en elkaar zo, van harte, nabij te zijn. 
Blijven of weggaan? Er is er één in de kring, die reageert. Heel echt, puur, en daarom zegt het zoveel: ‘Here, tot wie zullen we heengaan?  U heeft woorden van eeuwig leven.’ Deze reactie komt van Simon, ook wel Petrus genoemd. Later sloeg hij plank nog vaak mis, zei hij dingen die niet helemaal of helemaal niet in de roos waren. Over deze man staan minder fraaie dingen in het Evangelie, maar wat hij hier zegt is goud waard, zelfs meer dan dat. Tot wie zullen we heengaan? 
Ik herken mijzelf in deze vraag die iets heeft van een verzuchting. Er wordt zoveel gezegd, beloofd, geshowd, getrokken, gepeuterd aan mensen. Het is nooit anders geweest. In het groot en in het klein. In het groot zijn er hele systemen bedacht en in werking gezet om mensen een betere toekomst te bieden: socialisme, communisme, liberalisme, kapitalisme, idealisme. Is het er beter op geworden? Mensen zijn allergisch geworden voor grote woorden. Ook op kleinere schaal is en wordt zoveel beloofd. Met bijbedoelingen, maar vaak ook heel oprecht. Soms wordt het wat, soms blijkt het niks te zijn. 
Tot wie zullen we heengaan? Vooral als het spannend wordt, als de zaak op scherp komt te staan. U hebt woorden van eeuwig leven. Woorden die niet stuk te krijgen zijn! Onze woorden zijn vaak zo kort van duur en klein van kracht. Net als bij de verzekering. Als het echt gaat spannen, zijn er allerlei kleine lettertjes waardoor de grote woorden niet meer gelden. Zo gaat ook met ons geloof. Het is soms, vaak, zomaar weg. 
Dat heeft diezelfde Simon Petrus aan den lijve ervaren. Hij overschatte zichzelf met zijn: ‘Ik zal dit, ik zal dat!’ Het spatte als een zeepbel uit elkaar. Geloven betekent ook: afzien van jezelf, opzien, uitzien naar Hem, die als enige woorden van eeuwig leven heeft. 
Ik kom nog even terug op dat woordje kerkverlating. De kerk valt niet samen met Jezus Christus, die de Heer is. Niet de kerk heeft woorden van eeuwig leven. Het is wel de plaats bij uitstek waar die woorden bewaard worden. Niet opgesloten als in een kluis, maar bewaard om ernaar te luisteren en er iets mee te doen. De kerk heeft alleen toekomst als ze die woorden van eeuwig leven eerbiedig en zorgvuldig doorgeeft en voorleeft. 
Zo’n plek, zo’n plaats van licht en hoop, waar iedereen welkom is, is broodnodig in deze wereld. Ik weet wat er gaande is in en om de kerk. Ik word er lang niet altijd vrolijk van. Maar als die Ene, Jezus Christus, in het midden staat, het hart van de kring is, dan kom je telkens weer op verhaal, dan schep je moed. Dan weet je opnieuw: wat Hij zegt en doet, ook naar mij toe, dat kan nooit meer stuk.