Marchal


Matthéüs 1: 18-25

Gehouden op
*Zondagmorgen 21 december 2008 in Beekbergen
Bijbellezing OT: Jesaja 9: 1-5; NT Matthéüs 1: 18-25

Het staat er zo kort en bondig, alsof het iedereen wel duidelijk is wat die woorden betekenen: ‘De geboorte van Jezus Christus geschiedde aldus’. Taal, woorden wisselen over en weer, is sowieso een wonder, een ondoorgrondelijk dichtbij. Het klinkt allemaal abstract, ver weg, maar het is adembenemend dichtbij. Ik denk aan een broeder, Herman Koopman, die begraven is. Het spreken ging al lange tijd moeilijk door een herseninfarct, een breuk, een storing in dit supercomputer centrum. Een aantal weken geleden weer een van die miljoenen draadjes los. Dag in dag uit oefenen om woorden te vinden en te zeggen. Taal, woorden wisselen als wonder, als ondoorgrondelijk geheim. Dat blijft staan, ook als het allemaal wel lukt omdat alles hier goed werkt. Werelden van gedachten en gevoelens overbrengen, transporteren over dat kleine, kwetsbare koord van de taal. Als het over zoiets wonderlijks gaat als de geboorte van een kind, weet je dan wel wat je zegt? Een voorganger, professor Smelik, die ook een dichter was, schreef ooit: ‘Rondom elke wieg is iets van het paradijs’. Hoe zul je dan in woorden uitdrukken wat er met dit Kind Jezus aan de hand is? Rondom Hem is iets van het paradijs, de eerste dag en misschien nog wel meer van de laatste dag, die in de Bijbel de jongste dag wordt genoemd. Misschien heeft iemand het gevoel dat ik het allemaal wel erg ingewikkeld maak: het wonder van de taal, het wonder van een kind en dit Kind, wiens komst wij gedenken en verwachten als een wonder boven wonder. Mij dunkt: wie hier geen oog, geen oor, geen hart voor heeft, maakt alles zo plat als een dubbeltje, verliest de verwondering en dus ook het geloof in God, die ons zo ongekend nabij wil zijn.
Wat staat er nou echt? Van Jezus Christus de ‘genesis’ zo was. Dat is natuurlijk geen Nederlands, maar het zet je wel op het goede been. De ‘genesis’, dat is de wording, de verschijning onder ons, en dat is meer dan de geboorte alleen. Dat woordje ‘genesis’ gebruikt Matthéüs ook in de allereerste regel van zijn Evangelie: ‘boek van de ‘genesis’ van Jezus Christus zoon van David zoon van Abraham’. Het gaat echt om meer dan de geboorte alleen.
Wie is deze Ene, Jezus genaamd, die met de oudste, de eerste dag en met de jongste dag te maken heeft? Over deze vraag is de Kerk in beroering geweest vanaf het allereerste begin en die golven van onrust gaan huizenhoog tot op de dag van vandaag. Ik noem alleen maar de namen van professor Kuitert, van dominee Nico ter Linden, van professor Van de Beek.  Ieder voor zich cirkelt om dat ene geheim, het geheim van die Ene.
Als je nauwgezet de Schrift leest, ben je vanzelf actueel. Denk nou niet dat ik het verlossende antwoord even zal geven, als zou ik het geheim uit de doeken kunnen doen. Ik klop alleen maar op de deur van de heilige teksten, in de hoop dat we toegang krijgen en ingewijd worden in de heilgeheimen van God. Van Jezus Christus de ‘genesis’ zo was. Die wordingsgeschiedenis begint eigenlijk al bij Abraham, de stamvader van het volk van God, de man die het waagde om God te vertrouwen op Zijn Woord, die in dit riskante avontuur een belofte meekreeg: ‘in u zullen alle geslachten van de aardbodem gezegend worden’.
Matthéüs, de meest Joodse van alle evangelisten, telt drie keer veertien geslachten: van Abraham tot David, van David tot de Babylonische ballingschap en ten slotte van die ballingschap tot de verschijning van de Christus, de Messias, de Gezalfde. In die lange rij komen ook vier vrouwen voor, althans met name genoemd: Thamar, Rachab, Ruth, Bathseba, alle vier van buiten Israël, maar toch….Wonderlijk zijn de wegen van God om Zijn menslievendheid te tonen. Ten slotte, in de volheid van de tijd komt Hij zelf. Met die indrukwekkende woorden van een lied, gezang 161, geschreven duur Huub Oosterhuis: ‘Uit uw hemel zonder grenzen / komt Gij tastend aan het licht / met een naam en een gezicht / even weerloos als wij mensen’.
Zo’n lange voorgeschiedenis. Hoe gaat het nu verder? Weer zo’n wonderlijke regel, waar je geen vat op krijgt. Iemand, een dichter natuurlijk – want zo’n mens leeft dichter bij het geheim dat de wereld draagt – een dichter heeft ooit gezegd over zoveel dingen die jou, kleine mens, te boven gaan: ‘nodig zou zijn een taal waarvoor geen teken is in dit heelal’.
Zo ook hier. sommige dingen zijn min of meer duidelijk. Ene Maria, een tot dusver onbekende vrouw, was ondertrouwd met ene Jozef, de laatstgenoemde uit die lange reeks sinds Abraham. Een ondertrouw, een verloving stond juridisch, wat de rechten en plichten betreft, gelijk met het huwelijk. De vaders van de bruid en de bruidegom waren er nauw bij betrokken. Zo’n ondertrouw werd veelal schriftelijk vastgelegd en door twee getuigen onderschreven. Er werd dan ook meestal een feestje gevierd, met bekers wijn en allerlei zegenspreuken.
Enige tijd na de verloving vroeg de bruidegom, als alles op orde was, aan de bruid om bij hem in te trekken en dan werd de echte bruiloft gevierd. Schokkende ontdekking: in deze situatie zwanger, met de martelende vraag, vooral van Jozef: van wie? Overspel van een verloofde vrouw gold als echtbreuk, waarop vanouds de dood steniging stond. In deze tijd, van de Romeinse overheersing, werden andere straffen toegepast, maar de zaak werd, hoe dan ook, hoog opgenomen. Er is geen sprake van overspel. Wat dan wel?
Er is hier, en even verder opnieuw, sprake van: ‘uit de heilige Geest’. Is dat een verklaring? Nee. Een geboorte van een kind is al niet te verklaring, laat staan de ‘genesis’ van deze Ene. De dingen, de dieren, de mensen hebben hun geheim, hoeveel te meer dan God. ‘Uit de Heilige Geest’, dat wijst heen naar het geheim. Heilige Geest, dat is Gods bevrijdende aanwezigheid, Zijn bezielende nabijheid. Zo dicht bij als de adem in ons lichaam, de wind die vat op je heeft. Deze ‘genesis’ is uit de Heilige Geest. God verkiest de weg, de wording van kind. Dat geheim moet je laten staan, er niet aan frunniken, niet gaan vlooien, want dan sla je alles weer zo plat. Het heeft ook iets kinderachtigs, iets puberaals om hierover schijnbaar moeilijk te doen en aan zoveel andere dingen – natuurlijk! – voorbij te lopen.
Ik luister – opnieuw! – liever naar de woorden van een dichter. Muus Jacobse, oftewel Klaas Heeroma, geen onbekende in het Liedboek, schreef ooit met het oog op een kind – en dat geldt des te meer met het oog op dit Kind – ‘O makker in ditzelfde grauw getij, / nog altijd komt het kind tot jou en mij, / (…) Zolang God kinderen in ons midden zendt / heeft Hij zich nog niet van ons afgewend’.
De kerk heeft dit geheim, temidden van veel strijd, slordigheid en sloomheid, verwoord in haar belijdenis. Jezus Christus, de eniggeboren Zoon, onze Heer, ‘die ontvangen is van de Heilige Geest, geboren uit de maagd Maria’, zoals de Apostolische Geloofsbelijdenis zegt, zingt. Nog hymnische, nog meer op de wijze van een lofzang de Geloofsbelijdenis van Nicea: ‘Jezus Christus, de eniggeboren Zoon van God, geboren uit de Vader voor alle eeuwen, God uit God, licht uit licht (…en even verder: ) die om ons mensen en om onze zaligheid is neder gekomen uit de hemel en vlees geworden is van de Heilige Geest en mens is geworden…’. Wie het beter weet, moet het maar zeggen. Ik zie het gebeuren, ook in onze verwarde tijd: het wordt allemaal zo plat, zo lomp en lummelig.
Wat gebeurt er met Jozef, die op het eerste gezicht zo terzijde staat in het Evangelie? Hoe reageert hij? Hij was rechtschapen, dat wil zeggen: het gebod – niet bedoeld als een stok om te slaan, maar als een staf om te gaan – het gebod van God was hem heilig. Hij wilde haar niet in opspraak brengen. Hij ging zijn recht niet halen, hij ging het niet uitvechten, ten gunste van hemzelf, ten koste van Maria. Hij was van plan het in der minne op te lossen, Maria een brief mee te geven om de verbintenis los te maken. In stilte, dat is, als ik hem, het goed begrijp: in der minne. Hij geeft Maria royaal de kans om de stem van haar hart te volgen, desnoods die andere man te trouwen. Als dat zo is, dan denk ik met eindeloos respect: wat een man! De wet, het gebod van God is hem in het hart geschreven!
Maar dan grijpt God opnieuw in. Ook dat hoort bij de ‘genesis’, de wording van Jezus Christus, zoon van David, zoon van Abraham, Zoon van God. Jozef wordt te kennen gegeven: ‘Schroom niet Maria, uw vrouw, tot u te nemen, want wat in haar verwekt is, is uit de Heilige Geest’. Voor de eigenlijke geboorte wordt de Naam al genoemd. Het is allemaal verweven met deze ‘genesis’: ‘Ge zult Hem de Naam Jezus geven, want Hij is het die zijn volk zal redden van hun zonden’.
Jezus, dat is de Griekse vorm van het Hebreeuwse Jehoshua, dat is: de HERE redt! Daartoe is Hij blijkbaar gekomen. Dit is het diepste geheim van de ‘genesis’ van Jezus Christus, in wie God zelf op aarde verschijnt ‘uit zijn hemel zonder grenzen, komend tastend aan het licht, met een naam en een gezicht even weerloos als wij mensen’.
Het gaat me duizelen als ik daarover denk, vooral duizelen van vreugde.

[21-12-2008: Jezus is niet gekomen om ons weer een ideaal voor te houden. Daar knappen we telkens weer op af. Iemand schreef terecht: de weg naar de hel is geplaveid met goede voornemens, met schone idealen.  De Bijbel reikt een woord aan, dat somber lijkt, maar in wezen o zo zonnig is: zonde. Het is zó afgesleten, zó beduimeld, zó plat gepraat, misschien ook wel zó dood gepreekt. De kern van alle ellende zit in jezelf. Daarom gaat het mis. Het ligt dus niet  zozeer aan de ander, ook niet aan de dingen om je heen. Jouw verhouding tot God is fundamenteel verstoord en dat heeft een verwoestende uitwerking naar jouw verhouding met de mensen toe, naar de dieren en de dingen.]

[ELDERS: De woorden van professor Van de Beek helpen mij deze Bijbelwoorden beter, dieper te verstaan. Het gaat niet goed op deze aarde, want wij, mensen, zijn niet goed. Het wordt ook niet beter, alle hooggestemde idealen, alle schone beloften ten spijt. We knappen er telkens weer op af. De Bijbel reikt een woord aan dat somber lijkt, maar in wezen o zo zonnig is: zonde! Het is zo afgesleten, zo  beduimeld, zo plat gepraat, misschien ook wel: zo dood gepreekt. Jouw verhouding tot God is fundamenteel verstoord en dat heeft een verwoestende uitwaaiering naar jouw verhouding met de mensen, de dieren en de dingen toe.]Het is geen lot je overvalt, zodat je in feite alleen maar zou kunnen berusten op de wijze van: het is niet anders, zo is het leven nu eenmaal. In de Bijbel wordt ons geleerd dat de zonde ten diepste schuld is. Wij zelf zijn aansprakelijk, verantwoordelijk, maar het is zo doorgevreten, zo verziekt dat we geen kant meer op kunnen.

In deze chaos, in deze ellende is God zelf verschenen met een naam en een gezicht, Jezus Christus, om ons bestaan te delen, te dragen en ons te redden uit deze verstikkende cirkel van nood en dood. Sinds de ‘genesis’, de wording, de verschijning van Jezus Christus mogen we weten dat niet de schuld het laatste is, maar de vergeving, niet de duisternis, maar het licht, niet de wanhoop, maar de hoop, niet de dood, maar het leven. Met de woorden van een lied: ‘Hij ruilt met ons op vreemde wijs: / Hij neemt ons vlees en bloed / en geeft ons zijns Vaders huis / zijn eigen overvloed; / Hij wordt een knecht en ik een heer: / wat win ik veel daarbij! / Waar vindt men zoveel gulheid weer / als Jezus heeft voor mij!’ (Gez. 147).
Als je vraagt: begrijp je dat?; dan zeg ik: nee, ik krijg dit geheim niet in mijn vingers. Als je vraagt: versta je het?; dan zeg ik volmondig en van harte: ja! Vanwege deze Jezus, God op menselijke wijs, sta ik anders in het leven. Het is een weg die niet meer echt doodloopt. Daarom eindigt de Geloofsbelijdenis met deze woorden: ‘ik geloof een eeuwig leven’.
 ===   ===   ===

Matthéüs 2: 1 – 12

Gehouden op
*zondagmorgen 26 december 2004 in Beekbergen
Bijbellezing OT Jesaja 2: 1-5; NT Matth. 2: 1-12
*zondagmorgen 7 januari 2007 in Beekbergen
Bijbellezing OT Psalm 72: 8-11; NT Matth. 2: 1-12
*zondagmorgen 30 december 2012 in Welsum
Bijbellezing OT Psalm 72: 1-5; NT Matth. 2: 1-12
*zondagmorgen 3 januari 2014 in Welsum
Bijbellezing OT Jesaja 2: 1-5; NT Matth. 2: 1-12

Een oude methode wil ik opnieuw toepassen: de preek verdelen in drie punten. Al doende kunnen we de draad van dit verhaal beter volgen. We hebben al zoveel gehoord in deze dagen dat we misschien over-verzadigd raken en gemakshalve denken: het is allemaal meer van hetzelfde. Om elkaar op te scherpen en fris te blijven geven we elkaar de hand en kiezen we als handreiking om de weg te vinden deze drie kernwoorden: schok, verrassing, troost.
Dit is een schokkend verhaal. Hoeren en tollenaars, wegwerpmensen zogezegd, en ook lieden van het zwarte gat, bedrijvig in de zwarte kunst, gaan ons voor in het Rijk van God. Dat hoort niet aardig voor mensen zoals wij, keurig in de kleren, van onbesproken gedrag, met een blanco strafblad. Wijzen uit het Oosten. Magiërs staat er in het Grieks. Daar komt ons woord magie vandaan. Dat klinkt niet zo fris. Het heeft een enorme aantrekkingsklacht omdat mensen wanhopig op zoek zijn naar enige zin in alle onzin. Als het niet te vinden is in het platte vlak, dan steken we af naar andere diepten of vliegen we, desnoods met geestverruimende middelen, naar ongekende hoogten.
We zijn terecht beducht voor praktijken waarin zoveel beunhazen en scharrelaars inspelen op de nood, de angst, de ellende van anderen. Magiërs uit het Oosten, waarschijnlijk uit het stroomgebied van de Eufraat en de Tigris, het gebied van wat nu Iran en Irak heet. Zij bestudeerden de wondere wereld van de sterren en de planeten. Deze codes, signalen, signalementen gingen zij decoderen in boodschappen, vooral voor koningen, keizers, schuttenmajoors. Zij waren politieke adviseurs.
De tijden daar en toen waren buitengewoon spannend. Het Romeinse Rijk rukte steeds verder op naar het Oosten. Een koning in Israël kon een sleutelpositie innemen, een bruggenhoofd vormen in de strijd om de macht. We weten weinig van deze magiërs, die een koningsster ontwaarden. Daarom heeft de verbeelding, de fantasie de schamele gegevens van het Evangelie uitgesponnen tot een spannende roman. Ze waren gedrieën, verweven met de kostbare geschenken goud (voor de koning), wierook (voor de priesterlijke dienst) en mirre (voor de begrafenis, want ook een koning had het eeuwige leven niet). Ze heetten, naar men zegt, Caspar, Melchior en Balthasar.
Hoe dit ook zij: deze duistere figuren uit de wereld van de zwarte kunst, aanbidden het Kind. De Schiftgeleerden en het hele concilie van kerkelijke deskundigen hebben het nakijken. Van de discipelen wordt ook verteld dat zij deze Ene aanbaden, maar dat gebeurt pas aan het eind van het Evangelie. Het wordt vermeld in Matthéüs 28 ‘en toen zij Hem zagen, aanbaden zij…’. Magiërs gaan voorop. De eersten zijn de laatsten, wie nakomt gaat voorop. Het is en blijft een schokkende ontdekking: hoeren, tollenaars en ook magiërs gaan ons voor in het Rijk van God. Wie het Evangelie niet als een schokkend verhaal ervaart, heeft het ingewisseld voor een goedkope streekroman waarvan de plot meer van hetzelfde is en afloop voorspelbaar.
Schok is een dubbeltje op z’n kant. Het kan omslaan in ergernis of in verrassing. Wat daartussen zit, is doorgaans leuterpraat, antiek of modieus gebabbel en schiet niet op. Hoezo, verrassing? Gods familie is groter dan wij denken. In het Oude Testament valt het licht op het Joodse volk, klein en onooglijk, maar daarachter zijn de volkeren van de aarde, nooit uit beeld. Ze horen bij de kring. Ze woeden en woelen, doen zoveel domme dingen, maar toch heeft de God van Israël oog en hart voor hen. Deze God kiest uit, zoals Hij deed en blijft doen met het volk Israël, maar Zijn verkiezing is nooit ten koste van anderen, maar altijd ten gunste van allen.
In het Oude Testament staat een visioen te branden, worden dromen gedroomd, die geen bedrog zijn: in de toekomst zullen de volken komen en buigen voor Hem, de Schepper van alles en allen, de Bevrijdende God. Aan Abraham was gezegd: ‘in u zullen alle geslachten van de aardbodem gezegend worden’.  En Jesaja, om nog een voorbeeld te noemen, heeft de droom zo vertolkt: ‘volken zullen opgaan naar Uw licht en koningen naar Uw stralende opgang’.
Wie nam zulke woorden echt en tot op de bodem serieus? Het hoorde bij de godsdienstige inventaris als museumstukken, maar het was voor de meesten dood kapitaal. De volken kregen wel een kans, maar dan moesten ze eerst een proeve van bekwaamheid afleggen, door de filters van godsdienstige regels en theologische bepalingen heenkomen om geschikt te worden bevonden.
Daarmee is niet gezegd dat kerkelijke patronen en theologische arbeid van weinig of geen waarde zijn, integendeel… Maar soms kunnen ze averechts werken. Al die theologen en kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders in Jeruzalem, dicht bij Bethlehem, weten de weg in de heilige boeken, maar niet de weg naar het Kind, dat Koning is. Magiërs uit het Oosten, die weinig wisten van het verbond, van Abraham, Mozes, Jesaja en zoveel anderen, alleen een ster zagen, kwamen terecht bij het Kind, knielden neer en bewezen Hem hulde.
Opvallend, verrassend is ook dat zij zo zeker zijn van hun zaak. Ze vragen niet voorzichtig: Is het ook mogelijk dat…? Zou het misschien kunnen dat…? Maar recht toe recht aan: waar is de Koning der Joden? Want wij hebben Zijn ster in het oosten gezien en wij zijn gekomen om Hem hulde te bewijzen. De aanbidding, de bevrijdende kennis van God was al begonnen op het moment dat ze op weg gingen. Ze zouden Hem, de unieke Koning bij de gratie Gods, niet zoeken, als Hij hen niet al lang gevonden had.
Deze schok die zich uitwerkt in verrassing, klinkt het hele Evangelie door. Tot een vrouw, uit het gebied van Tyrus en Sidon, het dubieuze vader- en moederland van Izebel, de vrouw van Achab, tot een vrouw uit deze contreien zegt Jezus: ‘O, vrouw, groot is uw geloof’ (Matthéüs 15: 28). Een heidense hoofdman in Kapernaum, die een soldatencatechismus opzegt: zo gaat het toe in het leger, krijgt te horen: bij niemand in Israel heb Ik een zo groot geloof gevonden’ (Matthéüs 8: 10). De dienstdoende officier bij het kruis, ook van heidense komaf, moet bekennen: Waarlijk, dit was een Zoon Gods! (Mattheus 27: 54). Wie nakomt, gaat voorop.
Zo is het ook in de geschiedenis van de kerk gegaan. Bijvoorbeeld in de tijd van de Reformatie. Luther, vogelvrij verklaard, in de ban gedaan; Calvijn, telkens op de vlucht, verbannen uit Geneve, waar hij eindeloos veel sprak en schreef. Zij hebben de toekomst van de kerk en ook van de cultuur in Europa diepgaand getekend. Hoe zal het straks, in de nabije toekomst, verder gaan met de kerk en met de theologie in West-Europa? Misschien komen er straks mensen uit Pakistan of uit Soedan of uit Chili, die ons voorgaan op de weg van het geloof, de hoop en de liefde, met het oog op het Kind dat de Koning van de Joden en van alle volken is.
Schok, verrassing en… troost, eindeloos. Deze mensen, magiërs uit het Tweestromenland, kwamen uit een gebied waar de hemellichamen grondig bestudeerd werden. Astrologie, de leer van al die staten en standen, en astronomie, de wetten die men daaraan ontleende. Die wetten daarboven gelden ook hier beneden. Wetenschap en religie reikten elkaar de hand en liepen eensgezind op. Het lot van ons, stervelingen, staat in de sterren geschreven. Daar valt niets aan te verwrikken. Miljoenen mensen in dat immens grote Romeinse Rijk leefden onder zo’n gesloten hemel.
Ik probeer mij voor te stellen wat dat betekent. Als een vreemdeling, een zwerver slijt jouw je dagen op de aarde, onbemind, niet gekend door iets of iemand, groter dan dit ondermaanse, want het lot heeft geen oog, geen hart voor jou. Een Engelse onderzoeker bracht dit levensgevoel zo onder woorden: ‘I, a stranger and afraid, in a world I never made’, dat is: ‘Ik, een vreemdeling en bang, in een wereld die ik nimmer fabriceerde’. Die godsdienst, die levensovertuiging is nog lang niet uitgestorven, is misschien wel springlevend. Horoscopen spreken tot de verbeelding, ook als mensen er wat lacherig over doen. Is er in deze eindeloze kosmos, dit uitdijende heelal ergens een hart dat voor jou klopt? Of komt alles zoals het komen moet, omdat ook jouw, mijn leven zich in een bepaalde baan beweegt, net als de hemellichamen?
Ik hoor veel mensen over God praten, ik lees wat ze schrijven, en ik denk: je kunt dat woordje God net zo goed vervangen door het lot of door een of andere X, een onbekende macht. Het is allemaal zo koud en kil, terwijl mensen zo wanhopig op zoek zijn naar een stukje warmte, een besef van geborgenheid in de stormen en spoken van het leven. Daarom zijn mensen ook ongeneeslijk religieus. Alleen leven in en met dit platte vlak, dat maakt zo verschrikkelijk eenzaam. Leven onder een koperen hemel, waar in alles komt zoals het komt. Wat heeft het voor zin om hier een poosje te zijn? Wat heeft het per saldo om het lijf?
Aan deze gesloten hemel, aan dit doodse firmament dat zich, naar ons besef, voegt naar wiskundige wetten, straalt een ster. Hoe kwam die ster daar? Ook daar zijn allerlei theorieën over, met ingewikkelde tabellen en statistieken. Het helpt je weinig. Deze ster is een teken van Hem die het harde lot verandert in barmhartigheid, die het harteloze stelsel van de kosmos tekent met Zijn liefde tot de dood, door de dood heen, die de gesloten hemel opent om voorgoed en ‘forever’ bij de mensen te zijn.
En zie, magiërs uit het Oosten hebben het teken verstaan. Zij gaan ons voor. God sluit een verbond tegen het lot. Er straalt een ster, teken van het Kind, dat de Koning is. Hij regeert vanaf het kruis en is in doodstrijd tot aan het einde der wereld en de uitkomst is niet onzeker. Voor zover je nu nog van lot wilt spreken, mag je zeggen, zingen: ‘in Jezus is mijn zalig lot / verborgen bij mijn God’. Mijn kleine, kwetsbare, kostbare bestaan is verankerd in Hem!
===   ===   ===

Mattheüs 3: 15

Jezus echter antwoordde en zeide tot hem: Laat Mij thans geworden, want aldus betaamt het ons alle gerechtigheid te vervullen. Toen liet hij Hem geworden.

Gehouden
*Zondagmorgen 13 januari 2002 in Beekbergen
Bijbellezing OT Jesaja 42: 1-4; NT Mattheüs 3: 13-17
*Zondagmiddag 13 januari 2002 in Ermelo
Bijbellezing OT Jesaja 42: 1-4; NT Mattheüs 3: 13-17
*Zondagavond 9 januari 2011 in Lunteren
Bijbellezing OT Jesaja 42: 1-4; NT Mattheüs 3: 13-17
*Zondagmiddag 9 januari 2011 in Ede
Bijbellezing OT Jesaja 42: 1-4; NT Mattheüs 3: 13-17

In het gebouw van de vreemdelingenpolitie in Amsterdam is het een drukte van belang. Ik zie mensen uit allerlei windstreken onder de hemel: uit Azië, uit Afrika, uit Zuid-Amerika… Het is ook een mengelmoes van talen, die ik niet versta, en een bonte verscheidenheid aan kleding, die mij tamelijk vreemd is.
De sfeer is nogal gespannen en bedrukt. De mensen zijn hier niet om een vakantie te boeken. Het is bittere noodzaak: een doel hebben ze voor ogen, een nieuwe toekomst opbouwen! Door deze moeilijke sluis – het zal niet de laatste zijn! – moeten ze eerst heen.
Te midden van al die ontheemde en ook ontredderde mensen zie ik opeens een gezicht dat mij bekend voor komt. Het kan toch niet waar zijn? Dat is, dat is….koningin Beatrix, ook in een lange, afgedragen jurk en jas, met een hoofddoekje om. Ik zeg, met horten en stoten: ‘Mmmajesteit, u hier?’ Ze knikt en zegt alleen: ‘Laat me maar! Het is goed zo! Dit is mijn volk en dit is mijn huis!’
Een ongelooflijk, onvoorstelbaar verhaal. Als het waar was, zou het direct wereldnieuws zijn. Om misverstand te voorkomen: ik doe niets af aan de betrokkenheid van onze Koningin bij mensen in nood. Maar dit ongelooflijke, onvoorstelbare verhaal helpt ons wel om iets te verstaan van het schokkende wereldnieuws dat Evangelie, Goede Tijding van God, heet. Laten we proberen om verhaal binnen te gaan en eerbiedig naderen, zoals Mozes ooit deed bij de brandende braambos: de schoenen van de voeten, op de wijze van de bedelaar, want de plaats is heilig, geladen met Gods heilzame aanwezigheid.
Johannes preekt, zegt allerlei dingen. Niet voor het vaderland weg, maar naar het Vaderland, het Vaderhuis toe. Hij is in zijn radicale prediking mond van God. Hij doet ook een en ander. Vooral de doop bedienen. Dat is hem zo eigen, dat is zo karakteristiek voor hem, dat hij genoemd wordt en ook te boek staat als Johannes de Doper.
Nog een stapje verder, naderend om te horen. Dopen, nou ja…Laten we ook in dit opzicht ietwat zuinig zijn met onze energie. Is dit echt iets om je over op te winden? Het is, naar ons besef, een min of meer bekend ritueel. Mooi, plechtig, een tikkeltje aandoenlijk… en dat is het wel zo ongeveer. Natuurlijk heeft het ook met God te maken, maar…
Dopen kwam toendertijd in de kring van Israël, in het Jodendom, tussen – laten we zeggen – de tijd van Maleachi en Mattheus regelmatig voor. Het was de zogenaamde proselietendoop. ‘Proselthein’ is een Grieks werkwoord dat betekent: naar iemand naar iets toekomen. De doop werd bediend aan mensen van buiten Israël, aan heidenen, dat zijn: niet-Joden, die onder meer door deze sluis moesten gaan om voortaan bij het volk van het verbond, binnen de lichtkring van Gods trouw en liefde, te behoren. Daartoe was een reiniging nodig om met jouw leven dat van God is, voor Hem te mogen staan, te mogen bestaan.
En nu het schokkende dat Johannes zegt en doet. De rechter staat voor de deur. De bijl ligt aan de wortel van de boom. De wan is in Zijn hand en Hij zal Zijn dorsvloer geheel zuiveren en Zijn graan in de schuur bijeenbrengen, maar het kaf zal Hij verbranden met onuitblusbaar vuur.
In dit licht van Gods gericht vervagen de oude grenzen: niemand kan meer zeggen: ik ben binnen en de ander staat buiten. Zowel Joden als niet-Joden, heidenen hebben geen been om op te staan. Vandaar dat scherpe, schokkende woord van Johannes: ‘Adderengebroed, (…) beeldt u niet in dat u vrijuit gaat door te zeggen: Wij hebben Abraham tot vader…’. Ik denk aan de woorden van de apostel uit de Romeinenbrief: ‘Er is geen onderscheid. Want allen hebben gezondigd en derven (doen afbreuk aan) de heerlijkheid van God’ (3: 23). We zijn, met het beeld waarmee ik begon, allemaal asielzoekers, ontheemd, ontredderd, op zoek naar een ander, een beter vaderland (Hebreeën 11!).
Ik zei zopas, in dat beeld van de vreemdelingenpolitie: Mmmajesteit, u hier? Iets soortgelijks gebeurt hier. Mensen herkennen, erkennen blijkbaar de ernst van de situatie, dit kruispunt van de geschiedenis. Ze komen in drommen naar Johannes, naar die doopplaats in de Jordaan, wellicht vlak bij Jericho, de stad die ook vandaag de dag nog zo vaak in het nieuws is. Onder hen is die Ene, Jezus de Christus, van wie in het voorgaande zulke grootse, geweldige dingen zijn gezegd.
‘Toen kwam Jezus uit Galilea’ – nota bene: doelbewust! uit het Noorden naar het Zuiden! – ‘naar de Jordaan tot Johannes, om Zich door hem te laten dopen’. Johannes weet niet wat hier gebeurt, wie hij nu ziet. Hij stottert verbouwereerd – op de wijze van: mmmajesteit, u hier? dit kan toch niet? dit kan toch niet waar zijn? – : ‘Ik heb nodig door U gedoopt te worden en komt Gij tot mij?’ Met andere woorden: hoort U bij degenen die zich op de komst van de Rechter? Voegt U Zich onder hen die berouw tonen en zich bekeren? Wij, mensen, moeten ons bekeren, omkeren naar U toe! Dit is de omgekeerde wereld! De Rechter die zelf ook aanschuift in de beklaagdenbank. De Heer, dat is: Zijne majesteit tot in de hoogste macht verheven, die knecht wordt!
Wat is hier aan de hand? De Koningin zou – in mijn verhaal – kunnen zeggen: ‘Laat me maar! het is goed zo! dit is mijn volk en dit is mijn huis!’
Ik leg de woorden van deze Ene, Jezus de Christus, hiernaast: ‘Laat mij thans geworden, want aldus betaamt het ons alle gerechtigheid te vervullen’. Je kunt niet zorgvuldig genoeg luisteren. Ik zoek geen spijkers op laag water, maar als je hier snel doorheen vliegt, loop je – om zo te zeggen – met klompen door de porseleinkast. ‘Laat mij geworden…’.
Als ik dat platvloers vertaal, zou ik het zo omschrijven: zit niet aan Me te frunniken en te friemelen; of: probeer Mij toch niet te kneden naar jouw patroon! Anders gezegd, met gevoel voor stijl: respecteer nou toch Mijn geheim! In een van de Psalmen, Psalm 46, staat een regel die vrijwel dezelfde woorden gebruikt: ‘Laat af en weet, dat Ik God ben’ (vers 11). Ik mijmer wat door over deze woorden, omdat ze naar mijn besef, zo wezenlijk zijn. Misschien ligt hier wel de angel, het bitterste en binnenste stukje van alles wat zonde mag heten. We hebben niet de grootste moeite om te accepteren dat er een God boven, buiten ons is; wel dat deze God zich op deze wijze presenteert, zo eindeloos anders dan wij denken en dromen, zo solidair met ons ontheemde, ontredderde bestaan.
En toch is dit de weg, de wijze van Zijn God-zijn. Vandaar die woorden: ‘aldus betaamt het ons…’. Met andere woorden: dit past volmaakt in het patroon van God, de Drieënige, de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Staat er daarom ook dat een meervoudige ons: ‘aldus betaamt het ons…’? Ja, we noemen dat een majesteitsmeervoud, deftig gezegd: een ‘pluralis maiestatis’, zoals de Koningin zichzelf ook aanduidt: ‘Wij, Beatrix, Koningin der Nederlanden…’. Zo zou het kunnen zijn, maar het hele verband, vooral ook het vervolg: de Geest als een duif!, doet anders vermoeden. De Bijbelse tekst is niet het haastige verslag van een journalist die op er het laatste moment, onder druk van de deadline, nog iets door zijn computer heen jaagt. Er is grondig over nagedacht. Er zit spirit in, ten diepste heilige spirit, Heilige Geest. Dat patroon van God wordt aangeduid met het Bijbelse kernwoord gerechtigheid: ‘aldus betaamt het ons alle gerechtigheid te vervullen’. Ook dat woord zijn we kwijtgeraakt of hebben we verkwanseld, zoals Esau en Jakob deden, voor een schotel, een bordje linzenmoes! ‘Zo verachtte Esau het eerstgeboorterecht’, lezen we aan slot van dit Genesisverhaal (25: 34).
Gerechtigheid. We denken dan aan zoiets aan: ieder het zijne, het hare, met als een soort paraplu daarboven: God voor ons allen! Zo’n gerechtigheid brengt de asielzoekers en hare majesteit nooit echt samen. Maar hier geldt: de hoge, heilige God vereenzelvigt zich met het lot, het leed, de angst, de pijn, de schuld en de schande van mensen. Genade geldt als recht. God geeft niet ieder het zijne of het hare – dan waren we nergens meer! – maar Hij geeft Zichzelf aan ieder. Daarom zijn we in Hem geborgen, een leven en een dood lang, en nog verder…
Het is het recht waarvan de profeet Jesaja gesproken heeft: ‘Zie Mijn knecht die Ik ondersteun, Mijn uitverkorene, in wie Ik een welbehagen heb; Ik heb Mijn Geest op Mem gelegd: Hij zal de volken het recht openbaren’. Niet volgens ons patroon, niet naar ons model. Het is geen show. Het gebeurt niet met veel tamtam. ‘Hij zal niet schreeuwen, noch Zijn stem verheffen, noch die op de straat doen horen. Het geknakte riet zal Hij niet verbreken en de rokende vlaspit zal Hij niet uitdoven’. Zelf wordt Hij trouwens wel gebroken en uitgedoofd. Ook dat hoort bij die gerechtigheid van God. Hij ruilt met ons op vreemde wijs: Zijn ondergang is ons behoud, Zijn veroordeling is onze vrijspraak, Zij dood is ons leven. Aldus betaamt het ons alle gerechtigheid te vervullen. Het wordt van Hogerhand bekrachtigd en bezegeld: ‘En zie, de hemelen openden zich en de Geest van God daalde neer als een duif en kwam op Hem. En een stem uit de hemel: deze is Mijn Zoon, in wie ik Mijn welbehagen heb’.
God die Zich in Christus opnieuw presenteert, manifesteert als vriend van zondaren, als makker van onrechtvaardigen, als metgezel van ontheemden en ontredderden. Misschien moet je wel een dichter zijn om dichter bij dit geheim te komen dat ons en deze hele wereld draagt en omvat. Zoals Inge Lievaart, die over deze vreemde vrijspraak schreef:

‘Hier zwijgt het hoge denken: / God trad in ons gemis / om volheid ons te schenken, / zijn dorst bracht lafenis.

Die liefhad bovenmate, / die zich gevangen gaf, / bevrijdt ons uit ons haten, / breekt onze ikzucht af.

Zijn zwijgen voor de rechter / wordt nog door ons gehoord, / door schuldigen en slechten, / als zijn vrijsprekend Woord.

Die vol was van genade / is onze weg gegaan, / het spoor van onze daden / klaagt ons niet langer aan’.

===   ===   ===

Matthéüs 4: 1 – 11

Gehouden op
*zondagmorgen 9 januari 2011 in Welsum
Bijbellezing OT Deut. 8:1-13; NT Mat. 4: 1-11

Maandag 10 februari. De telefoon ging verschillende keren. Geen berichten waar je, om het modieus te zeggen, vrolijk van wordt. Onze Heidi was op bezoek, met haar beide kinderen. Ik vertelde aan tafel, met behoud van privacy natuurlijk, wat mensen met mij wilden delen.
‘Is het hier altijd zo’n alarmcentrale?’ vroeg Heidi. Ik zei, ietwat geruststellend: ‘Nou, dat valt wel mee, maar vandaag was het wel een springvloed van zorgelijke berichten’.
Hoe ga ik daarmee om? Door omgang te zoeken met mensen, door te luisteren naar hun verhalen, door samen te bidden en te werken om het Verhaal van God op het spoor te komen, in de hoop dat dit Verhaal van de Levende verweven wordt met ons levensverhaal. Deze ervaringen onderweg, over en weer, kleuren ook de eredienst, in het bijzonder de gebeden en de prediking. Ik zou wanhopig worden, binnen de kortste tijd totaal overspannen, als ik zou moeten putten uit mijn voorraad gedachten over God.
Rampzalig, maar toch… Ik vrees dat het te vaak gebeurt. De grote Karl Barth, kerkvader van de twintigste eeuw, zei ooit, niet zonder bitterheid: ‘Ik moet de eerste theoloog nog tegenkomen die Gods gedachten over hem minstens zo serieus neemt als zijn gedachten over God’.
Ik put dus niet uit mijn eigen magazijntje, maar ga opnieuw in de leer bij de woorden die het al eeuwen lang hebben uitgehouden. Daar en zo is licht, zegen te verwachten, vooral als de donkerheid, de somberheid toeslaat. Over tien, twintig jaar zijn mijn woorden vergeten, maar het Woord van God houdt eeuwig stand. Daarom lees ik gewoon – wat heet ‘gewoon’? – wat er staat en ik zie al die gezichten van mensen die mijn paadje kruisen erom heen.
‘Toen werd Jezus door de Geest naar de woestijn geleid om verzocht te worden door de duivel’. Op weg naar Pasen, in deze lijdenstijd, zo u wilt: op deze eerste zondag in de veertigdagentijd, klinken deze woorden in heel veel kerken, waar de Schrift met enige orde, met respect ook voor de traditie van zoveel eeuwen, wordt gelezen.
Die eerste regel rammelt, op het eerste gehoor, aan alle kanten. Op de wijze van een jochie dat een leeg conservenblik met een touwtje aan zijn fiets gebonden heeft. Kan ik aan deze wonderlijke regel gedachten ontlenen met het oog op Gert-Jan die voor de zoveelste keer in het ziekenhuis is opgenomen, met het oog op Joke bij wie opnieuw kanker is geconstateerd, met het oog op mijn vriend en collega Philip, die blind geworden is, braille leerde en zo een dissertatie schreef over tragiek in de schepping, met het oog op Jan en Johanna, de familie Bijkerk en zoveel anderen?
Gedachten ontlenen….Dat zou betekenen: de Bijbeltekst is de eerste trap, waarmee je op eigen kracht omhoog klautert. Dan is de heilige tekst een hulpmiddel en hangt de zorg voor, de zegen van mensen uiteindelijk toch van jouw mooie, aanstekelijk werkende gedachten af. Het klinkt allemaal zo goed, maar het is superslecht, de dood in de pot, omdat jouw gedachten over God voorrang hebben boven Gods gedachten over jou, verwoord in Zijn heilig Woord. Dat zou stinkende hoogmoed zijn die voor de val komt en in die val sleur je anderen mee.
Ik hoor de Stem van de Levende zeggen: ‘Nee Marchal, zo zijn we niet getrouwd! Je hoeft geen redenen te bedenken om een redenaar te worden, je bent immers alleen maar dienaar van het Woord! Lees, wat er staat, laat dat tot je doordringen en verder vooral geen fratsen, want die zijn dodelijk.’
‘Toen werd Jezus…’ Wanneer was dat? Lees maar wat er staat, direct ervoor. Jezus wordt gedoopt. Hij gaat onder in het water. Als Hij weer boven is gekomen, gaat de hemel open, ziet Hij de Geest als een duif neerdalen op Hem. En dan verder – lezen, lezen, dan heb je ook geen tijd om te gaan fantaseren – ‘een stem uit de hemel zei: Deze is Mijn Zoon, de Geliefde, in wie Ik een welbehagen heb’. Wat betekent dat, vooral die aanduiding ‘Mijn Zoon’?
Als ik een poging mag wagen, niet uit de losse pols, maar bij de hartslag van de Schrift: zo ben Ik, God, het meest nabij; als twee druppels water en dichterbij kan Ik niet komen; zo is Mijn weg bij jullie, mensen, zo teken Ik mijn God-zijn ten diepste uit. Het blijft stamelen en stotteren, maar dit gehakkel heeft de klacht van een Beeldenstorm. Al die beelden van een Allerhoogste, hoog en droog, ver van het aards gewemel en gezemel, aan diggelen. Gij zult u geen beeld van God maken. Hij schept Zijn eigen beeld, ‘live’, in Hem die de Zoon wordt genoemd, die afdaalt naar de laagste plaats, in de doop die al een vorm van sterven is.
Als je dit serieus neemt, dan komt de schuld, de pijn, het verdriet van ons, mensen, in een ander licht te staan. Onze gedachten over God zijn veelal een repeterende breuk, roepen steeds meer vragen op, waar je in verstrikt en zelfs verstikt raakt.
Toen, nog druipend van het doopwater, werd Jezus, de Zoon, sprekend God, door de Geest naar de woestijn geleid…De Geest, dat is God in actie naar ons toe, zelfs: in actie in ons bestaan, want Hij wil in ons wonen en werken. Wat doet die Geest, van Hogerhand actief in ons lage, veelal ook lege bestaan? In charismatische kringen, in Pinkstergroepen, staan de gaven van de Geest hoog op de agenda. Er wordt dan gewezen, met een beroep op de Bijbel, met name op de brieven van de apostel Paulus, op gaven van genezing, op tongentaal, dat wil zeggen: spreken boven de gewone taalgrens, op profetie, op bijzondere krachten.
Ik zeg er geen kwaad woord over, want in heel veel kerken wordt een en ander eenzijdig verdonkeremaand. Dat is vragen om problemen, ook het probleem van eenzijdige nadruk juist hierop. Heel veel anderen, niet alleen binnen, maar vooral ook buiten de gangbare kerken, spreken over de Geest als een Gids naar binnen, om de diepere lagen van je mens zijn te ontdekken, of als een Gids naar boven, die een mens uittilt boven de modder, de misère van dit bestaan.
Het Latijnse voor Geest is ‘Spiritus’, waarvan ook het woordje spiritualiteit is afgeleid. Als je in een boekhandel gaat zoeken bij het trefwoord ’Spiritualiteit’, dan vind je boeken in overvloed. Noem het woordje ‘spiritualiteit’ in een kring van mensen die wel iets meer willen dan de wereld van het platte vlak en ieder kijkt je welwillend aan en knikt instemmend.
Het woord van de apostel Johannes in zijn eerste brief is ongekend actueel: ‘Geliefden, vertrouwt niet iedere geest, maar beproeft de geesten of zij uit God zijn’ (4:1). Er zijn veel kapers op de kust en beunhazen op de bouw.
‘Toen werd Jezus door de Geest naar de woestijn geleid’. De woestijn, dat is wel de laatste plaats waar wij aan denken. Wij hebben geen woestijn in onze omgeving. Het Kootwijker Zand is veel te paradijselijk om echt te beseffen wat woestijn betekent. Plaats van eenzaamheid, van troosteloosheid, van verzengende hitte, van versmachtende dorst. Een kameel is er een beetje op gebouwd, maar een mens kan daar niet aarden.
De woestijn speelt in de geschiedenis van Israël een voorname rol. Het is de plaats waar je alleen maar bent aangewezen op God, op Zijn ontferming. Met de woorden van een oud lied: ‘moede kom ik, arm en naakt, tot de God die zalig maakt’ Je bankrekening is niet meer waard dan een willekeurig stukje oud papier, je status speelt geen enkele rol, je titels helpen je ook niet verder. Als Israël die gehoorzaamheid aan God weer aan de sandaal lapte en dit radicale Godsvertrouwen met de vrijerij met andere goden en machten mengde tot een grote hutspot, niet te eten, dan klinkt het Woord, de Stem van de Gepijnigde Liefde, door de mond van Hosea, de profeet: ‘Ik zal Mijn bruid, Mijn Geliefde, lokken en haar leiden in de woestijn, en spreken tot hart. (…) Dan zal zij daar zingen als in de dagen van haar jeugd, als ten dage toen zij trok uit Egypte’ (2: 13-14).
Waarom wordt Jezus, de Zoon, sprekend God door de Geest naar de woestijn geleid? Er staat – woorden die het langer uitgehouden hebben dan alles wat theologen bedacht, gezegd, geschreven hebben – om verzocht te worden door de duivel! Een test dus, een krachtmeting tot op de bodem. Waar is dat goed voor? Is het goed voor Hem of is het misschien eerder goed voor ons? Ik denk het laatste: dat wij zouden weten, om nooit te vergeten, dat Hij door en door betrouwbaar is en zo, in de laagte, in de diepte, God wil zijn, God met ons.
De duivel maakt het er niet gemakkelijker op. Ik weet niet zo goed wie hij is, ook niet waar hij vandaan komt. Ik heb tientallen kaartjes met treffende citaten, opgeschreven in de loop der jaren om enige helderheid te krijgen in dit donker. Ik noem de woorden van twee voorgangers, die ik zeer hoogacht. Tom Naastepad, van Rooms-katholieke huize: ‘Vraag mij niet wie of wat de duivel is. Ik verdiep mij daar niet in, evenmin als in demonen; ze zijn niet interessant. Maar zeg niet dat de duivel, de boze, er niet is. Want dan valt ge vandaag nog in zijn verzoeking’.
En verder: professor J.T. Bakker, van Gereformeerde huize, Lutherkenner bij uitstek: ‘We denken misschien, dat wij psychisch gezonder geworden zijn, sinds we de duivel (ook theologisch) ‘afgeschaft’ hebben, maar onder de gladde oppervlakte van de moderniteit (van het moderne levensgevoel) zweert het verder’.
De duivel, ook al weet ik niet wie hij is en vanwaar hij komt, ik weet wel wat hij uitvreet, letterlijk en figuurlijk: het voedsel weghalen en mensen uitmergelen. Deze dood is zijn brood. Het liefste wat hij wil en waarvoor hij, de schoft, alles over heeft, is dat God een Opperwezen is, hoog en droog in de hemel, dan kan hij op aarde ongestoord zijn gang gaan. Hij wil niet dat de Zoon, sprekend God, zo nabij komt, dat Hij zich laat dopen en de weg van het kruis gaat. Daarom wordt Jezus, de Zoon, door de Geest naar de woestijn geleid om verzocht te worden door de duivel. Hij, God, in de gestalte van de Zoon, durft deze confrontatie wel aan. En wij mogen weten dat de broodvraag beslist is, zo ook de vraag naar de geborgenheid, evenals de machtsvraag.
Wat ons in leven houdt, dank zij deze God, is het Woord dat uit Zijn mond uitgaat. Wij zijn geborgen in Zijn hoede, een leven en een dood lang, en nog verder, en hoeven dat niet uit te proberen, want het is waar omdat God het zegt en daar moet je niet aan frunniken. En de macht wordt niet uitbesteed, omdat Hij deze zelf in handen houdt, in handen die doorboord zijn. Voortaan weten we dat de duivel strijdt voor een verloren zaak, dat de verzoening het wint van de schuld, dat de dood uiteindelijk het onderspit moet delven. We leven, we lachen en we huilen, we gaan onze weg met vallen en opstaan in het licht van Pasen. Met de onsterfelijke woorden van Psalm 139:

‘Zei ik: Duisternis moge mij overvallen,
dan is de nacht een licht om mij heen;
zelfs de duisternis verbergt niet voor U,
maar de nacht licht als de dag,
de duisternis is als het licht.’

===   ===   ===

Laatste diensten voor het herseninfarct op vrijdag 7 juni 2013

Mattheüs 7: 7
gehouden op
*Zondag 2 juni 2013, 10.00 uur te Welsum
Bijbellezing: Psalm 103: 1-13; Mattheüs 7: 7-12
*Zondag 2 juni 2013, 19.00 uur te Beekbergen
Bijbellezing: Psalm 103: 1-13; Mattheüs 7: 7-12

Tussen Scylla en Charybdis… Moeilijke woorden. Afkomstig uit Griekenland. Er is daar een vaarroute, een zeestraat, die ergens heel smal wordt. Aan weerszijden steile, hoog oplopende rotsen. Het water komt in een soort trechter. Het kolkt en spat meters omhoog. Een gevaarlijke maalstroom. Een kunst om daar tussen door te varen.
In de Griekse oudheid heeft men er verhalen mee verbonden. Monsterachtige figuren, over en weer, die elkaar bevechten om die zeelui en hun kostbare vracht in bezit te krijgen. Vanuit Griekenland is het een spreekwoord geworden. Tussen Scylla en Charybdis, dat wil zeggen: ergens met moeite tussen door komen. Gevaar aan de ene en gevaar aan de andere kant.

In dit Bijbelgedeelte, opgenomen in de Bergrede – Mattheüs 5, 6 en 7 – gaat het over het bidden. Hoe kom je daartoe? Praten tegen wie, aangenomen dat er iemand is die je hoort? Daar komen we straks nog op. Hier wordt gezegd, toegezegd over de gebedspraktijk: ‘Bidt en u zal gegeven worden; zoekt en gij zult vinden; klopt en u zal opengedaan worden’.
Als je die weg van gebed gaat, kom je dan niet in zo’n maalstroom, op de wijze van Scylla en Charybdis? Aan de ene kant de schrijnende vraag: klopt het wel? Denk eens aan de last van de onverhoorde gebeden. Om genezing voor een ziekte! Om nieuwe liefde in verkilde, bevroren verhoudingen! Om een kind, dat niet werd geschonken. Soms hebben mensen de moed opgegeven. Zoals de dichter Hendrik Marsman, overleden in 1939, die ooit schreef: ‘Ik ben beroofd en leeg, mijn schepen zijn verbrand; / mijn stem verloor haar gloed en vindt geen weerklank meer / in ’t dode firmament; / niets dan de galm die keert /  van ’t sombere gewelf mijn ontredderd hart!’

Scylla enerzijds. En aan de andere kant nog een rotsgevaarte waartegen alles stuk kan slaan. Stel je voor dat de HERE God een soort superkelner, een opperbutler was. Op onze geringste aanwijzingen komt Hij in actie om ons op onze wenken te bedienen. Als je met zo’n God moet verkeren en exerceren, dan is het leven ook geen cent waard en wordt de samenleving nog rampzaliger vanwege al die mensen die nooit genoeg hebben.

Eerst nog eens even terug naar de vraag: waarom ben je eigenlijk onderweg, op de weg van het gebed? Bidden is een vorm van antwoord geven. Je bent, hoe en waar dan ook, geraakt door een bericht, een verhaal van elders. Het is je verteld, met horten en stoten misschien, met vallen en opstaan, maar het is je bijgebleven. Het gaat over iemand, die er was voordat jij verscheen, die er zijn zal als jij er niet meer bent, die niet moe wordt om te zeggen: ik ken jou!; ik aanvaard jou!; ik bemin jou, en dat kan nooit meer stuk. Deze unieke God heeft Zich uitgetekend in geschiedenis van Abraham, van Mozes, van Zijn volk Israël. Helemaal, van a tot z, in vlees en bloed in die Ene, Jezus Christus, die mensen samenriep op die heuvels bij de zee van Tiberias en allerlei woorden met ze deelde.

Hij leerde hen ook, in die Bergrede, hoe je kon gaan op de weg van het gebed. In het voorgaande hoofdstuk klinken de woorden van het ‘Onze Vader’. Zo wordt Hij aangeduid: Vader! Eerst gaat het over de dingen die bij Hem horen: Uw Naam, Uw Koninkrijk, Uw Wil…Als Hij aan Zijn trekken komt, dan komt het met jou ook goed: ‘Bidt en u zal gegeven worden; zoekt en ge zult vinden, klopt en u zal opengedaan worden…’.

Bidden is een vorm van antwoord geven. Het gebeurt in een atmosfeer van vertrouwen. Dat is iets heel anders dan de omgang met een kelner in een restaurant, een kruidenier in de winkel, een wegenwacht onderweg. Jezus geeft tekst en uitleg. Een kind zit aan tafel, bij vader en moeder. Een sfeer van veiligheid en geborgenheid. Luister nog eens naar de woorden die Jezus zegt: ‘Welk mens onder u zal als zijn zoon hem om brood vraagt, hem een steen geven? Of als hij een vis vraagt, zal hij hem toch geen slang geven?’ Brood en vis waren de meest een eenvoudige levensmiddelen in die tijd. De broden werden in ronde vorm gebakken, zodat ze veel weg hadden van een ronde, platte steen. En een alledaags visje was een soort paling, die veel op een slang leek. Welke vader zal zoiets doen? Stenen voor brood. Een slang voor een vis. En dan volgt een vergelijking in de vergrotende trap: hoeveel te meer…?
Die manier van zeggen komt vaker in het Evangelie voor. Met het oog op de vogels in de lucht en de bloemen op het veld. Daar wordt voor gezorgd. Hoeveel te meer dan voor jullie, mensen, kroon van de schepping? En later, met het oog op de mussen, kleine, onooglijke vogeltjes: daar wordt naar omgezien, hoeveel te meer dan voor jullie, klein gelovigen? Als het dan zo al gaat in een huisgezin, met vader en moeders die niet volmaakt zijn, hoeveel te meer zal uw Vader in de hemel het goede geven aan hen die Hem daarom bidden.

God als Vader….Met zo iemand hebben wij van doen, omdat Hij met ons van doen wil hebben. Onze ouderlijke zorg kan zelfs niet in de schaduw staan van Gods Vaderzorg. Ik probeer daar verder over na te denken, maar het gaat mij al gauw duizelen. Ik ben opgegroeid in een harmonisch gezin, met ouders zoals ik ze niet beter zou kunnen wensen. Nu ze er niet meer zijn, denk ik vaak: heb ik wel genoeg laten blijken hoeveel ik van hen hield, hoeveel bewondering ik hen voor hen had? Niks was te veel. Niet dat we verwend werden – gelukkig niet – maar het was gewoon meer dan goed.
Ik weet best dat zoveel anderen onderweg, in hun groei naar volwassenheid, averij, deuken en barsten hebben opgelopen. Dat raak je nooit meer kwijt. Je draagt het met je mee, levenslang. Ik vergeet nooit het levensverhaal van iemand die mijn vriend is geworden. Op een zondagavond liep hij met de moed van de hoop, met de moed van de wanhoop, de kerk binnen en zat hij als een verstekeling ergens achterin. Nooit echt bemind, nooit werkelijk aanvaard door zijn vader, inmiddels al lang gestorven. Maar het spookte allemaal nog na en door in zijn gehavende bestaan. Het eerste lied dat gezongen werd, was dat vers uit Psalm 103, ‘Zoals een Vader liefdevol Zijn armen, slaat om Zijn kind, omringt ons met erbarmen, God onze Vader, want wij zijn van Hem…’. Wat gebeurt er dan? je kunt gillend weglopen omdat het verleden je opnieuw naar de keel grijpt. Of het wonder valt je toe, omdat je toevallig daar bent, en met horten en stoten zing je mee, laat je jou mee zingen, en besef je dat het heil, de heel making je als genadegave wordt aangereikt.

Tussen Scylla en Charybdis. De ene klip, steile rots is dat je je blind staart op wat je gekregen hebt, op wat je zocht maar nooit vond, op de deur die nooit open ging. Pijn, hartzeer, gemis. Niet toedekken. Niet doen alsof er niets aan de hand is. Ook dat is levensgevaarlijk. In die zeestraat, daar in Griekenland, moeten de schepelingen niet blind gaan varen. Dan gebeuren er zeker ongelukken. Die andere klip, als zou God in alles voorzien wat wij bedenken. Ook dan was de chaos niet te overzien. In de woorden die volgen op het stukje dat wij gelezen hebben gaat het over: ‘ingaan door de enge poort’. Ook door de enge poort tussen die beide klippen door. De enge poort van het Vaderschap van God, ten diepste onthuld in de lijdensweg die de Zoon ging. We krijgen lang niet alles wat op ons verlanglijstje staat, maar wat meer dan nodig is om in vrede te leven en, als de tijd daar is, met verwachting heen te gaan.

Ik kan het niet beter zeggen dan met de woorden van een gedicht van Geert Boogaard. Hij schreef erboven: ‘Immanuel’. En dan:

‘Wanneer het niet waar is / dat er iemand in de wereld is gekomen / die de Naam draagt: / Immanuel / kan niemand leven.

Ik kan niet leven tussen berichten / als er geen bericht is van Hem / niet tussen haat / als er niet gezegd wordt / alzo lief heeft God de wereld gehad (….)’

En even verder:

‘Mijn jongen studeert / en mijn dochter wil kleuterleidster worden. / Soms denk ik: waarvoor? / Waarvoor moet je namen van bloemen leren / en waarvoor moet je leren boetseren met klei?

We gaan in de wildernis / en weldra verliest alle ding zijn naam. / Maar ik zeg tegen mijn jongen: studeer / en tegen mijn dochter: studeer maar / je doet het nooit voor niets / je doet het voor een koninkrijk / dat komt / voor een woestijn die bloeien zal / als een roos / en voor een wereld die nieuw wordt / onder Zijn handen …’.

En dan het slot, nadat Anne Frank is genoemd en zoveel anderen, in de bloei van hun leven vergaan:

‘Hun zuchten is gehoord / al hun geschrei / hun tranen zijn begrepen / verstaan is hun laatste snik. / En het  antwoord was al gegeven: / Immanuel. / In deze naam moet alles worden meegedacht’.

Amen

Matthéüs 11: 25-30 tekst: 28

Komt tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven; neemt mijn juk op u en leert van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart, en gij zult rust vinden voor uw zielen

Gehouden op
*zondagmorgen 20 januari 2008 in Beekbergen
Bijbellezing OT Ezra 6: 3-5; NT Matthéüs 11: 25-30
*zondagmorgen 29 juni 2008 in Enter
Bijbellezing OT Jesaja 55: 1-2; NT Matthéüs. 2: 28-30
*zondagmorgen 13 februari 2013 in Welsum
Bijbellezing OT Jesaja 55: 1-3; NT Matthéüs 11: 28-30

Ik heb een plaatje gezocht bij deze bekende Bijbeltekst. Een man op een fiets, met een grote bos takken en andere dingen op zijn bagagedrager. ‘Lastdrager’ staat er onder. Ik had ook een foto mee kunnen nemen van vrouwen in Ethiopië, uren lang lopend in de brandend hete zon, met enorme lasten op de schouders takken, zakken met meel, balen hooi en zoveel meer. Een vergroeide rug. Als ze niets dragen, lopen ze nog krom.
Vermoeid en belast… Geldt dat alleen mensen ver weg? De buitenkant, het lichaam kun je fotograferen, maar hoe zit het met de binnenkant, je geest, je psychische gestel? Voor talloze mensen is de draaglast, wat het ook moge zijn, groter dan de draagkracht.
Een stem zegt: ‘Komt tot Mij, allen, vermoeid en belast zijt…’ Zo’n geluid klonk en klinkt vaker. Op het veld van de commercie, de markt van vraag en aanbod, van de politiek met programma’s waarin bijna een hemel op aarde wordt beloofd, van de godsdienst, de religie, met allerlei profetische figuren en goeroeachtige gestalten. Komt allen en u zult wat beleven…! Vanwege alle teleurstellingen en frustraties op die markten van welzijn en geluk, is het moeilijk om onbevangen te luisteren naar zo’n Bijbeltekst, die we bovendien van buiten kennen, en ook dat is niet altijd een voordeel.
Ik ga in de leer bij een voorganger in het luisteren. Ik heb zoveel leermeesters, aan wie ik met groot respect, ook niet zonder heimwee, terugdenk. Ik denk zo vaak: kon ik nog maar even met u praten; wat zou u zeggen met het oog op…?
Een man die ik nooit zal vergeten, is professor J.M. Hasselaar, overleden in 1992. Uiterst bescheiden, ook ietwat schuchter. Hij zei nooit een woord te veel. Het was altijd raak. Hij had een spraakgebrek, waardoor hij des te zorgvuldiger zijn woorden koos. Na college draaide hij vaak een shaggie – Unic, ik weet het merk nog! – en praatte met ons, uit oprechte belangstelling. Hasselaar tekent bij deze Bijbeltekst aan: ‘Jezus zegt wat in laatste ernst alleen aan God voorbehouden is’. Een schot in de roos! De Meester had ook kunnen zeggen: komt in Mijn leerhuis en bezint u met Mij op de geboden en beloften van God. Dan was hij een rabbi geweest, zoals er velen waren. Hij had ook de rol van een goeroe, een spirituele gids kunnen kiezen om met jou onder te duiken in de diepzee van je eigen bestaan, in de hoop daar allerlei parels te vinden. Dan was Jezus, hoe dan ook, een van ons. Een aantal steken dieper, een stel sporten hoger levend, maar toch… een van ons.
Nu zegt Hij wat alleen de Hoog-Heilige, God, alleen vermag te zeggen. Ik denk aan twee teksten van Jesaja: ‘Komt en laat ons tezamen richten, zegt de HEER’ (1: 18). En: ‘O, alle gij dorstigen, komt tot de wateren, en gij, die geen geld hebt, komt, koopt en eet…’(55: 1). In deze Ene, Jezus, hebben we dus met God zelf te maken. Ook het voorgaande vers spreekt in dit verband duidelijke taal: ‘Alle dingen zijn Mij overgegeven door de Vader en niemand kent de Zoon dan de Vader, en niemand kent de Vader dan de Zoon en wie de Zoon het wil openbaren’. Die geluiden klinken alom in het Nieuwe Testament. Hasselaar raakt de kern van de Zaak: ‘Jezus zegt wat in laatste ernst alleen aan God voorbehouden is’.
‘Komt tot Mij…!’ Voor de Joden, terecht zo gehecht aan de enigheid van God, een ergernis. De geloofsbelijdenis van Israël was en is: ‘Hoor, Israël, de HERE is onze God, de HERE is een’ (Deuteronomium 6: 4). Daarover gaan ook telkens de twistgesprekken, uitmondend in de beschuldiging van Gods laster: Hij stelt zichzelf gelijk met God! Over die ergernis lezen we ook aan het begin van hoofdstuk 11, het antwoord aan Johannes de Doper: ‘Zalig is wie aan Mij geen aanstoot neemt’ (11: 6). Aanstoot nemen! Hetzelfde werkwoord als: je ergeren!
Ineens gaan allerlei andere Bijbelse akkoorden meeklinken. De apostel Paulus schrijft in zijn eerste brief aan de Korintiërs: ‘voor Joden een aanstoot, voor heidenen een dwaasheid’ (1: 23). Heidenen worden ook aangeduid met ‘Grieken’. Alle weldenkende mensen buiten Israël. Als je dat door vertaalt naar nu, mag je ook zeggen: ‘het humanistisch levensgevoel’.
We leven, althans in het Westen, in een cultuur, waarin alles moet kunnen. Op de wijze van mensen in een supermarkt of bij een lopend buffet. We stellen ons eigen levenspakket samen, ook in godsdienstig opzicht. Het moet allemaal goed voelen. Waar is wat voor jou van waarde is. Begrijp me goed: ik zou niet graag willen dat een paar leiders, inclusief kerkelijke leiders, het rantsoen voor ons samenstellen op de wijze van: slikken of stikken! Een dictatuur, vooral een geestelijke dictatuur, is wel het ergste wat er is. Maar deze vrijpostigheid, vrijblijvendheid in de supermarkt van het leven, bij het lopend buffet van ons bestaan, staat op gespannen voet met deze stem van Godswege: ‘Komt tot Mij!’
Je kunt nooit slordig met de waarheid omgaan. Dan pleeg je verraad aan alles en allen. Betekent dit dat wij, christenen, nader bepaald: protestanten, nog nader: Hervormden, nog weer nader: van orthodoxe, van confessionele signatuur, betekent dit dat wij goed zitten, het dichtst bij de waarheid zijn? De waarheid wordt nooit een bezit van ons, maar blijft altijd een Persoon buiten ons: deze Jezus, in wie God Zelf ons tegemoet komt. Joden en Grieken, Moslims en Hindoes, Boeddhisten, dichter bij huis: Oud-Gereformeerden, Links-Vrijzinnigen, Pinksterkringen, worden geroepen door en tot deze Ene. Dat strookt niet met onze levensfilosofie, maar deze Jezus zegt wel dat al het heil in Hem besloten is. Van tweeën een: het is de grootste waanzin, godsdienstwaanzin, of het is de diepste waarheid. Wie zichzelf gaat verheffen boven anderen, wie zich iets verbeeldt, toont daardoor dat hij of zij er vrijwel niets van begrepen heeft. Ja, misschien wel begrepen met je hoofd, maar niet verstaan met je hard, met het klokhuis van je bestaan.
Wie zullen deze roepstem, dit Evangelie als eersten verstaan? Niet de geslaagden, niet zij die het allemaal gemaakt hebben, wat dit ‘het’ ook moge zijn, maar allen die vermoeid en belast zijn. Dat volkje ziet er anders uit, zit anders in elkaar dan met de neus omhoog, de duimen achter het vest.
Vermoeid en belast. Met dit plaatje zijn we begonnen. Je ziet deze lastdrager op de rug. Ik probeer zijn gezicht ook te zien. Eerst het gezicht van mensen tot wie Jezus daar en toen sprak. Het zijn de scharen, zo u wilt: de familie Doorsnee, van Joodse huize. Even eerder, in hoofdstuk 9, lezen we: ‘Toen Jezus de scharen zag, werd Hij met ontferming over hen bewogen, omdat zij voortgejaagd en afgemat waren, als schapen die geen herder hebben’ (vers 36). Wel leiders, ook godsdienstige leiders, maar geen herders. Mensen gingen gebukt onder een veelheid van geboden en verboden. Met de geboden van God is niets mis. Integendeel! Ze zijn, zo schrijft de apostel Paulus, heilig en goed. Maar zodra de schriftgeleerden er de hand op leggen, er een sluitend systeem van maken, gaat het mis. In plaats van een staf om te gaan, worden de geboden een stok om te slaan. Het systeem was daar en toen doorgerekend tot 613 punten. Daar moest je aan voldoen, wilde het nog iets worden tussen God en jou. Tel uit je winst, dat wil zeggen: je verlies. De kans dat je onderweg onderuit gaat, is levensgroot. Er waren ook zogenaamde vrije groepen, maar die waren bij nader inzien niet zo vrij. Je mocht alles zeggen, alles denken, mits je – in wielrenners termen – bij het peloton bleef. Als achterblijver was je vrijwel niets, bijna niemand meer, maar lastdrager bleef je.
‘Komt tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijt …!’ Ik probeer het plaatje – in computertaal – te ‘updaten’ naar hier en nu. Aan het begin zei ik al: de buitenkant, het lichaam, kan je fotograferen, maar hoe zit het met de binnenkant, je geest, je psychische gestel? Ik noem nog een kanttekening van professor Hasselaar bij deze tekst. Hij schrijft: ‘Velen zijn moe, omdat de angel van teleurstelling en verbittering hun leven vergiftigd heeft’.
De angel van teleurstelling…! Ik zie dat voor me, in groter en kleiner verband. De grote politieke systemen – socialisme, communisme, liberalisme – hebben niet gebracht wat ze beloofden. Eerder het tegendeel. Ooit schreef iemand – de Engelse filosoof Karl Popper -: De poging de hemel op aarde te verwezenlijken, heeft altijd weer geleid tot de hel’. Teleurstelling slaat zomaar door naar verbittering en dan is de stap naar fanatiek gedoe met de moed van de wanhoop niet ver meer.
De angel van teleurstelling en verbittering… Dat gebeurt ook in kleiner verband. De draaglast groter dan de draagkracht. Met alle psychische gevolgen van dien: overspannen, depressief, opgebrand. Mensen in de hulpverlening kunnen de wachtlijsten niet aan.
‘Komt tot Mij, alles, die vermoeid en belast zijt…!’ Komen, hoe dan? Door het Evangelie, de boodschap van Gods vreemde vrijspraak, ter harte en ter hand te nemen. Door te laten gelden, ondanks alles en door alles heen: ik ben aanvaard, ik word bemind, ik mag er zijn, met al mijn deuken en wonden, lekken en brekken, schrammen en scheuren, om Christus’ wil. Dat is een ander juk, een andere last. Van de vergeving, van de verzoening, van de ontferming, van de hand, de doorboorde hand van Christus, die op je schouder rust geven. Dat juk is zacht. Die last is licht. Al doende, zegt de HEER, zal Ik u rust geven.
Rust betekent in de Bijbel dat je tot je doel, tot je bestemming komt. De rustdag is de dag die alles weer in het goeie verband, in het juiste perspectief zet. Het kan niet toevallig zijn dat het hierna, aan het begin van hoofdstuk 12, over de rustdag gaat, over de rustdag gaat, uitmondend in: de Zoon des mensen is heer over de sabbat! De HEER God doet het eigenlijke werk, legt een vlonder onder jouw bestaan, en Hij zal dat werk tot een goed, einde brengen.
Lastdrager! Ik vond een gebed van de kerkvader Augustinus. Hij leefde van 354 tot 430. Daarmee wil ik besluiten:

‘Gij zijt begonnen mij anders te maken.
En Gij weet hoever Gij al met die verandering gevorderd zijt.
Gij die, om te beginnen, mij genezen hebt
van mijn zucht naar zelfrechtvaardiging,
tegenover al mijn andere ongerechtigheden.
Gij die mijn kwalen heelt
en mijn leven bevrijdt uit het verderf
en mij omkranst met medelijden
en barmhartigheid
en mijn verlangen verzadigt met goede gaven.
Gij die mijn hoogmoed kleingekregen hebt
door ontzag voor U
en mijn nek gedwee gemaakt hebt voor uw juk.
En nu draag ik dat juk
en het is zacht voor mij,
omdat Gij het zo beloofd en gemaakt hebt.
Het was dat al eerder, ongetwijfeld,
maar ik wist het niet,
toen ik nog bang was om het op mij te nemen.

Amen

===   ===   ===

Mattheüs 13: 24-35
Gehouden op

*Zondag 18 juli 1999, 10.00 uur te Beekbergen
Bijbellezing: OT Psalm 78: 1-4; NT Mattheüs 13: 24-35

Een gelijkenis! Onze eerste en misschien wel enige gedachte is: een verhaal, een verhaaltje dat je tussen twee slokken thee wel door hebt. In de Bijbel staan, naar ons besef, echt moeilijke stukken. De brieven van Paulus bijvoorbeeld of de openbaring aan Johannes, met al die wonderlijke beelden en visioenen. Daarmee vergeleken is een gelijkenis toch vrij simpel, glashelder?
Ik ga niet moeilijk doen, want het leven, de wereld in onszelf en om ons heen, is al moeilijk genoeg. Ik lees zorgvuldig wat hier staat. Met het oog op deze gelijkenis over het onkruid tussen de tarwe en met het oog op de twee andere gelijkenissen die daarop volgen – over het mosterdzaad en de zuurdesem – wordt een woord, ontleend aan Psalm, aangehaald, dat de diepgang en de strekking van een gelijkenis aanduidt: ‘Ik zal mijn mond opendoen met gelijkenissen. Ik zal verkondigen wat sinds de grondlegging der wereld verborgen is gebleven’.
Een gelijkenis brengt dus naar boven en naar buiten wat sinds de schepping van de wereld niet klip en klaar voor het grijpen, ook niet voor het begrijpen ligt. Een gelijkenis onthult het diepste geheim dat God enerzijds, de mensen, de dieren, de dingen anderzijds, samenbindt.

Dat kan nooit een verhaal op de wijze van een verhaaltje zijn. Het is geen theelectuur, maar stevige kost, waarbij je alles wat je in huis hebt, moet mobiliseren. Daarom klinken telkens de woorden: ‘Wie oren heeft, die hore!’
Ik ga weer – met dat prachtige beeld van Luther – kloppen op de deur van de woorden, in de hoop dat we binnengelaten worden en dat het wonder gebeurt waarvan Psalm 27 zingt: ‘Hier weidt mijn ziel met een verwonderd oog, aanschouwende hoe schoon en zuiver is, zijn licht, verlichtende de duisternis’. Ter wille van de duidelijkheid richt ik mij op drie punten, drie kernwoorden: het onkruid, het ongeduld en de oogst.

Er is een rechtmatige Eigenaar, wiens akker de wereld, dus ook het leven van mensen, is. Hij heeft goed zaad gezaaid in Zijn akker. Met dat zaad is dus niets mis. Maar dan gebeurt er iets, te gek voor woorden. Zo gek, dat het vooraf niet te voorspellen en achteraf niet te verklaren is.
‘Terwijl de mensen sliepen, kwam zijn vijand en zaaide er onkruid overheen, midden tussen het koren en ging weg’. De vijand, de tegenstander, de spelbreker, de gifmenger, de aartsknoeier. Je kunt hem nooit op heterdaad betrappen, je krijgt hem nooit duidelijk in beeld. Het kwade heeft nooit iemand gedaan, die zich verantwoordelijk stelt op de wijze van: hier ben ik! De dader is altijd weg, opgelost in de duisternis. Wat achter – en overblijft is de vrucht van die duistere vijand en de verbijstering van hen die weet hebben van de echte Eigenaar en Zijn goede werk: ‘Heer, hebt gij niet goed zaad in uw akker gezaaid? Hoe komt hij dan aan onkruid?’
Het weerwoord is geen antwoord dat sluit als een bus. ‘Dat heeft een vijandig mens gedaan!’ Vijand, een vijandig mens! Ook als je dat duistere heerschap een naam geeft, zoals ‘duivel’ of ‘satan’, dan nog krijg je geen duidelijk gezicht. In de loop van de eeuwen zijn er allerlei theorieën opgesteld om deze duisternis, hoe dan ook, op te klaren. Een collega uit Woerden, dr. Ton van der Hoeven, heeft er onlangs een proefschrift aan gewijd, met de titel: ‘Het imago dan satan’, maar het ‘fijne’ – als je dat zo noemen mag – weet niemand.
Er wordt voor dat onkruid een woord gebruikt, dat je niet helemaal kunt thuisbrengen. Je kunt het – in de termen van de plantkunde – niet determineren. Ook dat kan geen toeval zijn. Het wordt aangeduid met ‘dolik’ of ‘zwarte tarwe’. Het lijkt bedrieglijk veel, althans bij het opgroeien, op goede tarwe, maar gaandeweg zie je het verschil. Het is spul met een breed vertakt wortelgestel. Vandaar de ellende bij het uittrekken, maar dat komt straks nog, bij het tweede kernwoord: ongeduld. Onkruid! Er is al veel gewonnen als we de verbijstering, het verdriet, het hartzeer niet kwijtraken. Wie de pijn van het onkruid verliest, weet niet meer dat er een Eigenaar is, die het goede met Zijn akker voorheeft, die ook zorg draagt voor de oogst. Het verlies van pijn is het allerergste. Dan nemen we het kwade op de koop toe, omdat de werkelijkheid nou eenmaal niet anders is.
Elie Wiesel, een overlevende van Auschwitz, die ik vorige week noemde in verband met de sabbat, heeft onderstreept dat het tegendeel van liefde niet de haat is, maar de onverschilligheid. Dan ben je, net als die vijand, ook al weg, opgelost in de duisternis. Pijn, verdriet, hartzeer, verbijstering met het oog op de toestand van je eigen levensakker, de akker van de kerk, de akker van de politiek, de akker van de wereld, waar het onkruid welig tiert.

Kloppen op de deur van de woorden. Het tweede punt is het kernwoord ongeduld. Een voor de hand liggende reactie van de dienaren: ‘Wilt gij dan, dat wij het onkruid bijeenhalen?’ En het weerwoord van de Eigenaar: ‘Neen, want bij het bijeenhalen van het onkruid zoudt ge tevens het koren kunnen uittrekken. Laat beide samen opgroeien tot de oogst’.
Betekent dit dat de dienaren alleen maar lijdelijk toezien en eigenlijk wel kunnen gaan slapen? Nee, maar er is en blijft een verschil, van ons uit gezien: zelfs hemelsbreed, tussen Hem, die de Eigenaar is, en ons, die als een genadegave Zijn dienaren mogen zijn. Het laatste oordeel komt ons niet toe en daarom is iedere vorm van fanatisme uit den Boze. In geval van fanatisme komt de vijand, dat vijandige mens, weer terug, vermomd in de kleren van de zogenaamde dienaren. Het Koninkrijk van God is nog niet gekomen. Het is aanwezig op de wijze van het goede zaad, vooral op de wijze van Hem, die Zelf de weg ging van het tarwegraan, maar de voleinding staat nog uit. De geschiedenis in het algemeen, de kerkgeschiedenis in het bijzonder, is een sprekend commentaar bij deze waarschuwende woorden. Ongeduld leidt zomaar tot fanatisme en dan zijn de brandstapels nooit ver uit de buurt.

Er waren en zijn kerken die zo zuiver willen zijn dat er eigenlijk geen verschil meer is met de voleinding, het Koninkrijk van God. Dan worden de zuiveringen tot een repeterende breuk. Eerst worden de boeken van de anderen, de andersdenkende verbrand en daarna die mensen zelf. En wat de wereldgeschiedenis betreft: niet zo lang geleden was hier sprake van het Derde Rijk dat volgens de Führer en zijn dienaren vrijwel samenviel met het Rijk van God.

Joden, zigeuners, homoseksuelen en talloze anderen werden getypeerd als onkruid, dat uitgeroeid, ‘ausradiert’, moest worden. Soortgelijke dingen gebeuren op ’t ogenblik ook in Iran, waar de geestelijke leiders vrijwel goddelijk gezag hebben, ten koste van zo velen. Het komt allemaal voort uit het ongeduld, als zou onze zaak samenvallen met de Zaak van God.
‘Laat beide opgroeien tot de oogst’, zegt de Eigenaar, daarmee neemt Hij ongehoord veel risico. Het kwade kan voortwoekeren, krijgt, hoe dan ook, de tijd. Het teert als een parasiet op de genadetijd, die allen, goeden en kwaden, vergund, toegemeten is. We zullen er tot aan de oogst last van hebben. De genadetijd heeft dan ook in velerlei opzicht het karakter van een lijdenstijd. Nog eens die vraag: zijn we dan niet geroepen om het kwaad te bestrijden? Jazeker, de Bijbel is er vol van. Maar onze strijd zal altijd die van dienaren zijn, die enige hand- en spandiensten verrichten voor de Eigenaar. Het zal ons niet lukken om de akker van ons leven, de akker van de kerk, de akker van de wereld onkruidvrij te maken. We mogen doen wat in ons vermogen ligt, wetend dat we dienaren zijn, geen. Eigenaar, wetend dat ons inzicht in vrijwel alles wat met dit leven samenhangt, uitermate beperkt is. Anders gezegd, met de woorden van de Heidelbergse Catechismus: ‘ook onze beste werken zijn in dit leven alle onvolmaakt en met zonde bevlekt’.

Kloppen op de deur van de woorden. Onkruid tussen de echte tarwe. Het ongeduld van de dienaren, terechtgewezen door de Eigenaar. En nu het laatste punt, het derde kernwoord: de oogsttijd.
In deze verwachting ruist zowel de mateloze troost als de ongekende ernst van het Evangelie. ‘In de oogsttijd zal Ik tot de maaiers zeggen: haalt eerst het onkruid bij een en bindt het in bossen om het te verbranden, maar brengt het koren bijeen in mijn schuur’.
Er is een laatste oordeel, een definitieve scheiding tussen goed en kwaad. Dat is de troost van het Evangelie. De geschiedenis verloopt niet in het wilde weg, zo dat het eigenlijk niet zou uitmaken wie je bent of wat je doet. Er is een einde, die een voleinding is. Ware dat niet zo, dan zou alle inspanning, alle liefde, alle worsteling voor het waarheid en tegen de leugen, voor het recht en tegen het onrecht, voor het leven en tegen de dood, tevergeefs, want: lood om oud ijzer zijn. Om een woord van professor Kuitert aan te halen, een woord dat mij wel uit het hart gegrepen is: ‘De beul zal niet voor eeuwig een voorsprong hebben op zijn slachtoffer’. Anders gezegd: alleen als er een laatste gericht is, heeft alles werkelijk, wezenlijk gewicht.

Wie zal in deze uiteindelijke schifting dan geen onkruid bevonden worden? Dat is de ernst van het Evangelie. Wie de Schrift aandachtig leest, wordt niet in het ongewisse gelaten. Alleen Jezus Christus, Zijn volbrachte werk, is onze troost en onze hoop. Het geknakte riet zal Hij niet voorgoed verbreken en de walmende vlaspit zal Hij niet voorgoed uitdoven. Om in het beeld van het zaad te blijven, hoewel de werkelijkheid uit het beeld barst: als de Eigenaar van de akker, als de Zaaier bij uitnemendheid, liet Hij Zichzelf zaaien, ging Hij zelf de weg van het Zaad, opdat alle andere zaailingen geen onkruid bevonden zouden worden.
Buiten, los van Hem, is er geen toekomst, geen leven, geen hoop, geen vrijspraak in het uiteindelijk gericht. Verbonden met Hem is er leven, leven dat niet vergaat, eeuwig leven. Je kunt het beter zingen dan zeggen. Het gaat immers om geheimen die sinds de grondlegging der wereld verborgen zijn gebleven. Daarom zingen we:

‘God van zegen / onzentwege / hebt G’ uw Zoon gezaaid; / en het zaad werk wakker: / op de wereldakker / wordt met vreugd gemaaid.

Ach, wij smeken: / in dit teken, / Heer, maak ons gewis, / dat Gij ons zult schenken / boven alle denken / wat ons nodig is.’

Amen

===   ===   ===

Mattheüs 14 : 22-33

Gehouden op
*Zondag 27 februari 1977 9.30 uur te Oosthem
Bijbellezing: Mattheüs 14 : 22-33

*Zondag 13 augustus 1987 te Ellecom/De Steeg
Bijbellezing: Jesaja 51: 9-11; Mattheüs 14: 22-33
*Zondag 12 februari 1984 te Hellendoorn
Bijbellezing: Jesaja 51: 9-11; Mattheüs 14: 22-33

In ieder brokje van de Bijbel klopt het hart van het geheel, dat tegelijk het hart van God is. Wie het hoort, wordt gaandeweg geboeid en gezegend. Dat hart klopt ook in de geschiedenis die we gelezen hebben: sprakeloze discipelen en een sprekende Heer op het meer van Galilea.
Om dichter bij dit geheim te komen, heb ik gezocht naar een woord dat door al die woorden heen ruist. Het Woordje: geloof. Nader aangeduid: geloof bij de gratie Gods!
Ik kan mij voorstellen dat u niet direct op het puntje van de stoel gaat zitten. Misschien denkt u wel: Ja, hallo, waar zou het in de kerk anders om gaan. Ik vraag u op voorhand enig geduld, enig krediet. Het zou kunnen zijn dat dit overbekende, misschien wel ietwat versleten woordje ‘geloof’ een nieuwe klank, een nieuwe kracht en kleur krijgt als je het tegen het licht van dit Bijbelgedeelte houdt.
Naar oude gewoonte maak ik een indeling in drieën. Het zijn handwijzers om dichterbij te komen. Het gaat over de omstandigheden, waarin het geloof beoefend wordt; En verder: over de oorsprong van het geloof, waar het vandaan komt; Ten slotte over het uitzicht, waarop het is gericht.
Daar gaan we dan. Mijn ervaring is: als Alice in wonderland. We hebben gebeden dat die ervaring aanstekelijk mag werken. Dat heb ik trouwens niet in de hand. Daarom bidden we erom: een geschenk van Hogerhand, het magnetische veld van de Heilige Geest, een is: Gods verrassende aanwezigheid.

De omstandigheden waarin je als gelovige verkeert. Die komen hier duidelijk in beeld. Op het meer van Galilea – ook wel de zee van Tiberias ofwel het meer Gennesareth genoemd – tobt een aantal mensen, discipelen van Jezus. Het scheepje waarin zij zich bevinden wordt geteisterd door de golven, opgenomen en weer neergekwakt. Het is noodweer! Dat meer, die zee, is voor een deel omringd door bergen, vooral de hoogvlakte van Golan, omstreden gebied tussen Israel en Syrië. Door hoog en laag ontstaan grote verschillen in luchtdruk, waardoor een rustige zee in korte tijd kan veranderen in een heksenketel. De valwinden wakkeren zomaar aan tot een razende storm. Discipelen, kleine, kwetsbare mensen uit de kring van deze Meester, vele stadiën – een stadie is een kleine 200 meter – van het land verwijderd.
Zo zijn de omstandigheden, waarin je als gelovige verkeert. Wat hier verhaald wordt, is meer regel dan uitzondering. De perioden waarin de gelovigen de luwte, windstille plekken hebben gezocht en daar bleven hangen, zijn niet de beste tijden geweest.

In dit verband is ook het korte regeltje, waarmee de geschiedenis begint, veelzeggend: ‘En terstond dwong Hij Zijn discipelen in het schip te gaan en Hem vooruit te varen’. De kring van de discipelen wordt gedwongen om te midden van de gevaren te zijn, in nacht en stormgebruis. In deze omstandigheden bevindt zich de gemeente van Christus en verkeert iedere gelovige. Voortdurend bedreigd door machten, die ons te groot zijn, waartegen we niet zijn opgewassen. De zee, dat is in de Bijbel de macht van de chaos. Als je dat doorvertaalt, dan betekent het ook: de macht van ziekte en zorgen, van eenzaamheid en verdriet, van het domme geweld en de harteloze haat; van de macht die lichamen – tempels van de Heilige Geest! – ruïneren en harten leegzuigen en volstoppen met angst en onrust, tot de dood erop volgt. Zo, daarin wordt het geloof bij de gratie Gods beoefend.
Voordat we naar het tweede punt van aandacht overgaan: er is nog een omstandigheid, die we zomaar over het hoofd zien. Intussen wordt voor ons gebeden! Ik lees weer wat er staat: ‘En toen Hij de scharen weggezonden had, ging Hij de berg op om in de eenzaamheid te bidden’. Anders gezegd, zoals we elders in het Evangelie lezen: ‘Simon, Simon’ – en vul je eigen naam maar in! – ‘de satan heeft geprobeerd en poogt nog steeds u te ziften als de tarwe, maar Ik heb voor u gebeden dat uw geloof niet zou bezwijken’ (Luc. 22: 31-32).

Geloof bij de gratie Gods! Omstandigheden. Waar ligt de oorsprong? Waar komt het vandaan? In deze omstandigheden, storm en ontij, komt Hij die voor de Zijnen bidt. Dat, beter nog: Hem hadden ze niet verwacht! In de vierde nachtwake, ’s morgens tussen 3 en 6 uur, kwam Hij tot hen, gaande over de zee. Toen de discipelen Hem zagen, werden zij verbijsterd en zeiden: het is een spook! En zij schreeuwen van vrees! Vergeten waren de oude woorden, die in de beslotenheid van de tempel dapper en daverend gezongen waren. Zoals die van Psalm 65: ‘Gij, die de bergen vastzet door Uw kracht, (…) die het bruisen van de zeeën doet bedaren, het bruisen van haar golven en het rumoer van de natiën’. Of die van Psalm 93: ‘Stromen verheffen, o HERE, stromen verheffen hun stem, stromen verheffen hun bruisen; boven de stemmen van vele wateren, van de geweldige baren van de zee, is de HERE, geweldig in den hoge’.
Maar als de nood aan de man komt, dan wordt er alleen nog maar geschreeuwd van vrees. Als de oude beloften waar blijken te zijn, dan krijsen ze: een spook, een spook! Waar komt het geloof vandaan? Waar rust het op? Door het loeien van de storm klinkt een roepstem: de stem van Hem, wiens gebed ons draagt, wiens belofte ons bemoedigt: ‘Houdt moed! Ik ben het, weest niet bevreesd!’ Wij zijn geneigd om te zeggen: ja, ja, maar laat eerst die storm even bedaren, want anders zijn en blijven we doodsbenauwd! Maar de Meester wil ons leren wat geloof is. Hij roept ons uit onze laatste schuilplaatsen vandaan, opdat we op niets, op niemand anders zouden vertrouwen dan op Hem alleen. Hij roept ons zelfs overboord! Alleen zo zullen we grondig van onze vrees bevrijd worden.
En Hij zei tot Petrus: ‘Kom!’ En Petrus ging uit het schip en ….liep over het water. Dat kan niet, zeggen wij. Wij rekenen met ons verstand, maar een mens bestaat uit meer dan zijn verstand alleen. Wat hier verteld wordt, betekent: boven een peilloos diepe afgrond worden we vastgehouden; alle steunpunten zijn ons ontvallen, geen centimeter vaste grond onder de voeten om op te staan, en toch worden we niet verzwolgen!

Daar en zo ligt de oorsprong van het geloof bij de gratie Gods. Het berust op Hem, die voor ons bidt en die ons tegemoet komt met Zijn belofte: ‘Houdt moed! Ik ben het! Weest niet bevreesd!’ Die belofte heeft als keerzijde, op de wijze van hol en bol, een gebod: ‘Kom!’
Door de eeuwen heen hebben mensen, met vallen en opstaan, geleerd om te geloven. Het wordt geleerd tot op de dag van vandaag. Te midden van alle machten die ons hart benauwen, die ons soms, vaak de adem snoeren, zodat er alleen nog maar een kreet, een zucht wordt uitgeperst, brengt de Heilige Geest de stem over van Hem die gezegd heeft en blijft zeggen: ‘Houdt moed! Ik ben het, weest niet bevreesd!’ In de chaos, in het woeden van de elementen, houd Ik u vast, en daarom: ‘Kom!’ En zie, er blijkt een weg te zijn, waarop mensen gaan en staan. Ieder zou zeggen: geen grond onder de voeten, maar toch…! Een belofte en een gebod. Daar ligt de oorsprong van het geloof bij de gratie Gods. Zo ontstaat, zo bestaat het.

Omstandigheden… Oorsprong… Een laatste aandachtspunt: waar is het geloof op gericht? Het is op Hem gericht, op Wie het ook berust. Daarom wordt Hij, Jezus Christus, in de Hebreeënbrief ook de leidsman en voleinder van het geloof genoemd (12: 2). Als we niet met hart en ziel en handen op Hem gericht zijn, één en al oog en oor voor Hem, dan zijn we nergens meer. Ook die lijn tekent zich duidelijk af in deze geschiedenis. Petrus ging uit het schip, liep over het water, ging naar de Meester, die hem riep. Maar toen hij z’n ogen afwendde naar de wind en de golven, werd hij doodsbenauwd en begon te zinken. Ik vind dat zo aangrijpend en zo herkenbaar. Wie zijn blik richt op de omstandigheden, afgezien van de Heer Jezus Christus, die wordt door de omstandigheden vermorzeld en verzwolgen. Wij zijn niet opgewassen tegen de machten die in deze wereld heersen en die vrij spel lijken te hebben.

Ook niet tegen wat in onszelf speelt en spookt. Dit laatste wordt wel gesuggereerd door allerlei vormen van spiritualiteit, die alom worden aangeprezen te krijgen. In het oude avondmaalsformulier staat: ‘Wij zoeken de zaligheid, het behoud, buiten onszelf in Jezus Christus.’ Daarom wordt het Heilig Avondmaal aangericht, ook volgende week zondag in deze kerk, Deo Volente, bij leven en welzijn. De uitnodiging klinkt: ‘Komt nu, want alle dingen zijn gereed!’ Met de woorden van een dichter, Jaap Zijlstra: ‘Bij het zien / van al die brokjes / denk ik / het is vogelbrood. // Kom maar / postduif moe gevlogen, / kom maar / mussen uit de goot (….)’. Ik denk ook aan de woorden die in deze eeuwenoude kerk gezongen zijn en nog altijd klinken. Woorden, die onze macht te boven gaan. ‘Nu jaagt de dood geen angst meer aan…’. Of: ‘Geen vijand vrees ik…’.
Die woorden zijn nooit los verkrijgbaar. Losgemaakt van onze HEER en Heiland zijn die woorden gebakken lucht, doekjes voor het bloeden, praatjes voor de vaak. Maar geloof bij de gratie Gods is ook dit: in alles gericht zijn op Hem, wiens gebed ons draagt, wiens belofte ons bemoedigt, wiens gebod ons in beweging brengt.

Met het oog op Hem blijken de omstandigheden niet het laatste woord te hebben. Met het oog op Hem blijken de woorden die we zeggen en zingen vast en zeker te zijn omdat ze verankerd zijn in Hem. En als we Hem soms dreigen kwijt te raken, dan verliest Hij ons niet uit het oog. Hij is altijd op gehoorsafstand, zoals Hij was bij Petrus. Toen hij begon te zinken, schreeuwde hij: ‘HERE, red mij! Kyrie eleis! Terstond stak Jezus hem de hand toe, greep hem en zei: Klein gelovige, waarom ben je gaan twijfelen?’

Ten slotte, lieve gemeente, om alles nog eens samen te vatten: we zijn als gelovigen bij de gratie Gods en samen als gemeente van Christus onderweg. Storm en ontij worden ons niet bespaard. Maar we mogen weten, ook in al ons tobben en rondtollen, geschud en geslingerd van en naar alle kanten: er wordt voor ons gebeden, zelfs met onuitsprekelijke verzuchtingen. Hij die voor ons bidt, komt ons tegemoet met Zijn belofte: ‘Houdt goede moed, Ik ben het, weest niet bevreesd!’, en Zijn gebod: ‘Kom!’
Op Hem rust ons geloof. Hij gaat ons voor, totdat de storm en het ontij voorgoed voorbij zijn, wanneer het beloofde land, de nieuwe hemel en de nieuwe aarde bereikt zijn. Ook het Heilig Avondmaal wijst daarheen: voorsmaak van de voleindigde vreugde. Zo leren we de belijdenis, waarmee deze geschiedenis eindigt. Niet: er zal wel iets wezen, want dat kan zo meer kantelen tot: er zal wel niets wezen. Maar deze belijdenis: waarlijk, Gij zijt Gods Zoon, God in ons midden! Amen

===   ===   ===

Mattheüs 15: 21-28
Gehouden op
*Zondag 14 augustus 2005, 10.00 uur te Beekbergen
Bijbellezing: Jesaja 56 : 1-5; Mattheüs 15 : 21-28
*Zondag 11 september 2005, 18.30 uur te Rheden
Bijbellezing: Jesaja 56 : 1-5; Mattheüs 15 : 21-28
*Zondag 31 augustus 2008, 10.00 uur te Welsum
Bijbellezing: Jesaja 56 : 1-5; Mattheüs 15 : 21-28
*Zondag 26 oktober 2008, 9.00 en 10.30 uur te Ermelo
Bijbellezing: Jesaja 56 : 1-5; Mattheüs 15 : 21-28

Ellecom, 1979, met een uitloop naar 1980. Onze Heidi was ziek, echt ziek. Wij riepen de hulp in van onze huisarts, dokter Cretier in Dieren. Eerst telefonisch. Toen ik hem aan de lijn had, bleef het aan de andere kant alleen maar stil en even later werd de hoorn erop gelegd. Ik probeerde het nog een keer en de volgende dag opnieuw. Uiteindelijk hoorde ik hem zeggen: ‘als alle mensen in Dieren gezond zijn, heb ik misschien nog een gaatje voor dat volkje in Ellecom’. Ik nam dat niet, ik liet het er niet bij zitten. Ik ging naar Dieren, naar het huis van de dokter, tegenover het station. Ik werd opgewacht door vrienden van Cretier, die zeiden: ‘Loop toch niet te zeuren, man! Een mens meer of minder in Ellecom, dat maakt niet uit; en nu wegwezen!’ Na eindeloos veel moeite kwamen we toch in het ziekenhuis in Velp, bij de kinderarts dokter Wilton. Hij zei: ‘Velp is bijna stad, eigenlijk al Arnhem; voor boeren en buitenlui uit de omgeving heb ik geen tijd’. Daar moesten we het voorlopig mee doen.

Ik zie u denken. U vertrouwt het verhaal niet. Wat ik vertelde, is helemaal waar. Uitgezonderd die reactie van de huisarts – met de kring om hem heen – en van de kinderarts. Ze deden alles wat ze konden, zo mogelijk meer dan dat. Dokter Cretier is allang gestorven. Met dokter Wilton, die al jaren met pensioen is, heeft onze Heidi nog steeds contact. Ik verbuig de waarheid van ons verhaal, vlecht er fantasie doorheen, vreselijke dingen, om dichter bij dit Bijbelverhaal te komen. Dan lees je het niet alleen. Je beleeft het ook.

Ik probeer mij in te leven in die vrouw. Als man, als vader, heb je altijd een achterstand, tenminste van negen maanden, die je nooit in kunt halen. Haar naam wordt niet genoemd. Ze is een en al moeder. Ook gelovige bij de gratie Gods, maar daarover straks meer. Ze komt uit de omgeving van Tyrus en Sidon, kustplaatsen in wat nu Libanon heet. Koningin Izebel had daar haar bakermat. Bedenkelijke streek. In Mattheüs 11 worden Tyrus en Sidon in een adem genoemd met Sodom. Ook dat hoort niet fijn. Als het over kerk en geloof gaat, stel je er dan niet te veel van voor. Maar lees nu eens wat er staat! Ze blijft Jezus achtervolgen, tot ergernis van de discipelen. Al haar wanhoop, geladen met hoop, schreeuwt ze uit: ‘Ontferm u over mij, HERE, Zoon van David!’ Met andere woorden, in het Grieks, en dan hoor je niet alleen de klok luiden, maar je weet ook waar de klepel hangt: ‘Kyrie eleis!’ Het is een belijdenis die het hart van God raakt, die de eeuwen door in de kerk, in de kring rondom de Kurios, de HEER, opklinken. ‘Zoon van David’ is ook zo’n klokgelui vanuit de klepel, vanuit het hart. Die vrouw liep dus niet in het wilde weg naar de zoveelste goeroe, naar een of andere toverdokter, maar ze wist dat God Zelf in deze Ene adembenemend dichtbij was. Hoe wist ze dat, zo ver van het orthodoxe Jeruzalem, geboren en getogen in een streek vol godsdienstige hutspot? Je kunt allerlei vermoedens ventileren, maar het blijft ten diepste een geheim.

De Geest van God waait waarheen Hij wil. De eersten zijn de laatsten, wie nakomt, gaat voorop. Daar kom je dan, in een omgeving waarvan je denkt: kerkelijk mondjesmaat, misschien nog minder. Voorbeeld, weer heel dichtbij. Onze Wijnand wilde belijdenis doen. In het centrum van Amsterdam. Ik was ook doende in het orthodoxe, meelevende Beekbergen om met zo’n kring op weg te gaan. Na verloop van tijd vroeg ik aan Wijnand: ‘Met hoeveel mensen zijn jullie?’ Ik dacht: hij is misschien de enige. ‘Meer dan dertig, papa’, zei hij.
In die belijdenisdienst, in de Westerkerk, werd meer dan de helft van die kring ook gedoopt. Van huis uit randbewoners dus, zo u wilt buitenstaanders. Ik zat de hele dienst tegen mijn tranen te vechten, zó indrukwekkend was het. Wat een verrassing!
Ook zo’n vrouw, moeder van een doodziek kind. Alleen verrassing? De discipelen ergeren zich bont en blauw. Hun regeltjes van zo-zijn-onze-manieren kloppen niet meer.

Is die Ene, de Meester, de Kurios, zoveel anders, zoveel beter? Hij geeft taal noch teken, zwijgt als het graf. ‘Stuur haar weg!’, zegt de kerkelijke kring. Zo te horen, is Hij het daarmee eens: ‘Ik ben alleen gezonden naar de verloren schapen van het volk van Israël’. Eigen volk eerst, hoor ik daarin. Zelfs: eigen volk alleen! Ik hoor Wilders, het Vlaamse Blok en zoveel anderen al lachen.
Maar die vrouw laat zich niet uit het veld slaan. Ze roept opnieuw: ‘Heer, help mij!’ Minder woorden dan zopas. Hoe groter de nood, hoe korter het gebed. Een S.O.S.-signaal kan nooit een lang verhaal zijn.

Ik probeer dichter bij die Ene te komen. Mij inleven in Hem zal niet lukken. Ik ben de Messias niet. Ook dat is een verademing. Zoveel mensen in de kerk lijden aan een messias-complex. Ze denken dat zij wereld moeten redden. Als zij er niet bij, niet meer zijn, kan de HERE God eigenlijk wel inpakken. Klets!
Hij trekt zich terug! Zo begint het verhaal. Na alles wat er gebeurd is: de gesprekken over rein en onrein, twistgesprekken met de Farizeeën – kerkelijke keurmeesters – , storm op het meer, genezing in Gennesareth, wonderbare spijziging. De geschiedenis met deze vrouw wordt gevolgd door een tweede verhaal over brood, dat niet opraakt. Deze Ene, Jezus Christus, geeft Zichzelf weg, Brood voor allen, voor Israël en de volken, en er blijft royaal over. Daar gaat het heen, maar zover is het nog niet.
Eerst dat zwijgen. Om gek van te worden. Dan dat eigen volk eerst, alleen….Dan die pijnlijke, discriminerende opmerking, als die vrouw blijft roepen: ‘Het is niet goed om de kinderen hun brood af te nemen en het aan de honden te voeren’.

Waarom reageert Hij zo? Ik weet het niet, althans niet uit mijzelf. Hoe ouder ik word, hoe minder ik weet, maar alles, voor de wereld van God en Zijn Woord, wordt des te ontzagwekkender.
Wat zal ik als klein duimpje zitten frunniken aan deze reusachtige teksten? Ik ga in de leer, ik steek mijn licht op bij voorgangers, wier woorden het al eeuwen uitgehouden hebben. Augustinus, de kerkvader, omstreeks 44 na Christus, tekent bij dit zwijgen van de Meester aan: ‘Zo handelt God met allen die Hem naderen, niet omdat de barmhartigheid wordt geweigerd, maar opdat het verlangen wordt aangevuurd’.
Je kunt platweg reageren: ‘Dat is van de nood een deugd maken!’ maar dan haal je de stekker uit het stopcontact en verdwijnt de muziek. In het spoor van Augustinus verschijnt Luther op het toneel, een Augustijner monnik. Hij is diep geraakt door deze woorden. Hij wist levenslang, aan den lijve, wat aanvechting betekent, worstelen met God. Voor zover wij weten, heeft hij ten minste zestien keer over dit Bijbelverhaal gepreekt. Ik laat Luther even aan het woord: ‘Het is een harde klap, als God zich zo voordoet, zo ernstig en toornig, als Hij zijn genade zo hoog en zo diep verbergt. Wie dat ervaren en gevoeld hebben, weten daar alles van: je denkt dat Hij zich wil houden aan wat Hij heeft gezegd. (…)‘

Maar wat doet die vrouw? Die blijft maar vasthouden aan dat Woord, ook al spant alles samen om het haar af te pakken. Zij vertrouwt erop, vast en zeker, dat Christus’ goedheid eronder verborgen ligt, en ze wil er niet aan, dat Christus echt zo zou zijn. Dat is vasthouden’. En even verder: ‘Zij geeft God gelijk in Zijn oordeel over ons, en als we dat doen, dan hebben we gewonnen, dan vangen we Hem in Zijn eigen woorden’.

Wat een woorden, uit het leven, het leven met God, gegrepen. Nu begrijp ik ook beter, niet alleen met mijn hoofd – daar zit zoveel zaagsel in – , maar vooral met mijn hart, dat Luther zo vaak andere woorden gebruikt om dichter bij het geheim te komen en te blijven. In zijn moedertaal, Duits, de uitdrukking: ‘gegen den Augenschein’, tegen wat schijnbaar voor ogen is. In het Latijn, internationale vaktaal en voertaal toentertijd: God openbaart zich veelal ‘sub contrario’, onder de schijn van het tegendeel. Onder het schijnbaar harde ‘nee’ is Zijn barmhartige, eeuwige ‘Ja’ verborgen. Zo spreekt, zingt Luther vooral met het oog op het kruis van Christus: ‘sub contraio’, onder de schijn van het tegendeel. Het oordeel is behoud, de duisternis is licht, de dwaasheid is wijsheid, de zwakheid is kracht!

Ik kom, al luisterend, bij het slot van dit verhaal. Toen antwoordde Jezus: U hebt zo’n groot geloof!; wat u verlangt, zal ook gebeuren; en vanaf dat moment was haar dochter genezen! De Meester geeft zich gewonnen. Hij laat zich gezeggen door Zijn eigen woorden. Een paar opmerkingen daarover, ter overweging aangeboden. Dit is onderwijs in ‘optima forma’, in de hoogste, beste zin. De leraar kent geen grotere vreugde dan deze: de leerling heeft z’n les zo goed geleerd dat de leraar ervan leert. Dat is ook echte ouderschap: als kelkbladen van een bloem terugtreden om de knop de ruimte te geven. In zekere zin: jezelf overbodig maken.
Deze vrouw heeft, met de woorden van de profeet Jesaja, een gedenkteken en een naam ontvangen in het huis van God, beter dan zonen en dochters, een eeuwige naam, een naam die onvergankelijk is. Nu gaat mij ook een licht op over die woorden: ‘Ik ben slechts’- ‘alleen’, zegt de Nieuwe Vertaling – ‘gezonden tot de verloren schapen van het volk Israël’. Ook hier geldt wat Luther schrijft over de schijn van het tegendeel. ‘Slechts’, ‘alleen’ wil zeggen: in de eerste en in de laatste plaats voor het volk Israël. Daartussen in komen wij, van nature heidenen, genadig aan bod, royaal aan het licht. Zoals Paulus, de apostel, schrijft: ‘als een wilde loot, geënt op de oude stam van Israël’. Het heil is uit de Joden. Als we dat geloofd en geleefd hadden, dan was Hitler een eenvoudige Oostenrijker gebleven. Dan zou er meer vrede zijn in en om Jeruzalem.

Die vrouw blijft staan en ze wuift uitnodigend naar Jan en Alleman, naar Griet en Allevrouw.
Hebben de discipelen dat verstaan? Ik weet het niet. De Meester moet het opnieuw duidelijk maken met het Brood dat niet opraakt. Wat hebben ze daarmee gedaan? Die vraag komt ook naar ons toe. Wat doen we met het wuiven, het wenken van deze vrouw, die een gedenkteken is, een eeuwige Naam heeft?  Wat doen we met deze Ene, die voor allen is gekomen? Deze Meester, die de Minste is geworden? We zijn bedelaars die elkaar wijzen waar het Brood, Levensbrood, te vinden is, gratis, uit genade. Om met de woorden van Luther, de laatste voordat hij stierf, te eindigen:

‘Wir sind Bettler, verum est!’ Wij zijn bedelaars, dat is waar.  Amen.

===   ===   ===

Mattheüs 17:1

Gehouden op:
*Zondag 20 februari 2005, 10.00 uur te Beekbergen
Bijbellezing: Exodus 24: 12-18; Mattheüs 17: 1-9

Op een berg… Met andere woorden: een topervaring. Wat roept dat bij u op? Misschien wel herinneringen aan een vakantie, ergens in Zwitserland of in Oostenrijk. Wat ziet de wereld er anders uit als je zo, op een berg, om je heen en naar jezelf kijkt. Je voelt je opgenomen in een groot verband. Je beseft je kleinheid, je nietigheid en toch voel je je verbonden met die ruimte, die schoonheid om je heen. Ook als u nooit over de grens bent geweest, zult u een en ander herkennen. Je hebt de neiging om te blijven staan, om de tijd even stil te zetten, want dit alles moet duren, hoe langer hoe beter.
Toch moet je verder, bergafwaarts, naar de laagvlakte, waar zich het gewone leven, met alle zorgen en zwarigheden, afspeelt.
Jezus op een berg, met drie van zijn discipelen. Ik stond verschillende keren op de plaats waar dit heilig gebeuren zich voltrok. Men vermoedt althans dat het de berg Tabor was. Die berg heeft uit de verte veel weg van een gigantische molshoop, keurig rond, in het golvende, groene landschap van de provincie Galilea, in het noorden van Israël. Ik stond er als vakantieganger, als toerist, en keek vol verbazing en verwondering om mij heen.
Ik probeer er als discipel te staan. Het uitzicht is naar alle kanten fenomenaal, maar dit Bijbelverhaal wil dat we iets, iemand anders zien. Het is niet een verhaal uit een reisgids, tenzij je bedoelt – om met het wereldberoemde boek van John Bunyan te spreken – : een pelgrimsreis naar de eeuwigheid. Onderweg daarheen gaat het om andere bezienswaardigheden dan in een gangbare reisgids vermeld. Bezienswaardig is deze Ene, de Meester, Jezus alleen. Als je Hem onderweg, tussen je geboorte en je dood, niet ziet, dan raak je steeds verder van huis, het Vaderhuis namelijk met de vele woningen.

We gaan opnieuw heel zorgvuldig lezen. Dit Bijbelgedeelte staat in een stroom, een storm van gebeurtenissen, die nogal dreigend en somber zijn. In het voorgaande hoofdstuk is de lijdensweg van Jezus heel duidelijk en dringend ter sprake gekomen: ‘Van toen aan begon Jezus Zijn discipelen te tonen, dat Hij naar Jeruzalem moest gaan, veel moest lijden, gedood worden en ten derde dage opgewekt worden’.
Wonderlijke woorden: een Meester, die de Minste wordt, een Leider die de weg van het lijden gaat. Wonderlijk ook de uitnodiging aan mensen, zo totaal anders dan de teksten in een reisgids om klanten te winnen: ‘Indien iemand achter Mij wil komen, die verloochene zichzelf, neme zijn kruis op en volge Mij’. Ik zie het al staan in de gids van de ANWB, van Van den Berg in Loenen, van Beter Uit, van Drietour….
‘En zes dagen later…’. Zo begint het verhaal. Waarom staat dat hier? De evangelist is doorgaans niet zo kwistig met zulke details. Is er even een stilte na de storm van die eerste lijdensaankondiging? Een korte pauze, om op verhaal te komen in de dingen enigszins op een rijtje te zetten?
Ik denk dat de evangelist onze gedachten wil richten op de eerste woorden van de Bijbel, toen God de wereld schiep. Op de zesde dag werd de mens geschapen. Dan klinken de woorden: ‘En God zag alles wat Hij gemaakt had, en zie, het was zeer goed. Toen was het avond, geweest en het was morgen geweest: de zesde dag’ (Gen. 1: 31). Zeer goed! Wat is ervan terecht gekomen? Het blijspel werd een drama. Nu laat Hij opnieuw van zich horen, nu komt Hij zelf om een nieuw begin te maken. De schepping komt uiteindelijk terecht, maar het gaat door de diepte, door de dood heen.

Wie een beetje thuis is in de Bijbel weet dat een berg, wat daarop gebeurt, altijd een crisis betekent, een oordeel. Hoogte en diepte zijn steeds met elkaar verbonden. Abraham en zijn zoon op de berg Moria. Mozes op de Sinaï met de woorden van het verbond, maar de doden dans rondom het gouden kalf is in volle gang. Elia op de Karmel, maar de nepgoden, de baäls doven bijkans alle lichten, zaaien dood en verderf.

Wat gebeurt hier, op deze berg? ‘Zijn gedaante veranderde voor hun ogen, zijn gelaat straalde als de zon en zijn kleren werden wit als licht’. Wat wil dit toch zeggen? Een mens gaat erbij stotteren, maar dat is geen schande.
Licht en luister zijn eigen aan de wereld van God. Zo heeft Mozes ooit, ook op een berg, de nabijheid van God ervaren. Van de naglans straalde de huid van zijn gelaat, zijn gezicht, toen hij de berg afdaalde. En ook Elia, als een wanhopig mens op de vlucht, kwam uiteindelijk bij een berg, waar de Hoog-Heilige taal en teken van Zich gaf. En dan lezen we van de een profeet: ‘hij omwond zijn gelaat met zijn mantel’.
Op die beide dienaren, Mozes en Elia, komen we straks nog terug. Maar eerst de vraag, die hier een antwoord krijgt: wie is Jezus werkelijk? Vandaag de dag is die kwestie opnieuw pijnlijk actueel. Het spookt in de kerk en in de theologie, vooral ten aanzien van de gestalte, het geheim van Jezus. Ik word van al die verhalen niet vrolijk, om het heel onderkoeld te zeggen. Naar mijn besef staat het hart van het Evangelie, de kern van de Zaak op het spel. Hij is niet een voorbeeldig mens, niet de hoogste, de beste van onze soort. Hij is niet de goeroe, de leraar die de weg naar binnen of naar boven wijst. Ik word ziek van al die religieuze hutspot die talloze theologen bekokstoven. In deze Ene hebben we met God zelf te maken, ook als Hij afdaalt naar de laagvlakte, als Hij de weg gaat van het kruis. In al dat donker gaat Zijn licht, Zijn luister wel schuil, maar het is nooit en nergens afwezig. Het heeft enorme consequenties voor ons beeld, ons belijden van God. Hij is ten diepste de Verworpene, de Gekruisigde, de Lijdende liefde. Zo is Hij altijd geweest, vanaf het begin van de Schepping. Het Nieuwe Testament komt niet ineens uit de licht vallen. Die kromme, duivelse overtuiging heeft de weg gebaand voor Adolf Hitler en de moord op miljoenen Joden. Zo nauw luistert en zo praktisch is het goede verstaan van de Schrift. Ketterij is dodelijk!

‘En zie, hun verschenen Mozes en Elia, die met Hem spraken’. Waarom die twee, Mozes en Elia? Mozes, de man van de wet, de wegwijzer ten leven in deze dolle, dwaze, op hol geslagen wereld. En Elia, de man de profetie, van het broodnodige woord op het juiste moment. Het Oude Testament, het eerste deel van de Bijbel, wordt ook wel genoemd: de wet en de profeten! Mozes en Elia, met deze Ene in gesprek. Al die woorden, van Genesis tot Maleachi, komen samen in deze Ene, die ze nog eens uitlegt met Zijn eigen leven, ook met Zijn eigen dood. Geen nieuwe God dus, maar dezelfde die de wereld in het aanzijn riep, die Abraham wegriep uit Ur, die Zijn volk bevrijdde uit Egypte, die profeten zond om mensen te bewaren bij krijgt de chaos vrij spel.

Waarover spraken zij, die drie daar op een berg? Het is niet geboekstaafd, maar de goede verstaander heeft meer dan een vaag vermoeden. Het ging zeker niet over een vlucht naar hogere sferen, ver van de barre, boze wereld. Ze spraken over de weg naar beneden en van daar de laagvlakte in. Wie God werkelijk is, ontdek je niet door omhoog te klimmen, maar door af te dalen, tot aan een kruis. De evangelist Lucas schrijft, in zijn versie van dit gebeuren: zij spraken met Hem over de uitgang, de exodus staat er, die Hij te Jeruzalem zou volbrengen. Dat is een opmerking die hout snijdt, kruishout zelfs. De exodus, de uittocht uit de slavernij van schuld en dood, van wanhoop en vertwijfeling, van duisternis en demonie. Dat staat te gebeuren. En net als bij die eerste uittocht uit Egypte, wordt het Paaslam geslacht en moet je reisvaardig zijn: de staf in de hand, de kleren opgeschort om ongehinderd te kunnen gaan.

Zopas noemde ik John Bunyan en zijn pelgrimsreis naar de eeuwigheid. De omstanders op de berg zijn met zaak verlegen, alles behalve reisvaardig. Zij willen deze momenten vasthouden, tenten opslaan. Hadden ze die dan bij zich? Wilde Petrus die ijlings beneden halen? Of dacht hij, te goeder trouw, aan de tabernakel, die ook een soort tent was? Zo woont God bij de mensen, dacht hij misschien. Op een berg, boven de aarde, de hemel dichtbij. Zoveel mensen vallen in wezen Petrus bij. Allerlei stemmen en stromingen die in deze vermoeide tijd de weg omhoog wijzen: mystieke ervaringen, godsdienstige ruimtevaart, religieuze trips. Al die –ismen, socialisme, communisme, liberalisme, kapitalisme, de hele ratteplan is op niets uitgelopen. Het is allemaal lood om oud ijzer, in welke kleur dan ook verpakt: rood, groen, paars. Wegwezen, omhoog, al dan niet met behulp van geestverruimende middelen.

We worden in de rede gevallen: ‘Terwijl hij nog sprak, zie, daar overschaduwde hen een volk, en zie, een stem uit de wolk zei: Deze is Mijn Zoon, de Geliefde, in wie Ik mijn welbehagen heb; hoort naar Hem’. Het lijkt op, misschien is het in wezen ook wel hetzelfde als de geloofsbelijdenis van Israël, tot op de dag van vandaag uitgesproken: ‘Hoor Israël, de HERE is onze God, de HERE is een! Deze is Mijn Zoon, hoort Hem’. Een soortgelijke stem klonk aan het begin van het Evangelie met vrijwel dezelfde woorden. Het was bij de Doop. Hier opnieuw dus, in het midden. En later, aan het eind van het Evangelie klinkt het weer, in de schaduw van het kruis, uit de mond van een vreemdeling, een Romeinse officier: ‘Waarlijk, deze mens, Zoon van God!’

Jezus gaat bergafwaarts. God is niet zozeer in den hoge, als wel in de laagvlakte. Als Hij daar niet te vinden is, dan is het Evangelie echt wereldvreemd. Ook in de laagvlakte is Hij vol licht en luister, ook al zie je er weinig of niets van. Soms flitst het even op, genoeg om het spoor niet kwijt te raken.
Onder, aan de berg, wacht een wanhopige vader met zijn doorzieke kind. Aan die twee mensen en aan de omstanders, als ze het zien willen, wordt zichtbaar wie Jezus werkelijk is. Later volgen er nog meer: de vrouw met de albasten kruik, vol kostbare olijfolie; Bartimeüs, de blindeman, de enige die echt ziende was, helderziende; de moordenaar aan het kruis; de Romeinse hoofdman. Dat wonderlijke clubje, Jan Rap en z’n maat, armoedzaaiers bij de gratie Gods, is de kerk in een notendop.

‘Hoort naar Hem!’ Dit Woord, het Woord van deze drieënige God, is de eeuwen en de landen doorgegaan. Het zoekt de breedte van de aarde – vandaar zending en evangelisatie – , het zoekt de diepte van de pijn, het verdriet, de zorgen waarin mensen verkeren – vandaar het diaconaat en de pastorale zorg – het zoekt een ruimte, stijlvol en geschikt, om het ter harte en ter hand te nemen, om het uit leggen, om elkaar op te scherpen – vandaar de kerkrentmeesters. Kortom, het zoekt mensen waar ze zijn. De kerk is vooral een luisterplaats. Niet omdat de dominee het woord voert, maar omdat het Woord van God altijd en overal voorrang heeft. Het is, op het eerste gezicht, weinig spectaculair. Dat zegt trouwens weinig of niks. In de loop van de eeuwen, de jaren, hebben we met schade en schade geleerd: alle spektakels zijn in wezen loos lawaai, gebakken lucht. Alleen het Woord van God houdt eeuwig stand, Jezus Christus, sprekend God, is gisteren en heden dezelfde, en tot in eeuwigheid. Amen.

===   ===   ===

Mattheüs 18: 21-35
Gehouden op:
*Zondag 12 september 1999, 19.00 uur te Beekbergen
Bijbellezing: Genesis 4: 23-24; Mattheüs 18: 21-35

‘God is licht en in Hem is helemaal geen duisternis’, schrijft een apostel. Dat wil ook zeggen: buiten Zijn lichtkring wordt het eerst schemerdonker en verder heerst er een verstikkende duisternis. De Bijbel spreekt duidelijk en vol vervoering over dit licht, maar aanduidenderwijs en met grote huivering over de duisternis. In het licht klinken en blinken woorden als vergeving, verzoening, vrede, maar aan de donkere rand doemen woorden op als: oordeel, straf, ondergang.
Je kunt te veel weten, willen weten, denken te weten over deze donkere sferen, zoals in bepaalde, met een ongelukkige term ‘ultra zware’ kringen gebeurt. Ik moet dan steeds denken aan de woorden van de oude professor Gunning: ‘De duisternis van de verwerping is mij alleen maar duister’.
Anderzijds ben ik ook allergisch en beducht voor al die mensen die alleen maar bloemen plukken in het veld van de Bijbel en een boeket samenstellen dat zij zelf mooi vinden. Dan doen we schromelijk en schandelijk te kort aan de ernst van het Evangelie en wisselen we de Eeuwige God tot onze eigen schade in voor de lieve heer, die bij alles maar wat goedaardig glimlacht en in het ergste geval wel vergeeft en vergeeft, omdat Hij dat als vak heeft.

Het licht van de vergeving en als uiterste grens de duisternis van de verwerping komen indrukwekkend aan de orde in de gelijkenis die op deze zondag aan de orde is.
Vanmorgen hebben we één en ander verteld over de aanleiding, vooral over de vraag van Petrus: Hoe vaak moet ik mijn broeder vergeven? Zelf reikt hij een antwoord aan dat al veel verder gaat dan het gewone, door de rabbijnen voorgeschreven: tot zevenmaal toe? Een vergeving, drie keer herhaald, gold als uiterste grens in die dagen. Meer kon en mocht je redelijkerwijs en ook gelovenderwijs niet van elkaar verlangen.
Grensverleggend zoeken: niet drie, maar zeven maal? Het antwoord van Jezus is geen getal meer dat berekend kan worden, maar een atmosfeer, een dampkring van God, waarin geleefd wordt: zeventig maal zeven maal. Grenzeloze royaliteit? Onbeperkte genade? Er is een grens, huiveringwekkend, als die kostbare genade goedkoop wordt gemaakt. Vandaar die gelijkenis.

Een heer, een knecht en nog een knecht. De eerste knecht wordt ter verantwoording geroepen. Hij staat in het krijt voor tienduizend talenten. Een onvoorstelbaar hoog bedrag. In onze geldwaarde omgerekend komt het ongeveer overeen met 40 miljoen gulden. Ten einde raad smeekt de knecht de heer om uitstel. Onmogelijk om dit bedrag ooit terug te betalen, maar de angst geeft mem dit in de mond: ‘Heb geduld met mij en ik zal u alles teruggeven’. Maar… ongehoord wonder – hem wordt alles kwijtgescholden. Hij krijgt gratie vanwege de genade van de heer. Voortaan heeft zijn leven alleen maar zin voor zover het een echo, een weerspiegeling is van deze genade, deze vergeving.

Tweede bedrijf: knecht – medeknecht. De laatste staat bij de eerste in de schuld voor honderd schellingen, weer omgerekend naar ons patroon: ongeveer 40 gulden. Vergeleken met het eerste bedrag is het bij wijze van spreken een halve cent, om precies te zijn: niet het tiende, niet het honderdste, maar het vierhonderdduizendste deel!
Betalen broeder! Het weerwoord, dat die ene knecht toch bekend in de oren moest klinken, omdat het even tevoren zijn eigen woorden waren: ‘Heb geduld met mij en ik zal u betalen!’ Doch hij wilde niet, maar ging heen om actie te voeren; hij zette hem gevangen totdat hij als gevangene door arbeid of zijn familie door loskoop alles betaald zou hebben.

Derde bedrijf: opnieuw de heer en opnieuw de eerste knecht. Er gebeurt iets vreselijks: zoals de heer de schuld ongedaan maakte, zo maakt hij nu de kwijtschelding ongedaan. Niet omdat hij grillig, onberekenbaar zou zijn, maar vanwege de levenspraktijk van de knecht. Hij heeft getoond dat hij de vergeving niet waardig is en daarom keert het geschenk terug naar de oorspronkelijke eigenaar. ‘En zijn meester werd toornig en gaf hem over in de handen van de folteraars, totdat hij hem al het verschuldigde betaald zou hebben’.
Totdat…! Waar is het einde? Als je deze woorden niet met een korreltje zout, maar echt serieus neemt, dan moet je spreken van eeuwige straf, verwerping voorgoed. ‘Alzo zal ook mijn hemelse Vader u doen, indien gij niet, een ieder zijn broeder, van harte vergeeft!’

Een gelijkenis. Waar lijkt het op? Die laatste regel onthult duidelijk het geheim. ‘Alzo zal ook mijn hemelse Vader…’. En die knecht, dat ben jij, begenadigde mens. Vergeving is nooit goedkoop. Vanmorgen heb ik de woorden gebruikt: het gelag betalen. Wie vergeeft, betaalt het gelag. Dat is een heenwijzing naar, een gelijkenis van God, zoals Hij in het gewaad van de Heilige Schrift, ten diepste in het gelaat, de gestalte van Jezus de Christus, tot ons komt.
Niet de vervuiler, maar de vergever betaalt. Vraag niet wat het Hem kost. Of liever, vraag het maar wel, want dit vragen maakt vrij! De geschiedenis van God met de mensen, met Zijn volk Israël en daarachter voor alle volkeren van de wereld, is een weg van zich vernederen, van geven, geven, totdat Hij ten slotte Zichzelf weggeeft. Hij bevrijdt ons van de last van het verleden, van de schuld die we tegenover Hem hebben, door Zelf het gelag te betalen.
De apostel Paulus zegt, zingt daarvan: ‘Hem die geen zonde gekend heeft, heeft God voor ons tot zonde gemaakt, opdat wij zouden zijn gerechtigheid Gods in Hem’. Het is de vreemde vrijspraak – vreemde, omdat ze van God komt –de vreemde vrijspraak die klinkt over ons verloren, ten dode gedoemde bestaan. Deze kostbare genade is de grond en ook de zin van ons bestaan. We zijn begenadigde zondaars, tot leven geroepen stervelingen. Geloven in God betekent niet, althans niet in de eerste plaats, dat we een aantal opvattingen huldigen, een serie regels onderschrijven, maar dat we God op Zijn Woord geloven, deze vreemde vrijspraak laten gelden.
In plaats van te vragen naar het einde: ‘Hoe vaak? Waar blijf je dan?’ zullen we ons beraden op, ons verheugen over dit begin, dit initiatief van God. Dan zullen we steeds opnieuw en van harte leren de ander te vergeven. Wat van ons gevraagd wordt, is maar een fractie, een schijntje van wat ons geschonken is en wordt. Maar deze fractie – het vierhonderdduizendste deel bij wijze van spreken – is bepalend voor ons leven, is zelfs van eeuwig gewicht.

Vanmorgen hebben we ons afgevraagd waar en hoe die vergeving zich uitwerkt in ons kleine leven en in de kring van de gemeente. Ik heb toen toegezegd vanavond iets te vertellen over het boek ‘De Zonnebloem’ van Simon Wiesenthal. Die toezegging kan ik, bij nader inzien, niet inlossen en moet maar wachten op een andere tijd en plaats. Het gaat over de vraag of je als Jood een Duitser kunt vergeven wat je elkaar, als volk, hebt aangedaan. Het is geen theoretische vraag, maar een vraag die aan Wiesenthal door een Duitse soldaat, die stervende was, gesteld is.
Deze woorden van het Evangelie sturen mij, al luisterend en ermee worstelend, een andere kant op, waarmee ik ook begonnen ben. ‘God is licht en in Hem is helemaal geen duisternis’. We tasten aan de rand. Niet om ongepast nieuwsgierig te zijn, niet om meer te willen weten dan ons te verstaan is gegeven, maar vanwege de ernst van het Evangelie. De donkere rand, de duisternis van – wie een beter woord weet, moet het maar zeggen – van de hel.
Ik denk aan de woorden van Kaj Munk, een Deense dominee, schrijver, verzetsstrijder, door de Duitsers doodgeschoten, ergens in het land dat hem zo lief was. Hij schrijft: ‘Als ’t toch waar is, dat er een plaats is, waar de worm niet sterft en waar het vuur niet dooft, een plaats van geween en tandengeknars? En waarom zou dat niet waar zijn? Hier op aarde is het leven immers reeds een hel, waarom zou er daar in de eeuwigheid geen hel kunnen zijn? (…) Het zijn niet de grote zondaars, maar de halve lafaards, die met z’n allen de voedingsbodem vormen voor het Boze hier op aarde en die het vuur in de hel in ’t leven houden’. Kaj Munk… De halve lafaards, dat zijn zij die uiterst gulzig zijn om zelf vergeving te ontvangen, maar uiterst gierig om dit genadige geschenk voor te leven en door te geven. Pas dat eens toe op je eigen levenspraktijk. Van ieder Bijbelwoord geldt: Uw zaak is aan de orde!
Zoveel gehoord en bezongen in de kerk, zondag aan zondag. Binnen de lichtkring van de Hoog-Heilige, de Eeuwig-Trouwe, komen we met al onze schuld en schande aan de dag, aan het licht. De vreemde vrijspraak is de enige grond onder onze voeten, het hart van ons bestaan. Maar buiten de kerk gaan we meestal over tot de orde van de dag, het schema van deze wereld.

Het Evangelie is een Goede, Blijde Boodschap, maar dat is iets anders dan een vrijblijvend Verhaal. Onze voorouders spraken over het eeuwig wel en het eeuwig wee en andere termen die de ontzagwekkende ernst van Evangelie verwoorden. Ik denk dat ze per saldo gelijk hebben omdat de Bijbel zelf deze wegen, de wijzen van spreken aanduidt. Laten we niet met termen als ‘zwaar’ of ‘licht’ of ‘midden-gewicht’, ‘rechtzinnig’ of ‘vrijzinnig’, ‘conservatief’, of ‘progressief’ gaan schermen, want die woorden zijn veelal een rookgordijn waardoor de werkelijkheid versluierd wordt. Laten we liever naar een knecht luisteren die er meer van begrepen heeft dan die ene knecht uit de gelijkenis. Ik bedoel de dichter Willem de Mèrode, die zijn leven lang ten dode toe, geworsteld heeft met de last en het leed van zijn bestaan:

‘Die nooit verdwaasd Uw wetten heeft geschonden
Die nooit verloren ging in schaamt’ en zonden
Wat weet hij van Uw goddelijk geduld?
Uw diepste liefde heeft hij nooit gevonden’.

En later we nog meer luisteren naar de Meester, de Heer, die ons, ondermeer, leerde bidden:

‘en vergeef ons onze schulden gelijk’ – dat is in het spoor waarvan – ‘ook wij vergeven onze schuldenaren’. Amen.