Marchal


Matthéüs 1: 18-25

Gehouden op
*Zondagmorgen 21 december 2008 in Beekbergen
Bijbellezing OT: Jesaja 9: 1-5; NT Matthéüs 1: 18-25

Het staat er zo kort en bondig, alsof het iedereen wel duidelijk is wat die woorden betekenen: ‘De geboorte van Jezus Christus geschiedde aldus’. Taal, woorden wisselen over en weer, is sowieso een wonder, een ondoorgrondelijk dichtbij. Het klinkt allemaal abstract, ver weg, maar het is adembenemend dichtbij. Ik denk aan een broeder, Herman Koopman, die begraven is. Het spreken ging al lange tijd moeilijk door een herseninfarct, een breuk, rrn storing in dit supercomputer centrum. Een aantal weken geleden weer een van die miljoenen draadjes los. Dag in dag uit oefenen om woorden te vinden en te zeggen. Taal, woorden wisselen als wonder, als ondoorgrondelijk geheim. Dat blijft staan, ook als het allemaal wel lukt omdat alles hier goed werkt. Werelden van gedachten en gevoelens overbrengen, transporteren over dat kleine, kwetsbare koord van de taal. Als het over zoiets wonderlijks gaat als de geboorte van een kind, weet je dan wel wat je zegt? Een voorganger, professor Smelik, die ook een dichter was, schreef ooit: ‘Rondom elke wieg is iets van het paradijs’. Hoe zul je dan in woorden uitdrukken wat er met dit Kind Jezus aan de hand is? Rondom Hem is iets van het paradijs, de eerste dag en misschien nog wel meer van de laatste dag, die in de Bijbel de jongste dag wordt genoemd. Misschien heeft iemand het gevoel dat ik het allemaal wel erg ingewikkeld maak: het wonder van de taal, het wonder van een kind en dit Kind, wiens komst wij gedenken en verwachten als een wonder boven wonder. Mij dunkt: wie hier geen oog, geen oor, geen hart voor heeft, maakt alles zo plat als een dubbeltje, verliest de verwondering en dus ook het geloof in God, die ons zo ongekend nabij wil zijn.
Wat staat er nou echt? Van Jezus Christus de ‘genesis’ zo was. Dat is natuurlijk geen Nederlands, maar het zet je wel op het goede been. De ‘genesis’, dat is de wording, de verschijning onder ons, en dat is meer dan de geboorte alleen. Dat woordje ‘genesis’ gebruikt Matthéüs ook in de allereerste regel van zijn Evangelie: ‘boek van de ‘genesis’ van Jezus Christus zoon van David zoon van Abraham’. Het gaat echt om meer dan de geboorte alleen.
Wie is deze Ene, Jezus genaamd, die met de oudste, de eerste dag en met de jongste dag te maken heeft? Over deze vraag is de Kerk in beroering geweest vanaf het allereerste begin en die golven van onrust gaan huizenhoog tot op de dag van vandaag. Ik noem alleen maar de namen van professor Kuitert, van dominee Nico ter Linden, van professor Van de Beek.  Ieder voor zich cirkelt om dat ene geheim, het geheim van die Ene.
Als je nauwgezet de Schrift leest, ben je vanzelf actueel. Denk nou niet dat ik het verlossende antwoord even zal geven, als zou ik het geheim uit de doeken kunnen doen. Ik klop alleen maar op de deur van de heilige teksten, in de hoop dat we toegang krijgen en ingewijd worden in de heilgeheimen van God. Van Jezus Christus de ‘genesis’ zo was. Die wordingsgeschiedenis begint eigenlijk al bij Abraham, de stamvader van het volk van God, de man die het waagde om God te vertrouwen op Zijn Woord, die in dit riskante avontuur een belofte meekreeg: ‘in u zullen alle geslachten van de aardbodem gezegend worden’.
Matthéüs, de meest Joodse van alle evangelisten, telt drie keer veertien geslachten: van Abraham tot David, van David tot de Babylonische ballingschap en ten slotte van die ballingschap tot de verschijning van de Christus, de Messias, de Gezalfde. In die lange rij komen ook vier vrouwen voor, althans met name genoemd: Thamar, Rachab, Ruth, Bathseba, alle vier van buiten Israël, maar toch….Wonderlijk zijn de wegen van God om Zijn menslievendheid te tonen. Ten slotte, in de volheid van de tijd komt Hij zelf. Met die indrukwekkende woorden van een lied, gezang 161, geschreven duur Huub Oosterhuis: ‘Uit uw hemel zonder grenzen / komt Gij tastend aan het licht / met een naam en een gezicht / even weerloos als wij mensen’.
Zo’n lange voorgeschiedenis. Hoe gaat het nu verder? Weer zo’n wonderlijke regel, waar je geen vat op krijgt. Iemand, een dichter natuurlijk – want zo’n mens leeft dichter bij het geheim dat de wereld draagt – een dichter heeft ooit gezegd over zoveel dingen die jou, kleine mens, te boven gaan: ‘nodig zou zijn een taal waarvoor geen teken is in dit heelal’.
Zo ook hier. sommige dingen zijn min of meer duidelijk. Ene Maria, een tot dusver onbekende vrouw, was ondertrouwd met ene Jozef, de laatstgenoemde uit die lange reeks sinds Abraham. Een ondertrouw, een verloving stond juridisch, wat de rechten en plichten betreft, gelijk met het huwelijk. De vaders van de bruid en de bruidegom waren er nauw bij betrokken. Zo’n ondertrouw werd veelal schriftelijk vastgelegd en door twee getuigen onderschreven. Er werd dan ook meestal een feestje gevierd, met bekers wijn en allerlei zegenspreuken.
Enige tijd na de verloving vroeg de bruidegom, als alles op orde was, aan de bruid om bij hem in te trekken en dan werd de echte bruiloft gevierd. Schokkende ontdekking: in deze situatie zwanger, met de martelende vraag, vooral van Jozef: van wie? Overspel van een verloofde vrouw gold als echtbreuk, waarop vanouds de dood steniging stond. In deze tijd, van de Romeinse overheersing, werden andere straffen toegepast, maar de zaak werd, hoe dan ook, hoog opgenomen. Er is geen sprake van overspel. Wat dan wel?
Er is hier, en even verder opnieuw, sprake van: ‘uit de heilige Geest’. Is dat een verklaring? Nee. Een geboorte van een kind is al niet te verklaring, laat staan de ‘genesis’ van deze Ene. De dingen, de dieren, de mensen hebben hun geheim, hoeveel te meer dan God. ‘Uit de Heilige Geest’, dat wijst heen naar het geheim. Heilige Geest, dat is Gods bevrijdende aanwezigheid, Zijn bezielende nabijheid. Zo dicht bij als de adem in ons lichaam, de wind die vat op je heeft. Deze ‘genesis’ is uit de Heilige Geest. God verkiest de weg, de wording van kind. Dat geheim moet je laten staan, er niet aan frunniken, niet gaan vlooien, want dan sla je alles weer zo plat. Het heeft ook iets kinderachtigs, iets puberaals om hierover schijnbaar moeilijk te doen en aan zoveel andere dingen – natuurlijk! – voorbij te lopen.
Ik luister – opnieuw! – liever naar de woorden van een dichter. Muus Jacobse, oftewel Klaas Heeroma, geen onbekende in het Liedboek, schreef ooit met het oog op een kind – en dat geldt des te meer met het oog op dit Kind – ‘O makker in ditzelfde grauw getij, / nog altijd komt het kind tot jou en mij, / (…) Zolang God kinderen in ons midden zendt / heeft Hij zich nog niet van ons afgewend’.
De kerk heeft dit geheim, temidden van veel strijd, slordigheid en sloomheid, verwoord in haar belijdenis. Jezus Christus, de eniggeboren Zoon, onze Heer, ‘die ontvangen is van de Heilige Geest, geboren uit de maagd Maria’, zoals de Apostolische Geloofsbelijdenis zegt, zingt. Nog hymnische, nog meer op de wijze van een lofzang de Geloofsbelijdenis van Nicea: ‘Jezus Christus, de eniggeboren Zoon van God, geboren uit de Vader voor alle eeuwen, God uit God, licht uit licht (…en even verder: ) die om ons mensen en om onze zaligheid is neder gekomen uit de hemel en vlees geworden is van de Heilige Geest en mens is geworden…’. Wie het beter weet, moet het maar zeggen. Ik zie het gebeuren, ook in onze verwarde tijd: het wordt allemaal zo plat, zo lomp en lummelig.
Wat gebeurt er met Jozef, die op het eerste gezicht zo terzijde staat in het Evangelie? Hoe reageert hij? Hij was rechtschapen, dat wil zeggen: het gebod – niet bedoeld als een stok om te slaan, maar als een staf om te gaan – het gebod van God was hem heilig. Hij wilde haar niet in opspraak brengen. Hij ging zijn recht niet halen, hij ging het niet uitvechten, ten gunste van hemzelf, ten koste van Maria. Hij was van plan het in der minne op te lossen, Maria een brief mee te geven om de verbintenis los te maken. In stilte, dat is, als ik hem, het goed begrijp: in der minne. Hij geeft Maria royaal de kans om de stem van haar hart te volgen, desnoods die andere man te trouwen. Als dat zo is, dan denk ik met eindeloos respect: wat een man! De wet, het gebod van God is hem in het hart geschreven!
Maar dan grijpt God opnieuw in. Ook dat hoort bij de ‘genesis’, de wording van Jezus Christus, zoon van David, zoon van Abraham, Zoon van God. Jozef wordt te kennen gegeven: ‘Schroom niet Maria, uw vrouw, tot u te nemen, want wat in haar verwekt is, is uit de Heilige Geest’. Voor de eigenlijke geboorte wordt de Naam al genoemd. Het is allemaal verweven met deze ‘genesis’: ‘Ge zult Hem de Naam Jezus geven, want Hij is het die zijn volk zal redden van hun zonden’.
Jezus, dat is de Griekse vorm van het Hebreeuwse Jehoshua, dat is: de HERE redt! Daartoe is Hij blijkbaar gekomen. Dit is het diepste geheim van de ‘genesis’ van Jezus Christus, in wie God zelf op aarde verschijnt ‘uit zijn hemel zonder grenzen, komend tastend aan het licht, met een naam en een gezicht even weerloos als wij mensen’.
Het gaat me duizelen als ik daarover denk, vooral duizelen van vreugde.

[21-12-2008: Jezus is niet gekomen om ons weer een ideaal voor te houden. Daar knappen we telkens weer op af. Iemand schreef terecht: de weg naar de hel is geplaveid met goede voornemens, met schone idealen.  De Bijbel reikt een woord aan, dat somber lijkt, maar in wezen o zo zonnig is: zonde. Het is zó afgesleten, zó beduimeld, zó plat gepraat, misschien ook wel zó dood gepreekt. De kern van alle ellende zit in jezelf. Daarom gaat het mis. Het ligt dus niet  zozeer aan de ander, ook niet aan de dingen om je heen. Jouw verhouding tot God is fundamenteel verstoord en dat heeft een verwoestende uitwerking naar jouw verhouding met de mensen toe, naar de dieren en de dingen.]

[ELDERS: De woorden van professor Van de Beek helpen mij deze Bijbelwoorden beter, dieper te verstaan. Het gaat niet goed op deze aarde, want wij, mensen, zijn niet goed. Het wordt ook niet beter, alle hooggestemde idealen, alle schone beloften ten spijt. We knappen er telkens weer op af. De Bijbel reikt een woord aan dat somber lijkt, maar in wezen o zo zonnig is: zonde! Het is zo afgesleten, zo  beduimeld, zo plat gepraat, misschien ook wel: zo dood gepreekt. Jouw verhouding tot God is fundamenteel verstoord en dat heeft een verwoestende uitwaaiering naar jouw verhouding met de mensen, de dieren en de dingen toe.]Het is geen lot je overvalt, zodat je in feite alleen maar zou kunnen berusten op de wijze van: het is niet anders, zo is het leven nu eenmaal. In de Bijbel wordt ons geleerd dat de zonde ten diepste schuld is. Wij zelf zijn aansprakelijk, verantwoordelijk, maar het is zo doorgevreten, zo verziekt dat we geen kant meer op kunnen.

In deze chaos, in deze ellende is God zelf verschenen met een naam en een gezicht, Jezus Christus, om ons bestaan te delen, te dragen en ons te redden uit deze verstikkende cirkel van nood en dood. Sinds de ‘genesis’, de wording, de verschijning van Jezus Christus mogen we weten dat niet de schuld het laatste is, maar de vergeving, niet de duisternis, maar het licht, niet de wanhoop, maar de hoop, niet de dood, maar het leven. Met de woorden van een lied: ‘Hij ruilt met ons op vreemde wijs: / Hij neemt ons vlees en bloed / en geeft ons zijns Vaders huis / zijn eigen overvloed; / Hij wordt een knecht en ik een heer: / wat win ik veel daarbij! / Waar vindt men zoveel gulheid weer / als Jezus heeft voor mij!’ (Gez. 147).
Als je vraagt: begrijp je dat?; dan zeg ik: nee, ik krijg dit geheim niet in mijn vingers. Als je vraagt: versta je het?; dan zeg ik volmondig en van harte: ja! Vanwege deze Jezus, God op menselijke wijs, sta ik anders in het leven. Het is een weg die niet meer echt doodloopt. Daarom eindigt de Geloofsbelijdenis met deze woorden: ‘ik geloof een eeuwig leven’.
 ===   ===   ===

Matthéüs 2: 1 – 12

Gehouden op
*zondagmorgen 26 december 2004 in Beekbergen
Bijbellezing OT Jesaja 2: 1-5; NT Matth. 2: 1-12
*zondagmorgen 7 januari 2007 in Beekbergen
Bijbellezing OT Psalm 72: 8-11; NT Matth. 2: 1-12
*zondagmorgen 30 december 2012 in Welsum
Bijbellezing OT Psalm 72: 1-5; NT Matth. 2: 1-12
*zondagmorgen 3 januari 2014 in Welsum
Bijbellezing OT Jesaja 2: 1-5; NT Matth. 2: 1-12

Een oude methode wil ik opnieuw toepassen: de preek verdelen in drie punten. Al doende kunnen we de draad van dit verhaal beter volgen. We hebben al zoveel gehoord in deze dagen dat we misschien over-verzadigd raken en gemakshalve denken: het is allemaal meer van hetzelfde. Om elkaar op te scherpen en fris te blijven geven we elkaar de hand en kiezen we als handreiking om de weg te vinden deze drie kernwoorden: schok, verrassing, troost.
Dit is een schokkend verhaal. Hoeren en tollenaars, wegwerpmensen zogezegd, en ook lieden van het zwarte gat, bedrijvig in de zwarte kunst, gaan ons voor in het Rijk van God. Dat hoort niet aardig voor mensen zoals wij, keurig in de kleren, van onbesproken gedrag, met een blanco strafblad. Wijzen uit het Oosten. Magiërs staat er in het Grieks. Daar komt ons woord magie vandaan. Dat klinkt niet zo fris. Het heeft een enorme aantrekkingsklacht omdat mensen wanhopig op zoek zijn naar enige zin in alle onzin. Als het niet te vinden is in het platte vlak, dan steken we af naar andere diepten of vliegen we, desnoods met geestverruimende middelen, naar ongekende hoogten.
We zijn terecht beducht voor praktijken waarin zoveel beunhazen en scharrelaars inspelen op de nood, de angst, de ellende van anderen. Magiërs uit het Oosten, waarschijnlijk uit het stroomgebied van de Eufraat en de Tigris, het gebied van wat nu Iran en Irak heet. Zij bestudeerden de wondere wereld van de sterren en de planeten. Deze codes, signalen, signalementen gingen zij decoderen in boodschappen, vooral voor koningen, keizers, schuttenmajoors. Zij waren politieke adviseurs.
De tijden daar en toen waren buitengewoon spannend. Het Romeinse Rijk rukte steeds verder op naar het Oosten. Een koning in Israël kon een sleutelpositie innemen, een bruggenhoofd vormen in de strijd om de macht. We weten weinig van deze magiërs, die een koningsster ontwaarden. Daarom heeft de verbeelding, de fantasie de schamele gegevens van het Evangelie uitgesponnen tot een spannende roman. Ze waren gedrieën, verweven met de kostbare geschenken goud (voor de koning), wierook (voor de priesterlijke dienst) en mirre (voor de begrafenis, want ook een koning had het eeuwige leven niet). Ze heetten, naar men zegt, Caspar, Melchior en Balthasar.
Hoe dit ook zij: deze duistere figuren uit de wereld van de zwarte kunst, aanbidden het Kind. De Schiftgeleerden en het hele concilie van kerkelijke deskundigen hebben het nakijken. Van de discipelen wordt ook verteld dat zij deze Ene aanbaden, maar dat gebeurt pas aan het eind van het Evangelie. Het wordt vermeld in Matthéüs 28 ‘en toen zij Hem zagen, aanbaden zij…’. Magiërs gaan voorop. De eersten zijn de laatsten, wie nakomt gaat voorop. Het is en blijft een schokkende ontdekking: hoeren, tollenaars en ook magiërs gaan ons voor in het Rijk van God. Wie het Evangelie niet als een schokkend verhaal ervaart, heeft het ingewisseld voor een goedkope streekroman waarvan de plot meer van hetzelfde is en afloop voorspelbaar.
Schok is een dubbeltje op z’n kant. Het kan omslaan in ergernis of in verrassing. Wat daartussen zit, is doorgaans leuterpraat, antiek of modieus gebabbel en schiet niet op. Hoezo, verrassing? Gods familie is groter dan wij denken. In het Oude Testament valt het licht op het Joodse volk, klein en onooglijk, maar daarachter zijn de volkeren van de aarde, nooit uit beeld. Ze horen bij de kring. Ze woeden en woelen, doen zoveel domme dingen, maar toch heeft de God van Israël oog en hart voor hen. Deze God kiest uit, zoals Hij deed en blijft doen met het volk Israël, maar Zijn verkiezing is nooit ten koste van anderen, maar altijd ten gunste van allen.
In het Oude Testament staat een visioen te branden, worden dromen gedroomd, die geen bedrog zijn: in de toekomst zullen de volken komen en buigen voor Hem, de Schepper van alles en allen, de Bevrijdende God. Aan Abraham was gezegd: ‘in u zullen alle geslachten van de aardbodem gezegend worden’.  En Jesaja, om nog een voorbeeld te noemen, heeft de droom zo vertolkt: ‘volken zullen opgaan naar Uw licht en koningen naar Uw stralende opgang’.
Wie nam zulke woorden echt en tot op de bodem serieus? Het hoorde bij de godsdienstige inventaris als museumstukken, maar het was voor de meesten dood kapitaal. De volken kregen wel een kans, maar dan moesten ze eerst een proeve van bekwaamheid afleggen, door de filters van godsdienstige regels en theologische bepalingen heenkomen om geschikt te worden bevonden.
Daarmee is niet gezegd dat kerkelijke patronen en theologische arbeid van weinig of geen waarde zijn, integendeel… Maar soms kunnen ze averechts werken. Al die theologen en kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders in Jeruzalem, dicht bij Bethlehem, weten de weg in de heilige boeken, maar niet de weg naar het Kind, dat Koning is. Magiërs uit het Oosten, die weinig wisten van het verbond, van Abraham, Mozes, Jesaja en zoveel anderen, alleen een ster zagen, kwamen terecht bij het Kind, knielden neer en bewezen Hem hulde.
Opvallend, verrassend is ook dat zij zo zeker zijn van hun zaak. Ze vragen niet voorzichtig: Is het ook mogelijk dat…? Zou het misschien kunnen dat…? Maar recht toe recht aan: waar is de Koning der Joden? Want wij hebben Zijn ster in het oosten gezien en wij zijn gekomen om Hem hulde te bewijzen. De aanbidding, de bevrijdende kennis van God was al begonnen op het moment dat ze op weg gingen. Ze zouden Hem, de unieke Koning bij de gratie Gods, niet zoeken, als Hij hen niet al lang gevonden had.
Deze schok die zich uitwerkt in verrassing, klinkt het hele Evangelie door. Tot een vrouw, uit het gebied van Tyrus en Sidon, het dubieuze vader- en moederland van Izebel, de vrouw van Achab, tot een vrouw uit deze contreien zegt Jezus: ‘O, vrouw, groot is uw geloof’ (Matthéüs 15: 28). Een heidense hoofdman in Kapernaum, die een soldatencatechismus opzegt: zo gaat het toe in het leger, krijgt te horen: bij niemand in Israel heb Ik een zo groot geloof gevonden’ (Matthéüs 8: 10). De dienstdoende officier bij het kruis, ook van heidense komaf, moet bekennen: Waarlijk, dit was een Zoon Gods! (Mattheus 27: 54). Wie nakomt, gaat voorop.
Zo is het ook in de geschiedenis van de kerk gegaan. Bijvoorbeeld in de tijd van de Reformatie. Luther, vogelvrij verklaard, in de ban gedaan; Calvijn, telkens op de vlucht, verbannen uit Geneve, waar hij eindeloos veel sprak en schreef. Zij hebben de toekomst van de kerk en ook van de cultuur in Europa diepgaand getekend. Hoe zal het straks, in de nabije toekomst, verder gaan met de kerk en met de theologie in West-Europa? Misschien komen er straks mensen uit Pakistan of uit Soedan of uit Chili, die ons voorgaan op de weg van het geloof, de hoop en de liefde, met het oog op het Kind dat de Koning van de Joden en van alle volken is.
Schok, verrassing en… troost, eindeloos. Deze mensen, magiërs uit het Tweestromenland, kwamen uit een gebied waar de hemellichamen grondig bestudeerd werden. Astrologie, de leer van al die staten en standen, en astronomie, de wetten die men daaraan ontleende. Die wetten daarboven gelden ook hier beneden. Wetenschap en religie reikten elkaar de hand en liepen eensgezind op. Het lot van ons, stervelingen, staat in de sterren geschreven. Daar valt niets aan te verwrikken. Miljoenen mensen in dat immens grote Romeinse Rijk leefden onder zo’n gesloten hemel.
Ik probeer mij voor te stellen wat dat betekent. Als een vreemdeling, een zwerver slijt jouw je dagen op de aarde, onbemind, niet gekend door iets of iemand, groter dan dit ondermaanse, want het lot heeft geen oog, geen hart voor jou. Een Engelse onderzoeker bracht dit levensgevoel zo onder woorden: ‘I, a stranger and afraid, in a world I never made’, dat is: ‘Ik, een vreemdeling en bang, in een wereld die ik nimmer fabriceerde’. Die godsdienst, die levensovertuiging is nog lang niet uitgestorven, is misschien wel springlevend. Horoscopen spreken tot de verbeelding, ook als mensen er wat lacherig over doen. Is er in deze eindeloze kosmos, dit uitdijende heelal ergens een hart dat voor jou klopt? Of komt alles zoals het komen moet, omdat ook jouw, mijn leven zich in een bepaalde baan beweegt, net als de hemellichamen?
Ik hoor veel mensen over God praten, ik lees wat ze schrijven, en ik denk: je kunt dat woordje God net zo goed vervangen door het lot of door een of andere X, een onbekende macht. Het is allemaal zo koud en kil, terwijl mensen zo wanhopig op zoek zijn naar een stukje warmte, een besef van geborgenheid in de stormen en spoken van het leven. Daarom zijn mensen ook ongeneeslijk religieus. Alleen leven in en met dit platte vlak, dat maakt zo verschrikkelijk eenzaam. Leven onder een koperen hemel, waar in alles komt zoals het komt. Wat heeft het voor zin om hier een poosje te zijn? Wat heeft het per saldo om het lijf?
Aan deze gesloten hemel, aan dit doodse firmament dat zich, naar ons besef, voegt naar wiskundige wetten, straalt een ster. Hoe kwam die ster daar? Ook daar zijn allerlei theorieën over, met ingewikkelde tabellen en statistieken. Het helpt je weinig. Deze ster is een teken van Hem die het harde lot verandert in barmhartigheid, die het harteloze stelsel van de kosmos tekent met Zijn liefde tot de dood, door de dood heen, die de gesloten hemel opent om voorgoed en ‘forever’ bij de mensen te zijn.
En zie, magiërs uit het Oosten hebben het teken verstaan. Zij gaan ons voor. God sluit een verbond tegen het lot. Er straalt een ster, teken van het Kind, dat de Koning is. Hij regeert vanaf het kruis en is in doodstrijd tot aan het einde der wereld en de uitkomst is niet onzeker. Voor zover je nu nog van lot wilt spreken, mag je zeggen, zingen: ‘in Jezus is mijn zalig lot / verborgen bij mijn God’. Mijn kleine, kwetsbare, kostbare bestaan is verankerd in Hem!
===   ===   ===

Mattheüs 3: 15

Jezus echter antwoordde en zeide tot hem: Laat Mij thans geworden, want aldus betaamt het ons alle gerechtigheid te vervullen. Toen liet hij Hem geworden.

Gehouden
*Zondagmorgen 13 januari 2002 in Beekbergen
Bijbellezing OT Jesaja 42: 1-4; NT Mattheüs 3: 13-17
*Zondagmiddag 13 januari 2002 in Ermelo
Bijbellezing OT Jesaja 42: 1-4; NT Mattheüs 3: 13-17
*Zondagavond 9 januari 2011 in Lunteren
Bijbellezing OT Jesaja 42: 1-4; NT Mattheüs 3: 13-17
*Zondagmiddag 9 januari 2011 in Ede
Bijbellezing OT Jesaja 42: 1-4; NT Mattheüs 3: 13-17

In het gebouw van de vreemdelingenpolitie in Amsterdam is het een drukte van belang. Ik zie mensen uit allerlei windstreken onder de hemel: uit Azië, uit Afrika, uit Zuid-Amerika… Het is ook een mengelmoes van talen, die ik niet versta, en een bonte verscheidenheid aan kleding, die mij tamelijk vreemd is.
De sfeer is nogal gespannen en bedrukt. De mensen zijn hier niet om een vakantie te boeken. Het is bittere noodzaak: een doel hebben ze voor ogen, een nieuwe toekomst opbouwen! Door deze moeilijke sluis – het zal niet de laatste zijn! – moeten ze eerst heen.
Te midden van al die ontheemde en ook ontredderde mensen zie ik opeens een gezicht dat mij bekend voor komt. Het kan toch niet waar zijn? Dat is, dat is….koningin Beatrix, ook in een lange, afgedragen jurk en jas, met een hoofddoekje om. Ik zeg, met horten en stoten: ‘Mmmajesteit, u hier?’ Ze knikt en zegt alleen: ‘Laat me maar! Het is goed zo! Dit is mijn volk en dit is mijn huis!’
Een ongelooflijk, onvoorstelbaar verhaal. Als het waar was, zou het direct wereldnieuws zijn. Om misverstand te voorkomen: ik doe niets af aan de betrokkenheid van onze Koningin bij mensen in nood. Maar dit ongelooflijke, onvoorstelbare verhaal helpt ons wel om iets te verstaan van het schokkende wereldnieuws dat Evangelie, Goede Tijding van God, heet. Laten we proberen om verhaal binnen te gaan en eerbiedig naderen, zoals Mozes ooit deed bij de brandende braambos: de schoenen van de voeten, op de wijze van de bedelaar, want de plaats is heilig, geladen met Gods heilzame aanwezigheid.
Johannes preekt, zegt allerlei dingen. Niet voor het vaderland weg, maar naar het Vaderland, het Vaderhuis toe. Hij is in zijn radicale prediking mond van God. Hij doet ook een en ander. Vooral de doop bedienen. Dat is hem zo eigen, dat is zo karakteristiek voor hem, dat hij genoemd wordt en ook te boek staat als Johannes de Doper.
Nog een stapje verder, naderend om te horen. Dopen, nou ja…Laten we ook in dit opzicht ietwat zuinig zijn met onze energie. Is dit echt iets om je over op te winden? Het is, naar ons besef, een min of meer bekend ritueel. Mooi, plechtig, een tikkeltje aandoenlijk… en dat is het wel zo ongeveer. Natuurlijk heeft het ook met God te maken, maar…
Dopen kwam toendertijd in de kring van Israël, in het Jodendom, tussen – laten we zeggen – de tijd van Maleachi en Mattheus regelmatig voor. Het was de zogenaamde proselietendoop. ‘Proselthein’ is een Grieks werkwoord dat betekent: naar iemand naar iets toekomen. De doop werd bediend aan mensen van buiten Israël, aan heidenen, dat zijn: niet-Joden, die onder meer door deze sluis moesten gaan om voortaan bij het volk van het verbond, binnen de lichtkring van Gods trouw en liefde, te behoren. Daartoe was een reiniging nodig om met jouw leven dat van God is, voor Hem te mogen staan, te mogen bestaan.
En nu het schokkende dat Johannes zegt en doet. De rechter staat voor de deur. De bijl ligt aan de wortel van de boom. De wan is in Zijn hand en Hij zal Zijn dorsvloer geheel zuiveren en Zijn graan in de schuur bijeenbrengen, maar het kaf zal Hij verbranden met onuitblusbaar vuur.
In dit licht van Gods gericht vervagen de oude grenzen: niemand kan meer zeggen: ik ben binnen en de ander staat buiten. Zowel Joden als niet-Joden, heidenen hebben geen been om op te staan. Vandaar dat scherpe, schokkende woord van Johannes: ‘Adderengebroed, (…) beeldt u niet in dat u vrijuit gaat door te zeggen: Wij hebben Abraham tot vader…’. Ik denk aan de woorden van de apostel uit de Romeinenbrief: ‘Er is geen onderscheid. Want allen hebben gezondigd en derven (doen afbreuk aan) de heerlijkheid van God’ (3: 23). We zijn, met het beeld waarmee ik begon, allemaal asielzoekers, ontheemd, ontredderd, op zoek naar een ander, een beter vaderland (Hebreeën 11!).
Ik zei zopas, in dat beeld van de vreemdelingenpolitie: Mmmajesteit, u hier? Iets soortgelijks gebeurt hier. Mensen herkennen, erkennen blijkbaar de ernst van de situatie, dit kruispunt van de geschiedenis. Ze komen in drommen naar Johannes, naar die doopplaats in de Jordaan, wellicht vlak bij Jericho, de stad die ook vandaag de dag nog zo vaak in het nieuws is. Onder hen is die Ene, Jezus de Christus, van wie in het voorgaande zulke grootse, geweldige dingen zijn gezegd.
‘Toen kwam Jezus uit Galilea’ – nota bene: doelbewust! uit het Noorden naar het Zuiden! – ‘naar de Jordaan tot Johannes, om Zich door hem te laten dopen’. Johannes weet niet wat hier gebeurt, wie hij nu ziet. Hij stottert verbouwereerd – op de wijze van: mmmajesteit, u hier? dit kan toch niet? dit kan toch niet waar zijn? – : ‘Ik heb nodig door U gedoopt te worden en komt Gij tot mij?’ Met andere woorden: hoort U bij degenen die zich op de komst van de Rechter? Voegt U Zich onder hen die berouw tonen en zich bekeren? Wij, mensen, moeten ons bekeren, omkeren naar U toe! Dit is de omgekeerde wereld! De Rechter die zelf ook aanschuift in de beklaagdenbank. De Heer, dat is: Zijne majesteit tot in de hoogste macht verheven, die knecht wordt!
Wat is hier aan de hand? De Koningin zou – in mijn verhaal – kunnen zeggen: ‘Laat me maar! het is goed zo! dit is mijn volk en dit is mijn huis!’
Ik leg de woorden van deze Ene, Jezus de Christus, hiernaast: ‘Laat mij thans geworden, want aldus betaamt het ons alle gerechtigheid te vervullen’. Je kunt niet zorgvuldig genoeg luisteren. Ik zoek geen spijkers op laag water, maar als je hier snel doorheen vliegt, loop je – om zo te zeggen – met klompen door de porseleinkast. ‘Laat mij geworden…’.
Als ik dat platvloers vertaal, zou ik het zo omschrijven: zit niet aan Me te frunniken en te friemelen; of: probeer Mij toch niet te kneden naar jouw patroon! Anders gezegd, met gevoel voor stijl: respecteer nou toch Mijn geheim! In een van de Psalmen, Psalm 46, staat een regel die vrijwel dezelfde woorden gebruikt: ‘Laat af en weet, dat Ik God ben’ (vers 11). Ik mijmer wat door over deze woorden, omdat ze naar mijn besef, zo wezenlijk zijn. Misschien ligt hier wel de angel, het bitterste en binnenste stukje van alles wat zonde mag heten. We hebben niet de grootste moeite om te accepteren dat er een God boven, buiten ons is; wel dat deze God zich op deze wijze presenteert, zo eindeloos anders dan wij denken en dromen, zo solidair met ons ontheemde, ontredderde bestaan.
En toch is dit de weg, de wijze van Zijn God-zijn. Vandaar die woorden: ‘aldus betaamt het ons…’. Met andere woorden: dit past volmaakt in het patroon van God, de Drieënige, de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Staat er daarom ook dat een meervoudige ons: ‘aldus betaamt het ons…’? Ja, we noemen dat een majesteitsmeervoud, deftig gezegd: een ‘pluralis maiestatis’, zoals de Koningin zichzelf ook aanduidt: ‘Wij, Beatrix, Koningin der Nederlanden…’. Zo zou het kunnen zijn, maar het hele verband, vooral ook het vervolg: de Geest als een duif!, doet anders vermoeden. De Bijbelse tekst is niet het haastige verslag van een journalist die op er het laatste moment, onder druk van de deadline, nog iets door zijn computer heen jaagt. Er is grondig over nagedacht. Er zit spirit in, ten diepste heilige spirit, Heilige Geest. Dat patroon van God wordt aangeduid met het Bijbelse kernwoord gerechtigheid: ‘aldus betaamt het ons alle gerechtigheid te vervullen’. Ook dat woord zijn we kwijtgeraakt of hebben we verkwanseld, zoals Esau en Jakob deden, voor een schotel, een bordje linzenmoes! ‘Zo verachtte Esau het eerstgeboorterecht’, lezen we aan slot van dit Genesisverhaal (25: 34).
Gerechtigheid. We denken dan aan zoiets aan: ieder het zijne, het hare, met als een soort paraplu daarboven: God voor ons allen! Zo’n gerechtigheid brengt de asielzoekers en hare majesteit nooit echt samen. Maar hier geldt: de hoge, heilige God vereenzelvigt zich met het lot, het leed, de angst, de pijn, de schuld en de schande van mensen. Genade geldt als recht. God geeft niet ieder het zijne of het hare – dan waren we nergens meer! – maar Hij geeft Zichzelf aan ieder. Daarom zijn we in Hem geborgen, een leven en een dood lang, en nog verder…
Het is het recht waarvan de profeet Jesaja gesproken heeft: ‘Zie Mijn knecht die Ik ondersteun, Mijn uitverkorene, in wie Ik een welbehagen heb; Ik heb Mijn Geest op Mem gelegd: Hij zal de volken het recht openbaren’. Niet volgens ons patroon, niet naar ons model. Het is geen show. Het gebeurt niet met veel tamtam. ‘Hij zal niet schreeuwen, noch Zijn stem verheffen, noch die op de straat doen horen. Het geknakte riet zal Hij niet verbreken en de rokende vlaspit zal Hij niet uitdoven’. Zelf wordt Hij trouwens wel gebroken en uitgedoofd. Ook dat hoort bij die gerechtigheid van God. Hij ruilt met ons op vreemde wijs: Zijn ondergang is ons behoud, Zijn veroordeling is onze vrijspraak, Zij dood is ons leven. Aldus betaamt het ons alle gerechtigheid te vervullen. Het wordt van Hogerhand bekrachtigd en bezegeld: ‘En zie, de hemelen openden zich en de Geest van God daalde neer als een duif en kwam op Hem. En een stem uit de hemel: deze is Mijn Zoon, in wie ik Mijn welbehagen heb’.
God die Zich in Christus opnieuw presenteert, manifesteert als vriend van zondaren, als makker van onrechtvaardigen, als metgezel van ontheemden en ontredderden. Misschien moet je wel een dichter zijn om dichter bij dit geheim te komen dat ons en deze hele wereld draagt en omvat. Zoals Inge Lievaart, die over deze vreemde vrijspraak schreef:

‘Hier zwijgt het hoge denken: / God trad in ons gemis / om volheid ons te schenken, / zijn dorst bracht lafenis.

Die liefhad bovenmate, / die zich gevangen gaf, / bevrijdt ons uit ons haten, / breekt onze ikzucht af.

Zijn zwijgen voor de rechter / wordt nog door ons gehoord, / door schuldigen en slechten, / als zijn vrijsprekend Woord.

Die vol was van genade / is onze weg gegaan, / het spoor van onze daden / klaagt ons niet langer aan’.

===   ===   ===

Matthéüs 4: 1 – 11

Gehouden op
*zondagmorgen 9 januari 2011 in Welsum
Bijbellezing OT Deut. 8:1-13; NT Mat. 4: 1-11

Maandag 10 februari. De telefoon ging verschillende keren. Geen berichten waar je, om het modieus te zeggen, vrolijk van wordt. Onze Heidi was op bezoek, met haar beide kinderen. Ik vertelde aan tafel, met behoud van privacy natuurlijk, wat mensen met mij wilden delen.
‘Is het hier altijd zo’n alarmcentrale?’ vroeg Heidi. Ik zei, ietwat geruststellend: ‘Nou, dat valt wel mee, maar vandaag was het wel een springvloed van zorgelijke berichten’.
Hoe ga ik daarmee om? Door omgang te zoeken met mensen, door te luisteren naar hun verhalen, door samen te bidden en te werken om het Verhaal van God op het spoor te komen, in de hoop dat dit Verhaal van de Levende verweven wordt met ons levensverhaal. Deze ervaringen onderweg, over en weer, kleuren ook de eredienst, in het bijzonder de gebeden en de prediking. Ik zou wanhopig worden, binnen de kortste tijd totaal overspannen, als ik zou moeten putten uit mijn voorraad gedachten over God.
Rampzalig, maar toch… Ik vrees dat het te vaak gebeurt. De grote Karl Barth, kerkvader van de twintigste eeuw, zei ooit, niet zonder bitterheid: ‘Ik moet de eerste theoloog nog tegenkomen die Gods gedachten over hem minstens zo serieus neemt als zijn gedachten over God’.
Ik put dus niet uit mijn eigen magazijntje, maar ga opnieuw in de leer bij de woorden die het al eeuwen lang hebben uitgehouden. Daar en zo is licht, zegen te verwachten, vooral als de donkerheid, de somberheid toeslaat. Over tien, twintig jaar zijn mijn woorden vergeten, maar het Woord van God houdt eeuwig stand. Daarom lees ik gewoon – wat heet ‘gewoon’? – wat er staat en ik zie al die gezichten van mensen die mijn paadje kruisen erom heen.
‘Toen werd Jezus door de Geest naar de woestijn geleid om verzocht te worden door de duivel’. Op weg naar Pasen, in deze lijdenstijd, zo u wilt: op deze eerste zondag in de veertigdagentijd, klinken deze woorden in heel veel kerken, waar de Schrift met enige orde, met respect ook voor de traditie van zoveel eeuwen, wordt gelezen.
Die eerste regel rammelt, op het eerste gehoor, aan alle kanten. Op de wijze van een jochie dat een leeg conservenblik met een touwtje aan zijn fiets gebonden heeft. Kan ik aan deze wonderlijke regel gedachten ontlenen met het oog op Gert-Jan die voor de zoveelste keer in het ziekenhuis is opgenomen, met het oog op Joke bij wie opnieuw kanker is geconstateerd, met het oog op mijn vriend en collega Philip, die blind geworden is, braille leerde en zo een dissertatie schreef over tragiek in de schepping, met het oog op Jan en Johanna, de familie Bijkerk en zoveel anderen?
Gedachten ontlenen….Dat zou betekenen: de Bijbeltekst is de eerste trap, waarmee je op eigen kracht omhoog klautert. Dan is de heilige tekst een hulpmiddel en hangt de zorg voor, de zegen van mensen uiteindelijk toch van jouw mooie, aanstekelijk werkende gedachten af. Het klinkt allemaal zo goed, maar het is superslecht, de dood in de pot, omdat jouw gedachten over God voorrang hebben boven Gods gedachten over jou, verwoord in Zijn heilig Woord. Dat zou stinkende hoogmoed zijn die voor de val komt en in die val sleur je anderen mee.
Ik hoor de Stem van de Levende zeggen: ‘Nee Marchal, zo zijn we niet getrouwd! Je hoeft geen redenen te bedenken om een redenaar te worden, je bent immers alleen maar dienaar van het Woord! Lees, wat er staat, laat dat tot je doordringen en verder vooral geen fratsen, want die zijn dodelijk.’
‘Toen werd Jezus…’ Wanneer was dat? Lees maar wat er staat, direct ervoor. Jezus wordt gedoopt. Hij gaat onder in het water. Als Hij weer boven is gekomen, gaat de hemel open, ziet Hij de Geest als een duif neerdalen op Hem. En dan verder – lezen, lezen, dan heb je ook geen tijd om te gaan fantaseren – ‘een stem uit de hemel zei: Deze is Mijn Zoon, de Geliefde, in wie Ik een welbehagen heb’. Wat betekent dat, vooral die aanduiding ‘Mijn Zoon’?
Als ik een poging mag wagen, niet uit de losse pols, maar bij de hartslag van de Schrift: zo ben Ik, God, het meest nabij; als twee druppels water en dichterbij kan Ik niet komen; zo is Mijn weg bij jullie, mensen, zo teken Ik mijn God-zijn ten diepste uit. Het blijft stamelen en stotteren, maar dit gehakkel heeft de klacht van een Beeldenstorm. Al die beelden van een Allerhoogste, hoog en droog, ver van het aards gewemel en gezemel, aan diggelen. Gij zult u geen beeld van God maken. Hij schept Zijn eigen beeld, ‘live’, in Hem die de Zoon wordt genoemd, die afdaalt naar de laagste plaats, in de doop die al een vorm van sterven is.
Als je dit serieus neemt, dan komt de schuld, de pijn, het verdriet van ons, mensen, in een ander licht te staan. Onze gedachten over God zijn veelal een repeterende breuk, roepen steeds meer vragen op, waar je in verstrikt en zelfs verstikt raakt.
Toen, nog druipend van het doopwater, werd Jezus, de Zoon, sprekend God, door de Geest naar de woestijn geleid…De Geest, dat is God in actie naar ons toe, zelfs: in actie in ons bestaan, want Hij wil in ons wonen en werken. Wat doet die Geest, van Hogerhand actief in ons lage, veelal ook lege bestaan? In charismatische kringen, in Pinkstergroepen, staan de gaven van de Geest hoog op de agenda. Er wordt dan gewezen, met een beroep op de Bijbel, met name op de brieven van de apostel Paulus, op gaven van genezing, op tongentaal, dat wil zeggen: spreken boven de gewone taalgrens, op profetie, op bijzondere krachten.
Ik zeg er geen kwaad woord over, want in heel veel kerken wordt een en ander eenzijdig verdonkeremaand. Dat is vragen om problemen, ook het probleem van eenzijdige nadruk juist hierop. Heel veel anderen, niet alleen binnen, maar vooral ook buiten de gangbare kerken, spreken over de Geest als een Gids naar binnen, om de diepere lagen van je mens zijn te ontdekken, of als een Gids naar boven, die een mens uittilt boven de modder, de misère van dit bestaan.
Het Latijnse voor Geest is ‘Spiritus’, waarvan ook het woordje spiritualiteit is afgeleid. Als je in een boekhandel gaat zoeken bij het trefwoord ’Spiritualiteit’, dan vind je boeken in overvloed. Noem het woordje ‘spiritualiteit’ in een kring van mensen die wel iets meer willen dan de wereld van het platte vlak en ieder kijkt je welwillend aan en knikt instemmend.
Het woord van de apostel Johannes in zijn eerste brief is ongekend actueel: ‘Geliefden, vertrouwt niet iedere geest, maar beproeft de geesten of zij uit God zijn’ (4:1). Er zijn veel kapers op de kust en beunhazen op de bouw.
‘Toen werd Jezus door de Geest naar de woestijn geleid’. De woestijn, dat is wel de laatste plaats waar wij aan denken. Wij hebben geen woestijn in onze omgeving. Het Kootwijker Zand is veel te paradijselijk om echt te beseffen wat woestijn betekent. Plaats van eenzaamheid, van troosteloosheid, van verzengende hitte, van versmachtende dorst. Een kameel is er een beetje op gebouwd, maar een mens kan daar niet aarden.
De woestijn speelt in de geschiedenis van Israël een voorname rol. Het is de plaats waar je alleen maar bent aangewezen op God, op Zijn ontferming. Met de woorden van een oud lied: ‘moede kom ik, arm en naakt, tot de God die zalig maakt’ Je bankrekening is niet meer waard dan een willekeurig stukje oud papier, je status speelt geen enkele rol, je titels helpen je ook niet verder. Als Israël die gehoorzaamheid aan God weer aan de sandaal lapte en dit radicale Godsvertrouwen met de vrijerij met andere goden en machten mengde tot een grote hutspot, niet te eten, dan klinkt het Woord, de Stem van de Gepijnigde Liefde, door de mond van Hosea, de profeet: ‘Ik zal Mijn bruid, Mijn Geliefde, lokken en haar leiden in de woestijn, en spreken tot hart. (…) Dan zal zij daar zingen als in de dagen van haar jeugd, als ten dage toen zij trok uit Egypte’ (2: 13-14).
Waarom wordt Jezus, de Zoon, sprekend God door de Geest naar de woestijn geleid? Er staat – woorden die het langer uitgehouden hebben dan alles wat theologen bedacht, gezegd, geschreven hebben – om verzocht te worden door de duivel! Een test dus, een krachtmeting tot op de bodem. Waar is dat goed voor? Is het goed voor Hem of is het misschien eerder goed voor ons? Ik denk het laatste: dat wij zouden weten, om nooit te vergeten, dat Hij door en door betrouwbaar is en zo, in de laagte, in de diepte, God wil zijn, God met ons.
De duivel maakt het er niet gemakkelijker op. Ik weet niet zo goed wie hij is, ook niet waar hij vandaan komt. Ik heb tientallen kaartjes met treffende citaten, opgeschreven in de loop der jaren om enige helderheid te krijgen in dit donker. Ik noem de woorden van twee voorgangers, die ik zeer hoogacht. Tom Naastepad, van Rooms-katholieke huize: ‘Vraag mij niet wie of wat de duivel is. Ik verdiep mij daar niet in, evenmin als in demonen; ze zijn niet interessant. Maar zeg niet dat de duivel, de boze, er niet is. Want dan valt ge vandaag nog in zijn verzoeking’.
En verder: professor J.T. Bakker, van Gereformeerde huize, Lutherkenner bij uitstek: ‘We denken misschien, dat wij psychisch gezonder geworden zijn, sinds we de duivel (ook theologisch) ‘afgeschaft’ hebben, maar onder de gladde oppervlakte van de moderniteit (van het moderne levensgevoel) zweert het verder’.
De duivel, ook al weet ik niet wie hij is en vanwaar hij komt, ik weet wel wat hij uitvreet, letterlijk en figuurlijk: het voedsel weghalen en mensen uitmergelen. Deze dood is zijn brood. Het liefste wat hij wil en waarvoor hij, de schoft, alles over heeft, is dat God een Opperwezen is, hoog en droog in de hemel, dan kan hij op aarde ongestoord zijn gang gaan. Hij wil niet dat de Zoon, sprekend God, zo nabij komt, dat Hij zich laat dopen en de weg van het kruis gaat. Daarom wordt Jezus, de Zoon, door de Geest naar de woestijn geleid om verzocht te worden door de duivel. Hij, God, in de gestalte van de Zoon, durft deze confrontatie wel aan. En wij mogen weten dat de broodvraag beslist is, zo ook de vraag naar de geborgenheid, evenals de machtsvraag.
Wat ons in leven houdt, dank zij deze God, is het Woord dat uit Zijn mond uitgaat. Wij zijn geborgen in Zijn hoede, een leven en een dood lang, en nog verder, en hoeven dat niet uit te proberen, want het is waar omdat God het zegt en daar moet je niet aan frunniken. En de macht wordt niet uitbesteed, omdat Hij deze zelf in handen houdt, in handen die doorboord zijn. Voortaan weten we dat de duivel strijdt voor een verloren zaak, dat de verzoening het wint van de schuld, dat de dood uiteindelijk het onderspit moet delven. We leven, we lachen en we huilen, we gaan onze weg met vallen en opstaan in het licht van Pasen. Met de onsterfelijke woorden van Psalm 139:

‘Zei ik: Duisternis moge mij overvallen,
dan is de nacht een licht om mij heen;
zelfs de duisternis verbergt niet voor U,
maar de nacht licht als de dag,
de duisternis is als het licht.’

===   ===   ===

Matthéüs 11: 25
-30 tekst: 28

Komt tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven; neemt mijn juk op u en leert van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart, en gij zult rust vinden voor uw zielen

Gehouden op
*zondagmorgen 20 januari 2008 in Beekbergen
Bijbellezing OT Ezra 6: 3-5; NT Matthéüs 11: 25-30
*zondagmorgen 29 juni 2008 in Enter
Bijbellezing OT Jesaja 55: 1-2; NT Matthéüs. 2: 28-30
*zondagmorgen 13 februari 2013 in Welsum
Bijbellezing OT Jesaja 55: 1-3; NT Matthéüs 11: 28-30

Ik heb een plaatje gezocht bij deze bekende Bijbeltekst. Een man op een fiets, met een grote bos takken en andere dingen op zijn bagagedrager. ‘Lastdrager’ staat er onder. Ik had ook een foto mee kunnen nemen van vrouwen in Ethiopië, uren lang lopend in de brandend hete zon, met enorme lasten op de schouders takken, zakken met meel, balen hooi en zoveel meer. Een vergroeide rug. Als ze niets dragen, lopen ze nog krom.
Vermoeid en belast… Geldt dat alleen mensen ver weg? De buitenkant, het lichaam kun je fotograferen, maar hoe zit het met de binnenkant, je geest, je psychische gestel? Voor talloze mensen is de draaglast, wat het ook moge zijn, groter dan de draagkracht.
Een stem zegt: ‘Komt tot Mij, allen, vermoeid en belast zijt…’ Zo’n geluid klonk en klinkt vaker. Op het veld van de commercie, de markt van vraag en aanbod, van de politiek met programma’s waarin bijna een hemel op aarde wordt beloofd, van de godsdienst, de religie, met allerlei profetische figuren en goeroeachtige gestalten. Komt allen en u zult wat beleven…! Vanwege alle teleurstellingen en frustraties op die markten van welzijn en geluk, is het moeilijk om onbevangen te luisteren naar zo’n Bijbeltekst, die we bovendien van buiten kennen, en ook dat is niet altijd een voordeel.
Ik ga in de leer bij een voorganger in het luisteren. Ik heb zoveel leermeesters, aan wie ik met groot respect, ook niet zonder heimwee, terugdenk. Ik denk zo vaak: kon ik nog maar even met u praten; wat zou u zeggen met het oog op…?
Een man die ik nooit zal vergeten, is professor J.M. Hasselaar, overleden in 1992. Uiterst bescheiden, ook ietwat schuchter. Hij zei nooit een woord te veel. Het was altijd raak. Hij had een spraakgebrek, waardoor hij des te zorgvuldiger zijn woorden koos. Na college draaide hij vaak een shaggie – Unic, ik weet het merk nog! – en praatte met ons, uit oprechte belangstelling. Hasselaar tekent bij deze Bijbeltekst aan: ‘Jezus zegt wat in laatste ernst alleen aan God voorbehouden is’. Een schot in de roos! De Meester had ook kunnen zeggen: komt in Mijn leerhuis en bezint u met Mij op de geboden en beloften van God. Dan was hij een rabbi geweest, zoals er velen waren. Hij had ook de rol van een goeroe, een spirituele gids kunnen kiezen om met jou onder te duiken in de diepzee van je eigen bestaan, in de hoop daar allerlei parels te vinden. Dan was Jezus, hoe dan ook, een van ons. Een aantal steken dieper, een stel sporten hoger levend, maar toch… een van ons.
Nu zegt Hij wat alleen de Hoog-Heilige, God, alleen vermag te zeggen. Ik denk aan twee teksten van Jesaja: ‘Komt en laat ons tezamen richten, zegt de HEER’ (1: 18). En: ‘O, alle gij dorstigen, komt tot de wateren, en gij, die geen geld hebt, komt, koopt en eet…’(55: 1). In deze Ene, Jezus, hebben we dus met God zelf te maken. Ook het voorgaande vers spreekt in dit verband duidelijke taal: ‘Alle dingen zijn Mij overgegeven door de Vader en niemand kent de Zoon dan de Vader, en niemand kent de Vader dan de Zoon en wie de Zoon het wil openbaren’. Die geluiden klinken alom in het Nieuwe Testament. Hasselaar raakt de kern van de Zaak: ‘Jezus zegt wat in laatste ernst alleen aan God voorbehouden is’.
‘Komt tot Mij…!’ Voor de Joden, terecht zo gehecht aan de enigheid van God, een ergernis. De geloofsbelijdenis van Israël was en is: ‘Hoor, Israël, de HERE is onze God, de HERE is een’ (Deuteronomium 6: 4). Daarover gaan ook telkens de twistgesprekken, uitmondend in de beschuldiging van Gods laster: Hij stelt zichzelf gelijk met God! Over die ergernis lezen we ook aan het begin van hoofdstuk 11, het antwoord aan Johannes de Doper: ‘Zalig is wie aan Mij geen aanstoot neemt’ (11: 6). Aanstoot nemen! Hetzelfde werkwoord als: je ergeren!
Ineens gaan allerlei andere Bijbelse akkoorden meeklinken. De apostel Paulus schrijft in zijn eerste brief aan de Korintiërs: ‘voor Joden een aanstoot, voor heidenen een dwaasheid’ (1: 23). Heidenen worden ook aangeduid met ‘Grieken’. Alle weldenkende mensen buiten Israël. Als je dat door vertaalt naar nu, mag je ook zeggen: ‘het humanistisch levensgevoel’.
We leven, althans in het Westen, in een cultuur, waarin alles moet kunnen. Op de wijze van mensen in een supermarkt of bij een lopend buffet. We stellen ons eigen levenspakket samen, ook in godsdienstig opzicht. Het moet allemaal goed voelen. Waar is wat voor jou van waarde is. Begrijp me goed: ik zou niet graag willen dat een paar leiders, inclusief kerkelijke leiders, het rantsoen voor ons samenstellen op de wijze van: slikken of stikken! Een dictatuur, vooral een geestelijke dictatuur, is wel het ergste wat er is. Maar deze vrijpostigheid, vrijblijvendheid in de supermarkt van het leven, bij het lopend buffet van ons bestaan, staat op gespannen voet met deze stem van Godswege: ‘Komt tot Mij!’
Je kunt nooit slordig met de waarheid omgaan. Dan pleeg je verraad aan alles en allen. Betekent dit dat wij, christenen, nader bepaald: protestanten, nog nader: Hervormden, nog weer nader: van orthodoxe, van confessionele signatuur, betekent dit dat wij goed zitten, het dichtst bij de waarheid zijn? De waarheid wordt nooit een bezit van ons, maar blijft altijd een Persoon buiten ons: deze Jezus, in wie God Zelf ons tegemoet komt. Joden en Grieken, Moslims en Hindoes, Boeddhisten, dichter bij huis: Oud-Gereformeerden, Links-Vrijzinnigen, Pinksterkringen, worden geroepen door en tot deze Ene. Dat strookt niet met onze levensfilosofie, maar deze Jezus zegt wel dat al het heil in Hem besloten is. Van tweeën een: het is de grootste waanzin, godsdienstwaanzin, of het is de diepste waarheid. Wie zichzelf gaat verheffen boven anderen, wie zich iets verbeeldt, toont daardoor dat hij of zij er vrijwel niets van begrepen heeft. Ja, misschien wel begrepen met je hoofd, maar niet verstaan met je hard, met het klokhuis van je bestaan.
Wie zullen deze roepstem, dit Evangelie als eersten verstaan? Niet de geslaagden, niet zij die het allemaal gemaakt hebben, wat dit ‘het’ ook moge zijn, maar allen die vermoeid en belast zijn. Dat volkje ziet er anders uit, zit anders in elkaar dan met de neus omhoog, de duimen achter het vest.
Vermoeid en belast. Met dit plaatje zijn we begonnen. Je ziet deze lastdrager op de rug. Ik probeer zijn gezicht ook te zien. Eerst het gezicht van mensen tot wie Jezus daar en toen sprak. Het zijn de scharen, zo u wilt: de familie Doorsnee, van Joodse huize. Even eerder, in hoofdstuk 9, lezen we: ‘Toen Jezus de scharen zag, werd Hij met ontferming over hen bewogen, omdat zij voortgejaagd en afgemat waren, als schapen die geen herder hebben’ (vers 36). Wel leiders, ook godsdienstige leiders, maar geen herders. Mensen gingen gebukt onder een veelheid van geboden en verboden. Met de geboden van God is niets mis. Integendeel! Ze zijn, zo schrijft de apostel Paulus, heilig en goed. Maar zodra de schriftgeleerden er de hand op leggen, er een sluitend systeem van maken, gaat het mis. In plaats van een staf om te gaan, worden de geboden een stok om te slaan. Het systeem was daar en toen doorgerekend tot 613 punten. Daar moest je aan voldoen, wilde het nog iets worden tussen God en jou. Tel uit je winst, dat wil zeggen: je verlies. De kans dat je onderweg onderuit gaat, is levensgroot. Er waren ook zogenaamde vrije groepen, maar die waren bij nader inzien niet zo vrij. Je mocht alles zeggen, alles denken, mits je – in wielrenners termen – bij het peloton bleef. Als achterblijver was je vrijwel niets, bijna niemand meer, maar lastdrager bleef je.
‘Komt tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijt …!’ Ik probeer het plaatje – in computertaal – te ‘updaten’ naar hier en nu. Aan het begin zei ik al: de buitenkant, het lichaam, kan je fotograferen, maar hoe zit het met de binnenkant, je geest, je psychische gestel? Ik noem nog een kanttekening van professor Hasselaar bij deze tekst. Hij schrijft: ‘Velen zijn moe, omdat de angel van teleurstelling en verbittering hun leven vergiftigd heeft’.
De angel van teleurstelling…! Ik zie dat voor me, in groter en kleiner verband. De grote politieke systemen – socialisme, communisme, liberalisme – hebben niet gebracht wat ze beloofden. Eerder het tegendeel. Ooit schreef iemand – de Engelse filosoof Karl Popper -: De poging de hemel op aarde te verwezenlijken, heeft altijd weer geleid tot de hel’. Teleurstelling slaat zomaar door naar verbittering en dan is de stap naar fanatiek gedoe met de moed van de wanhoop niet ver meer.
De angel van teleurstelling en verbittering… Dat gebeurt ook in kleiner verband. De draaglast groter dan de draagkracht. Met alle psychische gevolgen van dien: overspannen, depressief, opgebrand. Mensen in de hulpverlening kunnen de wachtlijsten niet aan.
‘Komt tot Mij, alles, die vermoeid en belast zijt…!’ Komen, hoe dan? Door het Evangelie, de boodschap van Gods vreemde vrijspraak, ter harte en ter hand te nemen. Door te laten gelden, ondanks alles en door alles heen: ik ben aanvaard, ik word bemind, ik mag er zijn, met al mijn deuken en wonden, lekken en brekken, schrammen en scheuren, om Christus’ wil. Dat is een ander juk, een andere last. Van de vergeving, van de verzoening, van de ontferming, van de hand, de doorboorde hand van Christus, die op je schouder rust geven. Dat juk is zacht. Die last is licht. Al doende, zegt de HEER, zal Ik u rust geven.
Rust betekent in de Bijbel dat je tot je doel, tot je bestemming komt. De rustdag is de dag die alles weer in het goeie verband, in het juiste perspectief zet. Het kan niet toevallig zijn dat het hierna, aan het begin van hoofdstuk 12, over de rustdag gaat, over de rustdag gaat, uitmondend in: de Zoon des mensen is heer over de sabbat! De HEER God doet het eigenlijke werk, legt een vlonder onder jouw bestaan, en Hij zal dat werk tot een goed, einde brengen.
Lastdrager! Ik vond een gebed van de kerkvader Augustinus. Hij leefde van 354 tot 430. Daarmee wil ik besluiten:

‘Gij zijt begonnen mij anders te maken.
En Gij weet hoever Gij al met die verandering gevorderd zijt.
Gij die, om te beginnen, mij genezen hebt
van mijn zucht naar zelfrechtvaardiging,
tegenover al mijn andere ongerechtigheden.
Gij die mijn kwalen heelt
en mijn leven bevrijdt uit het verderf
en mij omkranst met medelijden
en barmhartigheid
en mijn verlangen verzadigt met goede gaven.
Gij die mijn hoogmoed kleingekregen hebt
door ontzag voor U
en mijn nek gedwee gemaakt hebt voor uw juk.
En nu draag ik dat juk
en het is zacht voor mij,
omdat Gij het zo beloofd en gemaakt hebt.
Het was dat al eerder, ongetwijfeld,
maar ik wist het niet,
toen ik nog bang was om het op mij te nemen.