Marchal


2003-03-30 Blijven of weggaan

Blijven of weggaan

O.T. Jozua 24:14-16; N.T. Johannes 6: 60-71

Blijven of weggaan…? Het lijkt alsof je die keuze zelf in de hand hebt. Dat is lang niet altijd het geval. Ik zal een paar voorbeelden noemen: 
Ik ben krijgsgevangene in Irak. Het maakt even niet uit of ik Irakees, Brit of Amerikaan ben. De tegenstander heeft mij hoe dan ook te pakken gekregen. Blijven is het wachtwoord. Weggaan is niet aan de orde. Ik probeer mij voor te stellen hoe dat voelt. Of hoe het voelt als – nog erger –  een van mijn kinderen daar bij zou zijn: overgeleverd aan de vijand, misschien wel getoond op de televisie. Om gek van te worden…! 
Een ander voorbeeld blijft iets dichter bij huis: Ik heb een baan bij een bedrijf dat alom de wind tegen heeft omdat de markt oververzadigd is. Als ik wegga, sta ik zeker op straat, met alle risico’s van dien. 
Laatste voorbeeld: ik ben gehandicapt en dus aangewezen op dure, intensieve zorg. Weggaan? Hoe dan? En waarheen? 
Onze keuzevrijheid is bij nader inzien nogal beperkt. Je bent meer gebonden  dan je vaak waar wilt hebben. 
Met het geloof en met de kerk ligt het misschien wat gemakkelijker. Het is een soort extraatje dat je eventueel ook wel kunt missen. Net als een blinde darm. Als die weggaat, is je leven er doorgaans niet mee gemoeid. Laten we die vraag – blijven of weggaan? – eens testen aan de hand van verhalen uit de Bijbel. 
We lezen het slot van Johannes 6. Blijkens het begin van dit hoofdstuk heeft en doet Jezus iets met mensen. De belangstelling is overweldigend: vijfduizend mannen. Tel daar nog eens de vrouwen en de kinderen bij. Dan heb je een enorme club. 
Wat heeft al die mensen op de been, in beweging gebracht? Die ene mens, Jezus, die zulke aparte dingen zegt en doet. Hij deelt tussen de bedrijven door ook brood en vis uit. In en door Zijn handen wordt het vermenigvuldigd. Er is genoeg voor allen en nog ruimschoots over. De mensen vermoeden terecht dat dit, dat Hij iets met God te maken heeft.  
Maar als Jezus dat gebeuren van het brood en van de vis gaat uitleggen, dan loopt het mis. Het enthousiasme zakt als een pudding in elkaar, slaat ook om in ergernis. Wat Ik deed en gaf, zegt Hij, wijst heen naar mezelf. Het is geen hocus pocus, geen show, geen publiekstrekker. Zoals dit brood gebroken wordt, zo laat Ik mijzelf breken ter wille van de mensen, wereldwijd. Wat de wereld, met alles wat d’r op en d’r an zit, draagt en bewaart, is niet een grote mond, ook niet een dikke vuist, evenmin een volle portemonnee, maar een offer. En dat niet zomaar, het is een offer van Gods kant. 
Dat is een zwaar woord: offer. Je loopt erom heen en je probeert er dichter bij te komen. Bijvoorbeeld door te zeggen: offeren is geven in de hoogte graad. Anders gezegd: leven dat leeft, steunt op leven dat sterft. Het blijft stamelen en stotteren. Iemand zei: ‘Tegen de tijd dat je ’t kunt weten, ben je versleten.’ Of met de woorden van een lied: ‘Leer Mij, o Heer, Uw lijden recht betrachten, in deze zee verzinken mijn gedachten.’
‘Ik ben het brood des levens’, zegt Hij. Brood voor de wereld. Dat is óf de hoogste waanzin óf de diepste waarheid. De meeste mensen, daar en toen, vonden het waanzin, in elk geval: onzin, prietpraat. Ze gaan weg, voelen zich niet meer betrokken. Misschien al mopperend: ze bekijken het maar! Misschien geruisloos: weer een teleurstelling, een kaarsje gedoofd. ’t Lijkt wel een beetje op kerkverlating. Een beetje, want de kerk, al heet ze dan ook lichaam van Christus, is niet gelijk aan Jezus zelf. De kerk vaarwel zeggen betekent niet altijd breken met het geloof. Daarom zei ik: ’t lijkt een beetje op kerkverlating. Sommige mensen zeggen duidelijk: mij niet meer gezien. Er zijn ook bosjes mensen die geruisloos verdwijnen, weggaan zonder groeten.
Van ruim vijfduizend naar een handjevol. Dat is een aderlating! Jezus ziet ze gaan en zegt dan, met het oog op de twaalf discipelen: ‘Jullie willen toch ook niet weggaan?’  Wonderlijke vraag. Het is de toon die de muziek maakt. Als je die vraag uit het verband haalt, kun je er allerlei geluiden in horen. Onverschilligheid. Op de wijze van: ’t zal mij een zorg zijn! 
Dat klopt niet met de rest van het Evangelie. Het laat Jezus alles behalve koud wat mensen zeggen en doen. We lezen – om een voorbeeld te noemen – dat Hij huilde over Jeruzalem en zei: hoe vaak heb Ik u naar mij toe geroepen zoals een kloek doet met haar kuikens? 
Is het dan angst misschien? Zo van: als jullie ook weggaan, dan ben Ik nergens meer! Ook dat kan het niet zijn. Er wordt in het Evangelie wel verteld dat Jezus angst had. Vooral in de hof van Gethsemane. Niet zozeer vanwege de discipelen die allemaal op de loop gingen, maar vanwege het offer dat niemand met Hem kon delen. Geen onverschilligheid dus. Ook geen angst. Wat dan wel? Een afgezaagd woordje, maar wel het hart van de zaak: liefde. Liefde is ook de kunst van het loslaten. Je helpt de ander om bewust een keus te maken en elkaar zo, van harte, nabij te zijn. 
Blijven of weggaan? Er is er één in de kring, die reageert. Heel echt, puur, en daarom zegt het zoveel: ‘Here, tot wie zullen we heengaan?  U heeft woorden van eeuwig leven.’ Deze reactie komt van Simon, ook wel Petrus genoemd. Later sloeg hij plank nog vaak mis, zei hij dingen die niet helemaal of helemaal niet in de roos waren. Over deze man staan minder fraaie dingen in het Evangelie, maar wat hij hier zegt is goud waard, zelfs meer dan dat. Tot wie zullen we heengaan? 
Ik herken mijzelf in deze vraag die iets heeft van een verzuchting. Er wordt zoveel gezegd, beloofd, geshowd, getrokken, gepeuterd aan mensen. Het is nooit anders geweest. In het groot en in het klein. In het groot zijn er hele systemen bedacht en in werking gezet om mensen een betere toekomst te bieden: socialisme, communisme, liberalisme, kapitalisme, idealisme. Is het er beter op geworden? Mensen zijn allergisch geworden voor grote woorden. Ook op kleinere schaal is en wordt zoveel beloofd. Met bijbedoelingen, maar vaak ook heel oprecht. Soms wordt het wat, soms blijkt het niks te zijn. 
Tot wie zullen we heengaan? Vooral als het spannend wordt, als de zaak op scherp komt te staan. U hebt woorden van eeuwig leven. Woorden die niet stuk te krijgen zijn! Onze woorden zijn vaak zo kort van duur en klein van kracht. Net als bij de verzekering. Als het echt gaat spannen, zijn er allerlei kleine lettertjes waardoor de grote woorden niet meer gelden. Zo gaat ook met ons geloof. Het is soms, vaak, zomaar weg. 
Dat heeft diezelfde Simon Petrus aan den lijve ervaren. Hij overschatte zichzelf met zijn: ‘Ik zal dit, ik zal dat!’ Het spatte als een zeepbel uit elkaar. Geloven betekent ook: afzien van jezelf, opzien, uitzien naar Hem, die als enige woorden van eeuwig leven heeft. 
Ik kom nog even terug op dat woordje kerkverlating. De kerk valt niet samen met Jezus Christus, die de Heer is. Niet de kerk heeft woorden van eeuwig leven. Het is wel de plaats bij uitstek waar die woorden bewaard worden. Niet opgesloten als in een kluis, maar bewaard om ernaar te luisteren en er iets mee te doen. De kerk heeft alleen toekomst als ze die woorden van eeuwig leven eerbiedig en zorgvuldig doorgeeft en voorleeft. 
Zo’n plek, zo’n plaats van licht en hoop, waar iedereen welkom is, is broodnodig in deze wereld. Ik weet wat er gaande is in en om de kerk. Ik word er lang niet altijd vrolijk van. Maar als die Ene, Jezus Christus, in het midden staat, het hart van de kring is, dan kom je telkens weer op verhaal, dan schep je moed. Dan weet je opnieuw: wat Hij zegt en doet, ook naar mij toe, dat kan nooit meer stuk. 

5.489 Responses to 2003-03-30 Blijven of weggaan