Marchal


2008 Anders liggen (2)

God beminnen en de goddelozen op de koop toe nemen? 

‘Als een tekst u niet ligt, moet u zelf anders gaan liggen’. Een gevleugelde uitspraak van prof. A.J.Th.Jonker (1851-1926). Gert Marchal hamert in deze zomerserie op een aantal weerbarstige bijbelteksten. Al doende noemt hij ook voorgangers in de smidse van de Schrift, die doorgaans zo gauw vergeten worden. Vandaag Psalm 139, vooral de verzen 19-22.
Psalm 139 is een onvergetelijk lied. Het wordt helaas ontsierd door een paar verzen, die we stilletjes overslaan, snel willen vergeten. Het slot is dan weer mooi. Een gebed, waarin we ons goed kunnen vinden (23-24). Het harmonieert met de verzen 1-18, maar dat voorlaatste intermezzo lijkt toch een akelige dissonant. 
Een kernwoord in de Psalm is ‘kennen’. Wij worden van Godswege gekend. Kennen en beminnen zijn vrijwel synoniem. Dat liefdevolle kennen van God omvat ons vanaf het allereerste begin (13-16). Ook ons levenseinde kan daarom niet het einde zijn (7-12). In dit verband hebben de goddelozen geen bestaansrecht. Het gebed wil hun einde bespoedigen: ‘God, breng de zondaars om, – weg uit mijn ogen, jullie die bloed vergieten – ze spreken kwaadaardig over u, uw vijanden misbruiken uw naam. Zou ik niet haten wie u haten, Heer, niet verachten wie tegen u opstaan? Ik haat hen, zo fel ik haten kan, ze zijn mijn vijanden geworden’ (19-22). Om de Psalm recht te doen en als bijbellezer niet van de wijs te raken, ga ik in de leer bij twee respectabele voorgangers. 
Jan Koopmans (1905-1945)
Koopmans was predikant in Amsterdam, toen een ‘verdwaalde kogel’ uit een Duits geweer hem dodelijk trof. Hij stierf op 24 maart 1945. In zijn Laatste Postille (na zijn dood verschenen, in 1947) zijn preekschetsen opgenomen, verbonden met zijn zondagse diensten in de oorlogsjaren (meestal in de Noorderkerk). Onze moeite met de verzen 19-22 hangt, aldus Koopmans, onder meer samen met het feit dat we over de verhouding liefde-en-haat niet bijbels, maar humanistisch denken. ‘En was het humanisme wellicht de verleiding van een vorige generatie, ons bedreigt een ander gevaar, namelijk de al te gretige instemming met de verzen 19-22)’. Even verder vraagt Koopmans: ‘Ligt hier niet juist een van de beperktheden van het Oude Testament, die in het Nieuwe zijn overwonnen? Wordt ons niet in Mattheüs 5:43-48 het wonder van de christelijke gerechtigheid geleerd, die haar grond en haar kroon vindt in de volmaakte liefde, de liefde welke haar aanleiding niet vindt in haar object?’ Hoe valt dat te rijmen? Hier is niets te rijmen. De liefde uit Mattheüs 5 sluit de haat uit Psalm 139 niet uit, maar in. Haat is in de bijbelse zin ‘synoniem met de profetische en goddelijke toorn. Het betekent een radicaal neen-zeggen tegen de zonde – èn tegen de zondaar, op grond daarvan dat immers tevoren ootmoedig en vervoerd ja gezegd is tot God de Here’. In bepaalde gevallen kan men niet anders dan volstrekt neen zeggen. Ook radicaal omdat wij ons samen met deze vijanden van het geloof voor Gods rechterstoel weten. Een mogelijk onderscheid tussen de zonde en de zondaar is ‘sentimenteel, theoretisch en onbijbels. Er is geen zonde, die men van de zondaar kan aftrekken zodat er een onschuldige overblijft. Er is geen vijandschap, waarvan men de vijand kan ontdoen, en er blijft een vriend over’. De genoemde haat, ‘doorlouterd en brandend als Gods toorn, is een vorm van de liefde uit Mattheüs 5’. Het mag geen liefde heten als wij de openbare of persoonlijke ongerechtigheid vergoelijken. ‘Dat is juist: de ander loslaten en zichzelf prijsgeven. We zijn geroepen, we zijn het aan God en aan de “vijand” verplicht, die vijand vast te houden. Dat kan alleen door het volstrekte neen héén, gelijk God ons behoudt door het oordeel heen. Daarom is deze haat geen opgekropt gevoel, dat ontlading zoekt, maar een bevrijdend getuigenis’. 
Willem Barnard (geb. 1920)
In zijn Lofzang is geen luxe – Gepeins bij Psalmen (2005) schrijft deze taalminnaar en ‘lettervreter’ over zijn eerste ervaring bij het lezen van de gewraakte verzen. Bij nader inzien vertrouwt hij zijn eigen ervaring niet. De Here God is ‘in de laagte aan het ordenen. Daarboven voelt Hij zich niet verheven’. Psalm 139 verwijlt niet in de extase, maar smeekt ook om rechtvaardigheid in onze lage regionen. ‘Sla de boosdoeners, de vredeverstoorders, de ‘bloedmannen’, de gifmengers, het execrabele tuig (waarvan op ons allen, de hooggestemde bidder incluis, een onheilige fascinatie uitgaat)’. Zonder die haat kunnen we de rest van de Psalm niet echt, niet recht bidden. Daarbij bedenken we dat zowel haat als liefde in de bijbel weliswaar ‘een zaak van het hart is, maar dat het hart niet het centrum van het gevoel is, maar van de wil. Haten is dus wegwensen, maar meer dan dat: wegsturen, uit je nabijheid verwijderen, geen omgang ermee willen hebben’. Het is en blijft schokkend om deze weerbarstige verzen te lezen. Maar toch geldt: ‘wie vindt dat de psalm daarmee onaanvaardbaar wordt voor ons humanistisch besef, heeft de voorgaande achttien verzen niet goed gelezen. Want die gaan niet over onze biologische presentie alleen, maar vooral over onze menselijke, dat wil zeggen ethische existentie. Ik kan niet bestaan voor deze God, als ik niet inga tegen het onrecht, hoe vroom dan ook ingekleed’. 
Confessioneel 2008

5.446 Responses to 2008 Anders liggen (2)